Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Dordrecht 081211 pallet schuift door en glijdt tegen hakken/voeten werkneemster, schending zorgplicht

Rb Dordrecht 081211 pallet schuift door en glijdt tegen hakken/voeten werkneemster, schending zorgplicht, kosten 4,3 uur x € 235,00 = € 1.174,53 incl. 
3.  De feiten 

3.1  [verzoekende partij] was sinds 26 februari 2007 als uitzendkracht door Tempo Team te werk gesteld bij Glasfabriek Leerdam in de functie van inpakster magazijn. 

3.2  Op 19 april 2007 heeft Glasfabriek Leerdam de bij haar geldende veiligheidsinstructies aan Tempo Team overhandigd. [verzoekende partij] heeft deze voor ontvangst getekend. In de veiligheidsinstructies is – voor zover van belang – het volgende opgenomen: 
“Er rijden op de werkvloeren overal heftrucks, houdt hiermee rekening wanneer je je over de werkvloer verplaatst.” 

3.3  Op 10 september 2007 was [verzoekende partij] werkzaam in het magazijn van Glasfabriek Leerdam te Leerdam. Zij droeg die dag veiligheidsschoenen en was bezig met inpakken. Toen zij dozen met glazen van een pallet pakte, draaide zij zich om naar de inpaktafel. 

De afstand tussen de pallet en de inpaktafel bedroeg zo’n 80 cm. [verzoekende partij] werd toen van achteren geraakt door een lege pallet die door een vorkheftruck was opgepakt en die was doorgeschoven. De pallet was 1.00 meter bij 1.20 meter en 15 cm hoog. De pallet heeft [verzoekende partij] van achteren tegen haar hakken althans op haar voet geraakt. [verzoekende partij] raakte daardoor de inpaktafel en heeft toen een beweging naar achteren gemaakt. Zij is niet gevallen.    

3.4  Door het Erasmus Ziekenhuis is vastgesteld dat [verzoekende partij] lijdt aan het syndroom van Barth. 

3.5  Glasfabriek Leerdam en Tempo Team zijn verzekerd bij ACE Group. 

4.  Het geschil 

4.1  [verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat: 
1.  Glasfabriek Leerdam en Tempo Team aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoekende partij] en dat Glasfabriek Leerdam, Tempo Team en ACE Group gehouden zijn de als gevolg van het ongeval van 10 september 2007 geleden schade te vergoeden; 
2.  een eventueel tussen Glasfabriek Leerdam en Tempo Team overeengekomen uitsluiting van aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW jegens [verzoekende partij] geen rechtskracht heeft; 
3.  Glasfabriek Leerdam aan [verzoekende partij] bekend dient te maken wie haar aansprakelijkheidsverzekeraar is, zodat [verzoekende partij] een vordering tot betaling ex artikel 7:954 BW ook rechtstreeks jegens de verzekeraar kan indienen. 

Voorts verzoekt [verzoekende partij] de kantonrechter de (juridische) kosten van dit deelgeschil te begroten conform artikel 1019aa Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) met een hoofdelijke veroordeling van verweersters tot betaling van deze kosten binnen 2 dagen na betekening van deze uitspraak, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. 

4.2  [verzoekende partij] baseert haar vordering tegen Glasfabriek Leerdam en Tempo Team op artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Glasfabriek Leerdam en Tempo Team hebben in de hoedanigheid van materiële respectievelijk formele werkgever hun zorgplicht om voor een veilige werkomgeving te zorgen geschonden, waardoor [verzoekende partij] letsel en schade heeft opgelopen. Voorts baseert [verzoekende partij] haar vordering tegen Glasfabriek Leerdam op artikel 6:170 BW, omdat een ondergeschikte van haar, de medewerker die de vorkheftruck bestuurde, een fout tijdens de werkzaamheden heeft gemaakt waarvoor Glasfabriek Leerdam risico-aansprakelijk is. Glasfabriek Leerdam heeft bovendien TempoTeam gevrijwaard tegen aansprakelijkheid op grond van toepasselijke algemene voorwaarden waarin de aansprakelijkheid van een uitzendbureau wordt uitgesloten indien een uitzendkracht schade lijdt bij een inlener. De aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW kan echter niet rechtsgeldig worden uitgesloten, aldus [verzoekende partij], zodat wordt verzocht hierover een uitspraak te doen. 

4.3  Verweersters voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

5.  Beoordeling van het geschil 

5.1  In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in de artikelen 1019w – 1019cc Rv. 

5.2  De kantonrechter overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet Deelgeschillen) betrokkenen bij een geschil over letsel – en overlijdensschade de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 2). In de memorie van toelichting is voorts vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich ook dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 10). Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat partijen nooit hebben getracht een oplossing buiten rechte te bereiken, omdat verweersters van meet af aan de aansprakelijkheid hebben afgewezen, onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor de behandeling in de deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschil aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. In het navolgende zal dan ook inhoudelijk worden ingegaan op het geschil. 

