Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 120218

Rb Amsterdam 120218

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2018/rb-amsterdam-120218

Afdeling privaatrecht 

zaaknummer: 6455624 EA VERZ 17-1005 
beschikking van: 12 februari 2018 
func.: 515 

beschikking van de kantonrechter in een deelgeschilprocedure 

Inzake 

[ verzoekster ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
verzoekster, 
nader te noemen: [ verzoekster ] , 
gemachtigde: mr. O. Emre, 

tegen 

[ verweerster ] , handelend onder de naam Orthodontie Centrum da Vinci, 
thans wonende te [ woonplaats ], 
verweerster, 
nader te noemen: [ verweerster ] , 
gemachtigde: mr. A.H.J. de Kort. 

VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

Op 8 november 2017 is namens [ verzoekster ] een verzoekschrift, met bijlagen, ingediend als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 

Namens [ verweerster ] is een verweerschrift ingediend. 

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. [ verzoekster ] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [ verweerster ] is verschenen bij haar gemachtigde. [ verzoekster ] is gehoord en heeft vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigden van partijen hebben hun standpunten toegelicht en over en weer op elkaar gereageerd. 

Ten slotte is beschikking bepaald op heden. 

GRONDEN VAN DE BESLISSING 

Feiten 

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast: 

1.1. Op 10 november 2010 is [ verzoekster ] bij [ verweerster ] in verband met orthodontie behandeling een medische behandelingsovereenkomst aangegaan. 
1.2. In een brief aan [ verzoekster ] is meegedeeld, voor zover hier van belang: 
"Na het bestuderen van de modellen en foto's is de volgende diagnose gesteld; er is zowel in de onder- als bovenkaak sprake van ruimtegebrek, hierdoor overlappen de tanden elkaar en staan scheef in de boog. De mid-lijn is verschoven. Diverse tanden staan in kruisbeet. Wij stellen het volgende behandelplan voor: met behulp van een beugel evt. gecombineerd met mini-implantaten zullen we het ruimtegebrek opheffen en de tanden netjes in de boog oplijnen. Aan het eind van de behandeling zal de bereikte situatie met een spalk en nachtbeugel gefixeerd worden. De geschatte behandelduur bij goede coöperatie is 12-24 maanden.(..)
1.3. Op 29 oktober 2013 is [ verzoekster ] door haar tandarts verwezen naar tandarts X van de praktijk voor Orthodontie in de Händelstraat te Amsterdam. 
1.4. Op 6 november 2013 heeft [ verzoekster ] bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam, hierna het Tuchtcollege, een klacht ingediend tegen [ verweerster ] . 
1.5. In een brief van 13 juni 2014 heeft X meegedeeld, voor zover hier van belang: 
"Naar mijn mening is bij de start van de behandeling de situatie van het parodontium bij bovengenoemde patiënte onjuist of niet gediagnosticeerd. De OPG die de collega ([ P.C. Hooftstraat]) toen heeft gemaakt (in bezit van patiente) vertoonde al veel botafbraak. De oorzaak en gevolgen van die botafbraak zijn niet geadresseerd. Ten tweede is gepoogd het ruimtegebrek op te lossen middel forse expansie van de molaren en protrusie van de incisieven. Gezien de nu te fors geprotrudeerde incisieven in de boven- en onderkaak moet geconcludeerd worden dat, nadat eerst een parodontoloog een diagnose had moeten geven over de gebitstoestand bij patiente, patiente nooit orthodontisch behandeld had kunnen worden zonder het noodzakelijk extraheren van diverse elementen. De vraag is m.i. gerechtvaardigd of überhaupt bij patiente orthodontische behandeling aangevangen had mogen worden gezien de parodontale status bij aanvang behandeling.
1.6. Bij beslissing van 1 juli 2014, in het openbaar uitgesproken en verzonden op 26 augustus 2014, heeft het Tuchtcollege een gedeeltelijke ontzegging opgelegd van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande beroep van tandarts uit te oefenen, aldus dat het [ verweerster ] niet zal zijn toegestaan om handelingen te verrichten die exclusief binnen het domein van de orthodontie vallen. Daartoe heeft het Tuchtcollege overwogen, voor zover hier van belang: 
"5.2 De vraag die vervolgens voorligt is, of verweerster binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven tijdens de behandeling van klaagster. Over de vraag of verweerster de zorg heeft betracht die van haar, als tandarts die orthodontische behandelingen verricht, verwacht mag worden is de deskundige Prahl tijdens de zitting gehoord. Aan de hand van het relaas van Prahl kan het volgende worden vastgesteld. Verweerster heeft klaagster behandeld volgens een nieuwe techniek waarbij geen extractie van elementen noodzakelijk is. Wel is er een implantaat geplaatst. Op grond van het dossier komt Prahl tot de conclusie dat een duidelijke (correcte) diagnose ontbreekt, evenals een probleemlijst met mogelijke oplossingen en een definitief behandelplan. De stukken geven voorts geen inzicht over wat het doel is van de behandeling en naar welk eindresultaat wordt gestreefd. Ook wordt uit het dossier niet duidelijk wat is besproken met klaagster. Zo is onduidelijk of verweerster klaagster heeft geïnformeerd over de risico's van de behandeling en mogelijke behandelalternatieven. De door verweerster ingezette behandeling is volgens Prahl ambitieus en onnodig belastend voor het parodontium. Volgens Prahl had klaagster een complexe hulpvraag, onder andere omdat klaagster bekend is met parodontitis en een zwak gebit heeft. Samenwerking met de parodontoloog is dan belangrijk. Het had volgens Prahl op de weg van verweerster gelegen om contact te zoeken met de parodontoloog voor overleg en niet alleen af te gaan op de informatie van de patiënt. ( ... ) Niet behandelen was ook een optie geweest en had misschien wel de voorkeur gehad. Het beoogde eindresultaat is niet behaald, de tanden zijn weinig verplaatst en de midline is niet goed. De behandeling had binnen één à twee jaar kunnen worden afgerond. Onduidelijk is waarom de behandeltermijn zo ruimschoots is overschreden, dit alles aldus Prahl. 
Het college kan op grond van de stukken en hetgeen is besproken ter zitting, mede gelet op wat daarover de Prahl en X (2.6) is verklaard niet anders concluderen dan dat verweerster ernstig tekort is geschoten in de zorg naar klaagster. Verweerster heeft klaagster niet geïnformeerd over de mogelijke risico 's van de in Nederland ongebruikelijke 'high tech' ortodontische behandeling, en de eventuele (meer gebruikelijkere) behandelalternatieven. Klaagster heeft aldus niet gemotiveerd kunnen kiezen voor de door verweerster uitgevoerde orthodontische behandeling met het 'benedict distalizing systeem'. 
( ... ) Klaagster en verweerster verklaren beiden dat het parodontium van klaagster er 'rustig' uit zag en dat de parodontitis onder controle was tijdens de intake en bij aanvang van de behandeling, maar verweerster heeft de conditie van het parodontium na aanvang niet goed (genoeg) vervolgd. Van verweerster mocht een proactieve houding worden verwacht ten aanzien van het controleren van het parodontium. ( .. .) Het (eind) resultaat van de behandeling is niet behaald, en de behandeling duurde lang, althans langer dan verwacht. 
Hiervoor kan verveerster geen onderbouwde verklaring geven. ( ... )

