Artikelen

Hof Den Haag 221107 Gemeente Rotterdam 100% aansprakelijk voor tramongeval met voetganger

Hoofdcategorie: Verkeersaansprakelijkheid
Categorie: Tram, trein, metro, bus, boot en vliegtuig ongevallen

 

Hof Den Haag 221107 Gemeente Rotterdam 100% aansprakelijk voor tramongeval met voetganger

Uitspraak: 22 november 2007
Rolnummer: 06/079
Zaak-/Rolnr. rechtbank: 2162821 HA ZA 04-1301
HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer,
heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
1. X,
2. Y,
beiden wonende te Rotterdam,
appellanten in het principaal appel,
geïntimeerden in het incidenteel appel,
hierna te noemen: appellante sub 1 "de vrouw", appellant sub 2 "de man",
appellanten gezamenlijk "XY c.s.",

procureur: mr. R. Schoemaker,

tegen
GEMEENTE ROTTERDAM,
zetel houdende te Rotterdam,
geïntimeerde In het principaal appel,
appellante in het incidenteel appel,
hierna te noemen: de Gemeente,
procureur: mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding
Bij exploot vah 6 juni 2005 zijn XY c.s. in hoger beroep gekomen van het
vonnis van 13 april 2005, door de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen
partijen. Bij memorie van grieven (met producties) hebben XY c.s. zestien
grieven tege het vonnis aangevoerd, die door de Gemeente bij memorie van
antwoord, tevens incidenteel appel zijn bestreden. Harerzijds heeft de Gemeente
daarbij één grief tegen het vonnis opgeworpen, waarop XY c.s. bij memorie
van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende verzoek tot plaatsopneming/
descente ex artikel 201 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
heeft gereageerd. XY c.s. hebben vervolgens een akte indiening producties
genomen, waarbij zij één productie in het geding hebben gebracht. De
Gemeente heeft daarop bij akte uitlating productie gereageerd en harerzijds drie
producties in het geding gebracht, waarna XY c.s. bij akte nog een drietal
producties hebben overgelegd.
Partijen hebben hun zaak vervolgens aan de hand van schriftelijke pleitnotites
voor dit hof doen bepleiten, XY c.s. door hun procureur en de Gemeente
door mr. J. Schep, advocaat te Apeldoorn. Daarbij hebben XY c.s. een
filmopname op een DVD getoond en is door de Gemeente nog een akte met
producties in het geding gebracht, welke aan XY c.s. en het hof op
voorhand was toegezonden.
Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep
Niet is opgekomen tegen de door de rechtbank in haar vonnis onder 2.1 en 2.2
opgenomen feiten, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Wel hebben XY c.s.
grieven gericht (grieven 1, 2 en 8) tegen enkele overwegingen zoals die door de
rechtbank onder 2.3 en 2.4 van haar vonnis als vaststaand zijn aangenomen.
Met inachtneming van het in die grieven gestelde en hetgeen overigens uit de in
zoverre niet b streden producties blijkt, gaat het in deze zaak om het volgende.
1. Op 17 augustus 2002 heeft omstreeks 11.50 uur op de Coolsingel te
Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen XY c.s. als
voetgangers en een tram van het (toenmalig) Gemeentelijk Vervoerbedrijf
Rotterdam RET. Deze tram werd ten tijde van de aanrijding bestuurd door
P.C. "de trambestuurder", die toen in dienst was van de Gemeente. Vlak voor de
aanrijding waren XY c.s. de oostelijke rijbaan van de Coolsingel via