5.3  Tijdens de mondelinge behandeling van 27 oktober 2011 is een tekening gemaakt van de situatie ter plaatse op 10 september 2007. Partijen waren het tijdens de mondelinge behandeling erover eens dat deze tekening de situatie ter plaatse op 10 september 2007 waarheidsgetrouw weergeeft, zodat deze situatie uitgangspunt is bij de verdere beoordeling van het geschil. 

5.4   Voor wat betreft de aansprakelijkheid van Glasfabriek Leerdam op grond van artikel 6:170 BW zijn – in het licht van de gemotiveerde betwisting door Glasfabriek Leerdam – door [verzoekende partij] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om daarover thans een beslissing te kunnen nemen. 

5.5   Voor wat betreft de aansprakelijkheid van ACE Group staat de deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019w lid 3 Rv ook ten aanzien van deze verzekeraar open. Verweersters hebben de mogelijkheid om jegens ACE Group een vordering ex artikel 7:954 BW in te dienen onvoldoende weersproken, zodat de kantonrechter het er voor houdt dat deze vordering in beginsel mogelijk is. Ten aanzien van de verzochte vaststelling van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW van Glasfabriek Leerdam als materiële werkgever, van Tempo Team als formele werkgever en van ACE Group als verzekeraar op grond van artikel 7:954 BW wordt als volgt geoordeeld. 

5.6   Op grond van de overlegde stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard is komen vast te staan dat [verzoekende partij] tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden een ongeval is overkomen op de wijze zoals vermeld onder 3.3. In het kader van artikel 7:658 BW dient [verzoekende partij] te stellen en zo nodig bij betwisting te bewijzen dat zij schade heeft geleden in de uitvoering van haar werkzaamheden. Verweersters hebben gemotiveerd betwist dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval op 10 september 2007 en de klachten van [verzoekende partij]. Uit de medische informatie is niets af te leiden ten aanzien van de aard van de gestelde klachten. Bovendien lijdt [verzoekende partij] aan het syndroom van Barth, zodat eventuele klachten niet het gevolg zijn van het ongeval op 10 september 2007, maar een andere oorzaak hebben, aldus verweersters. Naar het oordeel van de kantonrechter is bij deze stand van zaken niet vast te stellen dat [verzoekende partij] schade heeft geleden als gevolg van het ongeval van 10 september 2007. Dit zal door [verzoekende partij] na deze procedure nader moeten worden onderbouwd en eventueel nog moeten worden bewezen. 

5.7  Tussen partijen is voorts in geschil of Glasfabriek Leerdam en Tempo Team hebben voldaan aan de op hen rustende zorgverplichting, zoals bepaald in artikel 7:658 lid 1 BW. Nu niet is gesteld dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoekende partij] volgt uit artikel 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW dat Glasfabriek Leerdam en Tempo Team jegens [verzoekende partij] voor de als gevolg van het ongeval geleden schade aansprakelijk zijn, tenzij zij aantonen dat de daar bedoelde zorgverplichting is nagekomen. 

5.8  De uit artikel 7:658 lid 1 BW voortvloeiende zorgplicht houdt in algemene bewoordingen in dat de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen geeft als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Dit artikel houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Anderzijds beoogt artikel 7:658 BW geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen (HR 12 december 2008, NJ 2009, 332). Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval 

5.9   [verzoekende partij] stelt dat Glasfabriek Leerdam en Tempo Team hun zorgplicht hebben geschonden door geen zorg te hebben gedragen voor een veilige werkomgeving waardoor zij het door haar gestelde letsel niet hebben kunnen voorkomen. Verweersters voeren aan dat [verzoekende partij] de bij Glasfabriek Leerdam geldende veiligheidsinstructies heeft ontvangen en dat alle werkplaatsen en bedrijfsmiddelen van Glasfabriek Leerdam voldoen aan de Arbonormen en dat ze onder meer door middel van periodieke Risicoinventarisatie & Evaluatie worden beoordeeld en gecontroleerd. Bovendien droeg [verzoekende partij] veiligheidsschoenen. 

