Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-Nederland 290317

Rb Noord-Nederland 290317

www.letselschademagazine.nl/2017/rb-noord-nederland-290317

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer. C/17/141973 / HA ZA 15- 162

Vonnis van 29 maart 2017

in de zaak van

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

ALLIANZ BENELUX N.V.m,.
gevestigd te Brussel (België),
eiseres,
advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

tegen

I. de vennootschap onder firma
X
gevestigd te <woonplaats>,
2. A
wonende te <woonplaats>,
3. B,
wonende te <woonplaats>,
gedaagden,
advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum.

Eiseres zal hierna Allianz genoemd worden, gedaagde sub 1. X en gedaagden tezamen X c.s.

1. De procedure
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 25 november 2015
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- het op 15 februari 2017 gehouden pleidooi en de daarbij overgelegde pleitnota's.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Op 11 juni 2003 heeft een zeilevenement plaatsgevonden op het Slotermeer, genaamd 'Essent skûtsjes', georganiseerd door de IFKS en Pro-Sport Nederland B.V. en gesponsord door Essent N.V.

2.2. Pro-Sport Nederland B.V. heeft X de opdracht gegeven om zorg te dragen voor de 'natte organisatie' en de leiding van de wedstrijd.

2.3. Y (hierna te noemen Y) heeft, als werkneemster van de Nederlandse Mededingsautoriteit (NMa), deelgenomen aan het zeilevenement. Zij was ingedeeld op het skûtsje 'Grytsje Obes'.

2.4. De 'Grytsje Obes' was eigendom van de besloten vennootschap W B.V. Bestuurder,en enig aandeelhouder van deze vennootschap is de besloten vennootschap <Z> Beheer B.V. Z (hierna te noemen Z) was tijdens het zeilevenement schipper van de 'Grytsje Obes', W Vastgoed B.V., Z Beheer B.V. en Z zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Z c.s. Allianz is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Z c.s.

2.5. Y is tijdens het zeilevenement een ongeval overkomen, ten gevolge waarvan zij (hersen)letsel heeft opgelopen.

2.6. Y heeft in 2005 diverse personen aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van het ongeval van 11 juni 2003 geleden schade en zij heeft in 2006 een procedure aanhangig gemaakt tegen onder andere Z c.s. en X c.s. De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 20 oktober 2010 voor recht verklaard dat zowel Z als X c.s. aansprakelijk zijn jegens Y voor de schade die is ontstaan ten gevolge van het ongeval op 11 juni 2003 en zowel Z als X c.s. zijn daarbij veroordeeld tot het betalen van de door Y als gevolg van het ongeval geleden schade, op te maken hij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2003 tot de dag van algehele voldoening. Daarnaast is X c.s., die in de rechtbankprocedure niet was verschenen, door de rechtbank veroordeeld tot betaling aan Y van een voorschot van € 25.000,- op de door Y als gevolg van het ongeval geleden schade. De vorderingen van Y jegens de andere gedaagden (waaronder W Vastgoed B.V. en Z Beheer B.V.) zijn door de rechtbank afgewezen.

2.7. Z en X c.s. zijn van voormeld vonnis van de rechtbank Noord- Nederland in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij tussenarrest van 26 februari 2013 in de zaak van Z tegen Y het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van Y afgewezen op grond van verjaring. X c.s. is bij voormeld tussenarrest toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij eindarrest van 28 januari 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de zaak van X c.s. tegen Y het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met veroordeling van X c.s. in de proceskosten. Het gerechtshof heeft daarbij onder meer overwogen (voor zover van belang):

Onderbouwing schade

2.25 X c.s, stellen daarnaast dat Y haar schade onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens X heeft de rechtbank om die reden ten onrechte het voorschot van € 25.000,- toegewezen (grief II in principaal appel) en dient in hoger beroep het gevorderde voorschoot van € 100.000,- evenzeer te worden afgewezen.

