Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Utrecht 241110 vraagstelling arbeidsdeskundig onderzoek naar vraag of betrokkene de functie van directeur zou hebben uitgeoefend

Rb Utrecht 241110 vraagstelling arbeidsdeskundig onderzoek naar vraag of betrokkene de functie van directeur zou hebben uitgeoefend

2.1.  [eiser] betoogt dat de redelijke verwachting bestaat dat hij, het ongeval weggedacht, tot zijn 65e de functie van directeur in het familiebedrijf zou hebben uitgeoefend. Registerarbeidsdeskundige R.E.E.M. Artoos heeft in deze zaak op 12 april 2007 aan de rechtbank gerapporteerd. Zij heeft op grond van haar onderzoek niet kunnen vaststellen of [eiser] de persoonlijke eigenschappen en capaciteiten heeft die nodig zijn voor het directeurschap. In haar rapport heeft Artoos aangegeven dat een onderzoek naar die capaciteiten en aanleg mogelijk is, dat zij op dit vlak ervaring heeft en dat zij in eerdere gevallen gebruik heeft gemaakt van de diensten van een bureau, waarbij door een gespecialiseerd psycholoog een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek is verricht. In het tussenvonnis van 13 oktober 2010 heeft de rechtbank overwogen dat zij met Artoos en ASR van oordeel is dat inzicht in de persoonlijke eigenschappen en capaciteiten van [eiser] cruciaal is voordat de rechtbank tot een oordeel kan komen over wat redelijkerwijs de loopbaanontwikkeling van [eiser] zou zijn geweest in de situatie zonder ongeval. In verband met haar voornemen om Artoos het hiervoor beschreven aanvullende onderzoek uit te (laten) voeren heeft de rechtbank in het tussenvonnis twee onderzoeksvragen geformuleerd en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over die vragen.

2.2.  De door de rechtbank in het tussenvonnis van 13 oktober 2010 geformuleerde onderzoeksvragen luiden als volgt:

1)  Beschikt [eiser] naar uw oordeel over zodanige persoonlijke eigenschappen en capaciteiten, dat hij waarschijnlijk directeur zou zijn geworden van het bedrijf waarvan zijn vader en broer directeur zijn, indien hem het ongeval niet was overkomen? Wilt u hierbij tevens ingaan op de mate van waarschijnlijkheid? Ter beantwoording hiervan kunt u indien nodig een psychodiagnostisch / psychotechnisch onderzoek laten uitvoeren door een daartoe gespecialiseerde psycholoog.
2)  Indien er vanuit wordt gegaan dat [eiser] geen directeur zou zijn geworden:
a)  Hoe zou de loopbaan van [eiser] naar uw oordeel waarschijnlijk zijn verlopen?
b)  Hoe zou naar uw inschatting zijn inkomensontwikkeling zijn geweest?

2.3.  In zijn akte van 17 oktober 2010 heeft [eiser] meegedeeld dat hij graag zou zien dat de door de rechtbank onder 1 geformuleerde vraag wordt genummerd als 1a en dat als vraag 1b wordt toegevoegd:

“Wilt u bij de beantwoording van vraag 1a mede de navolgende feiten/omstandigheden in aanmerking nemen:
-  dat [eiser] door zijn vader was voorbestemd om hem in het bedrijf als directeur op te volgen;
-  dat [eiser] zijn vooropleiding daarop had afgestemd;
-  dat [eiser] ten tijde van het ongeval al 25% van de aandelen van het bedrijf had verworven;
-  dat [eiser] ten tijde van het ongeval reeds daadwerkelijk in het bedrijf van zijn vader werkzaam was.”

2.4.  Met betrekking tot vraag 2a stelt [eiser] voor dat deze als volgt komt te luiden:

“Hoe zou de loopbaan van [eiser] naar uw oordeel waarschijnlijk zijn verlopen, gelet op zijn vooropleiding?”

2.5.  Bij akte van 27 oktober 2010 heeft ASR de rechtbank meegedeeld dat zij zich kan verenigen met de formulering van de rechtbank van de aan Artoos te richten aanvullende onderzoeksvragen. Voorts stelt ASR voor om het psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek op te dragen aan ofwel mevrouw N. Lijftogt te Hoorn, ofwel de heer A. Verdonk te Hilversum, ofwel mevrouw M.O.A. de Bijl te Nijmegen.

2.6.  De rechtbank is er bij het formuleren van de aan Artoos te stellen vragen van uitgegaan dat zij bij haar aanvullende onderzoek al haar bevindingen met betrekking tot [eiser], zoals beschreven in haar rapport van 12 april 2007, zal betrekken. De door [eiser] in 2.3 en 2.4 genoemde punten maken daarvan deel uit. Ter voorkoming van enig misverstand zal de rechtbank daarom zowel aan vraag 1 als aan vraag 2 een onderdeel van die strekking toevoegen (zie 2.9).

2.7.  Met betrekking tot de door ASR voorgestelde personen voor het door Artoos in gang te zetten psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek stelt de rechtbank vast dat ASR niet heeft toegelicht op grond waarvan zij meent dat dit onderzoek door een van de door haar genoemde personen zou moeten worden uitgevoerd. Voorts voert ASR niet aan dat zij met [eiser] heeft afgestemd wie van de door ASR genoemde personen door Artoos zou moeten worden benaderd, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat die afstemming niet heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan zal de rechtbank Artoos niet gelasten om het onder haar supervisie uit te voeren psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek te laten verrichten door een van de door ASR genoemde personen. In plaats daarvan laat de rechtbank het aan de beoordeling van Artoos zelf over wie zij daarvoor inschakelt.

2.8.  Artoos heeft zich op 18 november 2010 tegenover een griffiemedewerker van de rechtbank telefonisch bereid verklaard de benoeming te aanvaarden en aangegeven dat het een reële verwachting is dat zij haar onderzoek binnen vier maanden kan hebben afgerond. Ook heeft zij de rechtbank meegedeeld niet meer te beschikken over het door haar opgestelde rapport van 12 april 2007.

2.9.  Met inachtneming van het voorgaande zal Artoos worden verzocht over de volgende vragen te rapporteren:

1)  Beschikt [eiser], met inachtneming van de in uw rapport van 12 april 2007 weergegeven bevindingen, naar uw oordeel over zodanige persoonlijke eigenschappen en capaciteiten, dat hij waarschijnlijk directeur zou zijn geworden van het bedrijf waarvan zijn vader en broer directeur zijn, indien hem het ongeval niet was overkomen? Wilt u hierbij tevens ingaan op de mate van waarschijnlijkheid? Ter beantwoording hiervan kunt u indien nodig een psychodiagnostisch / psychotechnisch onderzoek laten uitvoeren door een daartoe gespecialiseerde psycholoog.
2)  Indien er vanuit wordt gegaan dat [eiser] geen directeur zou zijn geworden en met inachtneming van de in uw rapport van 12 april 2007 weergegeven bevindingen:
a)  Hoe zou de loopbaan van [eiser] naar uw oordeel waarschijnlijk zijn verlopen?
b)  Hoe zou naar uw inschatting zijn inkomensontwikkeling zijn geweest?

2.10.  Met betrekking tot de aan dit aanvullende onderzoek verbonden kosten heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 13 oktober 2010 reeds overwogen dat deze door ASR dienen te worden gedragen en dat zij bij wijze van voorschot aan haar in rekening zullen worden gebracht. LJN BO4963

Deze website maakt gebruik van cookies