Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOBR 290519

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/rbobr-290519

beschikking 

RECHTBANK OOST-BRABANT 

Civiel Recht 

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch 

zaaknummer / rekestnummer: C/01/343259/ EX RK 19-19 

Beschikking van 29 mei 2019 

in de zaak van 

[ verzoeker ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
verzoeker, 
advocaat mr. J.E.M. van den Muyzenberg-van Zoelen te Eindhoven, 

tegen 

de vennootschap naar buitenlands recht 
AIG EUROPE LlMITED, 
gevestigd te Capelle aan den IJssel, 
verweerster, 
advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem. 

Partijen zullen hierna [ verzoeker ] en AIG worden genoemd. 

1. De procedure 

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift, met producties, 
- het verweerschrift, met producties, 
- de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan door [ verzoeker ] overgelegde aantekeningen, tevens houdende wijziging verzoek, met producties. 

2. De beoordeling 

2.1. Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. Het verzoek hangt samen met een verkeersongeval dat [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 is overkomen. Hij is toen, rijdend op een snorscooter, aangereden door een bestelbus. De bestelbus was in het kader van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen verzekerd bij AIG. AIG heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. 

2.2. [ verzoeker ] verzoekt om benoeming van twee deskundigen: een neuroloog en een neuropsycholoog. Hij legt daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag. [ verzoeker ] stelt als gevolg van het ongeval last te hebben van onder meer concentratieproblemen en forse geheugenproblemen. Kort voor het ongeval was [ verzoeker ] gediagnosticeerd met ADHD. 
AIG stelt zich op het standpunt dat de cognitieve klachten van [ verzoeker ] geen ongevalsgevolg zijn, maar volledig pre-existent zijn. [ verzoeker ] heeft er daarom belang bij dat aan de hand van deskundigenonderzoeken wordt vastgesteld wat de omvang is van zijn schade als gevolg van het ongeval.

2.3. AIG verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij stelt dat er geen indicatie is voor een neurologische expertise en ook niet voor een neuropsychologische expertise. Volgens AIG zijn er de laatste jaren geen klachten geuit op neurologisch vakgebied, althans blijkt dat niet uit de beschikbare informatie. De medisch adviseur van AIG schrijft dat een neurologische expertise wel zinvol moet zijn, maar dat geen informatie van de neuroloog voorhanden is waaruit de noodzaak voor nader neurologisch onderzoek blijkt. Dat geldt ook voor een neuropsychologische expertise. Daarnaast betreft een neuropsychologische expertise een hulponderzoek binnen het neurologisch onderzoek. Alleen als de neuroloog tijdens zijn onderzoek behoefte heeft aan een neuropsychologisch onderzoek, is er een indicatie voor een dergelijk onderzoek. 
AIG maakt ook bezwaar tegen benoeming van deskundigen zonder dat het medisch dossier compleet is. Aan het medisch dossier moeten nog worden toegevoegd de volledige en ongefilterde patiënten kaart van [ verzoeker ] vanaf vijf jaar vóór het ongeval tot en met heden en alle specialistenberichten en berichten van andere behandelaars over die periode, waaronder die van een eventueel behandelend neuroloog. 

2.4. De rechtbank moet een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel toewijzen, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden (onder meer HR 19 december 2003, ECLI:NL: HR:2003 :AL8610, NJ 2004/584). De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [ verzoeker ] aan de hiervoor gestelde eisen voldoet. Hij heeft gemotiveerd gesteld dat hij aan cognitieve klachten lijdt en dat die door het ongeval veroorzaakt zijn. Omdat deze klachten volgens AIG verband houden met de voor het ongeval bij [ verzoeker ] vastgestelde ADHD, is een voorlopig deskundigenonderzoek naar het verband tussen het ongeval en de klachten naar het oordeel van de rechtbank op zijn plaats. Dat het medisch dossier volgens AIG nog niet volledig is, is geen grond om het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek af te wijzen. De rechtbank zal daarom het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht toewijzen. 

2.5. De rechtbank volgt AIG niet in haar standpunt dat het aan de neuroloog is om te bepalen of het noodzakelijk is om ook een onderzoek door een neuropsycholoog te laten plaatsvinden. Het komt in medische deskundigenonderzoeken regelmatig voor dat alleen een neuroloog wordt benoemd met de instructie dat indien het voor zijn onderzoek noodzakelijk is, een neuropsychologische expertise kan worden ingewonnen. Dat betekent echter niet dat een neuropsychologische expertise niet onafhankelijk van de neurologische expertise kan plaatsvinden. De rechtbank zal daarom naast een neurologische ook een neuropsychologische expertise gelasten. 