2.26 Ter onderbouwing van haar schade, voert Y, kort gezegd, het volgende aan. Y stelt dat er thans sprake is van een eindsituatie. Y stelt dat 14 uur per week het maximale is dat zij kan werken. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst zij naar de door haar overgelegde Arbo-rapponages en de verklaringen van de verzekeringsarts en revalidatiearts (zie producties 18, 19 en 20 bij memorie van antwoord tevens incidentele memorie van grieven). Y stelt verder dat zij door het ongeval blijvend hersenletsel heeft opgelopen en als gevolg daarvan niet meer op het niveau van een "high potential" kan werken. Volgens Y wordt zij geconfronteerd met een aanzienlijk verlies aan arbeidsvermogen. Dit verlies is door haar berekend op een bedrag van € 1.608.771,- exclusief pensioenschade. Daarnaast heeft zij materiële en immateriële schade geleden, waaronder de kosten van rechtsbijstand, aldus nog steeds Y. Zij meent tenslotte dat de door haar begrote schade een voorschot van € 100.000,- rechtvaardigt

2.27 Volgens X c.s. heeft Y de door haar begrote schade onvoldoende onderbouwd. Daartoe voeren zij, eveneens samengevat weergegeven, het volgende aan. De ernst van het letsel, de gevolgen daarvan voor Y als ook de ernst van de daardoor ontstane beperkingen zijn onvoldoende duidelijk. De door Y overgelegde documentatie is gedateerd, terwijl aanvullende informatie van een onafhankelijke medische deskundige ontbreekt. Voor de bepaling van de schade is informatie nodig van de huisarts, de behandelde sector van he. UWV en de Arbodienst. Die informatie ontbreekt. Het verlies van arbeidsvermogen kan pas worden vastgesteld nadat de hiervoor genoemde informatie is aangeleverd, aldus nog steeds X c.s. De wijze waarop Y het verlies aan arbeidsvermogen heeft berekend, is volgen X c.s, onjuist en ongebruikelijk. De uitgangspunten die aan de berekening ten grondslag zijn gelegd, zijn onvoldoende onderbouwd en verifieerbaar. Om die reden kan de berekening niet dienen ter rechtvaardiging van het gevorderde voorschot van € 100.000.

2.28 Het hof overweegt hiervoor als volgt Het hof volgt X c.s. in hun betoog dat Y haar schade onvoldoende heeft onderbouwd. De door Y overgelegde medische documenten dateren uit de periode 2004 - 2005. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kunnen deze documenten niet dienen ter onderbouwing van de stelling van Y dat zij door het ongeval thans nog steeds maar veertien uren per week kan werken. Zonder nadere toelichting van een medische specialist, kan evenmin worden aangenomen dat thans sprake is van een eindsituatie. Bij de berekening van de schade kan hiervan dan ook niet worden uitgegaan.

2.29 Naar het oordeel van het hof kan bij de berekening van de schade er evenmin van worden uitgegaan dat Y dezelfde potenties had als haar collega's. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat iedere "high potential" bij de NMA eenzelfde carrière pad aflegt en naar het bedrijfsleven vertrekt. Ook op dit punt is aanvullende informatie nodig. Het hof acht het evenwel aannemelijk dat Y, zeker in de periode-direct na het ongeval, enige schade door het ongeval heeft geleden. De rechtbank heeft die schade begroot op € 25.000,-. Alleen al gelet op de juridische kosten die Y heeft [moeten] maken, acht het hof een voorschot van € 25.000,- redelijk. Dit bedrag is door X c.s, ook niet onderbouwd bestreden. Het hof acht dit bedrag als voorschot op schadevergoeding toewijsbaar. Dit betekent dat de grief II in het principaal appel en grief I in het incidenteel appel falen. Nu het aannemelijk is dat Y enige schade door het ongeval. heeft geleden, heeft de rechtbank de zaak terecht verwezen naar de schadestaat procedure. De daartegen gerichte grief, grief IV in het principaal appel, faalt.

2.30 Het voorgaande betekent dat ook grief V in het principaal appel - die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat X c.s. als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dient te betalen - tevergeefs is voorgedragen.

