Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBZWB 270821 benoeming neuroloog, neuropsycholoog en psychiater, npo als zelfstandig onderzoek; afwijzing benoeming bedrijfseconoom (3)

RBZWB 270821 benoeming neuroloog, neuropsycholoog en psychiater, npo als zelfstandig onderzoek; afwijzing benoeming bedrijfseconoom

2. Het verzoek 

2.1. [ verzoeker ] verzoekt de rechtbank: 
I. een voorlopig deskundigenbericht te bevelen met benoeming van een van de in paragraaf 91 genoemde neurologen en aan de neuroloog op te dragen deals productie 17 bij dit verzoekschrift overlegde vragen/de IWMD-vraagstelling gemotiveerd schriftelijk te beantwoorden en een verslag te schrijven van zijn/haar onderzoeksbevindingen;
2. een voorlopig deskundigenbericht te bevelen met benoeming van een van de in paragraaf 92 genoemde psychiaters en aan de psychiater op te dragen deals productie 17 bij dit verzoekschrift overlegde vragen / de IWMD-vraagstelling gemotiveerd schriftelijk te beantwoorden en een verslag te schrijven van zijn/haar onderzoeksbevindingen;
3. een voorlopig deskundigenbericht te bevelen met benoeming van een van de in paragraaf 94 genoemde neuropsychologen en aan de neuropsycholoog op te dragen de in paragraaf 95 geformuleerde vraagstelling gemotiveerd schriftelijk te beantwoorden en een verslag te schrijven van zijn/haar onderzoeksbevindingen: 
4. de medisch deskundigen op te dragen om verzoeker als eerste in de gelegenheid te stellen kennis te kunnen nemen van hun rapportages, zodat hij al dan niet gebruik kan maken van het hem toekomende blokkeringsrecht, alsmede: 
5. een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen met benoeming van bedrijfseconoom drs. M.J. van der Eijk en aan hem op te dragen de in paragraaf 109 geformuleerde vraagstelling gemotiveerd schriftelijk te beantwoorden en een verslag te schrijven van zijn onderzoeksbevindingen; 
6. verweersters te veroordelen om het honorarium van de te benoemen deskundigen te betalen, althans te gelasten dat verweersters het voorschot voor deze kosten moeten voldoen; 
7. een datum te bepalen waarop dit verzoekschrift en de daarop te geven beslissing aan verweersters dient te worden toegezonden. 

2.2. [ verzoeker ] legt — kort samengevat — het volgende aan dit verzoek ten grondslag. [ verzoeker ] is in 2017 kort na elkaar betrokken geraakt bij twee aanrijdingen, waarbij [ verzoeker ] in zijn auto van achteren is aangereden. ASR en TVM hebben aansprakelijkheid erkend voor de respectievelijke ongevallen. [ verzoeker ] heeft tot op de dag van vandaag klachten die hem ernstig beperken in zijn werkzaamheden. [ verzoeker ] exploiteerde vanuit zijn eigen onderneming samen met zijn broer een aantal franchiseformules ([ D ] en [ E ]) en was daarnaast bezig met een start-up, te weten een digitaal platform waar abonnementhouders tegen een vast bedrag per maand onbeperkt boeken en tijdschriften kunnen lezen. De technische infrastructuur en content van deze start-up ([ F ], voorheen [ G ]) was ten tijde van het ongeval al ontwikkeld en [ verzoeker ] was bezig het platform via het aangaan van samenwerkingsverbanden met [ H ], [ I ] en [ J ] te ontwikkelen. Deze samenwerkingen moesten verder doorontwikkeld worden. Na de ongevallen is [ verzoeker ] er ondanks diverse pogingen niet in geslaagd [ F ] de benodigde aandacht te geven, met negatieve en blijvende gevolgen voor het uitrollen van het concept. [ verzoeker ] heeft daarna externe partners kunnen interesseren in [ F ], tegen een deel van de aandelen. Dit ging uiteraard ten koste van het belang dat [ verzoeker ] in [ F ] heeft. Ook heeft [ verzoeker ] een externe medewerker aangetrokken om [ F ] in de markt te zetten. Door partijen is bedrijfseconoom Van der Eijk aangesteld om onderzoek te doen naar de verschillende bedrijven van [ verzoeker ] om de omzetten en winst tot de data van de ongevallen in kaart te brengen, de ontwikkeling daarvan na de ongevallen en beredeneerde verwachtingen uit te spreken over de ontwikkelingen van deze bedrijven in het geval de ongevallen niet hadden plaatsgevonden. Van der Eijk heeft drie rapportages uitgebracht. Partijen verschillen nog steeds van mening over het verlies aan verdienvermogen van [ verzoeker ]. 
Daarnaast verschillen partijen van mening over het bestaan van causaal verband tussen de gezondheidsklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. ASR (dat de schade afwikkeling mede namens TVM uitvoert) stelt zich op het standpunt dat de ongevallen slechts tot tijdelijke klachten aanleiding konden geven, omdat er geen sprake is van medisch objectiveerbare klachten. Daarnaast zouden aan de psychische klachten volgens ASR mogelijk andere (prive)oorzaken ten grondslag liggen. 
Vanwege het verschil van mening over de beperkingen, het causaal verband en de waardering van het verlies aan verdienvermogen, wenst [ verzoeker ] een deskundigenonderzoek door een neuroloog, een neuropsycholoog, een psychiater en bedrijfseconoom Van der Eijk. 

