Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's gravenhage 060711

beschikking
RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 390101 / HA RK 11-166
Beschikking van 6 juli 2011
in de zaak van
S.,
wonende te Assendelft,
verzoekster,
advocaat: mr. H. de Jager te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap
AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
verweerster, advocaat: mr. K.M. Volker te Utrecht.

Partijen zullen hierna S. en Aegon worden genoemd.

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 21 maart 2011, met producties;
- het verweerschrift, met producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten
2.1. Op 10 november 2007 is de heer M.J .C. M. (hierna: M.) betrokken geraakt bij een ongeval. Hij is als voetganger in aanraking gekomen met een bij Aegon verzekerd motorrijtuig (hierna: het ongeval). M. is als gevolg van dit ongeval overleden.

2.2. S. had sinds oktober 2005 een relatie met M. en woonde met hem samen.

2.3. Aegon beeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval van de hand gewezen.

3. Het geschil
3.1. S. verzoekt de rechtbank - samengevat - voor recht te verklaren dat Aegon:
a. geen beroep op overmacht (artikel 185 van de Wegenverkeerswet (WVW» toekomt, althans door gebrek aan bewijslevering daarin niet kan slagen;
b. vanwege het ontbreken van overmacht geheel of - in goede justitie te bepalen - gedeeltelijk aansprakelijk is ten opzichte van S.;
c. op grond daarvan verplicht is de betalingen aan S. te verrichten op grond van artikel 6: I 08 BW ter zake de schade die zij in hoedanigheid van nabestaande van M. heeft opgelopen en de schade die zij als gevolg daarvan nog steeds lijdt;
S. verzoekt daarbij Aegon te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2. S. legt aan haar verzoeken ten grondslag dat Aegon ingevolge artikel 185 WVW aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade als bedoeld in artikel 6: 108 BW.

3.3. Aegon voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1. In de eerste plaats ligt de vraag voor of het verzoek van S. zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 10] 9w-l 0 19cc Rv. Aegon betoogt namelijk dat dit niet het geval is, aangezien een beslissing over de aansprakelijkheid geen enkel, althans onvoldoende, perspectief biedt op een buitengerechtelijke afwikkeling van de schade. Zij acht daartoe van belang dat er nooit onderhandelingen tussen partijen hebben plaatsgevonden over de door S. in onderhavige procedure ingediende verzoeken. Bovendien zal Aegon, wanneer de rechtbank in deze procedure haar aansprakelijkheid zou vaststellen, niet berusten in deze uitspraak, maar een bodemprocedure beginnen. Voorts voert Aegon aan dat S. geen inzicht beeft gegeven in de omvang van haar schade. Of er sprake is van behoeftigheid in de zin van artikel 6: 108 BW kan thans dan ook nog niet worden vastgesteld. Ten slotte merkt Aegon op dat de toedracht van het ongeval tussen partijen in geschil is, waardoor het wellicht noodzakelijk is getuigen te horen, hetgeen niet past in een deelgeschilprocedure.

4.2. De rechtbank overweegt als volgt. De deelgeschilprocedure biedt volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen. Zij krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken Il, 2007-2008, 315 ]8, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3. In de memorie van toelichting bij voornoemde wet is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10).

4.4. Het primaire verweer van Aegon ten aanzien van de aansprakelijkheid bestaat uit een beroep op overmacht (artikel 185 WVW). Een beroep op ovennacht kan alleen slagen indien aannemelijk wordt gemaakt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn fouten van andere weggebruikers, zoals van het slachtoffer zelf, alleen van belang indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (HR 22 mei 1992, NJ 1992,572 en HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 147). Het is in onderhavige zaak aan Aegon om de feiten te bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat het ongeval is te wijten aan overmacht aan de zijde van de bestuurder van het motorrijtuig in de zin van artikel 185 WVW.

4.5. Tussen partijen is onder meer in geschil met welke snelheid het voertuig ten tijde van het ongeval heeft gereden. Aegon stelt dat de bestuurder zich aan de toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur heeft gehouden. De bestuurder heeft namelijk slechts verklaard hoogstens 60 km/uur te hebben gereden. Bovendien heeft Aegon de zaak voorgelegd aan Ongevallen Analyse Nederland (hierna: DAN). OAN trekt de conclusie dat er geen aanknopingspunten zijn voor een vreemde of abnormale toedracht en dat het een normaal ongeval met een normale (bots)snelheid zou kunnen betreffen. S. voert echter aan dat uit het proces-verbaal zoals opgemaakt door de politie blijkt dat de bestuurder zelf toegeeft dat hij 60 krnJuur heeft gereden en dat andere getuigen de snelheid waarmee de bestuurder heeft gereden hebben geschat op 80-90 km/uur.

4.6. Om te kunnen bepalen ofhet beroep op overmacht slaagt en de bestuurder van het motorrijtuig rechtens dus geen enkel verwijt kan worden gemaakt ter zake de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank onder meer van belang met welke snelheid de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van het ongeval heeft gereden. De politie heeft naar deze snelheid geen onderzoek gedaan, omdat zij is uitgegaan van suïcide. De door Aegon ingenomen stellingen houden aanwijzingen in dat de bestuurder zich aan de ter plaatste geldende maximumsnelheid heeft gehouden, maar gezien het gemotiveerde verweer van S. is het bewijs van die stellingen nog niet geleverd.

4.7. Voorts dient er duidelijkheid te komen over de wijze waarop M. de weg is overgestoken. Het enkel vaststellen van de snelheid waarmee de bestuurder heeft gereden, is naar het oordeel van de rechtbank namelijk onvoldoende om het beroep op overmacht te kunnen toe- of afwijzen. Het eventuele overschrijden van de maximumsnelheid staat immers niet per definitie een beroep op overmacht in de weg. Voor het beroep op overmacht moet worden gekeken naar de wijze waarop de bestuurder heeft deelgenomen aan het verkeer voor zover dil van belang is voor de veroorzaking van het ongeval. Uit de wijze waarop M. de weg is overgestoken zou kunnen volgen dat het ongeval, ook als de bestuurder zich wel aan de maximumsnelheid zou hebben gehouden, niet voorkomen had kunnen worden. Indien zou blijken dat de bestuurder niet harder dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid heeft gereden, is de wijze van oversteken van belang voor beantwoording van de vraag of het verkeersgedrag van M. zo onwaarschijnlijk was, dat de bestuurder bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.

4.8. Aegon stelt zich op het standpunt dat M. door zijn psychische gesteldheid voor het motorrijtuig is gestapt/gesprongen. S. betoogt echter dat M. onvoorzichtig is overgestoken. Hij heeft vervolgens de snelheid van het naderende motorrijtuig onjuist ingeschat, waardoor hij een verkeerde manoeuvre heeft gemaakt.

4.9. De rechtbank overweegt dat tussen partijen vaststaat dat M. ten tijde van het ongeval verward en in psychische toestand was. Daarbij komt dat het lichaam van M. vrijwel naakt (op één sok na) werd aangetroffen voor het motorrijtuig dat hem had aangereden. De rechtbank is met S. van oordeel dat hieruit alleen niet kan worden afgeleid op welke wijze M. de weg is overgestoken. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat de brieven van M., op grond waarvan de politie de conclusie heeft getrokken dat er sprake was van suïcide en nader onderzoek heeft nagelaten, geen duidelijk afscheidsbrieven zijn. Ook ten aanzien van de wijze waarop M. de weg is overgestoken moet dus de conclusie zijn dat de door Aegon ingenomen stellingen wel aanwijzingen inhouden van haar standpunt dat M. voor het motorrijtuig is gestapt/gesprongen, maar dat het bewijs van haar stellingen, gezien het verweer van S., nog niet is geleverd.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat naar de snelheid waarmee de bestuurder ten tijde van het ongeval heeft gereden en de wijze waarop M. de weg is overgestoken, nader onderzoek dient te worden gedaan, al dan niet in de vorm van bewijslevering. Beantwoording van dit deelgeschil zal hiermee veel tijd in beslag nemen en zal kostbaar zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat, zoals S. terecht aanvoert, indien de toedracht van het ongeval ook na nader onderzoek of bewijs levering onduidelijk blijft, deze onduidelijkheid voor rekening van Aegon komt. Op haar rust immers de bewijslast van de stellingen waarop het beroep overmacht is gegrond. Wanneer er geen feiten worden bewezen op grond waarvan moet worden aangenomen dat er sprake was van overmacht aan de zijde van de bestuurder van het motorrijtuig, komt dit voor risico van Aegon.

4.11. Voorts zal de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank gering zijn. Aegon voert aan dat partijen nimmer met de onderhandelingen zijn gestart, maar dit enkele feit is onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De verzoeken die in deze zaak aan de rechtbank zijn voorgelegd betreffen immers geschillen aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen. S. heeft Aegon echter geen inzicht gegeven in de door haar geleden schade. Het is dan ook niet duidelijk of er sprake is van behoeftigheid in de zin van artikel 6: 108 BW. Bovendien is gebleken dat S. aanspraak maakt op uitkeringen in het kader van bij RVS afgesloten levensverzekeringen. De onderhandelingen over deze uitkeringen nemen volgens S. al een lange periode in beslag en S. heeft aangegeven dat bij een negatieve uitkomst van deze onderhandelingen een procedure tegen RVS wellicht nodig zal zijn. Daar komt bij dat de toetsingscommissie gezondheidsgegevens inmiddels een uitspraak heeft gedaan waaruit volgt dat RVS niet gehouden is tot het doen van een uitkering. Over de hoogte van de schade is aldus nog niet veel bekend, waardoor de onderhandelingen tussen S. en Aegon worden belemmerd.

4.12. De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. De verzoeken zullen dan ook op grond van artikel l019z Rv worden afgewezen.

De kosten

4.13. U it de parlementaire geschiedenis bij artikel 10 19aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 10 19z wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure dient te begroten. Nu de aansprakelijkheid van Aegon voor de gevolgen van het M. overkomen ongeval (nog) niet vaststaat, is de verzochte veroordeling van Aegon tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar.

4.14. Kosten dienen ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. De rechtbank is met Aegon van oordeel dat niet alle door S. aangevoerde kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van de deelgescbilprocedure. Het verzoekschrift is in onderhavige procedure namelijk op 21 maart 2011 ingediend en uit het kostenoverzicht zoals gevoegd bij productie 10 van bet verzoekschrift blijkt dat door S. onder meer kosten uit juni 2010 worden aangevoerd. Nu bovendien een voldoende gespecificeerde kostenopgave van de zijde van S. ontbreekt (voor contacten met cliënt, Aegon of overige instanties wordt door mr. De Jager 'forfaitair en gemakshalve uitgegaan van een tijdsbeslag van 30 minuten per correspondentie/contactmoment') zal de rechtbank zelf overgaan tot begroting van de kosten.

4.15. Naar redelijkheid begroot de rechtbank de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift, verdere correspondentie, het bestuderen van het verweerschrift en het bijwonen van de zitting op 12 uur. Daarbij zal uit worden gegaan van een uurtarief van € 150,-- (excl. BTW), aangezien hier door Aegon geen bezwaar tegen is gemaakt. Ook het door S. betaalde griffierecht van € 258,-- zal bij deze kosten worden opgeteld. De kosten voor medische expertise zullen door de rechtbank, als verder onweersproken, worden begroot op € 1.678,04 (excJ. BTW). In totaal bedragen de buitengerechtelijke kosten aldus € 3.736,04.

5. De beslissing

De rechtbank:
5.1. begroot de kosten als bedoeld in artikel1019aa Rv op € 3.736.04 (excl. BTW);
5.2. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

Deze website maakt gebruik van cookies