Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 200423 Aannemingsbedrijf niet aansprakelijk voor val in appartement

RBDHA 200423 Aannemingsbedrijf niet aansprakelijk voor val in appartement

2Feiten

2.1.

[eiser01] is eigenaar van het appartement aan de [adres01] te [plaats01] . Zij verhuurt deze woning aan [naam04] en [naam05] (verder: de huurders).

2.2.

[naam06] (verder: [naam06] ) is eigenaar van het naastgelegen appartement aan de [adres02] te [plaats01] .

2.2.

Bewon is een aannemingsbedrijf dat diensten aanbiedt op het gebied van bouw, verbouw, renovatie en onderhoud van woningen en bedrijfspanden. Middellijk bestuurder en middellijk aandeelhouder van Bewon zijn mevrouw [naam01] en de heer [naam02] .

2.3.

Bewon is voor bedrijfsaansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden.

2.4.

In 2018 heeft [naam06] aan Bewon opdracht gegeven om renovatiewerkzaamheden in haar appartement uit te voeren.

2.5.

Op of omstreeks 7 november 2018 is schade aan het pleisterwerk aan de gemene muur in de slaapkamer van het appartement van [eiser01] ontstaan. [eiser01] heeft [naam06] in de ochtend van 8 november 2018 via Whatsapp van de schade op de hoogte gesteld. Omdat [naam06] op dat moment in het buitenland verbleef, heeft zij [eiser01] bericht dat Bewon om 16.00 uur langs zal komen om de schade te bekijken.

2.6.

Een medewerker van Bewon, [naam07] (verder: [naam07] ) heeft, in het bijzijn van [eiser01] en de huurders, op het afgesproken tijdstip de schade aan het pleisterwerk bekeken.

2.4.

[eiser01] is vervolgens het appartement van [naam06] binnengetreden. Zij is naar de achterkamer gelopen, daar door de vloer gezakt en in de ondergelegen kruipruimte terechtgekomen.

2.5.

[eiser01] heeft bij brief van 21 december 2018 [naam06] aansprakelijk gesteld voor door de val geleden en nog te lijden schade.

2.7.

[eiser01] heeft op 4 januari 2019 bij de politie melding gedaan van het voorval. Voor zover relevant staat in het meldingsformulier het volgende:

 

“(…) I reported already on 14-11-2018 to police in [plaats02] via phone that the owner of the flat [adres01] , [plaats01] , entered the premises of my home (…) without my permission, in my absence, without my knowledge. (…) She claims she was invited to my place which is not true. (…) I was told by the representative of the company who was present in my flat that a woman ( [eiser01] ) rang the doorbell, a worker who was inside opened, she ignored him and entered energetically my flat. He was highly surprised. Then she walked quickly into my bedroom in the back of my flat where the floor planks were removed due to putting insulation underneath – thus there was no flooring only beams and insulation material in between – she continued walking on the floor beams – this ended up with her injury. (…)”

2.8.

[naam06] heeft bij brief van 11 januari 2019 elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.9.

Bewon is bij brief van 21 februari 2020 door [eiser01] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het letsel dat zij door de val heeft opgelopen.

2.6.

Nationale Nederlanden heeft bij e-mailbericht van 4 maart 2020 de aansprakelijkheid van Bewon afgewezen.

 

3Vordering

3.1.

[eiser01] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

I. voor recht verklaart dat Bewon aansprakelijk is voor de door [eiser01] geleden en

nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel;

 

II. Bewon veroordeelt tot betaling van:

 

  1. een voorschot van € 5.000,00 dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag op de door [eiser01] geleden en te lijden immateriële schade;

  2. een voorschot van € 9.818,68 dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag op de door [eiser01] geleden materiële schade;

  3. de wettelijke rente over voornoemde schade vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 8 november 2018 dan wel vanaf het uitbrengen van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. de kosten van dit geding;

 

III. deze zaak verwijst naar de schadestaatprocedure voor het vaststellen van de

toekomstige materiële schade voortvloeiend uit het ongeval van 8 november 2018.

3.2.

[eiser01] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Bewon heeft jegens [eiser01] gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt door haar zonder persoonlijke beschermingsmiddelen (zoals een helm) en door haar uit te nodigen een bouwplaats te betreden en daarin zonder waarschuwing over een vloer te laten lopen die niet de veiligheid bood die [eiser01] daarvan mocht verwachten.

3.3.

Het bedrag aan materiële schade bestaat uit de kosten voor het repareren van de muur van € 1.887,60, de aanschaf van een nieuwe telefoon van € 1.221,69, de niet vergoede zorgkosten van [eiser01] over de periode 2018 tot en met 2022, inclusief eigen risico en eigen bijdragen van € 6.709,39.

3.4.

[eiser01] stelt door de val zowel lichamelijk als psychisch letsel te hebben opgelopen. Zij heeft hoofdletsel opgelopen in de vorm van (vermoedelijk) een schedelbasisfractuur, een hersenschudding en een beschadiging van de aangezichtszenuw. Daarnaast is er sprake van een posttraumatische stress stoornis. Omdat nog niet duidelijk is in hoeverre het fysieke letsel bij [eiser01] heeft geleid tot blijvende afwijkingen of beperkingen, kan de schade nog niet definitief worden bepaald en zal later moeten worden opgemaakt bij staat, aldus [eiser01] .

3.5.

Bewon heeft verweer gevoerd. Bewon stelt zich op het standpunt dat [eiser01] in haar vorderingen niet ontvankelijk is, althans dat deze dienen te worden afgewezen. De medewerker van Bewon heeft [eiser01] niet uitgenodigd om de woning van [naam06] te betreden. [eiser01] is zelf naar de woning van [naam06] toe gegaan. Toen een andere medewerker van Bewon de deur van die woning opende, is [eiser01] zonder toestemming naar binnen gegaan en is zij doorgelopen naar de achterkamer. [eiser01] wist dat de woning van [naam06] een bouwplaats was waar sloopwerkzaamheden plaatsvonden en zij had daarom de nodige voorzichtigheid in acht moeten nemen. Bovendien was goed zichtbaar – gelet op de blootliggende balken en isolatie – dat de kamer niet (zo maar) kon worden betreden. Bewon wordt ten onrechte verweten dat zij geen beschermingsmiddelen (zoals een helm) ter beschikking heeft gesteld. [eiser01] was namelijk niet uitgenodigd om de woning te betreden. Het verwijt dat de medewerkers van Bewon geen waarschuwing hebben gegeven is niet terecht. [eiser01] is immers direct naar de achterkamer gelopen. Het voorval voltrok zich binnen enkele seconden. De medewerkers van Bewon hadden in redelijkheid niet kunnen vermoeden dat [eiser01] dergelijk onvoorzichtig gedrag zou vertonen. Dat [eiser01] letsel heeft opgelopen komt voor haar eigen rekening en risico.

3.6.

Indien Bewon toch aansprakelijk is, heeft [eiser01] zelf schuld aan het voorval. De handelswijze van [eiser01] rechtvaardigt een percentage eigen schuld van 90% althans 80%.

Bewon acht het gevorderde bedrag als voorschot op smartengeld bovenmatig. In andere zaken zijn voor vergelijkbaar of ernstiger letsel lagere bedragen toegekend. Het eventueel toe te kennen bedrag aan smartengeld dient hooguit € 2.000,00 te bedragen.

3.3.

Bewon bestrijdt, bij gebrek aan een onderbouwing, dat de door [eiser01] gevorderde niet vergoede zorgkosten over de periode 2018 tot en met 2022 verband houden met het voorval van 8 november 2018.

3.7.

Bewon heeft aangeboden om de schade aan de muur van [eiser01] te herstellen. [eiser01] is daar echter nooit op ingegaan. De herstelwerkzaamheden zouden enkel bestaan uit het opnieuw stukken van de schadeplek, gevolgd door verven. Een bedrag van € 500,00 voor zo’n klus is redelijk.

3.8.

