Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 091220 regres ass. op wbf tzv rechts inhalende, afsnijdende, onbekend gebleven automobilist; 30% eigen schuld ivm te hoge snelheid verzekerde

RBDHA 091220 regres ass. op wbf tzv rechts inhalende, afsnijdende, onbekend gebleven automobilist; 30% eigen schuld ivm te hoge snelheid verzekerde

De feiten

2.1.
Op 4 januari 2018 heeft er op de snelweg A13 in de richting van Rotterdam naar Den Haag ter hoogte van hectometerpaal 11 een aanrijding plaatsgevonden tussen een Opel Astra en een Ford Transit (hierna: het ongeval).

2.2.
De Opel was eigendom van de heer [eigenaar Opel] (hierna: [eigenaar Opel] ) en werd tijdens het ongeval bestuurd door de heer [bestuurder Opel] (hierna: [bestuurder Opel] ). Deze auto was voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij National Academic. De Ford werd bestuurd door mevrouw [bestuurster Ford] (hierna: [bestuurster Ford] ).

2.3.
Het ongeval is ontstaan doordat de Opel, die op de meest linker rijstrook reed, uitweek naar rechts en daarbij tegen de Ford botste, die op de middelste rijsrook reed. De Opel is als gevolg van het ongeval beschadigd geraakt. [bestuurster Ford] heeft letsel opgelopen.

2.4.
Op het moment van het ongeval reed er vlak voor de Opel een lichtgekleurde Volvo. Het kenteken van de Volvo is niet bekend en de bestuurder is na het ongeval doorgereden.

2.5.
National Academic heeft als verzekeraar van de Opel – zonder aansprakelijkheid te erkennen – de regeling van de letselschade van [bestuurster Ford] op zich genomen.

2.6.
[eigenaar Opel] heeft het Waarborgfonds op 9 april 2018 verzocht de schade aan de Opel te vergoeden, met het argument dat die schade is veroorzaakt door een motorrijtuig waarvan de identiteit niet bekend is (de Volvo). Het Waarborgfonds heeft op dit verzoek positief beslist. Bij brief van 22 mei 2018 heeft het Waarborgfonds aan (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eigenaar Opel] het volgende geschreven:

In deze brief lichten wij u in over het standpunt dat wij hebben ingenomen naar aanleiding van uw verzoek om schadevergoeding.

Wij erkennen in dit geval een recht op schadevergoeding. Wij maken daarom € 2.619,13 over naar uw rekeningnummer [ ... ].”

2.7.
Ook National Academic heeft zich op het standpunt gesteld dat het ongeval veroorzaakt is door de bestuurder van de Volvo. Om die reden heeft zij het Waarborgfonds gevraagd de regeling van de letselschade van [bestuurster Ford] over te nemen. Het Waarborgfonds heeft dit geweigerd. Zij heeft zich jegens National Academic op het standpunt gesteld dat [bestuurder Opel] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval (wat volgens het Waarborgfonds betekent dat zij de autoschade van [eigenaar Opel] ten onrechte heeft vergoed) en dat National Academic daarom de schade van [bestuurster Ford] voor haar rekening moet nemen.

Het geschil

3.1.
National Academic vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. veroordeling van het Waarborgfonds om aan National Academic alles te betalen wat National Academic aan [bestuurster Ford] heeft betaald en nog zal betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop National Academic de betalingen heeft verricht;
II. veroordeling van het Waarborgfonds om aan National Academic de kosten van de schaderegeling te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop National Academic die kosten heeft gemaakt;
III. veroordeling van het Waarborgonfds om binnen 14 dagen na het vonnis de schaderegeling over te nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per week;
IV. veroordeling van het Waarborgfonds in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis.

3.2.
Het Waarborgfonds voert verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1.
Deze procedure gaat in hoofdzaak om de vraag of het Waarborgfonds de schade van [bestuurster Ford] voor haar rekening moet nemen, of in ieder geval moet bijdragen in die schade.

heeft het Waarborgfonds aansprakelijkheid erkend?

4.2.
De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of het Waarborgfonds aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend. National Academic stelt dat dit het geval is, het Waarborgfonds betwist dat.