[ verzoeker ] doet een voorstel voor de te benoemen deskundigen en de voor te leggen vragen. 

2.3. ASR c.s. voert verweer en stelt — kort samengevat — dat er bij [ verzoeker ] geen afwijkingen van het neurologisch substraat zijn vastgesteld en dat dat, gelet op de laag energetische impact van de aanrijdingen, ook niet voor de hand ligt. De overige door [ verzoeker ] gestelde klachten zijn niet herleidbaar tot de ongevallen, zodat het causaal verband ontbreekt. ASR c.s. heeft desondanks haar medewerking verleend aan een onderzoek door Van der Eijk. ASR c.s. betwist deze rapporten deels wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Ten aanzien van [ F ] heeft te gelden dat dit een start-up betreft, waarvan [ verzoeker ] stelt dat hieruit succesvolle samenwerkingen tot stand zouden zijn gekomen. Van der Eijk schrijft dat hier zowel goede als kwade kansen uit kunnen volgen, die voor een belangrijk deel gelijk zijn, met of zonder ongeval. Dat investeerders daarnaast een deel van de aandelen willen, is een gebruikelijke gang van zaken en is niet te plaatsen in het kader van schadebeperking. ASR c.s. merkt op dat het merendeel van de start-ups uiteindelijk niet tot een succesvolle onderneming leiden en dat het aan [ verzoeker ] is om hierin meer inzicht te geven. ASR c.s. stelt zich op het standpunt dat een nader bedrijfseconomisch onderzoek niets kan bijdragen zo lang deze informatie niet is verstrekt. Daarbij komt dat een nader bedrijfseconomisch onderzoek thans niet opportuun is omdat er nog geen duidelijkheid is over het bestaan van de ongevalsgerelateerde beperkingen die leiden tot arbeidsongeschiktheid. ASR c.s. maakt ook bezwaar tegen een aanvullend onderzoek door Van der Eijk, omdat hij onvoldoende kennis zou hebben van start-ups. ASR c.s. maakt geen bezwaar tegen het houden van een onderzoek door een neuroloog, maar wel tegen de voorgestelde deskundigen. 
Ten aanzien van een neuropsychologisch onderzoek stelt ASR c.s. zich op het standpunt dat dit per definitie een hulponderzoek is. ASR c.s. verzet zich tegen het houden van een zelfstandig onderzoek en meent dat het ter beoordeling van de neuroloog is of een dergelijk onderzoek is aangewezen. In het voorkomende geval stemt ASR c.s. in met een onderzoek door neuropsycholoog Middelkoop.

ASR c.s. maakt bezwaar tegen het houden van een deskundigenonderzoek door een psychiater, omdat een dergelijk verzoek voorbarig is. [ verzoeker ] heeft tot op heden geen antwoord gegeven op de door de (medisch adviseur van) ASR c.s. gestelde vragen. Daarnaast is [ verzoeker ] nog niet uitbehandeld. Bij het ontbreken van de informatie kan niet worden aangenomen dat het onderzoek op basis van onvolledige informatie kan bijdragen aan het vaststellen van de schadeomvang. Het medisch causaal verband kan dan immers niet zorgvuldig worden vastgesteld. Daarmee is het verzoek in strijd met de goede procesorde. In het geval de rechtbank het verzoek mocht toewijzen, dan verzoekt ASR c.s. te bepalen dat [ verzoeker ] nadere medische informatie dient te verstrekken, met benoeming van psychiater Van Eck tot deskundige. 