2.6. Met betrekking tot de medische gegevens die volgens AIG nog aan het medisch dossier moeten worden toegevoegd overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste jurisprudentie dat het de deskundige is, die heeft te bepalen welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn. De partijen zijn op grond van art. 198 lid 3 Rv tot medewerking aan het deskundigenonderzoek verplicht zodat zij desgevraagd de deskundige die gegevens moeten verstrekken. Uit een weigering tot medewerking aan het deskundigenonderzoek zal, indien het deskundigenbericht in een procedure wordt overgelegd, de rechter die in het geschil beslist, de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht. Daarin past niet dat de rechtbank [ verzoeker ] op voorhand zal bevelen bepaalde gegevens aan de deskundige te verschaffen. Gelet op het feit dat het causaal verband tussen het ongeval en de cognitieve klachten ter discussie staat vanwege een pre-existente toestand, is overigens niet goed denkbaar dat de deskundige de aan hem te stellen vragen deugdelijk kan beantwoorden zonder over de patiëntenkaart en de overige door AIG bedoelde medische gegevens te beschikken. De deskundige zal ongetwijfeld vragen om deze informatie. 

2.7. Met betrekking tot de persoon van de te benoemen neuroloog zijn partijen het erover eens dat de heer dr. H.J.J.A. Bernsen tot deskundige zal worden benoemd. De (griffier van de) rechtbank zal dr. Bernsen benaderen met het verzoek als deskundige op te treden. Indien dr. Bernsen daarmee instemt, zal hij vervolgens bij afzonderlijke beschikking worden benoemd. 

2.8. Partijen zijn het niet eens over de persoon van de te benoemen neuropsycholoog. [ verzoeker ] heeft voorgesteld mw. drs. E. van der Scheer of de heer prof. dr. H.A.M. Middelkoop. AIG heeft aangegeven dat de rapporten van beide voorgestelde neuropsychologen in de praktijk te vaak leiden tot discussie tussen partijen. Hun rapporten zijn onduidelijk doordat zij bijvoorbeeld de verklaringen van de betrokkene onvoldoende kritisch toetsen aan het medisch dossier of andere informatie of doordat zij cognitieve stoornissen aannemen zonder dat die zijn geobjectiveerd tijdens onderzoek of doordat zij zonder reden bij onderzoek gebleken onderpresteren negeren. AIG heeft drie andere neuropsychologen voorgesteld: mw. M. Vlugter, de heer A. Verdonck en mevrouw T. Koene. [ verzoeker ] op zijn beurt heeft bezwaar tegen deze personen. De rapporten van mw. Vlugter zijn regelmatig slecht en onduidelijk. Dhr. Verdonck en mw. Koene tonen vaak onvoldoende begrip voor betrokkenen en de nuance in hun rapporten ontbreekt vaak. 

2.9. De rechtbank acht de bezwaren van partijen tegen de over en weer voorgestelde deskundigen onvoldoende concreet om hen niet voor benoeming in aanmerking te laten komen. De rechtbank zal in dit geval drs. Van der Scheer benaderen. Zij is eerder door de rechtbank in andere zaken benoemd en de rechtbank heeft geen negatieve ervaringen met rapportages van haar hand. Bovendien werkt zij, zoals [ verzoeker ] opmerkt, met dr. Bernsen. In die combinatie zijn zij door de rechtbank in het verleden ook benoemd. De (griffier van de) rechtbank zal daarom drs. Van der Scheer benaderen met het verzoek als deskundige op te treden. Indien drs. Van der Scheer daarmee instemt, zal zij vervolgens bij afzonderlijke beschikking worden benoemd. 

2.10. Met betrekking tot de aan de deskundigen te stellen vragen overweegt de rechtbank het volgende. Partijen zijn het erover eens dat aan de neuroloog de standaard IWMD-vraagstelling wordt voorgelegd. [ verzoeker ] stelt voor in aanvulling daarop als vraag 1.i. de volgende vraag te stellen: 
Ingeval u op grond van de richtlijnen van uw beroepsvereniging geen beperkingen kunt vaststellen, wilt u dan de volgende vraag beantwoorden: 
- Welke klachten en afwijkingen bestaan op uw vakgebied naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn toestand vanaf 29 augustus 2014 tot heden, ongeacht of dit letsel c.q. deze klachten voortvloeien uit het ongeval? 
- Wilt u deze klachten en afwijkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? 
- Kunnen de door onderzochte gestelde klachten door u worden bevestigd? 