De stelling dat de telefoon van [eiser01] door het ongeval beschadigd is geraakt, is niet onderbouwd en daarnaast is niet aangetoond wat de schade is geweest. Bij begroting van de schadeomvang dient bovendien rekening te worden gehouden met aftrek voor nieuw voor oud van minstens 50%.

3.10.

Bewon verzoekt de kantonrechter, ten slotte, om de vordering ten aanzien van verwijzing naar de schadestaat af te wijzen, nu de schade zich definitief laat begroten. Tot zover het verweer van Bewon.

 

4Beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser01] op 8 november 2018 in het appartement van [naam06] ten val is gekomen. Partijen verschillen van mening over de toedracht van de val en over de vraag of (en zo ja, in hoeverre) Bewon jegens [naam06] aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val.

 

Feitelijke toedracht val staat niet vast

4.2.

[eiser01] heeft over de feitelijke toedracht van haar val gesteld dat zij op 8 november 2018, op verzoek van een medewerker van Bewon om van de oorzaak van de schade aan de gemene muur foto’s te maken, het appartement van [naam06] heeft betreden, achter een medewerker van Bewon is aangelopen en in de achterkamer na enkele passen door de vloer is gezakt. De gestelde toedracht van de val berust op haar eigen verklaring.

In de getuigenverklaring van de huurders wordt bevestigd dat [eiser01] werd uitgenodigd door ‘de aannemer’ om de oorzaak van de schade te bekijken en gezamenlijk het appartement van [naam06] zijn binnengelopen. Door Bewon is de toedracht uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist aan de hand van een tweetal getuigenverklaringen van medewerkers van Bewon. Daarmee staat de gestelde feitelijke toedracht van de val naar het oordeel van de kantonrechter voorshands onvoldoende vast. In beginsel zou [eiser01] dan ook - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - bewijs dienen te leveren van de gestelde feitelijke toedracht van de val. Bewijslevering kan in dit geval achterwege blijven, nu de kantonrechter van oordeel is dat, zelfs indien de door [eiser01] gestelde feitelijke toedracht van de val zou komen vast te staan, Bewon hiervoor niet aansprakelijk kan worden gehouden. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt.

 

Geen onrechtmatige daad Bewon

4.3.

In de dagvaarding baseert [eiser01] de aansprakelijkheid van Bewon op de stelling dat Bewon [eiser01] zonder beschermingsmiddelen (zoals een helm) en zonder waarschuwing over een vloer heeft laten lopen die niet de veiligheid bood die [eiser01] daarvan mocht verwachten, waarmee sprake is van een (aan Bewon toerekenbare) onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW.

4.4.

Op grond van artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Een onrechtmatige daad kan er onder meer in bestaan dat iemand een andere persoon niet waarschuwt voor een gevaarlijke situatie terwijl hij zelf met dat gevaar bekend is. Onder 'gevaarzetting' in de zin van artikel 6:162 BW wordt verstaan het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar voor personen of zaken, waaronder begrepen het achterwege laten van voldoende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de verwezenlijking van dat gevaar.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient onder meer te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Zie HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik).

4.6.

Bewon heeft, mede ter zitting, toegelicht dat op de dag van de val in achterkamer isolatiewerkzaamheden aan de vloer werden verricht. In de bewuste kamer werden zogenaamde (polyetheen) isolatieplaten tussen de vloerbalken gelegd. Een deel van de vloer was nog niet voorzien van isolatieplaten waardoor de ondergelegen kruipruimte goed zichtbaar was. Ter onderbouwing verwijst zij naar een foto van de betreffende vloer. Volgens Bewon was het voor een ieder, en dus óók voor [eiser01] , direct duidelijk dat de vloer in de achterkamer niet althans niet zo maar kon worden belopen en was het valgevaar eenvoudig kenbaar en daarmee voorzienbaar.

4.7.

De kantonrechter maakt uit de overgelegde foto op dat er een duidelijk kleurverschil is tussen de houten vloerbalken en de wit/grijs/zwart gevlekte isolatieplaten, die daardoor onmiddellijk opvallen. De platen, die niet bedoeld zijn om zonder vloerafwerking te worden belopen, rusten op uitsparingen in de vloerbalken boven de kruipruimte en dat betekent dat als iemand erop stapt, de isolatieplaat kan breken, waardoor de kans op een ongeval met letselschade groot is. De kantonrechter is met Bewon van oordeel dat dit valgevaar inderdaad aanstonds kenbaar is, nu ook voor een leek duidelijk is dat de een ‘dragende’ houten afdekvloer ontbreekt. De isolatieplaten hebben een zichtbare structuur van geperst schuim, waarbij bovendien algemene bekendheid is dat “schuim” weinig solide en draagkrachtig materiaal is. Daarbij komt dat de renovatiewerkzaamheden in het appartement van [naam06] nog volop in uitvoering waren. Van een ieder mocht daarom reeds bij het betreden van het appartement worden verwacht dat de nodige oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou worden genomen.

4.8.

Ter zitting heeft [eiser01] verklaard dat de vloer, egaal beige van kleur, nog helemaal dicht was en de isolatieplaten langs de muur opeengestapeld lagen. De sloopwerkzaamheden waren nog bezig, waaronder een muur die moest worden afgebroken. De aanblik van de vloer gaf volgens [eiser01] dus geen aanleiding voorzichtigheid te betrachten. De kantonrechter volgt [eiser01] hierin niet. Indien er, op het moment van haar val in de achterkamer nog sloopwerkzaamheden plaatsvonden, kan zonder meer worden aangenomen dat de vloer beloopbaar is. Het is anders niet mogelijk deze werkzaamheden, waarbij bouwlieden op de vloer moet open, uit te voeren. Nu vaststaat dat [eiser01] door de vloer is gezakt, is het betoog van [eiser01] op dit punt ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. Ook klopt de verklaring van [eiser01] op dit punt niet met de verklaring van de huurders, die aangegeven dat ze door een niet dragende vloer/isolatielaag (piepschuim) is gezakt. Ook in de brief van de gemachtigde van [eiser01] van 21 februari 2020 aan Bewon staat dat [eiser01] door een niet dragende vloer/isolatielaag (piepschuim) is gezakt. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de vloer op dat moment ‘slechts’ bestond uit vloerbalken met daartussen isolatieplaten. Of de vloer voor een deel (nog) niet was voorzien van isolatieplaten en gedeeltelijk ‘open’ lag, zoals Bewon stelt, kan in het midden blijven. Ook bij een volledig met isolatieplaten opgevulde vloer had voor [eiser01] duidelijk moeten zijn dat de vloer niet zonder meer kon worden belopen en had zij, in ieder geval voordat zij de vloer betrad, moeten verifiëren of dat wel mogelijk was. De omstandigheid dat indien het aanwezige risico zich toch zou verwezenlijken en zich een ongeval zou voordoen bij het betreden van de vloer, met mogelijk (ernstig) letsel tot gevolg en het weinig bezwaarlijk was geweest indien (één van de aanwezige medewerkers van) Bewon [eiser01] vooraf had gewaarschuwd, komt in het licht van het voorgaande geen doorslaggevende betekenis toe.

4.9.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat Bewon [eiser01] niet behoefde te waarschuwen voor de niet beloopbare vloer en evenmin behoefde zij [eiser01] bij het binnentreden van beschermingsmiddelen (zoals een helm) te voorzien. De medewerkers van Bewon hadden in redelijkheid immers niet kunnen voorzien dat [eiser01] dergelijk onvoorzichtig gedrag zou vertonen. Bewon heeft niet onrechtmatig jegens [eiser01] gehandeld. Dit betekent dat de omstandigheid dat [eiser01] letsel heeft opgelopen voor haar eigen rekening en risico komt.

4.10.

De conclusie luidt dan ook dat de door [eiser01] verzochte verklaring voor recht, de verzochte veroordelingen en de verwijzing naar de schadestaatprocedure zullen worden afgewezen. De overige verweren van Bewon, waaronder het beroep op eigen schuld van [eiser01] , behoeft bij deze uitkomst geen beoordeling meer.

4.11.

[eiser01] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. ECLI:NL:RBDHA:2023:7183