Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBMNE 080622 6 weken omzetverlies ZZP-er; immateriele schade vanwege angst voor asbestbesmetting € 750,00 p.p.

RBMNE 080622 verhuurder niet, aannemer en onderaannemer wél aansprakelijk voor schade door vrijkomen asbest bij sloop keuken
- 6 weken omzetverlies ZZP-er; immateriele schade vanwege angst voor asbestbesmetting € 750,00 p.p.

Waar gaat het om?

2.1.
[eisers] huurt sinds oktober 2003 van [gedaagde A] de woning aan de Pippelingstraat 20 in Utrecht. Omdat de keuken in de woning verouderd was, heeft [gedaagde A] besloten om de keuken te laten vervangen. Daarvoor heeft zij [gedaagde B] ingeschakeld. [gedaagde B] heeft op haar beurt aan [gedaagde C] opdracht gegeven om de keuken te slopen.

2.2.
Op 9 oktober 2019 is [gedaagde C] gestart met de sloop van de keuken. Bij het verwijderen van de wandtegels van de keuken werden twee platen zichtbaar, waarvan later is gebleken dat deze asbest bevatten. Tijdens de sloop zijn deze platen beschadigd en is asbest vrijgekomen. [eiser A] c.s heeft de woning tijdelijk moeten verlaten en ontruimen om [gedaagde A] de gelegenheid te geven de woning grondig schoon te laten maken door een professioneel schoonmaakbedrijf.

2.3. [eisers] stelt [gedaagde A] , [gedaagde B] en [gedaagde C] aansprakelijk voor de (gevolg)schade die hij heeft geleden door het vrijkomen van de asbest. Hij vordert in deze procedure immateriële schadevergoeding voor de vrees van gezondheidsschade (€ 4.500,00) en materiële schadevergoeding voor de gemiste inkomsten van de heer [eiser B] in de periode van 10 oktober 2019 tot en met 3 februari 2020 (€ 9.600,00). [gedaagde A] , [gedaagde B] en [gedaagde C] betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor deze schade en voeren - kort gezegd - aan dat zij voldoende maatregelen hebben getroffen om het vrijkomen van asbest te voorkomen. Ook betwisten zij het bedrag van de schade die [eisers] stelt geleden te hebben.

3.
De beoordeling

Aansprakelijkheid
Ten aanzien van [gedaagde A]

3.1.
[eisers] stelt [gedaagde A] op grond van artikel 7:208 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk voor de door hem geleden schade. Hiervoor is nodig dat er sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Het gebrek zou volgens [eisers] gelegen zijn in 1) de aanwezigheid van asbesthoudende platen in de woning en 2) het vrijkomen van asbest bij het slopen van de keuken.

De aanwezigheid van asbest
3.2.
Eerst moet worden vastgesteld of de enkele aanwezigheid van asbest in de woning een gebrek oplevert. Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak (artikel 7:204 lid 2 BW). De huurder mag bij het aangaan van de huurovereenkomst verwachten dat het gehuurde geschikt is voor normaal gebruik. In dit geval is niet gebleken dat de enkele aanwezigheid van de asbesthoudende platen het normaal gebruik van de keuken heeft aangetast. De platen zaten achter een tegelwand die niet zomaar beschadigd raakt bij normaal gebruik van de keuken. In tegenstelling tot wat [eisers] stelt, is het niet voor de hand liggend dat een huurder in een tegelwand gaten boort en hoeft een verhuurder daar ook niet zonder meer rekening mee te houden.
Onvoldoende aannemelijk is dan ook geworden dat [eisers] door de enkele aanwezigheid van de platen niet het gebruikelijke genot van de keuken heeft gehad. De enkele aanwezigheid van de platen in de woning kan daarom niet als een gebrek worden aangemerkt.

Het vrijkomen van asbest
3 .3.
Tussen [eisers] en [gedaagde A] staat niet ter discussie dat het vrijkomen van asbest bij het slopen van de keuken een gebrek is. De vraag is of [gedaagde A] de als gevolg daarvan ontstane schade van [eisers] moet vergoeden. Omdat het gebrek na het aangaan van de huurovereenkomst is ontstaan, is [gedaagde A] op grond van artikel 7:208 BW verplicht de door dit gebrek veroorzaakte schade te vergoeden wanneer het gebrek aan haar is toe te rekenen. De vraag die dus beantwoord moet worden is of het vrijkomen van asbest aan [gedaagde A] is toe te rekenen.