2.11. AIG voert als bezwaar tegen deze aanvullende vraag aan dat [ verzoeker ] daarmee ten onrechte aan de neuroloog wil vragen de verklaringen van [ verzoeker ] over verschijnselen op te nemen als ware het een bevinding van de neuroloog bij onderzoek. [ verzoeker ] stelt onder verwijzing naar het arrest van het Hof Den Bosch van 24 november 2015 (ECLI:NL: GHSHE:2015:4737) dat de aanvullende vraag wel van belang is omdat de neuroloog op grond van de huidige NVN-richtlijn geen beperkingen mag vaststellen bij medisch niet-objectiveerbare klachten. Dat betekent echter volgens vaste jurisprudentie nog niet dat die klachten er niet zijn en niet tot beperkingen kunnen leiden. De rechtbank overweegt dat [ verzoeker ] hiermee terecht wijst op een beperking in de IWMD-vraagstelling, die ervan uit gaat dat een deskundige - indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft - beperkingen mag duiden. Dat is echter niet het geval, zoals het Gerechtshof in het aangehaalde arrest heeft overwogen. De rechtbank is het daarom met [ verzoeker ] eens dat het stellen van deze vraag van toegevoegde waarde is. De rechtbank volgt AIG niet in haar standpunt dat hiermee een juridische vraag aan de neuroloog wordt voorgelegd. 

2.12. Gelet op het vorenstaande zal ook de door [ verzoeker ] tijdens de mondelinge behandeling voorgestelde wijziging van vraag 2.e. worden overgenomen, omdat die voortborduurt op de aanvullende vraag 1.i. 

2.13. Met betrekking tot de vragen die aan de neuropsycholoog moeten worden gesteld zijn partijen het ook niet eens. [ verzoeker ] stelt de volgende vragen voor: 
1. Zijn er stoornissen in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn? 
2. Is het aannemelijk dat die stoornissen dan wel de verergering van die stoornissen, veroorzaakt zijn door een hersenbeschadiging als gevolg van het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval? 
3. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen zonder dat een hersenbeschadiging is aangetoond het gevolg zijn van het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval? 
Hoe is de samenhang te verklaren? 
4. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen dan wel de verergering van die stoornissen? 
5. Indien de aangetoonde stoornissen dan wel verergering van die stoornissen geheel dan wel gedeeltelijk kunnen worden toegeschreven aan het [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan? 

2.14. AIG voert als bezwaar tegen deze vraagstelling aan dat deze ten onrechte is afgeleid van de standaard vraagstelling voor neuropsychologisch onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, in plaats van dat die vraagstelling letterlijk is overgenomen. De standaardvraagstelling luidt - door de rechtbank toegespitst op deze zaak - als volgt: 
1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn? 
2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval? 
3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval, die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen? 
4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van het [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan? 

[ verzoeker ] heeft het woord 'aantoonbaar' in de vragen 1 en 2 weggelaten. Verder heeft [ verzoeker ] bij de vragen 2, 4 en 5 de zinsnede 'dan wel verergering van die stoornissen' toegevoegd. In vraag 5 is toegevoegd 'dan wel gedeeltelijk kunnen worden toegeschreven' en is 'hersenbeschadiging' weggelaten. Tot slot komt vraag 3 niet voor in de standaardvraagstelling, aldus nog steeds AIG. 

2.15. [ verzoeker ] stelt de vragen te hebben overgenomen uit een vonnis van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2018:3698), maar dat is onjuist. In dat vonnis is de standaardvraagstelling ongewijzigd opgenomen, nog daargelaten dat de rechtbank niet gehouden is over te nemen wat een andere rechtbank in een andere zaak heeft beslist. Verder gaat het er volgens [ verzoeker ] om dat hij het bestaan dan wel de verergering van zijn klachten aannemelijk moet maken, omdat ook medisch niet-objectiveerbare klachten tot beperkingen kunnen leiden. Dit argument van [ verzoeker ] slaagt. De standaardvraagstelling is te beperkt als het gaat om niet-objectiveerbare klachten en afwijkingen. De rechtbank zal de vragen zoals die door [ verzoeker ] zijn voorgesteld daarom overnemen, met dien verstande dat het woord 'aantoonbaar' ook uit de vragen 3, 4 en 5 zal worden geschrapt. Daarbij zal zij, conform het verzoek van AIG, waartegen [ verzoeker ] geen bezwaar heeft, tevens bepalen dat de neuropsycholoog de gebruikelijke symptoomvaliditeitstesten dient te gebruiken. 

