Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 051114 vordering op Staat vanwege schending observatie- & waarschuwingsplicht mbt asbest, regelgevingsfalen en toezichtsfalen stuit op 20-jarige verjaringstermijn

Rb Den Haag 051114 vordering op Staat vanwege schending observatie- & waarschuwingsplicht, regelgevingsfalen en toezichtsfalen stuit op 20-jarige verjaringstermijn


De feiten

2.1.
[eiser], geboren op [geboortedag] 1955, is van 1977 tot 14 december 2011 in loondienst werkzaam geweest bij het bedrijf Zalco B.V. te Vlissingen (hierna: Zalco), respectievelijk de rechtsvoorgangers van Zalco.

2.2.
Op 30 november 2009 heeft het Nederlands mesothelioompanel bij [eiser] de diagnose maligne mesothelioom epitheliaal type (longvlieskanker) vastgesteld.

2.3.
[eiser] heeft in verband met zijn asbestziekten in 2009 zijn toenmalige werkgever Zalco aansprakelijk gesteld. Tevens heeft [eiser] zich voor bemiddeling gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers (hierna: IAS). Naar aanleiding van deze bemiddeling heeft Zalco uiteindelijk aansprakelijkheid jegens [eiser] erkend en aan hem de door het IAS gehanteerde normbedragen bij wijze van schadevergoeding betaald. Deze schadevergoeding bestond enerzijds uit een vergoeding voor de immateriële schade van € 51.395,00 en anderzijds uit een voorschot op de materiële schade van twee maal een bedrag van € 2.858,00.

2.4.
Nadat bij [eiser] de diagnose mesothelioom was gesteld is hij arbeidsongeschikt geraakt, waarop Zalco het gebruikelijke salaris aan [eiser] heeft uitbetaald tot november 2011, in welke maand Zalco failliet is gegaan. In verband met dit faillissement is [eiser] op 14 december 2011 ontslagen. Met ingang van december 2011 is aan [eiser] een WIA-uitkering toegekend.

2.5.
Bij brief van 20 februari 2013 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die hij ten gevolge van de asbestziekte lijdt en heeft geleden. De Staat heeft bij brief van 26 maart 2013 aansprakelijkheid jegens [eiser] afgewezen.


Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank
1. voor recht verklaart dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens hem schadeplichtig is geworden;
2. de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure, en
3. de Staat veroordeelt in de proceskosten.

3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat in de periode van 1977 tot begin jaren ‘90 onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat de Staat zijn verplichtingen, gericht op het beschermen van de gezondheid van [eiser] in zijn arbeidssituatie onvoldoende is nagekomen, waardoor [eiser] aan asbest is blootgesteld en schade heeft geleden. Hij verwijt de Staat schending van de observatieplicht, schending van de waarschuwingsplicht, regelgevingsfalen, algemeen toezichtsfalen en concreet toezichtsfalen.

3.3.
De Staat voert verweer.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
De beoordeling

Verjaring

4.1.
Het meest verstrekkende verweer van de Staat is dat de vordering van [eiser] grotendeels is verjaard. Volgens de Staat is de grondslag van de vordering van [eiser] het nemen van onvoldoende wetgevende en/of toezichthoudende maatregelen door de Staat, dus een onrechtmatige daad. Om die reden is in verband met de verjaring van de vordering van [eiser] de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Nu [eiser] de Staat voor het eerst op 20 februari 2013 aansprakelijk heeft gesteld, is de vordering van [eiser] verjaard voor zover deze betrekking heeft op de periode vóór 20 februari 1993.

4.2.
[eiser] heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat de dertigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW van toepassing is, nu dit artikellid ziet op schade als gevolg van verwezenlijking van gevaar (voor gevaarlijke stoffen) als bedoeld in artikel 6:175 BW. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BR5216) over productaansprakelijkheid, waarin de Hoge Raad de dertigjarige verjaringstermijn van toepassing heeft verklaard.

4.3.
De rechtbank is, anders dan [eiser], van oordeel dat de overheid niet gelijk kan worden gesteld met een asbestproducent. De Staat heeft – anders dan de producent in de voornoemde uitspraak van de Hoge Raad – de asbest, waaraan [eiser] volgens zijn zeggen bij Zalco is blootgesteld, immers niet in het verkeer gebracht. De Staat kan evenmin worden verweten dat hij onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:175 BW nu hij de gevaarlijke stof asbest waaraan [eiser] beweerdelijk is blootgesteld niet beroepsmatig heeft gebruikt of onder zich heeft gehad. Dit brengt mee dat op de onderhavige vordering in beginsel de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing is.

4.4.
[eiser] heeft voorts als verweer gevoerd dat de Staat geen beroep toekomt op de twintigjarige verjaringstermijn, omdat het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). [eiser] verwijst daarbij naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 maart 2014, (RAV 2014, 48; De Moor/Zwitserland). In die uitspraak oordeelde het EHRM dat de door Zwitserland gehanteerde verjaringstermijn van tien jaar niet proportioneel was, omdat vanwege de incubatietijd van mesothelioom die verjaringstermijn steeds zal zijn verstreken op het moment dat de ziekte zich openbaart (zie rov. 74 van het arrest).

4.5.
Nog los van het feit dat – zoals ook de Staat erkent – geen sprake is van een verjaring van de (volledige) vordering van [eiser] jegens de Staat, is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW in verband met de vordering van [eiser] jegens de Staat geen schending van artikel 6 EVRM oplevert. Daartoe is redengevend dat [eiser], anders dan De Moor in voornoemd arrest, niet beperkt is in de vrije toegang tot de rechter in verband met zijn asbestvordering. Krachtens de Nederlandse verjaringsregels geldt in de verhouding tot de voormalige werkgever van [eiser] zelfs een dertigjarige verjaringstermijn, welke niet was verjaard op het moment dat hij met de ziekte mesothelioom bekend werd. [eiser] is ook in staat geweest om Zalco tijdig aansprakelijk te stellen en – indien nodig – in rechte te betrekken. De omstandigheid dat Zalco vanwege een faillissement geen verhaal (meer) biedt, maakt dit niet anders. In dit verband is nog van belang dat onder omstandigheden een doorbreking van de dertigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW mogelijk is (zie Hoge Raad van 28 april 2010, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (Van Hese/De Schelde)). Voorts is redengevend dat de voornoemde uitspraak van het EHRM duidelijk maakt dat de toegang tot de rechter niet absoluut is en om redenen van rechtszekerheid mag worden beperkt (in tijd). Dat de vrije toegang tot de rechter voor [eiser] ten aanzien van zijn vordering jegens de Staat op grond van artikel 3:310 lid 1 BW beperkt is tot twintig jaar, een termijn die overigens twee maal zo lang is als de in het arrest aan de orde zijnde termijn van tien jaar, vindt derhalve zijn rechtvaardiging in de omstandigheden dat de vordering jegens de direct aansprakelijke partij niet is verjaard, terwijl de Staat in zijn hoedanigheid van indirect aansprakelijke partij, te weten in zijn hoedanigheid van wetgever en toezichthouder, wordt aangesproken.

4.6.
Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals [eiser] heeft verzocht, prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.

4.7.
[eiser] betoogt ook nog dat de Staat jegens hem strafbaar heeft gehandeld door zich schuldig te maken aan mishandeling (artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (artikel 308 Sr.). Om die reden verjaart in zijn visie op grond van artikel 3:310 lid 4 BW de vordering jegens de Staat niet zolang “het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen”.

4.8.
De rechtbank is van oordeel dat de Staat, nu hij de asbest niet in het verkeer heeft gebracht, beroepsmatig heeft gebruikt of onder zich heeft gehad, zich niet schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [eiser] of het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in de voornoemde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Artikel 3:310 lid 4 BW mist derhalve toepassing.

4.9.
Ook heeft [eiser] aangevoerd dat het verjaringsverweer van de Staat in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 BW vanwege het onder rov. 4.5. arrest Van Hese/De Schelde. In zijn optiek leidt toepassing van de zeven door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten ertoe dat het beroep van de Staat op de verjaring in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Volgens De Staat brengt een toetsing aan de zeven gezichtspunten mee dat zijn verjaringsverweer slaagt.

4.10.
Op dezelfde gronden als hiervoor onder 4.5 weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de Staat op de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en geen schending van artikel 6 EVRM oplevert. Een toetsing aan de zeven gezichtspunten, zoals geformuleerd in het arrest Van Hese/De Schelde is in het onderhavige geval evenmin aan de orde. Deze gezichtspunten hebben specifiek betrekking op de hiervoor besproken dertigjarige verjaringstermijn, die hier niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding deze gezichtspunten ook te betrekken bij de vraag of de Staat in redelijkheid een beroep kan doen op de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW.