3.4.
Volgens [eisers] is het gebrek aan [gedaagde A] toe te rekenen omdat [gedaagde A] voorafgaand aan de werkzaamheden onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen zoals het (laten) uitvoeren van een asbestinventarisatie. Daardoor heeft zij haar (zorg)verplichtingen tegenover [eisers] geschonden. [gedaagde A] betwist dat zij onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen.
3.5.
Vanuit juridisch oogpunt kan in het midden blijven of voorafgaand aan de werkzaamheden een asbestinventarisatie noodzakelijk of aangewezen was. Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan, partijen zijn het hierover eens, dat bij een visuele inspectie in de woning de asbesthoudende platen niet zouden zijn gesignaleerd. Deze zaten achter een tegelwand en waren zodoende niet zichtbaar. Een visuele inspectie had het vrijkomen van asbest dus niet kunnen voorkomen. Voor zover [eisers] heeft bedoeld te stellen dat er bij werkzaamheden als deze voorafgaand aan de uitvoering ook destructief onderzoek had moeten plaatsvinden, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken van specifieke omstandigheden die aanleiding gaven om in de woning van [eisers] een dergelijk destructief onderzoek te (laten) verrichten. Evenmin is uiteengezet hoe een dergelijk onderzoek dan precies had moeten worden uitgevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde A] toegelicht dat zij zich bewust is van de risico's van asbest en juist daarom een eigen asbestbeleid opvolgt. [eisers] heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke maatregelen [gedaagde A] in dit geval had moeten nemen om het vrijkomen van asbest te voorkomen.
3.6.
Gelet op het bovenstaande kan niet worden geconcludeerd dat het vrijkomen van asbest aan [gedaagde A] is toe te rekenen.

Ten aanzien van [gedaagde B]
3. 7.
[eisers] stelt [gedaagde B] op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden. Hij verwijt [gedaagde B] dat zij voorafgaand aan de werkzaamheden geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van asbest.
3.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is van onrechtmatig handelen van [gedaagde B] niet gebleken. [eisers] heeft niet concreet gemaakt waarom het op de weg van [gedaagde B] lag om een asbestinventarisatie uit te voeren. Bovendien had, zoals ook al in 3.5 is overwogen, een visuele inspectie er niet toe geleid dat de asbest was geconstateerd en is evenmin gebleken dat een destructieve inspectie nodig was. [gedaagde B] kan op deze grond dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor het vrijkomen van asbest.

Ten aanzien van [gedaagde C]
3.9.
Ook [gedaagde C] wordt door [eisers] aansprakelijk gehouden op grond van artikel 6: 162 BW. Volgens [eisers] heeft [gedaagde C] voor en tijdens de sloopwerkzaamheden onvoldoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat asbest in de woning vrij zou komen. Voorts heeft [gedaagde C], toen bij de uitvoering van de werkzaamheden de asbesthoudende platen zichtbaar werden, haar werkzaamheden niet meteen gestaakt maar is zij daarmee doorgegaan waardoor asbest zich in de woning heeft kunnen verspreiden. Daardoor heeft [gedaagde C] volgens [eisers] onrechtmatig gehandeld.