4.3.
National Academic heeft haar standpunt gebaseerd op de brief van het Waarborgfonds aan (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eigenaar Opel] van 22 mei 2018 (zie 2.6). National Academic stelt dat het Waarborgfonds in deze brief heeft erkend dat zij aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, wat betekent dat het Waarborgfonds ook de letselschade van [bestuurster Ford] moet vergoeden.

4.4.
De rechtbank is het daarmee niet eens. In de eerste plaats is brief van 22 mei 2018, waarin National Academic toezegt dat zij de materiële schade zal vergoeden, gericht aan (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eigenaar Opel] , en niet aan National Academic. National Academic kan aan die brief daarom niet zonder meer rechten ontlenen. Daarbij komt dat [eigenaar Opel] het Waarborgfonds alleen vroeg om vergoeding van zo’n € 3.100 aan materiële schade. Uit de stukken die [eigenaar Opel] aan het Waarborgfonds stuurde ter onderbouwing van zijn claim, bleek niet dat het ongeval ook had geleid tot letselschade. Het is heel begrijpelijk dat het Waarborgfonds (zoals zij heeft gesteld) in zo’n geval uit pragmatische overwegingen geen uitgebreid onderzoek doet naar de vraag of het ongeval inderdaad is veroorzaakt door een onbekend motorvoertuig. Ook om die reden kan niet worden aangenomen dat het Waarborgfonds enkel op grond van haar brief van 22 mei 2018 de letselschade van [bestuurster Ford] voor haar rekening moet nemen.

4.5.
Dat betekent dat de rechtbank zal moeten beoordelen of het ongeval – zoals National Academic stelt en het Waarborgfonds betwist – (mede) is veroorzaakt door de onbekend gebleven bestuurder van de Volvo.

wie is er aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval?

4.6.
Partijen zijn het niet eens over de vraag wie van hen aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, omdat zij met elkaar van mening verschillen over hoe het ongeval precies is ontstaan. Op verzoek van partijen hebben verschillende betrokkenen verklaringen afgelegd over de oorzaak van het ongeval. De rechtbank zal op basis van die verklaringen beoordelen in hoeverre de bestuurder van de Volvo aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Eerst zal de rechtbank de relevante passages uit de verschillende verklaringen weergeven (waarbij de taalfouten steeds conform het origineel zijn).

de afgelegde verklaringen

4.7.
Op het aanrijdingsformulier heeft [bestuurder Opel] over de oorzaak van het ongeval het volgende opgeschreven:

Uit het niets kwam een Volvo slingerend van baan rechts naar links zonder richting aanwijzing tussen A en B”.

Daarbij is de volgende situatieschets gemaakt:

4.8.
Mevrouw [bijrijder Opel] (hierna: [bijrijder Opel] ), die op het moment van het ongeval op de bijrijdersstoel van de Opel zat, heeft op 10 maart 2018 het volgende verklaard:

Ik zag een zilveren Volvo die ons op zeer kleine afstand rechts passeerde en vervolgens inhaalde. Ter gevolgen hiervan moesten wij remmen om de Volvo niet te raken. [ ... ] Door de gevaarlijke stunts van de Volvo is een zeer gevaarlijke situatie ontstaan. De auto (Volvo) veranderde erg snel van rijbanen zonder richting aan te geven. De partij B en wij (A) hebben de Volvo pas toen die tussen ons door wilde. Door de schrik en gevaarlijk rijgedrag van de Volvo moest het busje (B) en wij (A) snel handelen: wij moesten remmen om Volvo te ontwijken. Dat deed ook busje bestuurder, waardoor wij elkaar geraakt hebben. De Volvo is er van door gegaan.”

[bijrijder Opel] heeft bij haar verklaring de volgende tekening gemaakt:

4.9.
De heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft op 29 maart 2018 het volgende verklaard:

1.
Heeft u de aanrijding zelf zien gebeuren? Zo ja, wat heeft u zien gebeuren?

Ja, de Volvo (die reed door) haalde de opel astra van rechts in en omdat de Opel moest uitwijken reed hij tegen een achterligger aan. De achterligger was een vrouw in een busje (merk: Ford). […]

2.
Waar bevond u zich ten tijde van de aanrijding?

Ik reed op de motor 1 a 2 auto lengte achter de ford busje die geraakt werd toen de opel astra moest uitwijken.