2.8. X heeft het bedrag van € 25.000,- aan Y voldaan.

2.9. Y heeft tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 februari 2013 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 11 juli 2014 het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof 's- Hertogenbosch,

2.10. Allianz en Y hebben na voornoemd arrest van de Hoge Raad een schikking getroffen, op grond waarvan Y haar vordering op X c.s. aan Allianz heeft gecedeerd. De akte van cessie vermeldt (voor zover van belang):

de ondergetekenden:
I. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht ALLIANZ BENEUJX N.V. gevestigd en kantoorhoudende te (1000) Brussel, België, aan de Lakensestraat 45 (" Allianz") in haar hoedanigheid als aanspraketijkheidsverzekeraar van (i) de besloten vennootschap Z Beheer B.V., (ii) de besloten vennootschap W Recreatie B.V. en (iii) de heer Z (gezamenlijk "Z", allen gevestigd respectievelijk woonachtig te <woonplaats>;
en
2. mevrouwX, wonende te <woonplaats>
( ..... )
Overwegende.:
b. Op 11 juni 2003 is Y een ongeval overkomen terwijl zij aanwezig was op het skûtsje (een tjalk zeilschip) Grytsje Obes;
c. Y nam in haar hoedanigheid van werkneemster bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa, thans de Autoriteit Consument en Markt "ACM") op uitnodiging van Essent RV. ("Essen!") deel aan de door Essent georganiseerde Essent
skütsjesilwedstrijd op het Slotermeer te Friesland;
( ..... )
e. Tijdens de wedstrijd van het evenement bedoeld onder (b) is Y aan boord van het skûtsje Grytsje Obes op enig moment geraakt door een bewegend object van het schip en is zij tegen de regeling van het schip geworpen waarbij Y ernstig letsel heeft opgelopen; (...)
n. Ondergetekenden zijn overeengekomen dat Y de rechten die zij ter zake van de schade voortvloeiend uit het ongeval tegenover X en A heeft en nog mocht hebben, zal cederen aan Allianz tegen betaling als koopsom door Allianz van een bedrag
gelijk staand aan de nog te vergoeden schade.

verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

1.1. Y verkoopt en cedeert in volle en vrije eigendom aan Allianz, die van Y koopt en in volle en vrije eigendom gecedeerd krijgt, alle rechten en aanspraken op vergoeding van de door Y als gevolg van het hiervoor onder (e) omschreven ongeval op 11 juni 2003 geleden en te lijden materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, jegens X en A, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagen van betaling van de sub 1.2. bedoelde koopsom.
1.2. De koopsom van de hierbij verkochte en in eigendom overgedragen vordering beloopt een bedrag van EUR 156.000,00 (zegge honderdzesenvijftigduizend Euro). De koopsom zal, voor zover nog niet voldaan, worden betaald binnen drie weken nadat deze akte door partijen is ondertekend.

3. De vordering
3.1. Allianz vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, X c.s. te veroordelen tot betaling van het bedrag dat door Allianz aan Y is uitgekeerd, zijnde een bedrag van € 156.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van X c.s, in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en (voor het geval tijdige voldoening uitblijft) te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening, een en ander te vermeerderen met de na de uitspraak vallende kosten conform het liquidatietarief van de rechtbanken ad € 131,- danwel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,-.

3.2. X c.s. concludeert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen, Allianz in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze vorderingen te ontzeggen, met
veroordeling in de kosten van deze procedure.

4. De beoordeling

4. 1. Allianz vordert het door haar aan Y betaalde bedrag van € 156.000,- uit hoofde van de akte van cessie. Volgens Allianz staat, gelet op het arrest van het gerechtshof van 28 januari 2014, de aansprakelijkheid van X c.s. jegens Y vast. Allianz heeft door de cessie de rechten van Y verkregen. Dit brengt mee, aldus Allianz, dat alle door Allianz aan Y vergoede en nog te vergoeden schade (deels) voor rekening van X dient te komen. De omvang van de schade bedraagt volgens Allianz voormeld bedrag van € 156.000,-. Bij de vaststelling van dit bedrag is rekening gehouden met de € 25.000,- die Y reeds als voorschot van X heeft ontvangen.