3. l 0.
Voor beoordeling van de vraag of [gedaagde C] wel of niet onrechtmatig heeft gehandeld, is van belang of [gedaagde C] heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in een vergelijkbare situatie te werk zou zijn gegaan. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3. 11 .
Voor wat betreft het aan [gedaagde C] gemaakte verwijt dat zij geen asbestinventarisatie heeft uitgevoerd verwijst de kantonrechter naar wat hij hierboven in 3.5 en 3.8 heeft overwogen. [gedaagde C] kan vanwege dat verwijt niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [eisers] stelt te hebben geleden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde C] echter wel onrechtmatig gehandeld door niet op tijd met de (sloop)werkzaamheden in de keuken te stoppen. Daarbij is het volgende van belang. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde C] verklaard dat zij asbesttrainingen geeft aan haar werknemers. Haar werknemers kunnen dus, zo mag worden aangenomen, asbesthoudend materiaal herkennen. Ook in dit geval mocht daarom worden verwacht dat de werknemers van [gedaagde C] de asbest c.q. de asbesthoudende platen meteen hadden herkend en dat zij ogenblikkelijk met de sloopwerkzaamheden waren gestopt om (verdere) verspreiding van asbest tegen te gaan. Dit is niet gebeurd. Op de asbesthoudende platen waren rechtstreeks tegels aangebracht die [gedaagde C] heeft verwijderd. Uit de overgelegde foto's blijkt dat alle tegels van de platen zijn verdwenen. Dit betekent dat [gedaagde C] met haar werkzaamheden is doorgegaan terwijl de platen al voldoende zichtbaar waren en zij dus had kunnen zien dat de platen asbesthoudend waren. In elk geval had [gedaagde C], deskundig op haar vakgebied, kunnen zien dat de platen mogelijk asbest zouden bevatten en ook in dat geval had zij haar werkzaamheden meteen moeten staken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde C] aangevoerd dat alle tegels op de platen tegelijkertijd loskwamen en dat uit de foto's daarom niet kan worden afgeleid dat zij met haar werkzaamheden is doorgegaan toen de platen al zichtbaar waren. Dit heeft zij echter niet onderbouwd en dit acht de kantonrechter ook niet meteen aannemelijk. Hierbij komt dat [gedaagde C] na het verwijderen van alle tegels het puin heeft opgeruimd en heeft verplaatst naar buiten de woning, terwijl zij naar eigen zeggen op dat moment al contact had opgenomen met [gedaagde B] over de mogelijke aanwezigheid van asbest in de keuken. Op het moment dat [gedaagde C] (mogelijk) asbest signaleert, ligt het op haar weg om te voorkomen dat asbest vrijkomt of zich verspreid en had zij het puin niet moeten opruimen en verplaatsen. Door dit laatste wel te doen (dit is door [gedaagde C] niet betwist) heeft asbest zich naar het zich laat aanzien door de woning kunnen verspreiden. Dit verklaart ook waarom, zo staat vast, de hele woning schoon gemaakt moest worden en ook meubelstukken uit de woning afgevoerd moesten worden.

3.12.
Conclusie is dat [gedaagde C] onvoldoende vakbekwaam te werk is gegaan en daardoor tegenover [eisers] onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betekent dat [gedaagde C] c.s. de daardoor door [eisers] geleden schade moeten vergoeden. Op het bedrag van de te vergoeden schade wordt hierna in dit vonnis ingegaan.
Zijn [gedaagde A] en [gedaagde B] op grond van artikel 6: 171 BW aansprakelijk?

3.13.
Nu is geconcludeerd dat [gedaagde C] tegenover [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of [gedaagde A] en [gedaagde B] langs de weg van artikel 6: 171 BW (aansprakelijkheid voor niet ondergeschikten) eveneens voor die schade aansprakelijk zijn. Op grond van dit artikel kan een opdrachtgever aansprakelijk zijn voor fouten van een opdrachtnemer bij de uitvoering van werkzaamheden die de opdrachtnemer verricht ter uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. Beoordeeld moet daarom worden of de sloopwerkzaamheden van [gedaagde C] zijn verricht ter uitvoering van het bedrijf van de opdrachtgever, in dit geval dus [gedaagde B], van wie [gedaagde A] op haar beurt de opdrachtgever is.

Ten aanzien van [gedaagde B]
3 .14.
De sloopwerkzaamheden die [gedaagde C] heeft uitgevoerd zijn in de opvatting van de kantonrechter werkzaamheden die zijn verricht ter uitoefening van het bedrijf van [gedaagde B]. Beide bedrijven voeren aannemingswerkzaamheden uit. Dit wordt door [gedaagde B] ook niet betwist. De aannemingswerkzaamheden van [gedaagde B] en van [gedaagde C] liggen niet zo ver uit elkaar dat een buitenstaander dit onderscheid zelfstandig zou maken. [gedaagde B] had de sloopwerkzaamheden op zich zelf genomen ook zelf kunnen uitvoeren. [gedaagde B] is daarom als opdrachtgever van [gedaagde C] aansprakelijk voor de door [gedaagde C] begane fout.