3. De beoordeling 

3.1. Ten aanzien van het onderhavige verzoek en de stellingen van partijen, overweegt de rechtbank als volgt. 

3.2. Een voorlopig, deskundigenonderzoek dient ertoe een partij de mogelijkheid te geven aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten. Aan de rechter die heeft te oordelen over een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek komt geen diseretionaire bevoegdheid toe. Een verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek dient, indien het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden, in beginsel te worden toegewezen. Afwijzing van een verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek is slechts mogelijk indien zich feiten en omstandigheden voordoen die duiden op strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid dan wel een ander door de rechter geoordeeld zwaarwichtig belang (HR 19 december 2003. NJ 2004, 584). 

neuroloog 
3.3. ASR c.s. heeft zich niet verzet tegen het houden van een onderzoek door een neuroloog. Partijen zijn het ook eens over de te benoemen deskundige en de voor te leggen vragen, zodat dit verzoek wordt toegewezen. 

Tussen partijen staat ter discussie of de neuroloog het door [ verzoeker ] gevraagde voorlopig deskundigenbericht van de neuropsycholoog dient te betrekken bij zijn rapport. Daaraan ligt — zo begrijpt de rechtbank — ten grondslag hoe het onderzoek van de neuropsycholoog volgens partijen dient te worden bezien: als hulponderzoek of als zelfstandig onderzoek. Uit de hierna volgende overwegingen blijkt dat de rechtbank het verzoek om een zelfstandig neuropsychologisch onderzoek toewijst. 
De rechtbank laat het dan ook ter beoordeling aan de neuroloog of hij het noodzakelijk acht de bevindingen van de neuropsycholoog te betrekken bij zijn (eind)rapport. 

neuropsycholoog 
3.4. ASR c.s. verzet zich tegen het houden van een zelfstandig neuropsychologisch onderzoek. Subsidiair is ASR c.s. van mening dat een dergelijk onderzoek slechts plaats kan vinden als hulponderzoek in het geval de neuroloog dat aangewezen acht. De rechtbank is van oordeel dat in de voorafgaand aan het verzoek gedane onderzoeken reeds is gesproken over neuropsychologische klachten, maar dat daarover geen consensus bestaat tussen partijen. Deze klachten zijn dus al eerder benoemd. Verder is voor neuropsychologisch onderzoek, anders dan ASR c.s. stelt, niet alleen aanleiding als daartoe door een neuroloog wordt geadviseerd. Het neuropsychologisch onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als voorbarig worden aangemerkt. Het verzoek wordt dan ook toegewezen. 

Partijen zijn het eens over benoeming van de heer dr. H.A.M. Middelkoop als deskundige. De heer Middelkoop heeft echter aan de rechtbank bericht dat hij, in verband met achterstanden, geen nieuwe zaken aanneemt. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over een andere neuropsycholoog. 

Met ASR c.s. is de rechtbank van oordeel dat voor de aan de neuropsycholoog te stellen vragen uit moet worden gegaan van de standaard vraagstelling voor neuropsychologen zoals opgenomen in de Richtlijn neurologische expertise van het NIP. Daarnaast zal de rechtbank de neuropsycholoog verzoeken de gebruikelijke symptoomvaliditeitstesten uit te voeren. 

psychiater 
3.5. Ten aanzien van het verzoek tot het houden van een psychiatrisch deskundigenonderzoek stelt ASR c.s. zich op het standpunt dat een dergelijk onderzoek prematuur en niet opportuun is, omdat het gaat om een nog lopende behandeling waarin geen eindfase is bereikt. Daarnaast is ASR c.s. van mening dat haar medisch adviseur een eventueel psychiatrisch rapport niet op goede gronden kan beoordelen, omdat [ verzoeker ] tot op heden geen, althans te beperkt, gegevens heeft verstrekt over de gestelde diagnose en gevolgde behandeling. 

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat [ verzoeker ] onder psychiatrische behandeling staat, zodat als gegeven moet worden aangenomen dat er sprake is van psychiatrische diagnostiek/problematiek. Het verzoek kan dan ook worden toegewezen, ondanks dat er (nog) geen sprake lijkt te zijn van een eindsituatie. Het is vervolgens aan de deskundige om de meest recente informatie over de behandeling op te vragen en te betrekken bij het onderzoek. [ verzoeker ] heeft zijn medewerking hieraan toegezegd. 

Tussen partijen is overeenstemming over het benoemen van psychiater drs. H. van Eck. 