het zebrapad overgestoken om hun weg te vervolgen via het zebrapad
over e westelijke rijbaan van de Coolsingel. Zij liepen achter een aantal
andere voetgangers, die doende waren over te steken en zich bevonden
op he verhoogde middengedeelte dat een onderbreking vormt van de
beide zebrapaden en waarin de tramrails liggen. "de trambestuurder" heeft bij het
naderen van de overstekende voetgangers een bel signaal gegeven en
daarna een noodremming ingezet met constant belsignaal. Een aanrijding
met Ulehberg c.s., die toen op het verhoogde middengedeelte liepen, kon
evenwe niet worden voorkomen. XY c.s. hebben tengevolge
daarvan (ernstig) letsel opgelopen.
2. XY c.s. hebben voor de rechtbank gevorderd te verklaren voor recht
dat de Gemeente aansprakelijk is voor alle door hen ten gevolge van het
ongeval geleden schade, nader op te maken bij staat, alsmede de
Gemee te te veroordelen tot betaling van een voorschot. Aan hun
vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat de Gemeente aansprakelijk
is als wegbeheerder, nu zij ter hoogte van de ongevalslocatie een
onoverzichtelijke verkeerssituatie in het leven heeft geroepen. Daarnaast
baseren XY c.s de aansprakelijkheid van de Gemeente op het
bepaalde in artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu "de trambestuurder"
een verkeersfout heeft gemaakt die aan de Gemeente als diens
werkgever dient te worden toegerekend. In het bestreden vonnis is de
rechtbank tot het oordeel gekomen dat de Gemeente in haar
hoeda igheid van wegbeheerder niet onrechtmatig heeft gehandeld. Wel
oordeelde de rechtbank dat "de trambestuurder", door zijn snelheid niet tijdig aan te
passen, een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, waarvoor de
Gemeente als zijn werkgever aansprakelijk is te houden. De rechtbank
achtte de schade vervolgens op de voet van artikel 6:101 BW voor 75 %
toerekenbaar aan het gedrag van XY c.s. In het bestreden vonnis is
dan ook voor recht verklaard dat, zakelijk samengevat, de Gemeente voor
25 % van de schade aansprakelijk is. Het gevorderde voorschot van, in
totaal, € 15.000,- is in lijn hiermee tot een bedrag van € 3.750,-
toegewezen.
3. In de tegen dit vonnis ingebrachte (overige) grieven beklagen XY
c.s. zich over, kort gezegd, de door de rechtbank toegepaste
aansprakelijkheidsvermindering aan de zijde van "de trambestuurder". Volgens
XY c.s. was van eigen schuld aan hun zijde geen sprake, althans
ware de omstandigheden van dien aard dat de gehele schade op grond
van de billijkheid voor rekening van de Gemeente dient te worden
gebracht. Blijkens haar incidentele grief is de Gemeente een
tegenovergestelde mening toegedaan. Volgens de Gemeente was sprake
van overmacht aan de zijde van "de trambestuurder" en zijn er geen
omstandigheden op grond waarvan enige schade aan "de trambestuurder", en
daardoor aan haar, dient te worden toegerekend. De van weerszijden
naar voren gebrachte grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
4. Met het oog op de bescherming die kwetsbare verkeersdeelnemers als
voetgangers behoeven in verband met de ingrijpende gevolgen die een
botsing met een tram voor hen kan hebben geldt, naar de Hoge Raad bij
herhaling heeft uitgemaakt, (ook) voor de bestuurder van een tram een
zware zorgvuldigheidsplicht. Deze verplichting brengt met zich dat de