Ten aanzien van [gedaagde A]
3.15.
Volgens [eisers] zijn de door [gedaagde C] verrichte sloopwerkzaamheden onderdeel van de bedrijfsvoering van [gedaagde A] vanwege het eigen asbestbeleid dat [gedaagde A] kent. [eisers] stelt dat [gedaagde A] in haar asbestbeleid vermeldt dat zij als gebouweigenaar opdrachtgever
van derden is. Door dit beleid mag er volgens [eisers] vanuit worden gegaan dat de door [gedaagde A] ingeschakelde partijen asbest kunnen herkennen en daarmee juist omgaan en dat [gedaagde A] zich het belang daarvan aantrekt. Dit asbestbeleid leidt tot een vereenzelviging van [gedaagde A] met de aannemingswerkzaamheden van [gedaagde B] en [gedaagde C] (aldus [eisers]).

3 .16. [gedaagde A] verhuurt (sociale) woningen. Het feit dat [gedaagde A] opdrachten geeft aan derden betekent niet dat, zoals in dit geval, het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden tot de uitoefening van het bedrijf van [gedaagde A] behoort. Dat zou mogelijk anders zijn als [gedaagde A] in voorkomend geval ook zelf bouw en/of sloopwerkzaamheden zou uitvoeren. Dat is echter niet gesteld of gebleken. Het asbestbeleid van [gedaagde A] , waarin [gedaagde A] tot uiting brengt het risico van asbest te onderkennen en als verhuurder de nodige voorzichtigheid in acht te nemen als het gaat om de mogelijke aanwezigheid van asbest in haar woningen, maakt niet dat [gedaagde A] op grond van artikel 6: 171 BW verantwoordelijkheid gaat dragen voor eventuele (asbest) fouten van aannemers en onderaannemers. Die hebben een zelfstandige taak gebaseerd op hun eigen deskundigheid. De werkzaamheden van [gedaagde B] en [gedaagde C] zijn zodoende niet verricht ter uitoefening van het bedrijf van [gedaagde A] . [gedaagde A] is op deze grond daarom niet aansprakelijk voor de fouten van [gedaagde B] of [gedaagde C].

Conclusie
3.17.
Gelet op het bovenstaande zijn [gedaagde B] en [gedaagde C] ieder aansprakelijk voor de door [eisers] door het vrijkomen van asbest geleden schade. [gedaagde A] daarentegen niet. De vordering voor zover ingesteld tegen [gedaagde A] zal daarom worden afgewezen .

Schade
3 .18.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [eisers] schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt en zo ja tot welk bedrag.

Immateriële schade: vrees voor gezondheidsschade
3 .19.
Op grond van artikel 6: 106 onder b BW kan een benadeelde recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [eisers] doet een beroep op de laatste categorie. Hij stelt dat de vrees om later mogelijk ziek te worden door de blootstelling aan asbest (juridisch geformuleerd) een aantasting is van zijn persoon. [eisers] vordert voor de vrees voor het ontstaan van gezondheidsschade een vergoeding van € 1.500,00 per persoon, dus in totaal € 4.500,00.

3.20.
Van een aantasting in de persoon is in ieder geval sprake wanneer de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Niet is gebleken dat [eisers] geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de blootstelling aan asbest. De door [eisers] overgelegde journaalregels van de huisarts van de heer [eiser B] zijn niet voldoende om dat aan te nemen. Daarmee wordt niet bedoeld dat de gevolgen van de gebeurtenissen en de angstgevoelens die daarmee gepaard kunnen gaan zijn te onderschatten. Alleen dat in juridische zin de lat voor immateriële schadevergoeding hoog ligt.