[ ... ]

5.
Wie is naar uw mening aansprakelijk? Waarom meent u dit?

De opel astra. Voor het ongeluk reed de opel achter mij, maar met een hoge snelheid waarbij de opel achter bij mij op de motor aan het bumperkleven was. Vervolgens reed hij met hoge snelheid door en was hij bij andere auto’s aan het bumperkleven. Omdat hij zo hard reed en zo dichtbij de andere auto voor hem, kon hij niet meer uitwijken en veroorzaakte de opel het ongeluk. De ford die de opel bij het uitwijken aanreed had geluk dat zij de auto onder controle had [ ... ]

De situatieschets van [getuige 1] is als volgt:

4.10.
De heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft de volgende verklaring gegeven:

1.
Heeft u de aanrijding zelf zien gebeuren? Zo ja, wat heeft u zien gebeuren?

Ja. Ik heb gezien dat jullie client tegen de linker achterkant van een busje botsten. Dit is gekomen omdat hij naar mijn mening moest uitwijken voor een volvo die zonder richting aan te geven naar links kwam.

2.
Waar bevond u zich ten tijde van de aanrijding?

Op de middenbaan van de snelweg op ong 50 mtr afstand.

[ ... ]

5.
Wie is naar uw mening aansprakelijk? Waarom meent u dit?

U client reed wel wat harder dan is toegestaan denk ik en de volvo komt naar links zonder richting aan te geven.

[getuige 2] heeft aan zijn verklaring de volgende situatieschets toegevoegd:

4.11.
De heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) heeft op 1 mei 2018 de volgende verklaring afgelegd:

De exacte datum, tijdstip en locatie zijn bij mij niet precies bekend. Mijn verklaring heeft betrekking op een verkeersongeval op de rijksweg A-4.

Op het moment van dit verkeersongeval reed ik op de Rijksweg A4 komende uit de richting van Rotterdam en gaande in de richting van Den Haag. Ter plaatse zijn 3 rijstroken en ik reed op de middelste rijstrook met een snelheid van ongeveer 100 km/uur. Voor mij reed een donker kleurige bestelauto (14.2) met een snelheid van ook ongeveer 100 km/uur. Ik reed op geruime afstand direct achter 14.2.

Op dat moment werd ik links, op de derde rijstrook, ingehaald door een Volvo (14.0). Type en kenteken onbekend. Deze Volvo reed met een snelheid van 120 tot 130 km/uur.

Vlak daarna werd ik eveneens aan de linkerzijde ingehaald door een Opel Astra (14.1). ik zag dat 14.1 minimaal 140 km/uur reed omdat ik zag dat hij met hoge snelheid inliep op 14.0.

Ik zag dat de afstand tussen 14.1 en 14.0 snel terug liep. Ik had daarbij direct het gevoel dat er iets aan de hand was omdat het rijgedrag van 14.1 opvallend en agressief was. De bestuurder van 14.1 reed zo hard op 14.0 in waardoor hij bijna met de voorzijde contact maakte met 14.0. Om een aanrijding te voorkomen moest 14.1 vol in de remmen. Omdat de bestuurder kennelijk voelde dat hij een aanrijding niet meer kon voorkomen stuurde hij zijn voertuig abrupt naar rechts en kwam daarbij op de middelste rijstrook terecht. Hij kwam daarbij in aanraking met 14.2 en zag ik beide voertuigen slingerend tot stilstand komen op de vluchtstrook van de Rijksweg A4.

Ik kan oprecht verklaren dat 14.1 een levensgevaarlijke situatie heeft veroorzaakt met zijn rijgedrag. Hij reed zeer agressief op zijn voorganger in en had voldoende tijd en ruimte om afstand te houden. Het leek mij te gaan om een bewuste actie om zijn voorganger op te jagen of te bewegen om opzij te gaan.

[ ... ]

Hierop heb ik de bestuurder van 14.1 aangesproken op zijn rijgedrag. Ik was zelf behoorlijk kwaad omdat ik echt het gevoel had dat er slachtoffers hadden kunnen vallen. Hij reageerde zeer nonchalant en gaf aan dat hij eerder door de Volvo zou zijn afgesneden. Ik heb dit eerdere incident zelf niet kunnen waarnemen. Ik heb 14.1 daarna aangegeven dat hij door zijn gedrag een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd en dat zijn reactie op het afsnijden buiten proportioneel was.

De tekening van [getuige 3] ziet er als volgt uit:

4.12.
In het proces-verbaal van de politie staat over de toedracht van het ongeval het volgende:

“ [bestuurster Ford] reed over rijstrook 2 van de uit 3 rijstroken bestaande rijbaan van de A13 links met een snelheid van ongeveer 100 km/h. Plotseling voelde en hoorde zij een klap en begon haar auto te slingeren. Zij kon haar auto weer snel onder controle brengen en deze vervolgens op de vluchtstrook tot stilstand brengen. [bestuurder Opel] reed met een snelheid van naar eigen zeggen 110 km/h eveneens over rijstrook 3 in dezelfde richting als [bestuurster Ford] . Naar eigen zeggen werd [bestuurder Opel] rechts ingehaald door een onbekend gebleven Volvo die hem vervolgens zou hebben gesneden. Hierop moest [bestuurder Opel] uitwijken naar rechts waarna hij met de rechtervoorzijde en rechterflank tegen de voor hem op rijstrook 2 rijdende [bestuurster Ford] reed. Volgens getuigen reed [bestuurder Opel] in ieder geval behoorlijk boven de maximum snelheid en was aan het bumperkleven bij de voor hem rijdende personenauto op rijstrook 3 waardoor hij vervolgens moest uitwijken en tegen [bestuurster Ford] aan reed.”

beoordeling van de afgelegde verklaringen

4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de afgelegde verklaringen worden vastgesteld dat zowel de bestuurder van de Volvo als [bestuurder Opel] als bestuurder van de Opel een verkeersfout heeft begaan. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.14.
Uit de verklaringen van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 1] en [getuige 2] blijkt voldoende duidelijk
( i) dat de bestuurder van de Volvo de Opel rechts inhaalde1;
( ii) dat hij vervolgens zonder richting aan te geven2 plotseling vanuit de tweede naar de derde rijstrook kwam3;
- iii) dat hij de Opel daarbij afsneed;
- iv) dat de Opel daardoor moest uitwijken en tegen Ford aanreed.

4.15.
De enige die niets heeft verklaard over het inhalen en afsnijden door de Volvo, is [getuige 3] . Anders dan het Waarborgfonds, hecht de rechtbank aan de verklaring van [getuige 3] niet méér waarde dan aan die van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 1] en [getuige 2] . De enkele omstandigheid dat [getuige 3] bij de politie werkt, maakt niet dat zijn verklaring waardevoller is dan die van de andere getuigen. [getuige 3] sluit overigens – anders dan het Waarborgfonds lijkt aan te nemen – ook niet uit dat de Volvo de Opel rechts heeft ingehaald en heeft gesneden, nu hij verklaart “dat hij [dat] zelf niet heeft kunnen waarnemen”. Daarbij komt dat [getuige 3] zijn verklaring pas in mei 2018 heeft afgelegd, terwijl de andere verklaringen korter na het ongeval zijn opgeschreven. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemands herinneringen aan een gebeurtenis door tijdsverloop vervagen. Ook om die reden vindt de rechtbank niet dat de verklaring van [getuige 3] belangrijker is dan die van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 2] en [getuige 1] .

4.16.
Anders dan het Waarborgfonds heeft betoogd, vindt de rechtbank de verklaringen van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 1] en [getuige 2] bovendien niet zodanig onlogisch, dat deze om die reden terzijde gesteld moeten worden. Het Waarborgfonds heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet logisch is dat de Opel, als hij werd gesneden door de Volvo die vanuit de tweede naar de derde rijstrook kwam, naar de rechterkant zou zijn uitgeweken. In zo’n geval is het volgens het Waarborgfonds een normale menselijke reactie om de andere kant op te sturen (en dus naar links uit te wijken). Uit de afbeeldingen van Google Maps, die ter zitting door National Academic zijn getoond, blijkt echter dat er direct links naast de derde rijstrook een vangrail zit. Er is dus aan die kant geen enkele ruimte om uit te wijken. Ook om die reden passeert de rechtbank het verweer van het Waarborgfonds dat de verklaringen van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 1] en [getuige 2] minder gewicht in de schaal leggen dan die van [getuige 3] .

4.17.
Dit alles maakt dat de rechtbank er op basis van die verklaringen van uitgaat dat de bestuurder van de Volvo een verkeersfout heeft gemaakt door de Opel rechts in te halen, zonder richting aan te geven van rijstrook te wisselen en daarbij de Opel af te snijden.