trambestuurder bij het bepalen van zijn rijgedrag rekening moet houden
met fouten van voetgangers, tenzij die fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat
hij daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden.
5. Bij de beoordeling van de vraag of "de trambestuurder" zich aan deze
zorgvuldigheidsplicht heeft gehouden acht het hof richtinggevend het feit
dat "de trambestuurder" ter zake van het ongeval bij vonnis van de kantonrechter te
Rotterdam van 11 november 2003 (strafrechtelijk) is veroordeeld wegens
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94). Hem
was -beknopt weergegeven- ten laste gelegd dat hij zich op 17 augustus
2002 als bestuurder van een tram zodanig had gedragen dat gevaar op
die weg, de Coolsingel, werd veroorzaakt of het verkeer op die weg werd
gehinderd, omdat hij "bij het regelen van zijn snelheid onvoldoende
rekening heeft gehouden met die, op dat troftoir of voetpad aanwezige,
voetgangers enlof zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast, immers bij
nadering van die voetganger(s) heeft gereden met een zodanige snelheid
dat hij niet in staat was om die, van het troftoir of voetpad
gebruikmakende voetganger(s) voor te laten gaan, enlof niet tijdig enlof
niet voldoende heeft afgeremd, althans heeft gereden met een zodanige
snelheid dat hij niet in staat was het door hem bestuurde voertuig tot
stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien
en waarover deze vrij was enlof is aangebotst of aangereden tegen (één
van) die voetgangers enldf (één van) die voetgangers heeft overreden."
6. Hiermee staat vast dat "de trambestuurder" bij het naderen van de vóór hem, van
een trottoir of voetpad gebruikmakende, overstekende voetgangers zijn
snelheid onvoldoende (tijdig) heeft aangepast en daarmee dat "de trambestuurder"
zijn zorgvuldigheidsverplichting jegens de (overstekende) voetgangers, in
casu XY c.s., heeft geschonden. De strafrechtelijke veroordeling
van "de trambestuurder" levert immers, nu het hier gaat om een in kracht van
gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen strafvonnis, dwingende
bewijsk acht op van het verweten feit. Gespecificeerd tegenbewijs op dit
punt heeft de gemeente niet aangeboden. Dat "de trambestuurder".geen straf is
opgelegd, zoals de Gemeente nog heeft aangevoerd, is niet relevant.
7. De Gerreente heeft aangevoerd dat "de trambestuurder" op mogelijke
onoplettendheid van de voetgangers had geanticipeerd door een
belsignaal te geven, de noodremming in te schakelen en met aangepaste
snelheid te gaan rijden. Volgens de Gemeente levert dit overmacht op
omdat bezwaarlijk kan worden volgehouden dat "de trambestuurder" zijn tram nog
verder had moeten vertragen. Daarnaast geldt, zo heeft de Gemeente
verder betoogd, dat (ook) XY c.s. een (verkeers)fout hebben
gemaakt door hun oversteekmanoeuvre, niettegenstaande de
waarschuwingssignalen, toch uit te voeren. Blijkens één van de
getuigenverklaringen heeft de vrouw in de richting van de tram gekeken
voordat zij op de tramrails stapte, zodat zij van de naderende tram besef
moet hebben gehad. Volgens de Gemeente is dan ook sprake van een
aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van XY c.s.
Genoemde omstandigheden maken dat in de visie van de Gemeente voor
toerekening van enige schade aan "de trambestuurder", en daarmee aan de