1.7. [ verweerster ] heeft geen beroep ingesteld van de beslissing van het Tuchtcollege. 
1.8. Bij brief van haar gemachtigde van 20 juni 2016 heeft [ verzoekster ] [ verweerster ] aansprakelijk gesteld voor het door haar overkomen letsel en heeft zij vergoeding verlangt van de door haar geleden en nog te lijden materiële en 
immateriële schade. 
1.9. [ verweerster ] heeft de aansprakelijkheid niet erkend. 
1.10. In een medisch advies van M.D. Schotman, tandheelkundig adviseur van 29 mei 2017 is opgenomen, voor zover hier van belang: 
"2) Een correct esthetisch eindresultaat is niet bereikt
( ... ) De basis van het niet bereiken van een voldoende eindresultaat is gelegd al met een onvolledig gestelde diagnose. Daarbij is de keuze van de therapie, zijnde een non-extractie therapie bij fors ruimtegebrek, tevens een belangrijke reden van het onvoldoende resultaat. Afgaande op het oordeel van de geconsulteerde orthodontist X staan de onder- en boventanden nu te ver in protrusie ( = tanden staan te ver naar voren ) en is de mediaanlijn verschuiving niet verholpen. Een onvoldoende resultaat. Het expanderen van de kiezen ( = als het ware breder maken van de kaak ) en het in protrusie duwen van de onder- en boventanden voor het opheffen van fors ruimtegebrek zal zelden tot een goed resultaat leiden. Zoals orthodontist X bevestigt, deze behandeling zonder extracties kon niet tot een stabiel en bevredigend resultaat leiden. Een correct eindresultaat is niet bereikt als gevolg van een gebrekkige diagnose en onjuiste therapie-keuze. ( ... ) 
4) Er zijn complicaties ontstaan in de vorm van een verslechterde parodontale situatie
Een orthodontische behandeling bij een parodontaal zwakkere patiënt brengt grote risico 's met zich mee. Blijkens het dossier, is dit niet gecommuniceerd met patiënte. Dit is verwijtbaar in het kader van de verplichte Informed Consent. Tevens had van de behandelaar een zeer pro-actieve houding verwacht kunnen worden t.a. v. de parodontale situatie gezien de belastende behandeling voor het parodontium. Daarbij komt, dat bij de gekozen therapie met het Benefit-Distalising-Systeem de kiezen gebandeerd worden, hetgeen in parodontaal opzicht nog eens extra belastend is. Niets blijkt uit het behandeldossier van een alertheid op dit belangrijke facet. Dit is een verwijtbaar aspect in de behandeling. Gevolg is, dat de parodontitis zich weer kon ontwikkelen zonder adequate parodontale therapie met verdere schade. 
H Conclusie 
( ... ) 
7) Geconcludeerd kan worden, dat [ verzoekster ] door de gang van zaken benadeeld is in tandheelkundig- en financieel opzicht. Een nadere kwantificering van deze schade is te adviseren.