2.16. Anders dan AIG ziet de rechtbank geen grond de door [ verzoeker ] overgelegde beperkingenlijst niet aan de neuroloog voor te leggen. Aanbeveling 2.2.18. van de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage houdt in dat de eventuele beperkingen van de onderzochte zo nauwkeurig mogelijk worden beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm worden weergegeven. Daar voldoet de beperkingenlijst aan, omdat niet om volledig gekwantificeerde beperkingen wordt gevraagd. Er moet slechts worden aangevinkt wat de deskundige aan beperkingen heeft geconstateerd. Het vaststellen van de concrete belastbaarheid blijft voorbehouden aan een verzekeringsarts. 

2.17. De rechtbank zal nu overgaan tot het gelasten van het deskundigenbericht ter beantwoording van de hierna onder de beslissing opgenomen vraagstelling. Tevens zijn in de beslissing procedurele bepalingen omtrent de gang van zaken met betrekking tot het deskundigenbericht opgenomen. De deskundigen zullen zich, indien zij de opdracht aannemen, dienen uit te laten over het voorschot op het deskundigen bericht. Na ontvangst van de reactie van de deskundigen zullen bij nieuwe beschikking de deskundigen worden benoemd en het voorschot op de kosten van de deskundigen worden vastgesteld. 

2.18. Het voorschot op de kosten van de deskundige zal door AIG, als de aansprakelijke partij, moeten worden betaald. 

2.19. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. 

2.20. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken. 

3. De beslissing 

De rechtbank 

3.1. beveelt een onderzoek door een bij afzonderlijke beschikking te benoemen neuroloog ter beantwoording van de volgende vragen: 

1. De situatie met het ongeval van 29 augustus 2014. 

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR) 
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? 
Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? 
Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied [ verzoeker ] aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in recreatieve sfeer en 
zelfwerkzaamheid? 

Aanbeveling 2.2.4. RMSR: 
De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tof de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als "betrokkene zou ( ... )" worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven. 

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR) 
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van [ verzoeker ] een beschrijving geven van: 

- de medische voorgeschiedenis van [ verzoeker ] op uw vakgebied; 
- de medische behandeling van het letsel van [ verzoeker ] en het resultaat daarvan. 

Aanbeveling 2.2.6 RMSR: 
Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleendefeiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten. 

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR) 
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel huIponderzoek? 

Aanbeveling 2.2.5 RMSR: 
Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voorzover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden. 

Aanbeveling 2.2. 7 RMSR: 
Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden. 

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR) 
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van [ verzoeker ] zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? 

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van [ verzoeker ] op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? 

Aanbeveling 2.2.8 RMSR: 
Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd. 

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR) 
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven? 

Aanbeveling 2.2.15 RMSR: 
Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven. 

Functionele invaliditeit 
g. Welke mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA Guides, 6e editie), aangevuld met de eventuele richtlijnen van uw 
eigen beroepsvereniging? 

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18) 
h. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij [ verzoeker ] in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval op 29 augustus 2014? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi- 

kwantitatieve wijze weergeven [in het bijgesloten beperkingenformulier] en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? 

Aanbeveling 2.2.17 RMSR: 
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. 

Aanbeveling 2.2.18 RMSR: 
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML- methodiek). 

i. Ingeval u op grond van de richtlijnen van uw beroepsvereniging geen beperkingen kunt vaststellen, wilt u dan de volgende vraag beantwoorden: 
- Welke klachten en afwijkingen bestaan op uw vakgebied naar uw ootdeel bij [ verzoeker ] in zijn toestand vanaf 29 augustus 2014 tot heden, ongeacht of dit letsel c.q. deze klachten voortvloeien uit het ongeval? 
- Wilt u deze klachten en afwijkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven [in het bij gesloten beperkingenformulier] en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? 
- Kunnen de door [ verzoeker ] gestelde klachten door u worden bevestigd? 

