Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Oost-Brabant 140916 smartengeld bij zeer complexe beenbreuk met 5 operaties, een jaar in een rolstoel,en 8 % blijvende invaliditeit: € 15.000,00

Rb Oost-Brabant 140916 hoofdelijke aansprakelijkheid voor schoppen van weerloos, op de grond liggend slachtoffer en door dader niet van dit handelen te weerhouden; eigen schuld 20%. 
- smartengeld bij zeer complexe beenbreuk met 5 operaties, een jaar in een rolstoel,en 8 % blijvende invaliditeit: € 15.000,00 

schadebegroting op basis van urenverlies in eigen werk: van 40 naar 32,5 uur bij ernstig beenletsel
- huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid onvoldoende aangetoond bij ernstig beenletsel

5.15.

Immateriële schade

5.15.1.
[A] heeft in verband met de gevolgen die de mishandeling voor hem heeft gehad onder verwijzing naar de nummers 105,111 en 118 van de Smartengeldgids, betrekking hebbend op smartengeld dat na een ongeval is toegekend, een bedrag aan immateriële schadevergoeding gevorderd van € 45.000,00. [A] heeft daartoe gesteld dat hij als gevolg van de mishandeling zijn hobby’s hardlopen en wandelen niet meer kan uitoefenen en ook niet langer lid kan zijn van het bestuur van een carnavalsvereniging en van de Raad van Elf. Daarnaast heeft hij gesteld dat hij psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van de mishandeling, bijna een jaar in een rolstoel heeft gezeten, pas na de zomer van 2012 zonder krukken kon lopen en gedurende twee jaar klachten heeft ervaren die horen bij een 
schedel-/hersentrauma.
[B] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat het vaststellen van smartengeld geen rekenkundig onderdeel is en dat het ophogen van in de Smartengeldgids gevonden bedragen niet aan de orde is.
[C] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat de door [A] ter onderbouwing van zijn vordering aangehaalde uitspraken niet zonder meer representatief zijn voor en vergelijkbaar zijn met de situatie van [A] . [C] heeft voor de bepaling van de immateriele schade verwezen naar de nummers 700, 705 en 706 van de Smartengeldgids, betrekking hebbend op smartengeld dat na mishandeling is toegekend.
[B] en [C] hebben de omstandigheden die volgens [A] bij de bepaling van de immateriële schadevergoeding in aanmerking moeten worden genomen, niet weersproken zodat ook de rechtbank van die omstandigheden uit zal gaan. Gegeven de aard en ernst van het letsel van [A] , het feit dat dit is toegebracht terwijl hij weerloos op de grond lag, het aantal operaties dat [A] in de loop van een aantal jaren als gevolg daarvan heeft moeten ondergaan met de langdurige revalidatie die daarop is gevolgd en de beperkingen die hij als gevolg van het letsel ondervindt, kan worden aangenomen dat [A] als gevolg van de mishandeling zowel in zijn arbeidsleven als in zijn persoonlijk leven immateriële schade heeft ondervonden en nog zal ondervinden. Genoemde omstandigheden in aanmerking nemend en acht slaand op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen van mishandeling zijn toegekend, zonder daarbij voorbij te gaan aan de signalen uit de rechtswetenschap dat de vergoeding voor immateriële schadevergoeding in Nederland ten opzichte van het buitenland de afgelopen decennia uit de pas is gaan lopen en dat, als geldontwaarding volledig verdisconteerd zou zijn, zelfs sprake is van een achteruitgang in de hoogte ervan, begroot de rechtbank de immateriële schade op € 15.000,00. Een bedrag van € 5.000,00 is al vergoed (zie hiervoor onder 3.10 en 3.11).

5.16.
[B] heeft zich beroepen op eigen schuld van [A] omdat [A] zich niet had moeten mengen in de duw- en trekpartij van zijn broer [broer van A] en [  ]. Volgens [B] is het ontstaan van de vechtpartij mede het gevolg van de bijdrage van [A] omdat na zijn inmenging en mede door zijn optreden pas een vechtpartij ontstond. Zeker het gedrag van [A] , die de eerste klap uitdeelde, om zich daarna niet te distantiëren maar achter [C] aan te gaan waardoor de voor [A] fatale vechtpartij is ontstaan waarbij hij letsel heeft opgelopen, levert eigen schuld op in de zin van artikel 6:102 lid 2 jo 6:101 BW.
Volgens [C] had [A] zich niet met het opstootje tussen zijn broer, [B] en [C] moeten bemoeien en heeft [A] door, nadat hij door [B] was geslagen, achter [C] aan te gaan en hem uit te dagen tot een vechtpartij, bewust de mogelijkheid geaccepteerd dat hij zelf letsel op zou lopen.

5.16.1.
[A] heeft hiertegen aangevoerd dat er geen sprake is van eigen schuld los van het feit of [A] het opstootje nu heeft gesust of zich met het opstootje heeft bemoeid en brengt de omstandigheid dat [A] achter [C] is aangegaan nog niet mee dat hij een eigen aandeel heeft gehad in de schade die is ontstaan.

5.16.2.
Uit de aangifte van [A] (zie hiervoor onder 3.2) volgt dat [A] zich niet alleen heeft bemoeid met een opstootje tussen zijn broer [broer van A] en [C] maar dat hij nadat [C] kennelijk weg liep, achter [C] is aangelopen en met hem in gevecht is geraakt. Hieruit volgt dat [A] de fysieke confrontatie met [C] ook heeft opgezocht en aldus het risico heeft genomen dat als gevolg van op hem uitgeoefend fysiek geweld letsel zou oplopen. [A] heeft aldus bijgedragen aan het ontstaan van zijn schade. De bijdrage van [B] en [C] is echter groter nu de schoppen door [C] zijn uitgedeeld terwijl [A] weerloos op de grond lag en de confrontatie feitelijk voorbij was. De verhouding van ieders aandeel in de schade bedraagt 20% voor [A] en 80% voor [B] en [C] .

5.17.
De zaak zal voor akte zijdens [A] als hiervoor bedoeld onder 5.8.10. naar de rol worden verwezen. [B] en [C] zullen daarna de gelegenheid krijgen om bij antwoordakte op die akte te reageren.

ECLI:NL:RBOBR:2016:5083