1.11. In een brief van 20 juni 2017 is door de gemachtigde van [ verweerster ] gereageerd op het medisch advies en is herhaald dat [ verweerster ] geen aansprakelijkheid erkent. 

Het verzoek 

2. [ verzoekster ] verzoekt om in het kader van de deelgeschilprocedure [ verweerster ] aansprakelijk te stellen voor de materiële en immateriële schade die voortvloeit uit het letsel dat veroorzaakt is door het medisch onzorgvuldig handelen, met veroordeling van [ verweerster ] in de buitengerechtelijke kosten van € 4.650,77 en veroordeling in de kosten van de deelgeschilprocedure van € 3.104,11, vermeerderd met de verschuldigde griffierechten. [ verzoekster ] stelt daartoe, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende. [ verzoekster ] heeft op 10 november 2010 [ verweerster ] geconsulteerd vanwege het scheef staan en niet goed aansluiten van haar tanden, waardoor zij haar gebit niet goed kon schoonhouden. Zij was in die tijd nog wel onder behandeling bij haar parodontoloog vanwege haar parodontitis. Er is tijdens haar eerste consult een behandelplan opgesteld. 
Op 25 november 2010 heeft een orthodontische behandeling plaatsgevonden, waarna [ verzoekster ] klachten en beperkingen heeft overgehouden. Uit consultatie van haar eigen tandarts, een second opinion van X en het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam kwam naar voren sprake is geweest van een medisch onzorgvuldige behandeling door [ verweerster ]. Dit wordt ook bevestigd door de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege en de door haar benaderde medische adviseur. [ verzoekster ] wenst toegelaten te worden tot de deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv teneinde vast te stellen dat [ verweerster ] aansprakelijk is voor de schade van [ verzoekster ]. Oplossing van dit deelgeschil zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de letselschadezaak. 

Het verweer 

3. [ verweerster ] heeft het verzoek van [ verzoekster ] bestreden. Voor zover nodig komt het verweer van [ verweerster ] bij de beoordeling aan de orde. 

De beoordeling 

Bevoegdheid

4. Met betrekking tot de bevoegdheid van der kantonrechter wordt overwogen dat het verzoek in beginsel ziet op een vordering van onbepaalde waarde, waardoor de kantonrechter onbevoegd zou zijn om van het verzoek kennis te nemen. Nu namens [ verzoekster ] tijdens de zitting echter is verklaard dat haar schadevordering niet hoger zal zijn dan € 25.000,00 en zij voor zover nodig afstand heeft gedaan van het meerdere, is de kantonrechter bevoegd het onderhavige verzoek te behandelen 

Deelgeschilprocedure

5. [ verzoekster ] heeft haar verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot 1019cc Rv). Een deelgeschil is een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering. De deelgeschilprocedure is dus bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de algehele buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Voor zover namens [ verzoekster ] ter terechtzitting is betoogd dat iedere letselschadezaak altijd geschikt is voor een deelgeschilprocedure, omdat een bodemprocedure aanzienlijke kosten meebrengt en lang duurt, wordt [ verzoekster ] - wat er ook zij van de gehanteerde argumenten - in dat algemene standpunt niet gevolgd. Wel is in dit verband terecht namens [ verzoekster ] naar voren gebracht dat in beginsel alle vragen in een deelgeschilprocedure aan de orde kunnen komen, indien de beslissing daarop maar kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 

6. Ter terechtzitting is namens [ verweerster ] opgemerkt dat er van de zijde van [ verweerster ] in het verleden een gesprek is geweest om te kijken of partijen in onderling overleg tot een afspraak zouden kunnen komen. Ook is namens [ verweerster ] verklaard dat er één keer een aanbod aan [ verzoekster ] is gedaan. Tegen die achtergrond valt niet uit te sluiten dat een beslissing over de aansprakelijkheid zoals thans door [ verzoekster ] in deze deelgeschilprocedure wordt verzocht, een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Dat namens [ verweerster ] ter terechtzitting is aangegeven dat er op dit moment geen onderhandelingen zijn, maakt dit oordeel niet anders. 

Aansprakelijkheid

7. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of [ verweerster ] als tandarts heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend tandarts onder vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht. Op grond van de hiervoor weergegeven stukken, in het bijzonder de verklaring van tandarts X, de overwegingen in het besluit van het Medisch Tuchtcollege die de kantonrechter overneemt en tot de zijne maakt, alsmede de rapportage van medisch deskundige Schotman, in onderling verband en samenhang bezien moet deze vraag negatief worden beantwoord. Al deze stukken en de daarin opgenomen standpunten van de deskundige wijzen er allen ondubbelzinnig op dat [ verweerster ] niet adequaat heeft gehandeld, onvoldoende informatie aan [ verzoekster ] heeft verstrekt en een verkeerde behandelmethode heeft toegepast, terwijl zij bovendien onvoldoende zorg heeft gegeven. Door [ verweerster ] zijn in deze procedure, maar ook eerder, geen andersluidende verklaringen naar voren gebracht die haar gedragingen afdoende verklaren en tot een positief oordeel over haar medisch handelen in bovenbedoelde zin zouden kunnen leiden. Het enkel weerspreken van hetgeen in het medisch advies is opgenomen in de brief van haar gemachtigde van 20 juni 2017 is daarvoor onvoldoende. In dit geding heeft [ verweerster ] er zelfs voor gekozen om niet te verschijnen en geen enkel inhoudelijk standpunt in te nemen. 

8. Het vorenstaande leidt ertoe dat [ verweerster ] haar verplichtingen uit de behandelovereenkomst niet is nagekomen en zij, bij gebreke aan enig verweer van [ verweerster ] op dat punt, ook aansprakelijk is voor de door [ verzoekster ] geleden schade. Dat brengt mee dat het daartoe strekkende verzoek van [ verzoekster ] in dit geding als na te melden toewijsbaar is. 

De buitengerechtelijke kosten

9. De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 4.650,77 wordt afgewezen. Voor de vraag of deze kosten toewijsbaar zijn, dat wil zeggen dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen, heeft [ verzoekster ] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht. Dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een vergoeding als verzocht rechtvaardigen, is niet aannemelijk geworden. In dit geding is uitsluitend een enkele brief overgelegd waarin [ verweerster ] namens [ verzoekster ] aansprakelijk is gesteld, alsmede enkel e-mail verkeer, maar deze werkzaamheden rechtvaardigen nog niet de door [ verzoekster ] gevraagde vergoeding. Dat er nog andere werkzaamheden zijn verricht die meer omvatten dan de werkzaamheden waarvoor een proceskostenveroordeling in een procedure als de onderhavige een vergoeding geeft, is door [ verzoekster ] onvoldoende aannemelijk gemaakt. 

De kosten van dit geding 

10. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid I Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Nu namens [ verweerster ] verder geen inhoudelijk verweer is gevoerd tegen de hoogte van de door [ verzoekster ] gevorderde proceskosten en deze voor het overige ook niet onredelijk voorkomen, wordt dit deel van het verzoek toegewezen. Voor zover [ verzoekster ] heeft verzocht dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, is hiervoor geen aanleiding nu tegen deze beschikking geen hogere voorziening openstaat, artikel 1019bb Rv, en het verzoek om vergoeding van proceskosten ook geen geschilpunt is betreffende de materiële rechtsverhouding van partijen, artikel 1019cc Rv.

11. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. bepaalt dat [ verweerster ] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [ verzoekster ] die voortvloeit uit het letsel dat veroorzaak is door het medisch onzorgvuldig handelen van [ verweerster ] ;

II. veroordeelt [ verweerster ] in de kosten van deze procedure, tot heden aan de zijde van [ verzoekster ] begroot op € 3.014,11, vermeerderd met € 78,00 aan griffierecht;

III. veroordeelt [ verweerster ] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en [ verweerster ] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

IV. wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Met dank aan mr. O. Emre, Elfi Letselschade Advocaat B.V., voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2018/rb-amsterdam-120218

Deze website maakt gebruik van cookies