4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Waarborgfonds er echter terecht op gewezen dat ook [bestuurder Opel] als bestuurder van de Opel een verkeersfout heeft begaan. Uit de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] blijkt dat de Opel vlak voorafgaand aan het ongeval behoorlijk boven de maximum snelheid reed. Dat heeft ook de politie opgetekend in het proces-verbaal. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [bestuurder Opel] ten tijde van het ongeval te snel reed.

in hoeverre zijn de wederzijdse fouten de oorzaak van het ongeval?

4.19.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de verkeersfouten van [bestuurder Opel] en van de bestuurder van de Volvo hebben bijgedragen aan het ongeval.

4.20.
Het Waarborgfonds heeft niet betwist dat (als ervan moet worden uitgegaan dat de Volvo de Opel heeft gesneden) de gedragingen van de bestuurder van de Volvo hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het ongeval. Ook de rechtbank gaat daarvan uit. Uit de verklaringen van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 1] en [getuige 2] blijkt immers dat de Opel moest uitwijken voor de Volvo, waarbij hij naar de middelste rijstrook stuurde en tegen de Ford aanreed.

4.21.
Partijen zijn het er niet over eens of ook de verkeersfout van [bestuurder Opel] (het te hard rijden) de oorzaak is geweest van het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank is dit wel het geval. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende. Uit het proces-verbaal van de politie en uit de verklaring van [getuige 3] blijkt dat [bestuurster Ford] reed met een snelheid van zo’n 100 kilometer per uur. Dat is door geen van partijen bestreden, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat 100 kilometer per uur op (dat gedeelte van) de A13 de maximum toegestane snelheid is.

Uit de verklaringen van [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] , [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat [bestuurder Opel] voordat hij werd gesneden (op de linker rijstrook) achter [bestuurster Ford] (op de middelste rijstrook) reed. Dat kan ook niet anders: als [bestuurder Opel] direct naast [bestuurster Ford] zou hebben gereden, zou de Volvo (die aanvankelijk achter [bestuurster Ford] reed) bij het wisselen van rijstrook niet vóór [bestuurder Opel] zijn uitgekomen. Kortom: toen de Volvo van rijstrook wisselde, reed [bestuurder Opel] nog achter [bestuurster Ford] . Als gevolg van zijn uitwijkmanoeuvre heeft [bestuurder Opel] de zijkant van de Ford van [bestuurster Ford] geraakt. Dat betekent dat [bestuurder Opel] tussen het moment waarop hij werd gesneden en het daadwerkelijke ongeval, is “ingelopen” op [bestuurster Ford] .

Als [bestuurder Opel] zich aan de maximum snelheid zou hebben gehouden, zou hij even snel hebben gereden als [bestuurster Ford] . In dat geval had hij na het afsnijden door de Volvo probleemloos kunnen uitwijken naar de middelste rijstrook. [bestuurster Ford] zou dan immers nog altijd vóór hem (en niet naast hem) hebben gereden. Doordat [bestuurder Opel] echter te snel reed, is hij “ingelopen” op [bestuurster Ford] , waardoor hij bij het uitwijken voor de Volvo tegen de zijkant van de Ford van [bestuurster Ford] is aangereden.

4.22.
In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat zowel de verkeersfouten van de bestuurder van de Volvo, als die van [bestuurder Opel] hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het ongeval.

de bijdrageplicht van partijen

4.23.
Nu [bestuurder Opel] en de bestuurder van de Volvo het ongeval beiden hebben veroorzaakt, zijn National Academic en het Waarborgfonds op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hoofdelijk aansprakelijk tegenover [bestuurster Ford] . In hun onderlinge verhouding moet de bijdrageplicht van National Academic en het Waarborgfonds echter worden bepaald in overeenstemming met artikel 6:101 lid 1 BW (zie artikel 6:10 BW). Dit artikel bepaalt dat de onderlinge bijdrageplicht afhankelijk is van de mate waarin de omstandigheden die aan elk van partijen kunnen worden toegerekend, hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de schade. Bij aanrijdingszaken komt deze afweging neer op een beoordeling van de mate waarin het verkeersgedrag van [bestuurder Opel] enerzijds en de bestuurder van de Volvo anderzijds, gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven heeft geroepen. Het gaat daarbij niet om de mate van verwijtbaarheid van ieders gedragingen (Hoge Raad 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1740).

