Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBGEL 130619

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBGEL-130619

beschikking 

RECHTBANK GELDERLAND 
Team kanton en handelsrecht 

Zittingsplaats Arnhem 

zaaknummer / rekestnummer: C/05/349686 / HA RK 19-44 / 103 / 876 

Beschikking van 13 juni 2019 

in de zaak van 

[ verzoeker ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
verzoeker, 
advocaat mr. H.A. Zandijk te Utrecht, 

tegen 

de naamloze vennootschap 
ASR SCHADEVERZEKERING N.V., 
gevestigd te Utrecht, 
verweerster, 
advocaat mr. H. van Katwijk te Ermelo. 

Partijen worden hierna [ verzoeker ] en ASR genoemd. 

1. 
De procedure 

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift 
- het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek als bedoeld in artikel 
-282 lid 4 Rv 
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2019. Verschenen zijn [ verzoeker ] , mr. Zandijk voornoemd en mr. Van Katwijk voornoemd. 

2. 
De beoordeling 

2.1. 
Op 8 december 2014 is [ verzoeker ] een ongeval overkomen, waarbij hij is aangereden door een andere automobilist die hem geen voorrang heeft verleend. Deze automobilist is ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij ASR. In de auto van [ verzoeker ] zat zijn oom, de heer X, als bijrijder. 

2.2. 
Aanvankelijk heeft ASR aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Bij brief van 8 juni 2017 heeft ASR de melding van aansprakelijkheid ingetrokken. ASR stelt daarin dat een anonieme tipgever bij haar heeft gemeld dat [ verzoeker ] tegenover derden heeft verklaard het ongeval opzettelijk te hebben veroorzaakt. ASR acht de door de tipgever verstrekte informatie betrouwbaar, aangezien de tipgever haar verder ook van juiste informatie heeft voorzien. Naar aanleiding van deze tip heeft ASR opdracht gegeven aan Ongevallen Analyse Nederland (OAN) om een ongevallenanalyse te rnaken. OAN heeft gekeken naar de bij ASR beschikbare foto's, de verklaring van de verzekerde van ASR en de verklaring van de getuige en komt tot de conclusie dat de schade en de uitloopbeweging van de auto van [ verzoeker ] aanwijzingen geven dat het gaat om een opzettelijk veroorzaakte aanrijding. ASR eindigt haar brief met de mededeling dat zij [ verzoeker ] aansprakelijk stelt voor de schade behorende bij het ongeval en de schade als gevolg van de onware opgave van [ verzoeker ] . 

2.3. 
[ verzoeker ] verzoekt de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor te bevelen en legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. Zijn oom vindt, aldus [ verzoeker ] , de schadeafwikkeling tussen de oom en ASR in vergelijking tot de schadeafwikkeling tussen 
[ verzoeker ] en ASR niet eerlijk gaan en heeft [ verzoeker ] daarom gedreigd problemen voor hem te veroorzaken bij ASR. Daarom vermoedt [ verzoeker ] dat zijn oom de anonieme tipgever is. ASR weigert te voldoen aan zijn verzoek tot verstrekking van het 
geluidsfragment dan wel een transcriptie van het gesprek tussen ASR en de tipgever, zodat [ verzoeker ] zijn vermoedens nu niet kan bevestigen. [ verzoeker ] heeft behoefte aan opheldering over het telefoongesprek tussen ASR en de anonieme tipgever, zodat hij in staat is zijn procespositie beter te bepalen teneinde de onterechte intrekking van aansprakelijkheid van ASR aan te vechten. Daarom heeft hij belang om getuigen te horen. 
Hij en zijn oom kunnen verklaren over de toedracht van het ongeval. Zijn twee zussen kunnen verklaren dat zijn oom in januari 2017 heeft gedreigd problemen voor hem te veroorzaken bij ASR. Mevrouw Y, de behandelaar van het dossier bij ASR, kan 
verklaren over de inhoud van de verklaring van de anonieme tipgever. 

2.4. 
ASR heeft geen bezwaar tegen het horen van [ verzoeker ] en de oom van [ verzoeker ] , de heer X. ASR verzet zich wel tegen het horen van de schadebehandelaar Y. Volgens ASR kan zij geen verklaring afleggen over de toedracht van het ongeval en is het horen van Y niet ter zake dienend, ook niet ten aanzien van de inhoud van de verklaring van de anonieme tipgever, nu [ verzoeker ] zelf aangeeft dat zijn oom de anonieme tipgever is en zijn oom als getuige daarover gehoord kan worden. De zussen van [ verzoeker ] kunnen evenmin verklaren over de toedracht van het ongeval. Zij kunnen wel worden gehoord over de aard en omvang van de gestelde schade, waarvoor ASR een tegen verzoek heeft ingediend, 

2.5. 
ASR heeft als zelfstandig tegenverzoek de rechtbank verzocht om de zussen van [ verzoeker ] alsmede [ verzoeker ] zelf en zijn oom, de heer X, als getuigen te bevragen over de aard en de omvang van de gestelde schade. ASR stelt belang te hebben bij haar verzoek in het geval dat vast komt te staan dat geen sprake is van een opzettelijke aanrijding. Dit vanwege het feit dat ASR de aansprakelijkheid jegens [ verzoeker ] mede heeft ingetrokken vanwege verdenking van fraude met de schadeposten. Uit proceseconomische overwegingen moeten de getuigen reeds nu al over de posten gehoord worden, aldus ASR. 