4.2. X c.s. heeft in de eerste plaats ten verwere aangevoerd dat de cessie buiten beschouwing dient te worden gelaten. Met de onderhavige cessie is de positie van Allianz als verzekeraar van Z volgens X c.s. onevenredig versterkt ten opzichte van haar positie zonder de cessie. De cessie strekt volgens X c.s. (op ongeoorloofde wijzej) tot omzeiling van artikel 8:1754 BW en de daarin vervatte verjaringssystematiek. Zonder rechtsgeldige cessie zou de vordering van Allianz op X c.s. zijn verjaard nu sub b van artikel 8:1754 BW bepaalt dal de verjaringstermijn van drie maanden aanvangt de dag na de dag dat degene die verhaal zoekt in rechte is aangesproken. De inleidende dagvaarding dateelt van 2 juni 2006. Eerst op 4 oktober 2006 heeft Z haar incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ingediend. Als Y haar vordering niet had gecedeerd had Allianz/Z geen verhaal kunnen zoeken bij X c.s.

4.3. Voorts heeft X c.s. nog betoogd dat het 'optuigen' van de constructie met het cederen van de vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat ook Z aansprakelijk is voor de door Y ten gevolge van het ongeval van 11 juni 2003 geleden schade.

4.4. De rechtbank oordeelt als volgt.
Niet in het geding is dat sprake is van een rechtsgeldig cessie, waarbij Allianz de vordering van Y op X c.s. heeft verkregen. X c.s. stelt echter dat deze cessie buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank is van oordeel dat voormeld verweer van X c.s. aangaande de cessie van de vordering van Y aan Allianz niet slaagt. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 26 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6672). waarin het gerechtshof heeft overwogen:

Er is in beginsel geen grond om bij de beoordeling van de door de aansprakelijkheidsverzekeraar als cessionaris ingestelde vordering vervolgens die cessie buiten beschouwing te laten. Het rnoge zo zijn dat met een dergelijke cessie wordt beoogd de positie van de aansprakelijkheidsverzekeraar te versterken ten opzichte van zijn positie zonder die cessie, maar een dergelijk oogmerk is niet in strijd met (de strekking van) de wet, doch een geoorloofd effect van de cessie.

Voorts overweegt de rechtbank dat cessie een zelfstandige rechtsfiguur is, met alle daaraan verbonden risico's voor de cessionaris. Overgang van een vordering laat de verweermiddelen van de schuldenaar immers onverlet (artikel 6:145 BW). De rechtbank ziet evenmin in waarom het beroep op de cessie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Een eventuele schadeverdeling tussen Z en X c.s. kan immers in de daarvoor op te starten (arbitrage)procedure aan de orde komen.

4.5. Voorts heeft X c.s. ten verwere aangevoerd dat, gelet op het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2010, welk vonnis door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bekrachtigd, Allianz een schadestaatprocedure had moeten starten. Voor zover de onderhavige procedure dient te worden beschouwd als een schadestaatprocedure, dan dient de vordering van Allianz te worden afgewezen, omdat Allianz onvoldoende heeft gesteld omtrent de hoogte van de schade. X c.s. verwijst daarbij naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2014, waarin het gerechtshof heeft overwogen dat Y haar schade onvoldoende heeft onderbouwd. De vereiste nadere onderbouwing heeft Allianz ook nu niet gegeven, aldus X c.s.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat voormeld verweer van X c.s. slaagt Bij eindarrest van 28 januari 2014 heeft het gerechtshof Amhem-Leeuwarden in de zaak van X c.s, tegen Y het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2010 bekrachtigd. De rechtbank heeft X c.s. daarbij veroordeeld tot het betalen van de door Y als gevolg van het ongeval geleden schade, op te maken bij staat.

4.7. Nu Y haar vordering op X c.s. heeft gecedeerd aan Allianz, is het aan Allianz om in de onderhavige procedure de door Y geleden schade nader te onderbouwen. Anders dan Allianz meent, kan de omvang van de door Y geleden schade niet worden vastgesteld op het bedrag waarvoor Allianz, als verzekeraar van Z C.S., Y schadeloos heeft gesteld en waarvoor Allianz de vordering van Y heeft overgenomen. Bewijs van de omvang van de door Y geleden schade levert de akte van cessie naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op. Het door Allianz aan Y betaalde bedrag is immers in het kader van schikkingsonderhandelingen tussen Allianz en Z c.s. enerzijds en Y anderzijds tot stand gekomen. Zulks nadat de Hoge Raad de zaak voor wat betreft de vordering van Y op Z had terugverwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosoh ter verdere afhandeling. Wanneer Y haar vordering op X c.s. niet aan Allianz zou hebben gecedeerd zou Y ook niet hebben kunnen volstaan met het vorderen van een dergelijk bedrag zonder nadere onderbouwing van de door haar gestelde schade. Allianz heeft nog verwezen naar artikel 7:962 lid 1 BW, maar deze verwijzing gaat niet op, nu er in het onderhavige geval geen sprake is Van subrogatie maar van cessie.