4.11.
Tot slot heeft [eiser] betoogd dat het verjaringsverweer van de Staat in strijd is met de redelijkheid omdat de staatssecretarissen van Defensie en SZW op 15 april 1998 tegenover de Tweede Kamer der Staten-Generaal hebben verklaard dat de Staat als werkgever afzag van een beroep op de 30-jarige verjaringstermijn.

4.12.
Ook dit verweer stuit af op het feit dat de Staat in de onderhavige zaak niet wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van werkgever, maar uit hoofde van onrechtmatige daad wegens, kort gezegd, regelgevings- en toezichtsfalen. In verband met die hoedanigheid van de Staat is door de staatssecretarissen geen verklaring afgelegd, nog los van de vraag wat de implicaties van een dergelijke verklaring voor de onderhavige zaak zouden moeten zijn.

4.13.
Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW toepassen, hetgeen er toe leidt dat de vordering van [eiser] is verjaard voor zover deze betrekking heeft op de periode van vóór 20 februari 1993. Voor zover de vordering van [eiser] betrekking heeft op de periode vanaf 20 februari 1993 is die vordering niet verjaard en kan het handelen en/of nalaten van de Staat gedurende die periode (voor zover mogelijk) worden getoetst. Dit brengt mee dat voor zover [eiser] de Staat verwijten maakt die betrekking hebben op de periode tot 20 februari 1993, die verwijten derhalve niet relevant zijn en de rechtbank zal die verwijten hierna dan ook buiten beschouwing laten.

Periode van blootstelling

4.14.
[eiser] heeft in de dagvaarding – met verwijzing naar het ten behoeve van [eiser] door het IAS opgestelde rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest – aangegeven dat hij in de periode vanaf 20 februari 1993 uitsluitend met asbest in aanraking is gekomen tot 1994 tijdens de door derden uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden aan de ovens van Zalco. Zalco beschikte, zo heeft [eiser] ter zitting verklaard, over tien ovens die na elkaar werden schoongemaakt en het schoonmaken van één oven duurde ongeveer drie weken. Tijdens de werkzaamheden werd de vuurvaste en asbesthoudende stenen binnenwand uit de ovens gebikt en vervangen door een nieuwe stenen binnenwand. Volgens [eiser] kwam bij die sloopwerkzaamheden asbest vrij in de ruimte waarin de ovens stonden en werd hij – omdat hij in diezelfde ruimte werkte – daardoor aan asbest blootgesteld. Blootstelling vond volgens [eiser] ook plaats tijdens de afvoer van het asbesthoudende materiaal. De Staat heeft bij gebrek aan wetenschap de door [eiser] gestelde gang van zaken, in het bijzonder de blootstelling aan asbest en de intensiteit daarvan, bestreden.

4.15.
De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of de door [eiser] gestelde blootstelling gedurende de periode van 20 februari 1993 tot en met 31 december 1993 (hierna: de relevante periode) daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, nu – ook wanneer de rechtbank daar veronderstellenderwijs vanuit zou gaan – de Staat jegens [eiser] gedurende die periode niet onrechtmatig heeft gehandeld en derhalve niet aansprakelijk is. Zij overweegt daartoe als volgt.

Onrechtmatig handelen van de Staat

4.16.
[eiser] stelt dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld vanwege:
1. schending van de observatieplicht,
2. schending van de waarschuwingsplicht,
3. regelgevingsfalen,
4. algemeen toezichtsfalen, en
5. concreet toezichtsfalen.

1. Schending van de observatieplicht

4.17.
Volgens [eiser] is sprake van schending van de observatieplicht omdat de Staat heeft nagelaten het gebruik van asbest bij Zalco te monitoren en te onderzoeken of, en in welke mate, de werknemers van Zalco – onder wie [eiser] – aan het gevaar van asbest in de vorm van mesothelioom werden blootgesteld. Daarnaast heeft de Staat volgens [eiser] onvoldoende inzicht verschaft in het onderzoek dat hij in verband met de gevaren van asbest uitvoerde en in de resultaten van dat onderzoek, hetgeen eveneens tot een schending van de observatieplicht leidt, aldus [eiser].

