Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 060819 ernstig letsel linker schouder, wervelkolom en beide benen bigp 41%; € 50.000 lijkt rb voldoende mede met het oog op smartengeldgids

RBLIM 060819 letsel na val van 12 meter; geen aanvullend voorschot, wel vergoeding meerkosten van op scootmobiel aangepaste 4-persoons auto;
- ernstig letsel linker schouder, wervelkolom en beide benen bigp 41%; € 50.000 lijkt rb voldoende mede met het oog op smartengeldgids;
- kosten verzocht en toegewezen 22 uur x € 225,00 + 6% + 21 % = € 6.348,87

in vervolg op rb-maastricht-311208-werkneemster-valt-12-meter-door-gipsplaatplafond-fouten-in-rie-voor-rek-wg-er

Smartengeld

4.10.
Bij de begroting van immateriële schade die een persoon als gevolg van lichamelijk letsel heeft opgelopen dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor die persoon. De rechter dient bij zijn begroting ook te letten op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, en de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. De rechter kan daarbij letten op de ontwikkelingen in ander landen met betrekking tot toegekende bedragen, maar deze ontwikkelingen zijn niet beslissend voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

4.11.
[verzoekster] heeft op jonge leeftijd, zij was ten tijde van het ongeval 31 jaar, ernstig letsel opgelopen aan haar linker schouder, haar wervelkolom en beide benen en er is bij haar sprake van een blijvende invaliditeit van 41% van de gehele mens. In de door partijen genoemde, vergelijkbare zaken (nrs. 111, 114, 121, 122 en 124 van de Smartengeldgids 2019) zijn, rekening houdend met de geldontwaarding, bedragen aan smartengeld toegekend van respectievelijk € 33.815,-, € 36.152,-, € 49.928,-, € 51.042,- en € 56.362,-. De rechtbank is van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is dat HDI aansprakelijk is voor een hoger bedrag aan smartengeld dan het daarop reeds uitgekeerde voorschot van € 50.000,-, gezien de in de vergelijkbare zaken toegekende bedragen. Het betoog van [verzoekster] dat rekening moet worden gehouden met veranderende opvattingen over smartengeld kan aan dat oordeel niet afdoen. Van een daadwerkelijke verandering in de rechtsopvatting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende sprake. Maar ook als daarvan wel sprake zou zijn, geldt dat daarmee niet zonder meer aannemelijk is dat HDI aansprakelijk zou zijn voor een hoger bedrag aan smartengeld dan het daarop reeds uitgekeerde voorschot. [verzoekster] zelf verwijst immers in dat kader alleen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het smartengeld met 10% is verhoogd naar aanleiding van de kritiek in de literatuur over te lage smartengeldbedragen. Van een ontwikkeling waarbij ruim twee keer zo hoge bedragen aan smartengeld zouden moeten worden uitgekeerd, zoals [verzoekster] lijkt te willen betogen, is in ieder geval geen sprake en een dergelijke, ingrijpend veranderde rechtsopvatting zou in verband met de rechtszekerheid niet zonder meer met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast op schade veroorzaakt door een anterieur ongeval. De slotsom is dat de rechtbank het primaire verzoek onder d. zal afwijzen. Gezien rov. 4.2, geldt hetzelfde voor het subsidiaire verzoek onder d.

ECLI:NL:RBLIM:2019:7973