Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 220120 ongeval met elkaar tegemoet rijdende auto's op smalle weg; eiser rijdt door terwijl gedaagde stil staat; gedaagde niet aansprakelijk

RBDHA 220120 ongeval met elkaar tegemoet rijdende auto's op smalle weg; eiser rijdt door terwijl gedaagde stil staat; gedaagde niet aansprakelijk

3 Beoordeling

3.1
Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, is zij op grond van artikel 17 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van een verzekering. Voorts is in dat artikel bepaald dat, indien een motorrijtuig waarvoor de vrijstelling geldt, aanleiding geeft tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de benadeelde jegens de Staat de rechten heeft welke hij overeenkomstig deze wet anders tegenover de verzekeraar zou hebben. Indien [bestuurder Ford] als bestuurder burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de schade, dan is de Staat daarvoor dus aansprakelijk op grond van artikel 17 WAM.

3.2
De Staat heeft de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van [bestuurder Ford] evenwel weersproken. Daartoe heeft de Staat aangedragen dat het ongeval is ontstaan door verkeersfouten aan de zijde van de bestuurder, mevrouw [bestuurster Land Rover] . De eerste fout was het seinen met groot licht. Dat heeft een verblindend effect op het tegemoetkomende verkeer. Omdat het groot licht werd gevoerd, heeft de heer [bestuurder Ford] de Ford gestopt. Als er geen groot licht was gevoerd, had hij kunnen doorrijden en had hij de rij geparkeerde auto’s tijdig kunnen passeren. De tweede verkeersfout was dat mevrouw [bestuurster Land Rover] is doorgereden totdat de Land Rover tot stilstand kwam naast de Ford. Ze had in ieder geval moeten vermoeden dat er naast de geparkeerde auto’s onvoldoende ruimte was voor de Land Rover en de Ford om elkaar te passeren. Ze had de Ford ruimte moeten geven om de geparkeerde auto’s te passeren. Tot slot heeft mevrouw [bestuurster Land Rover] een inschattingsfout gemaakt op het moment dat de auto’s naast elkaar tot stilstand kwamen. Ze besloot om toch door te rijden, hoewel er onvoldoende ruimte was. Ze heeft de heer [bestuurder Ford] niet de mogelijkheid gegeven om ruimte te creëren door achteruit te rijden. Door toch door te rijden, heeft mevrouw [bestuurster Land Rover] de schade veroorzaakt.

3.3
Op grond van de verklaringen van de inzittenden van de beide auto’s kan in ieder geval het volgende worden vastgesteld. Beide auto’s reden op de Vaartweg in ’s Gravenmoer in tegengestelde richting. Op de weghelft van de Ford stond gedeeltelijk een aantal auto’s geparkeerd. Ter hoogte van die geparkeerde auto’s was er onvoldoende ruimte voor het tegelijk passeren van de Ford en de Land Rover. De Ford is begonnen met het passeren van de geparkeerde auto’s en is op enig moment gestopt naast de geparkeerde auto’s. Ten tijde van de aanrijding stond de Ford stil. De Land Rover reed ten tijde van de aanrijding ongeveer 10 km/u. Voorafgaand aan de aanrijding heeft mevrouw [bestuurster Land Rover] geseind met het groot licht omdat de Ford in haar ogen ten onrechte geen voorrang verleende.

3.4
Bij die stand van zaken behoeft het toelichting waarom mevrouw [bestuurster Land Rover] niet is gestopt maar is doorgereden. Mevrouw [bestuurster Land Rover] moet zich er immers van bewust zijn geweest dat de auto’s ter plekke elkaar niet konden passeren, terwijl mevrouw [bestuurster Land Rover] in staat moet zijn geweest om voorafgaand aan de botsing de Land Rover tot stilstand te brengen.

3.5
De kantonrechter passeert het betoog van [eiseres] dat de Ford niet lang genoeg zou hebben stil gestaan om de causaliteit te doorbreken tussen de gestelde verkeersfout van de Ford - namelijk het niet verlenen van voorrang - en de aanrijding. Het betoog miskent dat het er niet zozeer om gaat hoe lang de Ford stilstond, maar of mevrouw [bestuurster Land Rover] de keuze kon maken om tijdig te stoppen in plaats van de stilstaande Ford te passeren. Zoals de kantonrechter heeft geoordeeld was het - gelet op de relatief lage snelheid van de Land Rover, de omstandigheid dat mevrouw [bestuurster Land Rover] zich eerder realiseerde dat het passeren van de auto’s ter plaatse niet mogelijk was en het gegeven dat de Ford stilstond op het moment dat de auto’s elkaar passeerden - een keuze van mevrouw [bestuurster Land Rover] om langs de Ford te rijden. Mevrouw [bestuurster Land Rover] lijkt de inschattingsfout te hebben gemaakt, dat zij toch langs de stilstaande Ford kon rijden. Daarop heeft de aanrijding tussen de beide voertuigen plaatsgevonden.

3.6
De conclusie is dan ook dat het ongeval is toe te rekenen aan het handelen van mevrouw [bestuurster Land Rover] – namelijk de eerder genoemde inschattingsfout – en niet het handelen van de heer [bestuurder Ford] , zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de heer [bestuurder Ford] ten onrechte niet is gestopt voorafgaand aan de geparkeerde auto’s die zich gedeeltelijk op zijn weghelft bevonden om de Land Rover voorrang te verlenen. De vordering wordt dan ook afgewezen.ECLI:NL:RBDHA:2020:350