Gemeente, geen plaats is.
8. Uit het Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse van 21 augustus 2002,
opgemaakt door twee ongevalsanalisten van de Politie Rotterdam-
Rijnmond, volgt dat "de trambestuurder", op het moment dat zich op de rails
remsporen begonnen af te tekenen, gereden moet hebben met een
snelheid die lag tussen de 22 en 23 kilometer per uur. Het langste spoor
had een lengte van 6,75 meter. Met (ongeveer) die snelheid naderde De
Ruiter het zich in de nabijheid van een tramhalte bevindende en dwars op
de tramrails liggende verkeerspunt, gelegen op het verhoogde
middengedeelte van de weg, door de strafrechter aangemerkt als "trottoir
of voetpad", dat de verbinding vormt tussen het ene en het andere
zebrapad, dat de loop tussen die beide zebrapaden onderbreekt en
waarvan overstekende voetgangers in een natuurlijke beweging gebruik
maken en ook mogen maken. Volgens de eigen verklaring van "de trambestuurder",
zoals afgelegd bij de politie, reageerden XY c.s. niet op zijn korte
belsignaal. Zij gaven er dus geen blijk van dat zij zijn waarschuwing
opmerkten. Denkbaar is ook dat XY c.s. het belsignaal en de
naderende tram wel opgemerkt hebben, maar met het oog op de afstand
waarop de tram zich ten opzichte van hen bevond -"de trambestuurder" zegt op 20
tot 25 eter afstand te zijn geweest toen hij mensen zag oversteken- en
de snelheid waarmee de tram naderde meenden nog veilig te kunnen
doorlopen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volgehouden dat
onoplettendheid of een verkeerde inschatting van een voetganger die
oversteekt op een plaats op de weg waar oversteken door voetgangers is
toegestaan en ook verwacht kan worden, een zo onwaarschijnlijk
gegeven is dat "de trambestuurder", rijdend met voornoemde snelheid, daarmee in
redelijkheid niet méér rekening hoefde te houden dan hij met het geven
van een kort belsignaal en het inzetten van de noodremming
gecombineerd met een constant belsignaal heeft gedaan. Op grond
hiervan is het hof van oordeel dat van overmacht aan de zijde van De
Ruiter niet kan worden gesproken.
9. Uit het een in deze procedure is gebleken omtrent gedragingen van
XY c.s. onmiddellijk voor de aanrijding, kan niet worden afgeleid dat
hun aan opzet grenzende roekeloosheid kan worden verweten. Het
beroep van de Gemeente daarop wordt dan ook verworpen.
10. Aan de Gemeente kan hooguit worden toegegeven dat XY c.s. bij
hun oversteekmanoeuvre, die zij in weerwil van de automatisch werkende
waarschuwingslichten en akoestische signalen, waarvan in het Procesverbaal
verkeersongevalsanalyse is vastgesteld dat die naar behoren
werkten, toch uitvoerden, onoplettendheid of een inschattingsfout kan
worden verweten. Dat brengt met zich dat het hof op de voet van het
bepaalde in artikel 6: 101, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW)
toekomt aan een verdeling van de schade over "de trambestuurder" enerzijds en
"Ulenbe g c.s. anderzijds. Daarbij dient, wat de afweging van, .:
billijkheidsfactoren betreft, in elk geval 50 procent van die schade ten
laste van "de trambestuurder" als bestuurder van de tram, en daarmee van de
Gemeente als diens werkgever, te worden gebracht wegens de
verwezenlijking van het aan de tram, door zijn grote massa, de lange
remweg en de onmogelijkheid om uit te wijken, verbonden

11. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de door "de trambestuurder"
gemaakte verkeersfout in belangrijker mate tot het ontstaan van de
schade eeft bijgedragen dan de onoplettendheid of de inschattingsfout
die XY c.s. kan worden verweten. "de trambestuurder" heeft immers
onvoldoende geanticipeerd op de mogelijkheid dat XY c.s. hun
oversteekmanoeuvre, in navolging van de personen die vóór hen liepen,
zouden vervolgen en had bij het naderen van het verbindingspunt tussen
de beide zebrapaden eerder moeten en kunnen afremmen. Dat deed hij
echter pas na bij wijze van waarschuwing een bel signaal te hebben
gegeven. Zou hij langzamer hebben gereden dan in het kader van zijn
strafzaak is vastgesteld en eerder hebben afgeremd, dan zou een
aanzienlijk grotere kans hebben bestaan dat hij de tram tijdig tot stilstand
had kunnen brengen en zouden XY c.s. meer tijd hebben gehad
zich van de tramrails te verwijderen. Nu XY c.s. daartegenover in
feite niet méér kan worden verweten dan onoplettendheid, daarin
bestaande dat zij - om welke reden of door welke oorzaak dan ook -
geen acht hebben geslagen op het belsignaal van de tram die naderde op
een gedeelte van de weg dat, behalve voor voetgangers, mede voor
trams was bestemd, of de snelheid van de naderende tram of de afstand
die nodig is om de tram af te remmen verkeerd hebben ingeschat, acht
het hof reeds uit dien hoofde een verdeling op basis van 85 - 15 % op
haar plaats, aldus dat de onoplettendheid of de verkeerde inschatting van
XY c.s. moet worden geacht slechts voor 15 % tot de schade te
hebben bijgedragen.
12. In de omstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond ziet het hof
evenwel voorts gronden van billijkheid gelegen die maken dat een andere
verdeling van de vergoedingsplicht dan die op basis van de genoemde
percentages is geboden. Daarbij kent het hof gewicht toe aan de
volgende ornstandiqheden en factoren:
- of het verhoogde middengedeelte van de Coolsingel kan
gelden als een voetgangersgebied in de zin van artikel 4
RVV of niet, vaststaat dat voetgangers ter plaatse de
tramrails mogen oversteken en dat wel moeten doen om van
het ene zebrapad naar het andere te komen;
-de waarschuwingen die de automatisch werkende
waarschuwingslichten en akoestische signalen ter plaatse
afgeven zijn niet eenduidig, in die zin dat de signalen ook
kunnen afgaan wanneer geen tram nadert of reeds
opgehouden zijn wanneer een tram, na bij een halte te zijn
gestopt, juist passeert, zoals het hof heeft waargenomen via
de afgespeelde DVD;
- de hoeveelheid verkeersbewegingen, de drukte van het
verkeerspunt ter plaatse, mede door de nabij gelegen
tramhalte, en de hoeveelheid licht- en akoestische signalen
maken dat een voetganger bij het oversteken ter plaatse
"ogen en oren te kort komt";
- het ontbreken van een concreet voorgeschreven
maximumsnelheid voor trams die een verkeerspunt naderen
waar voetgangers de kruisende tramrails (mogen)
oversteken;
- de ernst van het (vooral door de vrouw opgelopen) letsel, de
ingrijpendheid van de gevolgen die het letsel had en heeft op
het dagelijks leven van XY c.s., mede gezien in
verband het feit dat de Gemeente zich tegen schades als de
onderhavige kan verzekeren.
13. In het licht van vorengenoemde omstandigheden acht het hof de door
XY c.s. bij het oversteken gemaakte fout (of dit nu onoplettendheid
of een inschattingsfout is geweest) niet van zodanig gewicht dat de
schade enkel en alleen om die reden zelfs maar voor een klein gedeelte
mede ten laste van XY c.s. dient te worden gebracht. Nader
onderzoek naar de aard van die fout, in de vorm van het horen van
getuigen of het houden van een plaatsopneming, acht het hof dan ook
niet nodig. Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de mate waarin
XY c.s. de door hen opgelopen schade kan worden toegerekend in
het niet valt bij de vergoedingsplicht van "de trambestuurder", zodat het "de trambestuurder",
en daarmee de Gemeente, te dezen ten volle aansprakelijk houdt voor de
door XY c.s. opgelopen schade.
14. In het 'vorenoverwogene ligt besloten dat de ten principale voorgedragen
grieven slagen, het incidentele appel strandt, het beroepen vonnis dient te
worden toeqewezen. Aangezien de Gemeente geen verweer heeft
gevoerd tegen de hoogte van het door XY c.s. gevorderde
voorschot van, in totaal, € 15.000,- acht het hof het gevorderde ook in
zoverre toewijsbaar, met dien verstande dat al hetgeen de Gemeente uit
dien hoofde reeds (op grond van het beroepen vonnis) heeft betaald,
daarvan in aftrek dient te worden gebracht. Bij deze uitslag past een
kostenveroordeling in het nadeel van de Gemeente.
Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2005;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade
die l)lenberg c.s. lijden als gevolg van het ongeval op 17 augustus
2002, welke schade nader is op te maken bij staat en te vereffenen is
volgens de wet;
veroordeelt de Gemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan
XY c.s. bij wijze van voorschot te betalen het bedrag van
€ 15000,- (zegge: vijftienduizend euro);
vero rdeelt de Gemeente in de kosten van het geding in eerste
aan I g, tot op 13 april 2005 aan de zijde van XY c.s. bepaald op
€ 331,78 aan verschotten en op € 904,- aan salaris voor de procureur;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het hoger beroep, tot op
deze uitspraak aan de zijde van XY c.s. bepaald op € 362,93
aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris voor de procureur.
it arrest is gewezen door mrs. A Dupain, AE.AM. van Waesberghe en
J.e.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november
2007 in aanwezigheid van de griffier.

Deze website maakt gebruik van cookies