4.8. Allianz verwijt X c.s. naar het oordeel van de rechtbank ook ten onrechte dat X c.s. ondanks het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2014 niet tot een schadeafwikkeling met Y is gekomen. Het gerechtshof heeft immers geoordeeld dat de rechtbank de zaak terecht heeft verwezen naar de schadestaatprocedure. Het initiatief voor deze procedure lag derhalve bij Y. Bovendien heeft het gerechtshof overwogen dat Y de door haar gestelde schade, waarvan zij als voorschot een bedrag van € 100.000,- vorderde, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd had. Volgens het gerechtshof konden de door Y overgelegde medische documenten, die dateerden uit de periode 2004 - 2005, zonder nadere toelichting, die ontbrak, niet dienen ter onderbouwing van haar stelling dat zij door het ongeval nog maar veertien uur per week kon werken. Evenmin kon volgens het gerechtshof zonder een toelichting van een medisch specialist worden aangenomen dat er sprake was van een eindsituatie. Voorts achtte het gerechtshof nadere informatie nodig over de carrièremogelijkheden van Y als 'high potential' bij de NMa. Voor de onderbouwing van haar claim lag het initiatief derhalve ook bij Y.

4.9. De rechtbank constateert dat Allianz, ondanks voormelde overwegingen van het gerechtshof, geen nadere informatie heeft verschaft over de omvang van de door Y gestelde schade. Conform vaste rechtspraak moet de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. Allianz heeft nagelaten een dergelijke vergelijking te maken: Allianz heeft geen inkomen geschetst van de feitelijke situatie na het ongeval, noch van het inkomen dat Y zou hebben verworven in de hypothetische situatie zonder ongeval. Allianz heeft slechts gesteld dat Y blijvend medisch letsel heeft overgehouden aan het ongeval waardoor zij sinds 2005 veertien uur per week werkt. Het gerechtshof heeft reeds geoordeeld dat Y daarmee de door haat gestelde schade onvoldoende onderbouwd heeft. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de enkele mededeling van de NMa uit 2011 dat aannemelijk is dat Y zonder het ongeval in 2011 per maand € 7,168,20 bruto bij de NMa zou hebben verdiend onvoldoende ter onderbouwing van het inkomen van Y in de hypothetische situatie zonder het ongeval. Daarbij spelen meer factoren een rol dan een vermoedelijk inkomen van Y in 2011. Voorts heeft Allianz de overige door haar gestelde schadeposten, zoals immateriële schade, verlies van zelfredzaamheid, kosten voor huishoudelijke hulp, reiskosten, het eigen risico van de ziektekostenverzekering en de advocaatkosten op geen enkele wijze nader begroot en toegelicht.

4.10. Allianz heeft nader bewijs aangeboden van de schadeomvang. Nu Allianz naar het oordeel van de rechtbank dienaangaande niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

4.11. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de vorderingen van Allianz als ongegrond dienen te worden afgewezen.

4.12. Allianz zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in de hoofdzaak en in het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van X worden vastgesteld op:
- griffierecht € 3.864,00
- salaris advocaat hoofdzaak € 5.684,00 (4,0 punten x tarief € 1.1421,00)
- salaris advocaat incident € 452,00
Totaal € 10.000,00

5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Allianz in de proceskosten, aan de zijde van X c.s. tot op heden vastgesteld op € 10.000,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema, mr. A. van der Meer en mr. E.Th.M. Zwart- Sneek en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.

Met dank aan Y. Boendermaker, Boendermaker Letselschade Advocatuur B.V., voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies