Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 060121 balkonafscheiding voldoet niet aan Bouwbesluit 2012, verhuurder aansprakelijk voor val

RBNHO 060121 balkonafscheiding voldoet niet aan Bouwbesluit 2012, verhuurder aansprakelijk voor val
-deskundige treedt niet buiten opdracht als hij desgevraagd aangeeft wat nog van belang kan zijn

2De verdere beoordeling

2.1.

In het vonnis van 4 december 2019 (geen publicatie bekend, red. LSA LM)  is een deskundigenbericht gelast ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Dienden de bevestigingssteuntjes in mei 2016 (de tijd van het ongeval) te voldoen aan bepaalde veiligheidseisen? Zo ja, in welke regelgeving waren deze eisen neergelegd?

2) Voldoen de bevestigingssteuntjes van de gelijkende flats met gelijkende balkons aan voormelde veiligheidseisen? Graag gemotiveerd beantwoorden.

3) Indien de bevestigingssteuntjes in mei 2016 niet dienden te voldoen aan specifieke regelgeving betrekking hebbende op veiligheidseisen: voldoen de bevestigingssteuntjes van de gelijkende flats met gelijkende balkons aan de veiligheidseisen zoals weergegeven in het rapport van Haskoning Beoordeling bestaand balkonhek, overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord, zijnde de veiligheidsnormen op grond van het Bouwbesluit 2012 en eurocode NEN-EN-1991-1-1 NB ?

4) Heeft u naar aanleiding van uw onderzoek nog opmerkingen die van belang kunnen zijn voor het verloop van de zaak?

2.2.

Voorts is de heer ir. M.A. van de Vliet, kernleider bij Peutz Geveltechniek, benoemd als deskundige om deze vragen te beantwoorden.

2.3.

De rechtbank heeft hierna het definitieve deskundigenbericht ontvangen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Beide partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank dient thans te beoordelen of de deskundige antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen, of de conclusies van de deskundige stand houden mede in acht genomen de reacties van partijen en of de rechtbank de bevindingen overneemt.

2.4.

De deskundige heeft, zoals tussen partijen afgesproken, vier balkonafscheidingen onderzocht van een flat in [plaats] die ook eigendom van Intermaris is, en waarover partijen het eens zijn dat deze balkonafscheidingen gelijken op de in geschil zijnde balkonafscheiding, en dat de bevindingen hebben te gelden voor de balkonafscheiding van het ongeval. De deskundige heeft zijn bevindingen eerst neergelegd in een concept-deskundigenbericht.

2.5.

De deskundige heeft naar aanleiding van dit concept-deskundigenbericht opmerkingen en verzoeken ontvangen van de zijde van Intermaris. Deze vragen, deels geconcipieerd door Haskoning namens Intermaris, stellen ter discussie of de deskundige buiten de onderzoeksvragen is getreden door ook, onder andere, het glas te onderzoeken, of de deskundige een goede lezing geeft van de toepasselijke regelgeving of normen, en tot slot of de deskundige van (onjuiste) aannames uitgaat. De deskundige heeft op deze opmerkingen en verzoeken gereageerd en heeft in een enkel geval aangegeven dat dit heeft geleid tot aanpassing van het concept. Van de zijde van [eiser] zijn geen opmerkingen of verzoeken met betrekking tot het concept-deskundigenbericht ontvangen. De deskundige heeft hierna zijn definitieve deskundigenbericht opgesteld.

het deskundigenbericht

2.6.

De deskundige komt in zijn definitieve deskundigenbericht tot de conclusie dat de balkonafscheiding niet voldoet aan de eisen die volgen uit het Bouwbesluit 2012, niveau bestaande bouw. De afmetingen en opbouw van de glasklemmen zijn dusdanig dat de buigtrekspanningen in het gebruikte glas te hoog uitvallen, aldus de deskundige. (Wat de rechtbank tot nu beschreef als ''bevestigingssteuntjes'' noemt de deskundige ''glasklemmen'', de rechtbank zal verder de terminologie van de deskundige aanhouden.)

2.7.

De deskundige merkt ter onderbouwing van zijn conclusie in het deskundigenbericht onder meer op dat de glasklemmen op zichzelf wel voldoen aan de normen maar dat een flink aantal niet goed is gepositioneerd doordat ze zijn meegedraaid en gekanteld toen de bout, waarmee ze zijn vastgezet, is aangedraaid. Daardoor loopt de insteek van de ruit in de glasklemmen niet overal parallel met de rand van de ruit, in het verlengde waarvan de insteek scheef is en hier en daar slechts een paar millimeter diep is. Bovendien zijn op een paar plaatsen de bouten zodanig dicht op de ruit geplaatst dat er sprake is van glas-metaalcontact. Daarnaast ontbreekt één van de EPDM profielen tussen hoeklijn van een glasklem en de ruit, waardoor bij het belasten van de ruit glas-metaalcontact zal ontstaan. Los hiervan merkt de deskundige in zijn deskundigenbericht op dat de ruit van het balkonhek als gevolg van het – naar de deskundige aanneemt – gebruikte niet geharde of half geharde glas de druk van een vallend persoon niet kan weerstaan.

2.8.

[eiser] heeft in zijn conclusie na het definitieve deskundigenbericht opgemerkt dat hij zich schaart achter de bevindingen van de deskundige en achter zijn reacties op de opmerkingen en verzoeken van Intermaris naar aanleiding van het conceptdeskundigenbericht.

2.9.

Intermaris heeft in haar reactie drie verweren aangevoerd tegen het definitieve deskundigenbericht, die min of meer hetzelfde zijn als haar reacties op het concept deskundigenbericht. De rechtbank zal hierna op de reactie van Intermaris ingaan.

2.10.

Intermaris heeft ten eerste aangevoerd dat de rechtbank (geheel of gedeeltelijk) voorbij moet gaan aan de antwoorden / conclusies van de deskundige omdat hij buiten de onderzoeksvragen is getreden. De deskundige heeft onderzoek verricht naar het glas en naar de stootbelasting van de balkonconstructie terwijl dat niet tot zijn opdracht behoorde. De opdracht betrof immers alleen onderzoek van de glasklemmen. Bovendien heeft de deskundige vraag 3 beantwoord terwijl hij die niet had moeten beantwoorden. Deze vraag moest immers alleen worden beantwoord als de deskundige zou concluderen dat er in 1987 géén normen golden voor de glasklemmen terwijl de deskundige concludeert dat er in 1987 wél eisen golden. Partijen zijn, anders dan de deskundige zegt, niet akkoord gegaan met dit onderzoek buiten de vragen om, en het is ze ook niet gevraagd of ze ermee akkoord kunnen gaan.

2.11.

[eiser] heeft dit verweer van Intermaris tegen het deskundigenbericht gemotiveerd bestreden.

2.12.

De rechtbank verwerpt het verweer van Intermaris. Weliswaar heeft de deskundige zonder expliciete opdracht daartoe het glas onderzocht, maar daarmee is de deskundige naar het oordeel van de rechtbank niet buiten de opdracht getreden. Het onderzoek naar de glasklemmen komt voort uit de bredere achterliggende vraag of de balkonconstructie gebrekkig was of niet. Volgens de deskundige moet het glas ook worden onderzocht omdat er een afhankelijkheidsrelatie is met de glasklemmen: de krachten die in de glasklemmen kunnen ontstaan zijn afhankelijk van de ruiten die in de glasklemmen aangrijpen, en omgekeerd kunnen de buigtrekspanningen die in het glas kunnen ontstaan afhankelijk zijn van de opbouw van de glasklemmen en hoe de ruiten in de klemmen aangrijpen, aldus de deskundige. Intermaris heeft deze afhankelijkheidsrelatie niet betwist en de rechtbank heeft zelf geen aanleiding om eraan te twijfelen. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet meer dan logisch dat een deskundige, wanneer hij de indruk heeft dat het glas anders is dan waar de rechtbank van uit gaat en wanneer hij bovendien de indruk heeft dat het glas niet voldoet aan de eisen, dit meeneemt in zijn onderzoek. Aan de deskundige is juist vanwege dit soort bij het formuleren van de opdracht niet voorziene omstandigheden – zoals te doen gebruikelijk – gevraagd om alles op te merken wat hij, juist vanuit de deskundigheid waarop hij geselecteerd is, van belang vindt voor het verloop van de zaak (vraag 4). Deze vraag 4 geeft de deskundige de ruimte het glas en de stootbelasting van de balkonconstructie bij zijn onderzoek te betrekken.

2.13.

Daarnaast blijkt uit het antwoord van de deskundige dat de vraagstelling aan hem enigszins kort door de bocht was. Bij de vraagstelling is al uitgangspunt genomen dat voor de glasklemmen in 1987 eisen kunnen hebben gegolden, waarbij de aanname was dat deze dan nu nog steeds onverkort en uitsluitend gelden, ofwel dat geen eisen in 1987 golden. Uit de beantwoording van de deskundige blijkt dat volgens hem de situatie zo is dat er in 1987 wel eisen golden maar dat er nu bovendien ook nog eens andere – strengere – eisen gelden. Deze mogelijkheid is bij de vraagstelling over het hoofd gezien. Ook hier geldt dat de deskundige middels vraag 4 de ruimte gegeven wordt om de vraagstelling te nuanceren of te corrigeren. Daarmee treedt hij niet buiten de vraagstelling.

2.14.

Intermaris merkt ten tweede op dat zij het ermee eens is dat de deskundige de (veiligheids)eisen die golden in 1987, toen de flat werd gebouwd, als uitgangspunt neemt. Intermaris is het er echter niet mee eens dat de deskundige daarop aanvullend de eisen op grond van Bouwbesluit 2012 niveau bestaande bouw van toepassing acht. Volgens Intermaris gelden de (veiligheids)eisen die op grond van Bouwbesluit 2012 niveau rechtens verkregen niveau, die in dit geval inhouden de eisen uit het bouwjaar 1987, zodat per saldo alleen de eisen uit 1987 gelden.

2.15.

[eiser] heeft dit verweer van Intermaris tegen het deskundigenbericht gemotiveerd bestreden.

2.16.

De rechtbank verwerpt dit verweer van Intermaris. De Woningwet bepaalt in artikel 2 dat bij AMvB regels worden gesteld over veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en de milieubelasting van gebouwen. Die regels zijn vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Alle bouwwerken in Nederland moeten aan deze regels voldoen. Het Bouwbesluit 2012 kent niet alleen regels bij verbouw van bouwwerken maar ook regels voor bestaande bouw waaraan alle gebouwen te allen tijde minimaal moeten voldoen. Dat bestaande bouw zoveel mogelijk moet worden ontzien, betekent niet dat altijd uitsluitend wordt vastgehouden aan de regels die golden ten tijde van de bouw. Het zijn immers, zoals de deskundige terecht opmerkt, veiligheidsregels. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige de regelgeving niet onjuist heeft toegepast.

2.17.

Intermaris verzet zich tot slot tegen de volgende drie aannames en/of uitgangspunten van de deskundige:

- de aanname van de deskundige dat in het glas van de ruit (te hoge) buigtrekspanningen ontstaan tot 56,3 N/mm2; volgens Intermaris blijkt dit niet uit de bovenste figuur op bladzijde 12 van bijlage 2 van het deskundigenbericht omdat de met 56,3 N/mm2 corresponderende tint donkerblauw daarin ontbreekt en wijst de figuur op lagere spanningen;

- dat de deskundige geweigerd heeft de plasticiteit van het glas via het programma Diana te verifiëren;

- dat de deskundige niet onderbouwt waarom men de belasting op de ruit moet laten aangrijpen op de voor de sterkte meest kritische positie.

Intermaris wenst dat de rechtbank op deze punten nadere vragen stelt aan de deskundige dan wel voorbijgaat aan de conclusies van de deskundige omdat deze op voormelde aannames berusten, die onvoldoende onderbouwd zijn.

2.18.

[eiser] heeft dit verweer van Intermaris tegen het deskundigenbericht gemotiveerd bestreden.

2.19.

De rechtbank verwerpt de opmerking van Intermaris over de figuur op bladzijde 12 bovenaan van bijlage 2 van het deskundigenbericht (tint donkerblauw zou niet zichtbaar zijn). Blijkens het deskundigenbericht baseert de deskundige zich bij zijn aanname dat in het glas buigtrekspanningen ontstaan tot 56,3 N/mm2 op een berekening op basis van belastingsnormen en een gereduceerde belastingsfactor (bladzijde 18). Deze uitgangspunten worden niet bestreden. Uit de figuur blijkt dat krachten zich concentreren rond glasklemmen, precies zoals de deskundige aangeeft. Dat is een slechts heel klein oppervlakje, zo klein dat de blauwtinten op de figuur niet meer goed van elkaar te onderscheiden zijn. Daaruit volgt niet zonder meer dat ze er niet zijn. Bovendien is de glasklem op de plaats waar het om gaat ingetekend, waardoor het beeld wordt verstoord.

2.20.

De rechtbank verwerpt de verwijten van Intermaris aan de deskundige dat hij geweigerd heeft de plasticiteit van het glas via het programma Diana te verifiëren en dat hij niet heeft niet onderbouwd waarom men de belasting op de ruit moet laten aangrijpen op de voor de sterkte meest kritische positie. Het is aan de deskundige om, juist vanuit zijn deskundigheid, te bepalen hoe hij zijn onderzoek inricht. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de deskundige of aan de bestreden aannames en uitgangspunten. Bovendien heeft Intermaris geen inhoudelijke contraexpertise op deze punten ingebracht waaruit zou kunnen volgen dat de aannames of uitgangspunt van de deskundige op deze punten onjuist zouden zijn.

resumerend

2.21.