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR) 
j. Acht u de huidige toestand van [ verzoeker ] op uw vakgebied zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval op 29 augustus 2014 mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van 

het op uw vakgebied geconstateerde letsel? 
k. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
l. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
m. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g en 1h)? 

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:: 
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. 

2. De situatie zonder het ongeval van 29 augustus 2014. 

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR). 

Aanbeveling 2.2.14 RMSR: 
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. 

Aanbeveling 2.2.16 RMSR: 
Een eventuele causaliteitsvraag 'wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. 
Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval "toerekenen" of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat 
ze pas na het ongeval debuteerden. 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval van 29 augustus 2014. 
a. Bestonden voor het ongeval van 29 augustus 2014 bij [ verzoeker ] reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die [ verzoeker ] thans nog steeds heeft? 
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval van 29 augustus 2014 uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien? 

Aanbeveling 2.2.17 RMSR : 
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. 

Aanbeveling 2.2.18 RMSR: 
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek). 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder het ongeval van 29 augustus 2014. 
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval van 29 augustus 2014 [ verzoeker ] niet was overkomen? 

d. Zo ja (dus ook klachten zonder het ongeval van 29 augustus 2014), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? 
e. Kunt u aangeven welke beperkingen - dan wel welk letsel of welke klachten, zie vraag l.i. - (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? 
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde, maar niet aan het ongeval van 29 augustus 2014 gerelateerde, klachten en afwijkingen? 
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
I. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e en 2f)? 

Aanbeveling 2.2.17 RMSR : 
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. 

Aanbeveling 2.2.18 RMSR: 
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML- methodiek). 

3Overig (aanbeveling 2.2.11 RMSR) 

Aanbeveling 2.2.11 RMSR: 
Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij terzake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport. 

1. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? 

3.2. beveelt een onderzoek door een bij afzonderlijke beschikking te benoemen neuropsycholoog ter beantwoording van de volgende vragen: 

1. Zijn er stoornissen in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn? 
2. Is het aannemelijk dat die stoornissen dan wel de verergering van die stoornissen, veroorzaakt zijn door een hersenbeschadiging als gevolg van het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval? 
3. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen zonder dat een hersenbeschadiging is aangetoond het gevolg zijn van het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval? Hoe is de samenhang te verklaren? 
4. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het aan [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen dan wel de verergering van die stoornissen? 
5. Indien de aangetoonde stoornissen dan wel verergering van die stoornissen geheel dan wel gedeeltelijk kunnen worden toegeschreven aan het [ verzoeker ] op 29 augustus 2014 overkomen ongeval, welke zijn dan de.beperkingen in het functioneren die 
daardoor zijn ontstaan? 
6. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? 

het voorschot 

3.3. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende: 

- de deskundigen dienen binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten 
- de griffie zal de opgave van de deskundigen vervolgens toezenden aan partijen
- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting - indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundigen begrote bedrag 
- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing, 

3.4. bepaalt dat AIG het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaal instructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak, 

3.5. draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek 

3.6. bepaalt dat AIG haar procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen, 

3.7. bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats, 

3.8. wijst de deskundigen er op dat: 
- de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie), , 
- de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen, 
- de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn, 

3.9. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien dezen daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek, 

het schriftelijk rapport 

3.10. draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie, 

3.11. wijst de deskundigen er op dat: 
- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd, 
- dat de deskundigen [ verzoeker ] in de gelegenheid moeten stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [ verzoeker ] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [ verzoeker ] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moeten toesturen en [ verzoeker ] daarbij een termijn van twee weken moeten bieden om aan te geven of [ verzoeker ] gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [ verzoeker ] zich van commentaar op het concept moet onthouden), 
- dat, indien [ verzoeker ] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de deskundigen de werkzaamheden onmiddellijk moeten staken en dit aan de rechtbank moeten mededelen, 
- dat, indien [ verzoeker ] geen gebruik maakt van zijn inzage- of'blokkeringsrecht, de deskundigen het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moeten toezenden 

3.12. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid 'hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren, 

overige bepalingen 

3.13. bepaalt dat bij op een later tijdstip te geven afzonderlijke beschikking de deskundigen zullen worden benoemd en de hoogte van het voorschot zal worden vastgesteld, 

3.14. houdt iedere verdere beslissing aan. 

Deze beschikking is gegeven door mr. EJ.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/rbobr-290519

Met dank aan mr. L. van Muyzenberg-van Zoelen, Claassen Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies