Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 160719 Letsel na val in tuincentrum; toedracht is niet vast komen te staan, zodat aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld

RBGEL 160719 Letsel na val in tuincentrum; toedracht is niet vast komen te staan, zodat aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld;
- producties die de dag voor de zitting, om 16.20 uur, aan rechtbank en aan pij zijn toegezonden blijven buiten beschouwing
- kosten verzocht: 46 uur x tarieven van € 175,00 - € 230, ex- en incl kantoorkosten; begroot, niet toegewezen: 20 uur x 215,00 + 21%

De feiten

2.1.
In 2015 was Werkvoorziening Midden-Gelderland (handelsnaam: Presikhaaf Bedrijven) eigenaar en exploitant van een winkelpand aan de Beverweerdlaan 1 in Arnhem, waarin een vestiging van het tuincentrum Intratuin is gevestigd.

2.2.
In september 2017 heeft Werkvoorziening Midden-Gelderland het pand verkocht aan Prinsenburg Real Estate B.V., die het vervolgens aan Werkvoorziening Midden-Gelderland heeft verhuurd. De huurovereenkomst is vanaf januari 2018 voorgezet door Scalabor (waarvan de gemeente Arnhem enig aandeelhouder is) toen zij de operationele activiteiten van Werkvoorziening Midden-Gelderland is gaan voortzetten. Scalabor is sinds 8 maart 2018 enig aandeelhouder van De Wuurde, waarvan Intratuin Arnhem een handelsnaam is.

2.3.
[verzoekster] , destijds 83 jaar oud, heeft op 29 mei 2015 samen met haar echtgenoot de Intratuin vestiging aan de Beverweerdlaan 1 in Arnhem bezocht. Bij dit bezoek maakte [verzoekster] gebruik van een rollator. [verzoekster] is op enig moment ter hoogte van de ingang van de winkel ten val gekomen. De man van [verzoekster] heeft haar naar de huisarts gebracht.

2.4.
Van dit bezoek heeft huisarts A.A.S.M. van Roosmalen op 29 mei 2015 het volgende in het huisartsenjournaal genoteerd:
S AD) Hr aan de balie, verdrietig, mevr is gevallen

O Is door een aantal mannen in auto geholpen,

O man denkt aan breuk heup.

P Overleg Dr vR, vw eerste hulp.”

2.5.
Na verwijzing door de huisarts heeft [verzoekster] diezelfde dag de spoedeisende hulp van het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem bezocht. Daar is geconstateerd dat [verzoekster] haar linker heup heeft gebroken. In de anamnese is opgenomen:
mw is tussen de schuifdeuren bij de winkel gekomen daarbij op haar linker heup gevallen. Kon daarna niet meer op staan. Mogelijk op het hoofd gevallen, niet buiten bewustzijn geweest, geen hoofdpijn.”

2.6.
Op 30 mei 2015 is [verzoekster] aan haar heup geopereerd. Op 5 juni 2015 heeft [verzoekster] het ziekenhuis verlaten en is zij overgebracht naar de revalidatieafdeling van revalidatiecentrum Intermezzo. [verzoekster] is daar voor revalidatie gebleven tot 4 september 2015.

2.7.
[verzoekster] ervaart blijvende klachten na haar val. Zij is vanaf september 2015 tot heden onder behandeling van een fysiotherapeut, [fysiotherapeut C] , die over de behandeling onder meer het volgende heeft bericht:
Ten opzichte van aanvang van het behandeltraject is [verzoekster] vooruit gegaan. Zij kan nu verder lopen, zij het op een laag tempo en alleen met rollator. Staan zonder steun is mogelijk, staan zonder steun en een andere handeling uitvoeren kost veel moeite en geeft verstoring van het evenwicht.

De kracht in het linkerbeen is ongeveer gelijk gebleven, mevrouw kan het been optillen maar tegen lichte weerstand lukt dit niet.

De valgus stand van de knie is toenemend en beperkend tijdens het lopen doordat de knie tegen de binnenzijde van het been aankomt, zij draagt hiervoor een brace. Daarnaast ondervindt mevrouw pijnklachten aan de knie en hiervoor krijgt zij injecties in de knie.

Door het gebruik van de rollator en het steunen hierop heeft mevrouw klachten aan beide schouders; pijnlijk en moeizamer bewegen.

Behandeling richt zich op behouden van loopmogelijkheden, rompstabiliteit behouden, verminderen ondervonden pijnklachten armen en behouden van kracht in de benen.

2.8.
De dochter van [verzoekster] , [dochter verzoekster] , heeft op 12 juni 2015 een brief aan de directie van “Intratuin Presikhaaf” gestuurd. Hierin staat:
Vrijdag 29 mei, is onze moeder, [verzoekster] , door het sluiten van de schuifdeuren, terwijl zij er tussen liep, omver geduwd en ten val gekomen. Hierbij heeft zij haar heup gebroken.

Bij dezen willen wij u aansprakelijk stellen voor de materiële en immateriële schade veroorzaakt door deze val.

2.9.
Op 26 juni 2015 heeft [mevrouw B] , destijds hoofd administratie van Werkvoorziening Midden-Gelderland, telefonisch gesproken met de dochter van [verzoekster] . Op 30 juni 2015 heeft [mevrouw B] een bloemetje langs gebracht bij [verzoekster] .

2.10.
[verzoekster] heeft schade-expert [belangenbehartiger A] ingeschakeld om haar belangen te behartigen. De [belangenbehartiger A] heeft in een brief van 1 september 2015 “Intratuin Arnhem/Presikhaaf bedrijven” aansprakelijk gesteld voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade als gevolg van haar val in de Intratuin vestiging in Arnhem.

2.11.
Namens Werkvoorziening Midden-Gelderland heeft [assurantiemakelaar D] , assurantiemakelaar bij Willis B.V., gereageerd op de brief van 1 september 2015. In haar reactie van 23 oktober 2015 staat, voor zover hier van belang:
( ... )

Intratuin Presikhaaf heeft een brief gedateerd 12-06-2015 ontvangen van de dochter van mevrouw [verzoekster] . Na ontvangst van die brief hebben zij intern informatie opgevraagd. Bij de medewerkers van Intratuin Arnhem is geen ongeval bekend. Bovendien heeft mevrouw [verzoekster] zich na het ongeval niet bekend gemaakt bij Intratuin Arnhem. Zij vernamen eerst door de brief van 12-06-2015 dat mevrouw [verzoekster] door een sluitende schuifdeur ten val zou zijn gekomen.

Intratuin Arnhem bewaart camerabeelden beperkte tijd (14 dagen). Mevrouw [verzoekster] zou op 29-05-2015 zijn gevallen. De brief van 12-06-2015 heeft op 15-06-2015 de vestigingsmanager van Intratuin bereikt. Op dat moment waren de camerabeelden van 29-05-2015 niet meer beschikbaar. Op basis van de ons beschikbare informatie kan niet worden geconcludeerd dat is aangetoond dat op de door u gestelde datum sprake is geweest van een ongeval van mevrouw [verzoekster] bij Intratuin Arnhem.

U stelt dat de electrische schuifdeur niet goed functioneerde. Wij hebben bij onze cliënt navraag gedaan. Onze cliënt is geen storing of onregelmatigheid anderszins van de schuifdeur bekend. Na ontvangst van de brief van 12-06-2015 is een monteur langsgekomen om functioneren van de schuifdeur te onderzoeken. De monteur heeft geen storing geconstateerd.

Gezien bovenstaande zijn wij van mening dat niet is aangetoond dat gestelde ongeval op 29-05-2015 heeft plaatsgevonden. Daarnaast is er geen sprake van niet goed functioneren van de deur, waardoor onze cliënt (indien het ongeval zelf niet ter discussie zou staan) niet aansprakelijk is voor de door mevrouw [verzoekster] geleden schade.

2.12.
Tussen de [belangenbehartiger A] (en later advocaat mr. Faber) en [assurantiemakelaar D] is nadien nog over en weer gecorrespondeerd, maar dat heeft niet tot enig resultaat geleid.

Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank, na wijziging van haar verzoek ter zitting, zoals weergegeven in punt 16 van haar spreekaantekeningen, op de voet van artikel 1019w Rv bij beschikking:

primair:

te beslissen dat Intratuin c.s. aansprakelijk is voor het [verzoekster] op 29 mei 2015 overkomen ongeval,

Intratuin c.s. te veroordelen de nader vast te stellen schade van [verzoekster] , die het gevolg is van dit ongeval, aan haar te vergoeden,

de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 12.230,49 inclusief kantoorkosten (voor het jaar 2018) en btw, te vermeerderen met € 291,00 aan griffierecht en Intratuin c.s. te veroordelen tot betaling van deze kosten,

subsidiair:

4. te beslissen dat Intratuin c.s. aansprakelijk is voor het [verzoekster] op 29 mei 2015 overkomen ongeval,

5. de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 12.230,49 inclusief kantoorkosten (voor het jaar 2018) en btw, te vermeerderen met € 291,00 aan griffierecht en Intratuin c.s. te veroordelen tot betaling van deze kosten.

3.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoeken, samengevat, het volgende ten grondslag. Tijdens een bezoek aan de Intratuin vestiging in Arnhem op 29 mei 2015 is zij ten val gekomen. Op het moment dat zij met haar rollator de automatische schuifdeuren bij de ingang wilde passeren, gingen deze deuren ineens dicht en werd zij aan de rechterzijde van haar lichaam geraakt door de rechter schuifdeur. Hierdoor is zij ten val is gekomen en heeft zij haar linker heup gebroken. Zij heeft schade geleden, bestaande uit materiële schade (onder andere een vergoeding voor verblijf in het ziekenhuis, diverse medische kosten en een gedwongen verhuizing van een gezinswoning naar een appartement) en immateriële schade. [verzoekster] stelt Intratuin c.s. aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden schade op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Er is sprake van gevaarzetting, omdat de automatische schuifdeuren niet voldeden aan de veiligheidsnormen. Werkvoorziening Midden-Gelderland is daarnaast op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk als bezitter van de opstal, nu deze opstal (te weten de automatische schuifdeuren) niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen.

3.3.
Intratuin c.s. is primair van mening dat de verzoeken van [verzoekster] op formele gronden moeten worden afgewezen. Intratuin c.s. voert aan dat de verzoeken zich niet lenen voor een deelgeschilprocedure, aangezien [verzoekster] het gehele geschil heeft voorgelegd en de toedracht van het ongeval niet vaststaat, zodat de door [verzoekster] verzochte beslissing niet zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

Subsidiair voert Intratuin c.s. aan dat, indien al aansprakelijkheid kan worden aangenomen, dit alleen kan gelden ten aanzien van Werkvoorziening Midden-Gelderland als eigenaar en exploitant van het pand ten tijde van het ongeval in 2015.

Verder voert Intratuin c.s. op inhoudelijke gronden verweer tegen de verzoeken van [verzoekster] . Intratuin c.s. betwist dat sprake is van gevaarzetting dan wel een gebrekkige opstal. Zij voert aan dat de automatische schuifdeuren van de ingang/uitgang van de Intratuin vestiging open gaan en open blijven als de sensoren beweging detecteren en daarom [verzoekster] niet hebben kunnen raken. Intratuin c.s. heeft na ontvangst van de brief van de dochter van [verzoekster] een monteur de schuifdeuren laten controleren en hij heeft vastgesteld dat de schuifdeuren naar behoren functioneren. Daarnaast voert Intratuin c.s. aan dat [verzoekster] op 29 mei 2015 niet heeft gemeld dat zij was gevallen, dat de medewerkers van de Intratuin vestiging in Arnhem ook niet bekend zijn met een val en dat er geen getuigen zijn die de door [verzoekster] gestelde toedracht/oorzaak van het ongeval kunnen bevestigen. Intratuin c.s. heeft voor het eerst kennis kunnen nemen van het door [verzoekster] gestelde ongeval door ontvangst van de brief van 12 juni 2015 op 15 juni 2015. Op dat moment waren de camerabeelden van de toegang van de Intratuin vestiging inmiddels overschreven, zodat Intratuin c.s. het ongeval en de gestelde toedracht/oorzaak ervan niet heeft kunnen vaststellen. Intratuin c.s. betwist dan ook dat haar een verwijt kan worden gemaakt op grond van artikel 6:162 BW dan wel artikel 6:174 BW.

De beoordeling

4.1.
Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

Verder geldt dat het voorleggen van meerdere deelgeschillen in één procedure in beginsel mogelijk is. Daarbij moet echter wel voor ogen worden gehouden dat de deelgeschil-procedure er niet op is gericht de rechter over een groot aantal deelgeschillen te laten oordelen. Het verder onderhandelen, al dan niet met behulp van een mediator, of het instellen van een bodemprocedure, is dan een meer geëigende weg (Kamerstukken II, 2008-2009, 31518, nr. 8, p. 7). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv).

4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de door [verzoekster] verzochte beslissing met betrekking tot de aansprakelijkheid en de verzochte veroordeling tot vergoeding van de schade in beginsel ter beoordeling in een deelgeschil aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Het verzochte bestrijkt weliswaar een groot deel van het geschil, maar ook als de verzoeken toewijsbaar worden geoordeeld, dan zal nog altijd een (volledig) schaderegelingstraject moeten worden doorlopen, waarbij vragen als causaal verband aan de orde kunnen komen. Het primaire verweer van Intratuin c.s. wordt verworpen.

4.3.
Intratuin c.s. heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de nader door [verzoekster] in het geding gebrachte bijlagen 1 tot en met 4, die de dag voor de zitting, bij faxbericht van 20 februari 2019 om 16.20 uur, aan de rechtbank en aan de advocaat van Intratuin c.s. zijn toegezonden. De advocaat van Intratuin c.s. stelt zich op het standpunt dat deze stukken te laat zijn ingediend en dat zij de stukken niet heeft kunnen bespreken met haar cliënt, met name de bijlagen waarin de technische aspecten van de automatische schuifdeuren aan de orde komen.

De rechtbank overweegt dat het Procesreglement verzoekschriftprocedures voorschrijft dat stukken waarop partijen zich tijdens de mondelinge behandeling willen beroepen bij voorkeur vijf werkdagen vóór de dag van de mondelinge behandeling worden ingediend. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het voor [verzoekster] niet mogelijk was om deze termijn in acht te nemen. Dat geldt in het bijzonder voor de producties die betrekking hebben op de norm en technische aspecten van automatische schuifdeuren. De rechtbank zal daarom deze producties buiten beschouwing laten.

4.4.
De rechtbank komt dan toe aan de vraag of Intratuin c.s. aansprakelijk kan worden gehouden voor het door [verzoekster] gestelde ongeval van 29 mei 2015. Vaststaat dat [verzoekster] op 29 mei 2015 een heupfractuur heeft opgelopen. [verzoekster] stelt dat zij deze heupfractuur heeft opgelopen doordat de automatische schuifdeuren van de Intratuin vestiging in Arnhem niet goed functioneerden en haar hebben geraakt, waardoor zij ten val is gekomen. Intratuin c.s. betwist de door [verzoekster] gestelde toedracht van haar val en meer in het bijzonder dat sprake zou zijn van niet goed functionerende automatische schuifdeuren.

4.5.
Uit de schriftelijke verklaringen van [verzoekster] en haar echtgenoot, [echtgenoot verzoekster] , die op 28 oktober 2015 zijn opgesteld, en uit hetgeen ter zitting door [verzoekster] is verklaard, volgt dat [verzoekster] uitgaat van de volgende toedracht. Bij het naar binnen gaan van de Intratuin vestiging kwamen er ook (een of meer) mensen naar buiten, waar [verzoekster] op moest wachten. Toen haar rollator over de drempel was sloten de automatische schuifdeuren zich en werd zij door de rechter schuifdeur geraakt. Zij kreeg een harde klap van de rechter schuifdeur tegen haar rechter zij en is op haar linker zij gevallen, als gevolg waarvan zij haar linker heup heeft gebroken. Omstanders hebben haar zien vallen en haar geholpen in een daar aanwezige rolstoel en hebben aan haar gevraagd of er een ambulance moest worden gebeld. Op dat moment leek het sneller dat haar echtgenoot zelf met haar via de dokterspost naar het ziekenhuis zou rijden, aldus [verzoekster] . De echtgenoot van [verzoekster] heeft verklaard dat een van de medewerkers van Intratuin [verzoekster] in de auto heeft geholpen, waarna zij naar de huisarts zijn gereden.

4.6.
Vaststaat dat [verzoekster] op 29 mei 2015 niet in de Intratuin vestiging heeft gemeld dat zij was gevallen. De dochter van [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat de brief van 12 juni 2015 het eerste moment is geweest dat vanuit [verzoekster] contact is gezocht met Intratuin c.s. over haar val. Van de toegang (ingang en uitgang) van de Intratuin vestiging worden met een camera videobeelden gemaakt. Intratuin c.s. heeft onweersproken gesteld dat deze camerabeelden na veertien dagen worden gewist/overschreven, zodat deze beelden niet meer beschikbaar waren toen de brief van 12 juni 2015 Werkvoorziening Midden-Gelderland op 15 juni 2015 had bereikt. De mogelijkheid om de gestelde toedracht van de val van [verzoekster] te controleren door middel van camerabeelden was daarmee verdwenen.

4.7.
Eveneens staat vast dat [verzoekster] , behalve zichzelf en haar echtgenoot, geen andere getuigen naar voren heeft gebracht, zoals omstanders en/of Intratuin medewerkers die haar hebben zien vallen en/of haar nadien hebben geholpen. Intratuin c.s. stelt dat er bij de medewerkers van de Intratuin vestiging in Arnhem navraag is gedaan naar het incident, maar dat niemand heeft kunnen bevestigen dat het ongeval heeft plaatsgevonden.

4.8.
Hoewel niet in twijfel wordt getrokken dat [verzoekster] op 29 mei 2015 ten val is gekomen, beschikt de rechtbank met betrekking tot de feitelijke toedracht/oorzaak van die val alleen over de schriftelijke verklaringen van [verzoekster] en haar echtgenoot, die dateren van oktober 2015, en de verklaring van [verzoekster] ter zitting. In die verklaringen zit een tegenstrijdigheid. In de schriftelijke verklaring van de echtgenoot van [verzoekster] staat: “ik zag dat de deur om onbegrijpelijke reden tegen mijn vrouw bewoog met een klap en zij viel plat op de grond”, maar ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat haar echtgenoot voor haar de winkel in liep met een winkelwagen en dat hij haar niet heeft zien vallen. Hij zag haar pas toen zij al ten val was gekomen, aldus [verzoekster] . Haar echtgenoot heeft niet gezien hoe en dus ook niet waardoor zij ten val is gekomen. Alleen [verzoekster] zelf verklaart dat haar val is veroorzaakt door het (vroegtijdig) sluiten van de automatische schuifdeur. Daar komt bij dat, zoals door Intratuin c.s. is betoogd en door [verzoekster] onvoldoende (onderbouwd) is weersproken, de automatische schuifdeuren periodiek werden gecontroleerd, de accu’s in maart 2015 zijn vervangen en de door Werkvoorziening Midden-Gelderland ingeschakelde monteur bij nadere controle op 30 juni 2015 geen problemen met en/of mankementen aan de automatische schuifdeuren en/of de sensoren heeft geconstateerd. Dat sprake is van onveilige of gebrekkige schuifdeuren, die niet voldeden aan de eisen die men daar in de gegeven omstandigheden mocht stellen, is niet gebleken. Bij gebreke van getuigen en/of enig ander bewijs dat [verzoekster] bij de ingang van de Intratuin vestiging door de automatische schuifdeur is geraakt, kan dan ook niet worden uitgesloten dat [verzoekster] door een andere oorzaak is gevallen of door een andere bezoeker of een winkelwagen van een andere bezoeker is geraakt. Dat [mevrouw B] namens Werkvoorziening Midden-Gelderland nadien een bloemetje naar [verzoekster] heeft gebracht betekent ook niet dat Werkvoorziening Midden-Gelderland daarmee heeft erkend dat [verzoekster] ten val is gekomen door een omstandigheid die voor rekening en risico van Werkvoorziening Midden-Gelderland komt.

4.9.
De rechtbank concludeert dat nu de door [verzoekster] gestelde toedracht/oorzaak van haar val op 29 mei 2015 in de Intratuin vestiging in Arnhem niet is komen vast te staan, er geen grond bestaat voor het aannemen van aansprakelijkheid van Intratuin c.s., noch op de voet van artikel 6:162 BW noch – voor wat betreft Werkvoorziening Midden-Gelderland – op de voet van artikel 6:174 BW. Het verzoek van [verzoekster] tot vaststelling van aansprakelijkheid is daarom niet toewijsbaar. Een veroordeling tot vergoeding van schade is dan niet aan de orde. Dat betekent dat ook de vraag welke verwerende partij(en) tot betaling daarvan zou(den) kunnen worden aangesproken, geen beantwoording meer behoeft.

Kosten deelgeschil

4.10.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank de kosten van dit deelgeschil te begroten en Intratuin c.s. te veroordelen tot betaling daarvan. In het verzoekschrift, aangevuld met twee urenstaten bij de spreekaantekeningen, heeft zij een begroting opgenomen die uitkomt op afgerond 46 uren maal een uurtarief oplopend van € 175,00 in 2016 naar € 230,00 in 2019, te vermeerderen met 5 % kantoorkosten (voor de periode tot aan 1 januari 2019) en verder te vermeerderen met 21% btw, in totaal uitkomend op een bedrag van € 12.230,49, exclusief € 291,00 aan griffierecht.

4.11.
Intratuin c.s. voert in de eerste plaats aan dat begroting achterwege moet blijven omdat het verzoek onnodig is ingesteld, aangezien [verzoekster] bekend was met de betwisting van Intratuin c.s. van de door haar gestelde toedracht van haar val. Intratuin c.s. voert tevens verweer tegen het aantal opgevoerde uren en stelt dat onduidelijk is hoe het uurtarief wordt gehanteerd. Tot slot stelt Intratuin c.s. dat [verzoekster] een rechtsbijstandverzekering heeft afgesloten, zodat de kosten door haar verzekeraar worden voldaan.

4.12.
Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te de zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18). Dit betekent dat de kosten niet voor begroting (en vergoeding) in aanmerking komen indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

4.13.
De rechtbank overweegt dat afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] niet in de weg staat aan een begroting van de kosten van dit deelgeschil en is van oordeel dat de onderhavige deelgeschilprocedure niet volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Met Intratuin c.s. is de rechtbank wel van mening dat de door de advocaat van [verzoekster] opgevoerde urenbesteding bovenmatig voorkomt. Een toelichting op de overlegde urenstaten over de periode 2016-2019 is niet gegeven en daaruit blijkt ook niet welke werkzaamheden verband houden met de behandeling van het onderhavige verzoekschrift. Verder lijkt uit de urenstaten te volgen dat ook werkzaamheden zijn opgenomen die betrekking hebben op correspondentie met Prinsenburg Real Estate B.V., de partij ten aanzien waarvan [verzoekster] het deelgeschil heeft ingetrokken.

Gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak acht de rechtbank een totale tijdsbesteding van 20 uur (inclusief zitting) in dit geval redelijk. Als uurtarief zal het gemiddelde worden genomen van de over 2017-2019 gehanteerde uurtarieven (rekening houdend met een uurtarief in 2017 en 2018 exclusief 5% kantoorkosten en een uurtarief in 2019 inclusief kantoorkosten), te weten (afgerond) € 215,00 exclusief 21 % btw. De kostenbegroting komt daarmee uit op 20 x € 215,00 vermeerderd met 21 % btw en € 291,00 griffierecht = € 5.494,00. Voor een veroordeling van Intratuin c.s. in die kosten bestaat, gelet op het niet vast staan van de aansprakelijkheid, echter geen aanleiding. De stelling dat [verzoekster] verzekerd is voor deze kosten behoeft dan ook geen bespreking. ECLI:NL:RBGEL:2019:4491