2.6. 
[ verzoeker ] verweert zich tegen het tegenverzoek met de stelling dat een schaderegeling thans niet aan de orde is, nu ASR de aansprakelijkheid heeft ingetrokken. Pas als ASR de intrekking zou herroepen en de aansprakelijkheid zou herleven, heeft het zin om te praten over de schadeposten. Daarnaast kan ASR de door haar gewenste informatie met betrekking tot de schadeposten verkrijgen door het gesprek met hem aan te gaan en het daarna op basis van stukken vast te stellen. Het horen van getuigen is daarvoor niet nodig, aldus [ verzoeker ] . 

2.7. 
In verband met de nauwe samenhang zal de rechtbank het verzoek en het tegen verzoek hierna gezamenlijk bespreken. 

2.8. 
Uit de beschikking van de Hoge Raad van 11 februari 2005, NJ 2005,442, volgt dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde of dat het verzoek moet afstuiten op een ander zwaarwichtig geoordeeld bezwaar of een gebrek aan belang in de zin van artikel 3:303 BW. 

2.9. 
De rechtbank oordeelt dat [ verzoeker ] een rechtens te respecteren belang heeft om de juistheid van de beslissing van ASR om de aansprakelijkheid afte wijzen op grond van de stelling dat [ verzoeker ] de aanrijding opzettelijk heeft veroorzaakt, te onderzoeken. [ verzoeker ] heeft ter zitting verklaard dat zijn procesbelang in de procedure tegen ASR erin is gelegen om de toedracht van het ongeval vast te stellen teneinde te kunnen bewijzen dat ASR ten onrechte weigert tot uitkering van de schade over te gaan. In dit belang is mede gelegen het belang om te onderzoeken of de verklaring van de anonieme tipgever valselijk is gegeven en de getrouwheid van deze verklaring te kunnen beoordelen. 
Gelet op dit belang kunnen de zussen van [ verzoeker ] alsmede de schadebehandelaar als ontvanger van de anonieme tip ook worden gehoord. [ verzoeker ] heeft aldus voldoende onderbouwd dat hij belang heeft bij het horen van de vijf door hem aangedragen getuigen, zodat het verzoek als op de wet gegrond zal worden toegewezen. 

2.10. 
Het tegenverzoek van ASR ziet op de subsidiaire stelling van ASR dat zij de aansprakelijkheidstelling ook heeft ingetrokken omdat [ verzoeker ] de gestelde schade zou hebben opgeklopt. [ verzoeker ] heeft weinig bezwaren naar voren gebracht tegen toewijzing van dit verzoek, behalve de stelling van [ verzoeker ] dat ASR ook op andere manieren aan de door haar gewenste informatie kan komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [ verzoeker ] het door ASR gestelde belang bij het reeds nu op dit punt horen van deze getuigen onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank het verzoek als op de wet gegrond zal toewijzen. 

2.11. 
Uit het voorgaande volgt dat in het voorlopig getuigenverhoor in het verzoek de vijf door [ verzoeker ] in het verzoekschrift opgenomen getuigen zullen worden gehoord. 
Als tweede voorlopig getuigenverhoor zullen de in het tegen verzoek genoemde getuigen worden gehoord over aard en omvang van de schade. Deze getuigen betreffen [ verzoeker ] , X, Z en A . Dit tweede voorlopig getuigenverhoor zal vanuit praktisch oogpunt 
tegelijkertijd worden ingepland. 

2.12. 
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zjj zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven. 

3. 
De beslissing 

De rechtbank 

in het verzoek 

beveelt een voorlopig getuigenverhoor, 

benoemt mr. T.P.E.E. van Groeningen tot rechter-commissaris, 

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4, 

bepaalt dat verzoeker binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met november 2019 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 

bepaalt dat verzoeker uiterlijk op 1 juli 2019 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan verweerster moet doen toekomen 

in het tegenverzoek 

beveelt een voorlopig getuigenverhoor, 

benoemt mr. T.P.E.E. van Groeningen tot rechter-commissaris, 

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4, 

bepaalt dat verweerster binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met november 2019 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, waarbij deze, voor zover het om dezelfde getuigen gaat als de getuigen die gehoord worden naar aanleiding van het verzoek, dit zoveel mogelijk tegelijk zal plaatsvinden als de in dat kader te houden verhoren van die getuigen, 

bepaalt dat verweerster uiterlijk op 1 juli 2019 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan verzoekster moet doen toekomen. 

Deze beschikking is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2019. 


Met dank aan mr. H.A. Zandijk, Zandijk Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBGEL-130619


Deze website maakt gebruik van cookies