5.10    In deze procedure is komen vast te staan dat [verzoekende partij] van achteren is geraakt en dat de afstand tussen pallet en inpaktafel waartussen zij zich bevond slechts 80 cm bedroeg. Zij moest zich bovendien over die afstand verplaatsen om dozen met glazen van de pallet naar de inpaktafel te brengen. Daar komt bij dat de pallet een afmeting van 1.00 meter bij 1.20 meter had en dat de pallet 15 cm hoog was. [verzoekende partij] stond met haar rug naar de pallet. De vorkheftruck bevond zich daar weer achter. [verzoekende partij] had er in deze omstandigheden geen rekening mee behoeven of behoren te houden dat zij van achteren zou worden aangereden. Door op deze wijze de werkvloer in te richten heeft Glasfabriek Leerdam het risico genomen dat als gevolg van een samenloop van omstandigheden een werkneemster wordt geraakt door een doorgeschoten pallet. Dat [verzoekende partij] veiligheidsschoenen droeg, was bovendien kennelijk niet voldoende om dit ongeval te voorkomen. Het had op de weg van Glasfabriek Leerdam gelegen om effectieve(re) maatregelen te treffen om dit risico te voorkomen door bijvoorbeeld de werkvloer anders in te richten of gerichte instructies te geven met betrekking tot het gebruik van de vorkheftruck en aan rondlopende magazijnmedewerkers die in de buurt van de pallets werkzaamheden verrichten. Een enkele algemene waarschuwing zoals opgenomen in de veiligheidsinstructies van Glasfabriek Leerdam (zie citaat onder 3.2) en de enkele verwijzing naar de Arbonormen en periodieke controles is in dit verband onvoldoende in het licht van de zojuist geschetste omstandigheden op de werkvloer. De conclusie is dan ook dat Glasfabriek Leerdam en Tempo Team hun zorgplicht hebben geschonden. 

5.11   Het hiervoor overwogene brengt mee dat het verzoek van [verzoekende partij] in zoverre toewijsbaar is dat Glasfabriek Leerdam, Tempo Team en ACE Group gehouden zijn de als gevolg van het ongeval van 10 september 2007 geleden schade te vergoeden, waarbij wordt opgemerkt dat in deze procedure niet is komen vast te staan of [verzoekende partij] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden alsmede wat de aard en omvang van deze schade is. [verzoekende partij] zal dit na deze procedure nader moeten onderbouwen en in voorkomend geval in een eventueel volgende (bodem)procedure moeten bewijzen. 

5.12  Met betrekking tot het overeengekomen exoneratiebeding tussen Glasfabriek Leerdam en Tempo Team is door verweersters tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat daar onderling afspraken over zijn gemaakt waar [verzoekende partij] verder geen last van zal ondervinden. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekende partij] ter zake van het exoneratiebeding (zie onder 4.1 sub 2) dan ook toewijzen, nu ook overigens niet is gesteld of gebleken dat het exoneratiebeding derdenwerking heeft. 

5.13  Aan het verzoek zoals verwoord onder 4.1 sub 3 (bekend maken van de aansprakelijkheidsverzekeraar van Glasfabriek Leerdam) is hangende de procedure reeds voldaan, zodat het verzoek op dit punt zal worden afgewezen. 

5.14   Verweersters hebben de redelijkheid van de te begroten kosten ex artikel 1019aa Rv bestreden. De kantonrechter is van oordeel dat niet alle door [verzoekende partij] aangevoerde kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van de deelgeschilprocedure. [verzoekende partij] voert namelijk alle kosten van rechtsbijstand op vanaf juli 2010. Op dat moment was echter nog niet besloten tot het starten van deze deelgeschilprocedure. Alleen de kosten van werkzaamheden die daadwerkelijk in het kader van deze deelgeschilprocedure zijn verricht kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 1019aa Rv. Op grond van de bij het verzoekschrift overgelegde urenspecificatie (productie 37) begroot de kantonrechter de werkzaamheden voorafgaand aan de zitting op 4,2 uur. Uitgaand van het door mr. Solstad gehanteerde uurtarief van € 235,00 exclusief BTW worden de buitengerechtelijke kosten begroot op € 1.174,53 inclusief BTW. 

5.15   Volgens de memorie van toelichting bij de Wet Deelgeschillen kan een veroordeling in de kosten worden verzocht als onderdeel van het verzoek tot het geven van een beslissing op het deelgeschil, waarbij het vanzelf spreekt dat de rechter de wederpartij niet tot betaling van de begrote kosten zal veroordelen als diens aansprakelijkheid voor de door de benadeelde geleden schade onvoldoende vaststaat (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 19). Gelet op het hiervoor overwogene in 5.6 en 5.11 zal de verzochte veroordeling in de kosten alsmede de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet worden toegewezen. De kantonrechter zal volstaan met een begroting van de kosten zoals onder 5.14 vermeld. 


Beslissing 

De kantonrechter: 

verklaart [verzoekende partij] niet ontvankelijk in haar verzoek voor zover het verzoek is gericht tegen AON Groep; 

bepaalt dat Glasfabriek Leerdam, Tempo Team en ACE Group gehouden zijn de als gevolg van het ongeval van 10 september 2007 geleden schade te vergoeden met inachtneming van hetgeen is bepaald in 5.11; 

bepaalt dat een eventueel tussen Glasfabriek Leerdam en Tempo Team overeengekomen uitsluiting van aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW jegens [verzoekende partij] geen rechtskracht heeft; 

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 1.174,53 inclusief BTW; LJN BU7610