3.21.
Wanneer er geen sprake is van geestelijk letsel, dan kunnen de ernst van de normschending en de ernstige gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat er sprake is van een aantasting in de persoon. In beginsel zal degene die zich hierop beroept dit met concrete gegevens moeten onderbouwen. In het geval dat de nadelige gevolgen van de normschending zo voor de hand liggen, kan aantasting in de persoon ook worden aangenomen.1 [eisers] heeft de aantasting in de persoon niet zozeer met gegevens onderbouwd. Daarom moet beoordeeld worden of de ernst van de normschending met zich meebrengt dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

3.22.
De norm die [gedaagde C] heeft geschonden bestaat eruit dat zij niet is gestopt met de sloopwerkzaamheden op het moment dat zij de asbesthoudende platen had kunnen en moeten herkennen en dat zij daarna het puin nog heeft opgeruimd waardoor asbest zich (verder) in de woning heeft kunnen verspreiden. Door dit onrechtmatig handelen van [gedaagde C] is [eisers] blootgesteld aan asbest omdat hij in ieder geval enige tijd, voordat het resultaat van de asbestinventarisatie van Boot bekend was, in de woning is geweest. Het is bekend dat blootstelling aan asbest op de langere termijn tot ziekteverschijnselen kan leiden.

Daarmee staat de normschending en de ernst daarvan vast. De voor [eisers] nadelige gevolgen hiervan, namelijk de vrees om later misschien ziek te worden, liggen daarbij ook voor de hand. Het is aannemelijk en ook begrijpelijk dat [eisers] die vrees heeft, omdat bekend is dat blootstelling aan asbest risico's inhoudt. Er is dus sprake van een aantasting van de persoon zoals bedoeld in artikel 6: 106 onder b BW op grond waarvan immateriële schadevergoeding toewijsbaar is. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat gedaagden geen zichtbare aandacht hebben getoond voor ook de emotionele aspecten die deze zaak voor [eisers] hebben. De kantonrechter stelt de immateriële schadevergoeding vast op € 750,00 per persoon. In totaal zal dus een bedrag van€ 2.250,00 aan immateriële schadevergoeding worden toegewezen.

Materiële schade: gederfde inkomsten
3.23.
Verder vordert [eisers] een vergoeding van € 9.600,00 voor gederfde inkomsten van [eiser B]. [eiser B] is steigerbouwer op zzp-basis. In de periode van 10 oktober 2019 tot en met 3 februari 2020 heeft [eiser B] geen werkzaamheden kunnen verrichten. Volgens [eisers] is [eiser B] ziek geworden door alle stress die het vrijkomen van asbest bij hem en zijn gezinsleden heeft veroorzaakt en ook door het moeten ontruimen van de woning en het daarna weer inrichten ervan. Hij heeft veel moeten regelen om de woning weer gereed te maken voor bewoning en ook daardoor was hij feitelijk niet beschikbaar voor zijn werk als steigerbouwer.

3.24.
Hoewel [eisers] niet heeft uitgewerkt dat de ziekte van [eiser B] het gevolg is geweest van de hierboven genoemde stressfactoren (er zijn geen medische stukken overgelegd) is het voldoende aannemelijk geworden dat alle tijd en inspanningen die nodig zijn geweest om de woning weer bewoonbaar te maken ten koste zijn gegaan van [eiser B]'s mogelijkheden om als zzp'er inkomsten te verdienen. Ook is het zonder meer aannemelijk dat de gebeurtenissen bij [eisers] en dus ook bij [eiser B] voor stress hebben gezorgd en dat het dan niet meteen mogelijk is weer steigerwerkzaamheden te gaan verrichten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser B] toegelicht dat hij veel tijd heeft moeten besteden aan het weer bewoonbaar maken van de woning. Dit moest bovendien snel gebeuren omdat [eisers] de calamiteitenwoning die [gedaagde A] ter beschikking had gesteld weer uit moest. Ook tijdens de sanering van de woning heeft [eiser B], zo heeft hij uitgelegd, veel tijd moeten besteden aan overleg met [gedaagde A] en de asbestsaneerder. Gedaagden hebben aangevoerd dat de herinrichtingswerkzaamheden aan de woning niet ten koste hoefden te gaan van [eiser B]'s werk als steigerbouwer. [eiser B] had het bewoonbaar maken van de woning volgens hen ook over kunnen dragen aan zijn vrouw en dochter of in de avonduren kunnen doen. Dit acht de kantonrechter in de omstandigheden van het geval geen valide argument. Gedaagden hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de door [eisers] opgevoerde schade gederfde omzet betreft terwijl alleen gederfde winst als schade kan worden aangemerkt. Bij een zzp'er liggen omzet en winst in het algemeen echter dicht bij elkaar (een zzp'er heeft in het algemeen geen grote kosten die ten laste van de omzet komen). Hierbij komt dat gedaagden niet hebben onderbouwd welke kostenposten [eiser B] zich in de betreffende periode zou hebben bespaard. Dit betekent dat de hier genoemde verweren van gedaagden geen doel treffen.