De deskundige heeft naar het oordeel van de rechtbank een gedegen en gedetailleerd onderzoek verricht naar de glasklemmen en het daarmee verbonden glas, en daarbij goed gemotiveerd waarom hij zijn onderzoek heeft uitgebreid naar het glas. De deskundige heeft naar het oordeel van de rechtbank goed gemotiveerd dat hij tot de conclusie komt dat de balkonafscheiding niet voldoet aan de eisen die volgen uit het Bouwbesluit 2012 niveau bestaande bouw omdat de afmetingen en opbouw van de glasklemmen dusdanig zijn dat de buigtrekspanningen in het gebruikte glas te hoog uitvallen. Daarmee heeft hij de vragen die hem zijn voorgelegd volledig en naar behoren beantwoord. Voor het stellen van andere vragen aan de deskundige, zoals Intermaris voorstaat, ziet de rechtbank geen aanleiding. Gelet op al het hiervoor vermelde zal de rechtbank de conclusie van de deskundige ir. M. van de Vliet overnemen en tot de hare maken.

2.22.

Zoals overwogen in het vonnis van 13 maart 2019 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) onder 4.29 hangt de vraag of sprake is van een gebrekkige opstal af van de uitkomst van het deskundigenbericht, met dien verstande dat de rechtbank, voor zover opportuun (dat wil zeggen als het deskundigenbericht wijst op gebrekkigheid), het beroep van Intermaris op de tenzij-clausule van artikel 6:174 BW (excessieve druk) nog dient te beoordelen. De rechtbank zal dat laatste nu doen.

2.23.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er excessieve druk en unieke drukverdeling op [eiser] is uitgeoefend waartegen de balkonconstructie niet bestand hoeft te zijn. Intermaris voert aan dat er 10-15 personen aanwezig waren op het balkon, waarvan een aantal met elkaar vocht, waardoor excessieve druk op [eiser] en de balkonconstructie werd uitgeoefend. [eiser] voert aan dat er slechts 8-10 mensen op het balkon waren, van wie er twee met elkaar vochten, en dat de druk op hem niet excessief was.

2.24.

Bij de vraag of sprake was van excessieve druk op de plaatconstructie neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Getuige [getuige] is de enige getuige die uit eigen waarneming verklaart over het moment dat [eiser] in de verdrukking kwam en door de plaatconstructie is gevallen. Haar verklaring, geciteerd in overweging 4.6. in het vonnis van 13 maart 2019, wijst er op dat twee personen druk op [eiser] hebben uitgeoefend. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake was van excessieve druk waartegen de balkonconstructie niet bestand hoeft te zijn. Het verweer van Intermaris dat sprake was van excessieve druk waartegen de balkonconstructie niet bestand hoefde te zijn wordt daarom verworpen.

2.25.

Voor zover Intermaris met het beroep op de tenzij-bepaling van artikel 6:174 BW bedoeld heeft te zeggen dat zij alle nodige maatregelen heeft getroffen maar dat het gevaar zich desondanks heeft verwezenlijkt (o.a. conclusie van antwoord onder 5.5 en 5.6) stuit dit verweer erop af dat Intermaris vrij eenvoudig de positionering van de glasklemmen had kunnen controleren en herstellen, maar dat niet heeft gedaan.

2.26.

Op grond van al het voorgaande en onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.7 (laatste zin) en 4.14 (laatste zin) van het vonnis van 13 maart 2019 stelt de rechtbank vast dat de balkonconstructie niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen (gebrekkige opstal) en dat Intermaris op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade die [eiser] ten gevolge van de val in de nacht van 28 op 29 mei 2016 heeft geleden en nog lijdt, en deze schade volledig dient te vergoeden.

2.27.

Dit betekent dit dat het primair gevorderde onder 1 van het petitum, voor zover gegrond op artikel 6:174 BW, en het gevorderde onder 2 (medische informatiekosten), die immers verder op zichzelf niet weersproken zijn, voor toewijzing gereed ligt.

proceskosten en nakosten

2.28.

Intermaris zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding van [eiser] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 2.172,00 aan salaris advocaat (4 punten tarief II) en € 79,00 griffierecht, in totaal een bedrag van € 2.251,00.

2.29.

Intermaris zal ook worden veroordeeld in de kosten van het deskundigenbericht. Deze bedragen € 5.000,00 inclusief btw. Omdat de rechtbank deze kosten heeft voorgeschoten ( [eiser] was de aangewezen partij om het voorschot te betalen maar procedeert met een toevoeging), dient Intermaris deze kosten aan de rechtbank te vergoeden. Intermaris zal hiervoor een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak ontvangen.

2.30.

[eiser] vordert dat Intermaris wordt veroordeeld om aan hem de wettelijke rente over de proceskosten te voldoen. Deze vordering is toewijsbaar zoals vermeld in het dictum.

2.31.

De door [eiser] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De rechtbank gaat uit van de in de dagvaarding gevorderde bedragen voor de nakosten. De nakosten zullen dan ook op de wijze worden toegewezen zoals vermeld in het dictum. ECLI:NL:RBNHO:2021:12922