4.18.
Zonder nadere toelichting die door [eiser] niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de Staat in de relevante periode gehouden was om het gebruik van asbest bij Zalco te monitoren en te onderzoeken of en in welke mate de werknemers van Zalco aan het gevaar van asbest in de vorm van mesothelioom werden blootgesteld. Voor zover [eiser] met zijn stelling betoogt dat van de Staat in de relevante periode had mogen worden verwacht dat hij bij elke werkgever die in Nederland met asbest werkte dergelijk onderzoek had moeten uitvoeren, kon dit in redelijkheid niet van de Staat worden verlangd. Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat de Staat specifiek jegens Zalco een dergelijke verplichting had, valt zonder nadere toelichting evenmin in te zien op grond waarvan die verplichting op de Staat rustte.

4.19.
Waar [eiser] de Staat voorts verwijt dat hij onvoldoende inzicht heeft verschaft in het door hem uitgevoerde onderzoek naar asbest en de resultaten van die onderzoeken, valt zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien dat het nalaten van het verstrekken van dergelijk inzicht in causaal verband staat tot de asbestblootstelling van [eiser] bij Zalco. Daarbij wordt nog daargelaten dat de Staat bestrijdt dat hij dergelijk inzicht niet (tijdig) heeft verstrekt.

4.20.
Van een schending van de observatieplicht door de Staat is gezien het voorgaande dan ook geen sprake.

2. 
Schending van de waarschuwingsplicht

4.21.
[eiser] stelt dat de Staat zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden waar hij, onder meer in de door hem uitgegeven publicatiebladen, (bewust) ontoereikend heeft gewaarschuwd tegen de gevaren van asbest. Ook heeft de Staat zijn waarschuwingsplicht geschonden door op grote schaal ontheffingen te verlenen van de verbodsbepaling tot het gebruik van crocidoliet, zonder het voorschrijven van (afdoende) veiligheidsmaatregelen en door na te laten het gebruik van amosiet te onderzoeken en te controleren en de gebruikers daarvan te waarschuwen, aldus [eiser].

4.22.
De rechtbank stelt voorop dat de door [eiser] gestelde blootstelling aan asbest in de relevante periode het gevolg was van de vervanging van de vuurvaste binnenwand van de ovens. Beoordeeld dient derhalve te worden of de Staat in verband met die sloopwerkzaamheden voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren van asbest.

4.23.
De rechtbank is, met de Staat, van oordeel dat de Staat in de relevante periode voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren van asbest bij sloopwerkzaamheden. In publicatieblad P-116-2 uit 1979 is in verband met sloopwerkzaamheden en het behandelen van asbestafval onder meer opgenomen:

“4. SLOOPWERKZAAMHEDEN (…)
(…) Bij sloopwerkzaamheden, waarbij aanzienlijke hoeveelheden asbeststof kunnen vrijkomen, zoals bij het slopen van met asbest bespoten constructies, asbestcement gevels en daken, asbesthoudende brandwerende en isolerende wanden, verdient het aanbeveling contact op te nemen met de Arbeidsinspectie. (…)

4.3
Een ruimte waaruit asbesthoudend materiaal wordt gesloopt mag gedurende die werkzaamheden alleen worden betreden door personen die met die werkzaamheden zijn belast. Na afloop moet de ruimte eerst zoveel mogelijk van stof worden ontdaan.

4.4
Indien in een grote ruimte wordt gewerkt moet de onmiddellijke omgeving van de werkplek worden afgeschermd om de verspreiding van stof te beperken (bijvoorbeeld door middel van zeildoeken of plastic-folie). Bij werkzaamheden in de open lucht is afscherming eveneens gewenst en verdient het aanbeveling het werkterrein zover mogelijk van de stofbron af te zetten, teneinde niet bij het werk betrokkenen zover mogelijk van de stofbron verwijderd te houden.
(…)

5. 
Het behandelen van asbestafval
(…)

5.1
Asbeststof wordt onder andere veroorzaakt door het bewerken van asbesthoudende produkten. Het wordt verwijderd door afzuigsystemen en stofzuigers die de lucht filteren en het stof verzamelen in opvangzakken of in wegwerpfilters.
Teneinde te voorkomen dat alsnog stof wordt verspreid dienen volle opvangzakken stofdicht te worden afgesloten. Vervuilde filterelementen dienen door middel van zakken van kunststof stofdicht te worden verpakt. Hetzelfde geldt voor gebruikt verpakkingsmateriaal, wegwerpkleding en dergelijke. Personeel belast met deze werkzaamheden moet ademhalingsbeschermingsapparatuur dragen.