Ten aanzien van de vraagstelling hebben partijen overeenstemming over de gebruikelijke IWDM-vraagstelling. ASR c.s. heeft daarnaast verzocht om ook de gebruikelijke symptoomvaliditeitstesten bij het onderzoek te betrekken. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Drs. Van Eck heeft in dit verband aan de rechtbank bericht dat hij niet zelfstandig symptoomvaliditeitstesten afneemt maar deze laat uitvoeren door een neuropsycholoog. Aangezien in dit geval door de rechtbank een neuropsycholoog zal worden benoemd aan wie tevens wordt gevraagd om de gebruikelijke symptoomvaliditeitstesten af te nemen, zal aan Drs. van Eck worden gevraagd het rapport van de neuropsycholoog bij zijn psychiatrische rapport te betrekken. 

bedrijfseconoom 
3.6. [ verzoeker ] heeft ten slotte verzocht bedrijfseconoom Van der Eijk opnieuw te benoemen om — kort gezegd — de omzet- en winstontwikkeling van de diverse bedrijven en de start-up van [ verzoeker ] in kaart te brengen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verzoek prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Naar de eventuele schade kan pas onderzoek plaatsvinden nadat de beperkingen en causaliteit zijn vastgesteld. Daarbij weegt de rechtbank mee dat al drie (aanvullende) onderzoeken hebben plaatsgevonden en de hoge kosten van een dergelijk onderzoek. 

Omdat het verzoek wordt afgewezen, behoeft de discussie tussen partijen over de persoon van de deskundige en de vraagstelling geen verdere bespreking. 

zelfstandige tegenverzoeken 
3.7. Met betrekking tot de zelfstandige tegenverzoeken die door ASR c.s. zijn gedaan ziet de rechtbank geen aanleiding om afzonderlijk te bepalen dat de deskundigen alle relevante medische infomatie bij [ verzoeker ] op dienen te vragen en dat deze aan de medisch adviseur van ASR c.s. moet worden verstrekt, bij deze gegevens eveneens aan de medisch adviseur van ASR c.s. wordt overgelegd. Het is aan de deskundigen om te bepalen welke informatie voor het correct uitvoeren van het onderzoek van belang is en deze op te vragen. De deskundigen zullen in hun rapport moeten benoemen welke gegevens zij bij het onderzoek hebben betrokken en deze dienen bij het rapport te worden gevoegd, zodat ASR c.s. dan kennis kan nemen van deze stukken in het geval [ verzoeker ] geen gebruik maakt van zijn inzage- en blokkeringsrecht. Dit volgt ook uit de Leidraad deskundigen in civiele zaken die aan de deskundigen wordt verstrekt. 

kosten deskundigen 
3.8. Dr. A. Verrips heelt de kosten van het onderzoek begroot op een bedrag van € 6.037,90 inclusief btw (uurtarief € 300,00 voor deskundige en € 80,00 voor administratieve ondersteuning, exclusief btw). Drs. Van Eck heeft de kosten van het onderzoek begroot op een bedrag van € 5.954,41 inclusief btw (uurtarief € 185,00 voor deskundige en € 92,50 voor administratieve ondersteuning, exclusief btw). Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich over het voorschot uit te laten. 

voorschot 
3.9. Ten aanzien van het voorschot van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat die kosten door ASR c.s. moeten worden gedragen, omdat zij de aansprakelijkheid voor de ongevallen heeft erkend. Overigens heeft ASR c.s. daar ook geen bezwaar tegen gemaakt.

4. De beslissing 

De rechtbank 

4.1. beveelt een onderzoek door een deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen: 

aan de neuroloog en de psychiater: 

VRAAGSTELLING CAUSAAL VERBAND BIJ ONGEVAL 

Algemene toelichting 

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval). 

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties. 

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn — zo veel als mogelijk — in acht te nemen. 

1. DE SITUAT1E MET ONGEVAL 

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR) 
a. Hoe luidt de anamnese voor vat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR) 
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: 
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;
- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan. 

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR) 
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? 

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR) 
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en LIW bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? 
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven at de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? 

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR) 
1. Wat is de diagnose op LINN vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiaonostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18) 
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien tilt het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi kwantitatieve wijze weergeven [in het bijgesloten beperkingenformulier] en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? 

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR) 
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? 
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)? 

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL 

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft dat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR). 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval 
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien? 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval 
c. Zijn er daamaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? 
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? 
e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen? 
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wet verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)? 

3. OVERIG (aanbeveling 2.2.11 RMSR) 

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? 

Aan de neuroloog: 

Acht u het noodzakelijk het rapport van de neuropsycholoog bij uw rapport te betrekken? 
Zo ja, wilt u het rapport van de neuropsycholoog bij uw rapport betrekken?

Aan de psychiater: 

Wilt u het rapport van de neuropsycholoog bij uw rapport betrekken?

Aan de neuropsycholoog: 

1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag? 
2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van die bepaalde gebeurtenis en aandoening? 
3. Zijn er wellicht andere factoren dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen? 
4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan? 
5. Wilt u bij [ verzoeker ] de in uw praktijk gebruikelijke symptoomvaliditeitstesten afnemen? 

de deskundige 

4.2 benoemt tot deskundigen: (... red. LSA LM)

Met dank aan de heer J. Roth, SAP advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2021/RBZWB-270821

Deze website maakt gebruik van cookies