4.24.
De omstandigheden die aan het Waarborgfonds kunnen worden toegerekend hebben naar het oordeel van de rechtbank in grotere mate bijgedragen aan de schade dan de omstandigheden die aan National Academic kunnen worden toegerekend. Ervan uitgaande dat [bestuurder Opel] te snel reed, moet ook de bestuurder van de Volvo – die de Opel vlak voor het afsnijden rechts inhaalde – de maximum snelheid aanzienlijk hebben overschreden. Bovendien voerde hij een bijzondere manoeuvre uit (het wisselen van rijstrook) zonder het overige verkeer voor te laten gaan (waarmee hij handelde in strijd met artikel 54 RVV) en zonder richting aan te geven (waarmee hij handelde in strijd met artikel 55 RVV). Weliswaar kan [bestuurder Opel] worden verweten dat (ook) hij de maximum snelheid heeft overschreden, maar dat leidde alleen tot problemen doordat hij moest reageren op de fouten van de bestuurder van de Volvo. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de bestuurder van de Volvo voor 70% hebben bijgedragen aan de schade, en die van [bestuurder Opel] voor 30%.

4.25.
Aan toepassing van de zogenoemde “billijkheidscorrectie” die artikel 6:101 BW mogelijk maakt, komt de rechtbank niet toe. Nog afgezien van het feit dat partijen daarop geen beroep hebben gedaan, kunnen verzekeraars in geval van regres geen beroep doen op de billijkheidscorrectie.

4.26.
Dit betekent dat het Waarborgfonds 70% van de schade van [bestuurster Ford] voor haar rekening moet nemen en National Academic 30%. Het Waarborgfonds moet dus aan National Academic 70% betalen van de uitkeringen die National Academic aan [bestuurster Ford] heeft gedaan. De regresvordering van National Academic (3.1 onder I) wordt in zoverre dan ook toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is niet weersproken en zal daarom worden toegewezen.

de dossierbehandeling

4.27.
Partijen hebben ter zitting afgesproken dat degene van hen die het grootste deel van de schade van [bestuurster Ford] moet dragen, ook de behandeling van het letselschadedossier voor haar rekening zal nemen. Nu de rechtbank van oordeel is dat het Waarborgfonds 70% van de schade van [bestuurster Ford] moet dragen, betekent dit dat zij op grond van de partijafspraak de dossierbehandeling op zich moet nemen. De daartoe strekkende vordering van National Academic zal daarom worden toegewezen. Omdat de rechtbank er niet aan twijfelt dat het Waarborgfonds de afspraken zal nakomen (en dus zal voldoen aan dit vonnis), ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden.

de kosten van dossierbehandeling

4.28.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de kosten die National Academic heeft gemaakt voor de behandeling van het schadedossier van [bestuurster Ford] , naar rato tussen hen zullen worden verdeeld. In het licht van het voorgaande betekent dat dat het Waarborgfonds 70% van de kosten van de dossierbehandeling aan National Academic moet vergoeden. De gevorderde wettelijke rente over die kosten is niet bestreden en zal daarom worden toegewezen.

de proceskosten

4.29.
Het Waarborgfonds zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van National Academic worden begroot op € 1.684,46 (€ 106,46 aan kosten dagvaarding, € 656 aan griffierecht en € 922 aan salaris advocaat (2 punten x € 461)).

4.30.
Voor de ook gevorderde nakosten is geen afzonderlijke veroordeling vereist, omdat zij vallen onder de proceskostenveroordeling. De rechtbank zal deze kosten in de beslissing begroten zoals gevorderd. De wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zal worden toegewezen als gevorderd.

(...)

1Dat verklaren [bijrijder Opel] en [getuige 1] , en uit het proces-verbaal blijkt dat ook [bestuurder Opel] dat tegenover de politie heeft verklaard.
2Dat verklaren [bestuurder Opel] , [bijrijder Opel] en [getuige 1] .
3Weliswaar heeft [getuige 1] niet opgeschreven dat de Volvo van rijstrook veranderde, maar uit zijn situatieschets blijkt dat wel. ECLI:NL:RBDHA:2020:12575