5.2
Grotere afvalstukken moeten zorgvuldig worden verzameld zodat nodeloos breken of verpulveren, waarbij weer stof ontstaat, wordt voorkomen. Dit dient te geschieden in vaten of stevige zakken die goed worden afgesloten. Afvalstukken die te groot zijn om op deze wijze te worden behandeld dienen in een speciale afgesloten opslagplaats te worden verzameld en van daaruit te worden afgevoerd in afgedekte containers.

5.3
Zo nodig dienen maatregelen te worden genomen, gericht op het voorkomen van verspreiding van stof tijdens het bewaren en verder transporteren van het afval. Hierbij valt te denken aan het bewaren van afval in een speciaal daarvoor bestemde ruimte en het transporteren in afgedekte containers.

6 OVERZICHT VAN DE BELANGRIJKSTE WETTELIJKE BEPALINGEN
(…)

6.1.2 (…)
Het verbod asbest dan wel asbesthoudende stoffen of producten te bewerken of te verwerken voor:
– thermische isolatie
(…)

Voor deze doeleinden zijn in het algemeen bruikbare vervangingsmiddel beschikbaar.
Bovenstaande verboden worden niet opgeheven door het treffen van beschermende maatregelen.”

4.24.
De werkzaamheden aan de ovens van Zalco, in verband waarmee [eiser] in de relevante periode volgens eigen zeggen aan asbest is blootgesteld, kunnen – getuige voornoemd citaat uit publicatieblad P-116-2 – als sloopwerkzaamheden worden gekwalificeerd. In het licht van de in dat publicatieblad opgenomen duidelijke waarschuwing heeft de Staat zijn waarschuwingsplicht niet geschonden in verband met de sloopwerkzaamheden bij Zalco. Belangrijker is echter dat uit publicatieblad P-116-2 volgt dat asbest reeds in 1979 niet langer als thermische isolatie mocht worden gebruikt, zodat het onwaarschijnlijk is dat [eiser] in de relevante periode aan asbest is blootgesteld gedurende de vervanging van het isolatiemateriaal van de ovens bij Zalco. In ieder geval bevat het publicatieblad een voldoende waarschuwing tegen het gebruik van asbest als thermisch isolatiemateriaal. Bovendien is van belang dat de wetgever op 19 februari 1993, een dag vóór aanvang van de relevante periode, het Besluit tot wijziging van het Asbestbesluit Arbeidsomstandigheden (Stb. 1993, 135) heeft genomen, op grond waarvan met ingang van 1 juli 1993 het algehele asbestverbod in werking is getreden. Ook uit dien hoofde was Zalco voldoende gewaarschuwd om de blootstelling van [eiser] aan asbest in de relevante periode tegen te gaan en is van een schending van de waarschuwingsplicht door de Staat in de relevante periode geen sprake.

4.25.
Voor zover [eiser] de Staat verwijt zijn waarschuwingsplicht te hebben geschonden door op grote schaal ontheffingen te verlenen van de ingevoerde verbodsbepaling tot het gebruik van crocidoliet, geldt dat [eiser] ter zitting heeft erkend dat het gebruik van crocidoliet met ingang van 1987/1988 volledig is verboden en dat er vanaf toen geen ontheffingen meer werden verleend. Nu het gebruik van crocidoliet daarmee reeds ver voor de relevante periode niet meer plaats had, althans verboden was, kan [eiser], gezien de jaarlijkse vervanging van de binnenwand van de ovens, in de relevante periode in elk geval niet zijn blootgesteld aan crocidoliet. Het door [eiser] aan de Staat gemaakte verwijt aangaande de ontheffingen kan hem dan ook reeds om die reden niet baten. Hetzelfde geldt voor het verwijt van [eiser] dat de Staat heeft nagelaten het gebruik van amosiet te onderzoeken en te controleren en de gebruikers daarvan te waarschuwen.

4.26.
Al het voorgaande leidt ertoe dat van een schending van de waarschuwingsplicht door de Staat in de relevante periode geen sprake is.

3. 
Regelgevingsfalen

4.27.
In verband met het de Staat verweten regelgevingsfalen moet worden beoordeeld of de Staat – uitgaande van de feitelijke wetgevingssituatie op 20 februari 1993 – zich in de relevante periode voldoende heeft ingespannen om, voor zover noodzakelijk, de nodige wetgeving tot stand te brengen ter voorkoming van asbestblootstelling van werknemers zoals [eiser].

4.28.
De rechtbank stelt voorop dat, ook voor zover de Staat rechtens tot regelgeving verplicht zou zijn, aan hem ter zake van de inhoud en de vorm van die regelgeving een ruime beleidsvrijheid toekomt, zodat de rechter bij toetsing de nodige terughoudendheid dient te betrachten, terwijl een dergelijke toetsing ten aanzien van wetgeving in formele zin wegens het toetsingsverbod niet is toegestaan. Slechts indien de wetgever in redelijkheid niet tot de betrokken wettelijke regulering, of het nalaten daarvan, heeft kunnen komen, kan de Staat wegens regelgevingsfalen aansprakelijk zijn.

4.29.
In verband met het gestelde regelgevingsfalen is van belang dat op 19 februari 1993, een dag vóór aanvang van de relevante periode, de wetgever reeds het Besluit tot wijziging van het Asbestbesluit Arbeidsomstandigheden had genomen, op grond waarvan met ingang van 1 juli 1993 het algehele asbestverbod in werking is getreden. Reeds daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de Staat gedurende de relevante periode geen regelgevingsfalen kan worden verweten. Gesteld noch gebleken is dat de door de Staat gestelde termijn voor inwerkingtreding van het verbod onder de gegeven omstandigheden onacceptabel lang was of dat de Staat gehouden was om in de relevante periode meer of andere maatregelen te treffen in het kader van zijn regelgevingsplicht.

4. 
Algemeen toezichtsfalen

4.30.
Voorts verwijt [eiser] de Staat nalatigheid bij het toezicht op de naleving van de getroffen regelgeving. Ook hier dient (uitsluitend) beoordeeld te worden in hoeverre dat verwijt slaagt voor zover het betreft de relevante periode.

4.31.
Bij de beoordeling van de stellingen van [eiser] inzake het toezichtsfalen maakt de rechtbank, evenals partijen, een onderscheid tussen algemeen en concreet toezichtsfalen. Van algemeen toezichtsfalen kan worden gesproken, indien de Staat zijn wettelijke taken verwaarloost. Gelet op de aan de wetgever toekomende vrijheid bij de verdeling van de beschikbare financiële en personele middelen over verschillende beleidsterreinen, zal een dergelijke taakverwaarlozing slechts in uitzonderlijke omstandigheden onrechtmatig zijn jegens [eiser] als individuele burger.

4.32.
[eiser] heeft zijn stelling dat de Staat zich schuldig heeft gemaakt aan algemeen toezichtsfalen onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij zal gaan. Algemeen toezichtsfalen van de Staat is niet aan de orde.

5. 
Concreet toezichtsfalen

4.33.
Van concreet toezichtsfalen is sprake wanneer de Staat bewust concrete aanwijzingen heeft genegeerd of waarschuwingen dat bepaalde regels of voorschriften worden overtreden in de wind heeft geslagen. [eiser] heeft niet gesteld dat zodanige omstandigheden zich bij Zalco in de relevante periode hebben voorgedaan en ook overigens is van dergelijke omstandigheden niet gebleken, zodat de Staat evenmin concreet toezichtsfalen kan worden verweten. De vordering wordt ook op dit punt afgewezen.

Conclusie

4.34.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Staat in de relevante periode niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.35.
Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat het voorgaande meebrengt dat de Staat, anders dan [eiser] stelt, in de relevante periode zich evenmin schuldig heeft gemaakt aan – de overigens onvoldoende toegelichte – schending van:
i. artikel 22 lid 1 van de Grondwet;
ii. het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 19 december 1966 (Trb. 1978, 178), en/of
iii. de artikelen 2 (recht op leven), 5 (recht op vrijheid en veiligheid) en 8 (recht op gezinsleven) van het EVRM.
De Staat is dan ook niet aansprakelijk jegens [eiser] wegens schending van voornoemde wetgeving. Ook de door [eiser] mede in dit verband aangehaalde arresten van het EHRM leiden niet tot een ander oordeel. Het betreft de arresten van: 20 maart 2008, NJ 2009, 229 (Budayevat/Rusland), 27 januari 2009, nr. 67021/01 (Tatar/Roemenië), 5 december 2013 en 24 maart 2014, nrs 52806/09 en 22703/10 (Vilnes e.a./Noorwegen), 24 juli 2014, nrs 60908/11, 62110/11, 62129/11, 62312/11 en 62338/11 (Brincat e.a./Malta). ECLI:NL:RBDHA:2014:13593