Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-Nederland 090217

Rb Noord-Nederland 090217

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2017/rb-noord-nederland 090217

beschikking 

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND 
Afdeling Privaatrecht 
Locatie Leeuwarden 
zaak-/rekestnummer: 5460103 \ VZ VERZ 16-38 

Beschikking in het kader van de deelgeschillenprocedure ex artikel 1019w lid 1 Rv van 9 februari 2017 

in de zaak van 

X , 
wonende te T, 
verzoekster, 
gemachtigde: mr. P. Meijer, 

tegen 

I. de besloten vennootschap 
HOTEL PAAL ACHT B.V., 
statutair gevestigd te Rheden, en 

2. de public limited company 
ZÜRICH INSURANCE PLC, 
Nederlands Bijkantoor, 
gevestigd te 's-Gravenhage, 

verweersters, 
gemachtigde: mr. GJ. de Lange. 

Partijen zullen hierna X, het Hotel en Zürich worden genoemd. 

1. 
De procedure 

l.1. 
Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift, 
- het verweerschrift, 
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2017, 
- de pleitnota van X. 

1.2. 
Ten slotte is beschikking bepaald op 9 februari 2017. 

2. 
De feiten 

2.1. 
De kantonrechter kan bij de beoordeling van het deelgeschil uitgaan van de navolgende feiten. 

2.2. 
X is op 1 december 2008 bij het Hotel in dienst getreden als receptioniste. 

2.3. 
Zürich is de aansprakelijkheidsverzekeraar van het Hotel. 

2.4. 
De werkzaamheden van X bestonden onder meer uit het maken van een afsluitende controleronde door het hotel inclusief het zwembad en het saunagedeelte, indien zij een late dienst had. Dit gebeurde drie keer per week. 

2.5. 
Op 17 februari 2012 omstreeks 22.15 uur is X tijdens haar afsluitende ronde ten val gekomen in het zwembadgedeelte. Tijdens het op 16 maart 2016 bij de onderhavige rechtbank gehouden voorlopig getuigenverhoor heeft X hierover verklaard: 
"( ... ) Ik heb bij de sauna gekeken of er nog mensen waren en vlak daarbij lag er water op de vloer. Op bepaalde gedeeltes in het zwembad, meestal zijn dat dezelfde gedeeltes, lag water. Ik gleed op die dag met mijn linkervoet uit waardoor ik naar voren viel. Ik strekte mijn armen uit naar voren. Door de strakke bedrijfskleding heeft mijn linkerschouder een knak gemaakt. ( ... ) Na de val heb ik even op de grond gezeten en op een zeker moment heb ik mijzelf overeind geduwd met mijn rechterarm. ( ... ).

2.6. 
Mevrouw Y, hotel manager bij het Hotel, heeft tijdens het op 16 maart 2016 gehouden voorlopig getuigenverhoor verklaard: 
"( ... ) Op de vraag wat ik mij nog kan herinneren van de melding van X antwoord ik dat ze vertelde dat ze was uitgegleden in het zwembad tijdens de sluitronde. Ik kon en kan mij nog steeds wel inbeelden dat dat gebeurd is. Er lag water op de vloer, het was daar nat, en het is daar altijd heel vochtig. Ik kan mij indenken dat je uitglijdt op een vloer die glad is. Gasten stappen het water uit, die zijn nat en dan is de vloer ook nat. ( ... ) Er was niet een instructie aan de werknemers dat ze verplicht waren hun schoenen uit te doen tijdens de sluitronde. De receptionistes hadden nette zwarte schoenen aan. Zelf had ik schoenen met een hakje. Sneakers zijn niet gepast in een 4 sterren hotel. ( ... ) Nadat X was gevallen hebben we, ik had natuurlijk een directeur waarmee ik het besprak en ik besprak het ook met de receptionistes, wel aangevoerd dat je blauwe schoenen, schoonmaaksloffen aan kunt doen. Die doe je om je schoenen heen. Dat blijft ook gevaarlijk glibberig. ( ... ) We hebben geen grootse maatregelen genomen tegen de gladde vloer. In het team is misschien nog wel besproken dat je je schoenen uit moest doen. Dat deed je niet, want dan liep je met je panty's door het water en daarna moest je nog naar huis. ( ... ).

2.7. Mevrouw A, horecamedewerker bij het Hotel, heeft tijdens het op 16 maart 2016 gehouden voorlopig getuigenverhoor verklaard: 
"( ... ) Soms deden mensen hun schoenen uit tijdens de afsluitronde en soms niet. Mensen deden de afsluitronde altijd alleen. Er waren geen duidelijke instructies, geen speciale schoenen die voor veiligheid zorgen. Direct na het ongeval is dat wel ter sprake gekomen. Er zijn blauwe schoentjes aangeschaft die receptionistes aan konden doen als ze het zwembad gingen afsluiten. Er is ook wel gesproken dat er met twee mensen samen de aftluitronde gedaan moest worden. Uit het oogpunt van veiligheid. Dat is ook gedaan. ( ... ).

2.8. 
Als gevolg van de val heeft X letsel aan haar linkerarm opgelopen. De kop van de schouder is op drie plaatsen gebroken. De gebroken delen zijn aan elkaar gezet met osteosynthesemateriaal. In 2012 en 2014 is X geopereerd. X heeft aanhoudende pijnklachten en is thans volledig arbeidsongeschikt. 

2.9. 
De arbeidsovereenkomst van X met het Hotel is per december 2012 beëindigd. 

2.10. 
X heeft het Hotel op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Zürich werd op grond van artikel 7:954 BW verzocht een recht op schadevergoeding te erkennen. 

2.11. 
Het Hotel en Zürich hebben iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. 

3. 
Het verzoek 

3.1. 
X verzoekt, verkort weergegeven, om te oordelen dat het Hotel op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die zij heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden bij het Hotel, althans Zürich te veroordelen tot vergoeding van de schade ontstaan door de val. Voorts verzoekt X om de kosten aan haar zijde te begroten en toe te wijzen. 

3.2. 
Het verweer van het Hotel en Zürich strekt tot afwijzing van het verzoek. 

3.3. 
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4. 
De beoordeling 

4.1 . 
Het verzoek van X strekt te komen tot aansprakelijkheid van het Hotel en vergoeding van haar schade door Zürich. Gelet op de mogelijkheid dat partijen tot nader overleg en een minnelijke regeling komen indien de kantonrechter beslist dat het Hotel aansprakelijk is voor de schade die X stelt te lijden, kan X in haar verzoek worden ontvangen. 

4.2. 
X stelt, verkort weergeven, dat het Hotel aansprakelijk is voor de schade die zij ten gevolge van de val heeft geleden op grond van artikel 7:658 BW. Het Hotel heeft volgens X zijn zorgplicht geschonden door geen instructie te geven over de wijze van werken op de gladde vloer, waardoor er ook niet werd toegezien op het naleven daarvan. Voorts werd er geen veiligheidsschoeisel voorgeschreven (daar waar er wel representatief schoeisel werd voorgeschreven), terwijl het ging om regelmatig terugkerend werk waardoor een werknemer minder oplettend wordt. Ook was er geen sprake van een toepasselijke risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en werd er niet gewaarschuwd voor gladheid. Een waarschuwingsbordje kwam pas na de val. Al met al werd er wel op gelet of iemand er representatief uit zag, maar niet of men veilig werkte. Volgens X betekent dit dat het Hotel aansprakelijk is voor haar schade en dat Zürich de schade dient te voldoen. 

4.3. 
Het Hotel betwist dat de val van X te wijten is aan een schending van zijn zorgplicht. Het Hotel voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat niet is komen vast te staan dat X als gevolg van een natte zwembadvloer ten val is gekomen. Voorts voert het Hotel aan dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat niet gewaarschuwd behoeft te worden voor gevaren in situaties die men zou kunnen kwalificeren als huis-, tuin- en keukensituaties en voor algemeen bekende gevaren. Volgens het Hotel volgt noch uit hetgeen van algemene bekendheid is, noch uit de stellingen van X, dat het risico dat men uitglijdt op een zwembadvloer, voor niet gewaarschuwde mensen zodanig onbekend is, dat het hotel nadere maatregelen had behoren te treffen of X ter zake had moeten waarschuwen of instrueren om dit risico te beperken. X wist dat er sprake was van een mogelijk natte zwembadvloer, zodat redelijkerwijs van X mocht worden verwacht dat zij hiermee rekening hield bij het betreden daarvan. 

4.4. 
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Artikel 7:658 lid 2 BW bepaalt dat de werkgever tegenover de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Dit is alleen anders als de werkgever aantoont dat hij de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen is nagekomen. Artikel 7:658 lid 1 BW bepaalt dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en te onderhouden en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. 