3.25.
[eisers] heeft schade geleden omdat [eiser B] in elk geval een tijd lang niet heeft kunnen werken. Voldoende aannemelijk is dat stressfactoren daaraan hebben bijgedragen en ook heeft [eiser B] de woning weer bewoonbaar moeten maken (zie hierboven 3.24). Daarmee staat het causaal verband met het vrijkomen van asbest vast. Op grond van artikel 6:97 BW mag de kantonrechter de schade schatten, zoals [eisers] heeft betoogd, en de kantonrechter zal dit ook doen.

3.26. De schade zal worden vastgesteld op zes weken aan gederfde inkomsten. Vast staat dat [eiser B] gemiddeld € 30,00 (inclusief btw) per uur declareert. Dit komt voor zes weken neer op een bedrag van € 7.200,00 (inclusief btw) bij een werkweek van 40 uur. Omdat [eiser B] btw kan verrekenen en de btw dus geen schade vormt zal de btw van dit bedrag worden afgetrokken. Dit bekent dat € 5.950,41 aan schadevergoeding zal worden toegewezen.

Wettelijke rente
3.27.
[eisers] vordert wettelijke rente vanaf9 oktober 2019. Wettelijke rente is op grond van artikel 6: 119 lid 1 BW verschuldigd wanneer de schuldenaar in verzuim is met de betaling. [eisers] heeft niet onderbouwd waarom [gedaagde B] en [gedaagde C] vanaf die datum in verzuim zijn. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding ( 10 september 2021 ).

Buitengerechtelijke incassokosten
3.28.
[eisers] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eisers] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Het toe te wijzen bedrag wordt vastgesteld conform het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en komt zodoende uit op € 785,02.

Proceskosten

3.29.
Ten aanzien van [gedaagde A] is [eisers] de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten aan de kant van [gedaagde A] worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden deze proceskosten vastgesteld op€ 746,00 (2 punten x€373,00) aan salaris gemachtigde.

3.30.
Ten aanzien van [gedaagde B] en [gedaagde C] zijn zij de partijen die ongelijk hebben gekregen. Zij zullen daarom in de proceskosten aan de kant van [eisers] worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden deze proceskosten vastgesteld op: - dagvaarding € 136,67
- griffierecht € 507,00
- salaris gemachtigde € 746 00 (2 punten x tarief€ 373,00) Totaal € 1.389,67

Hoofdelijkheid
3.31.
[eisers] vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden. Hoofdelijk wil zeggen dat elk van de gedaagden (in dit geval [gedaagde B] en [gedaagde C]) voor de betaling verantwoordelijk is, met dien verstande dat wanneer de één betaalt de ander dat niet meer hoeft te doen. Omdat [gedaagde B] en [gedaagde C] ieder een verplichting hebben tot vergoeding van dezelfde schade, zijn zij op grond van artikel 6: 102 lid 1 BW hoofdelijk verbonden. De gevorderde hoofdelijke veroordeling is dus toewijsbaar.

Met dank aan de heer mr. H. de Jager, DAS Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2022/RBMNE-080622

Eerder al op het LSA Letselschade Magazine, nu ook op rechtspraak.nl:ECLI:NL:RBMNE:2022:2947

Deze website maakt gebruik van cookies