4.5. 
Tussen partijen is niet in geschil dat X tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden als receptioniste in dienst van het Hotel ten val is gekomen en (enige) schade heeft geleden. Dit betekent dat het Hotel op grond van artikel 7:658 lid 2 BW in beginsel aansprakelijk is voor die schade. Het antwoord op de vraag of X al dan niet door een natte zwembadvloer ten val is gekomen kan in het midden blijven. De exacte toedracht van het ongeval hoeft niet vast te staan (vgl. HR 4 mei 200], ECLI:NL:HR: 2001:AB1430). 

4.6. 
Aldus ligt de vraag voor of het Hotel aan de zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 heeft voldaan. Artikel 7:658 lid 1 BW beoogt geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn daarbij onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de mate van bezwaarlijkheld van het treffen van maatregelen en de te verwachten (on- )oplettenheid van de werknemer, mede gelet op diens (werk-)ervaring, 

4.7. 
Tussen partijen is niet in geschil dat de zwembadvloer op zichzelf genomen voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Wel twisten partijen of het Hotel X had moeten instrueren of waarschuwen, dan wel veilig schoeisel had moeten verstrekken. Vast staat dat X met representatief schoeisel voor haar functie van receptioniste de zwembadvloer is opgelopen. In dit verband is onweersproken door X gesteld dat haar door de werkgever werd gevraagd om voor de receptiedienst representatief schoeisel te kopen. Gesteld noch gebleken is dat dit schoeisel met een antislipzool moest zijn. Voorts staat vast dat zwembadvloeren nat kunnen zijn en dan gladder kunnen zijn dan in droge toestand. Het betreden van een zwembadvloer met voor de receptiedienst representatieve schoenen, waarbij geen specifieke aandacht aan veiligheid is besteed, brengt een risico op uitglijden en/of vallen met zich. Dit risico werd in de gegeven omstandigheden vergroot doordat X meerdere keren per week een afsluitronde door het zwembad- en saunagedeelte moest lopen, waardoor voorzienbaar is dat na verloop van tijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid bij het betreden van de zwembadvloer zal afnemen. Gelet op het feit dat de aard van de werkzaamheden dit risico met zich brengt, alsmede op het feit dat het verstrekken van schoeisel dat bescherming biedt tegen uitglijden dit risico kan voorkomen, althans verkleinen, is de kantonrechter van oordeel dat het Hotel niet die (preventieve) maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De omstandigheid dat het van algemene bekendheid is dat zwembadvloeren nat en glad kunnen zijn en daardoor het risico op uitglijden en/ofvallen kunnen vergroten, alsmede de omstandigheid dat het verwezenlijken van dit gevaar als een huis-, tuin- of keukenongeval zou kunnen worden aangemerkt, doet daar niet aan af. Het Hotel had het gevaar immers met een eenvoudige ingreep kunnen wegnemen, althans verkleinen (vgl. Gerechtshof Arnhem, 29 maart 2011, JA 2011/93). De kantonrechter is daarom van oordeel dat het Hotel niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan en aansprakelijk is voor de door X in de uitoefening van haar werkzaamheden geleden schade. Het primaire verzoek van X zal dan ook worden toegewezen, waardoor de kantonrechter niet toekomt aan het subsidiair gevorderde. 

4.8. 
De wet bepaalt in art. 1019aa lid 1 Rv dat de kantonrechter de kosten van de procedure moet begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking dient te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en ook de hoogte van de kosten moet redelijk zijn. 

4.9. 
X stelt dat voor de kosten van rechtsbijstand dient te worden uitgegaan van een tijdsbesteding van 9 uur, tegen een uurtarief van € 260,- vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% BTW. Deze kosten zijn niet betwist en zijn redelijk. De kantonrechter begroot de totale kosten daarom op een bedrag van € 3.001,28, te vermeerderen met het door X betaalde griffierecht van € 79,-. Gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van het Hotel is komen vast te staan, zal de kantonrechter een veroordeling tot betaling van de advocaat- en proceskosten uitspreken.

4.10. 
Tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil staat op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal daarom worden afgewezen. 

Beslissing

De kantonrechter: 

5.1. 
oordeelt dat het Hotel op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die X heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden bij het Hotel; 

5.2. 
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.001,28, te vermeerderen met het door X betaalde griffierecht van € 79,- en veroordeelt het Hotel en Zürich hoofdelijk tot betaling daarvan aan X. 

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2017 in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier. 


Met dank aan mr. P. Meijer, Mens Advocaten , voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies