Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE 0404018 VvE niet aansprakelijk voor valpartij door gladde houten vloer van gemeenschappelijk buitenterras; verstekvonnis vernietigd

RBOVE 0404018 VvE niet aansprakelijk voor valpartij door gladde houten vloer van gemeenschappelijk buitenterras; verstekvonnis vernietigd

4 De beoordeling
4.1.
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de VvE in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

4.2.
[eiser 1] c.s. heeft het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. De VvE is op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de door [eiser 1] c.s. geleden schade. De houten vloerdelen van het terras waren spekglad en dus gebrekkig. De gladheid ontstaat niet doordat de houten vloerdelen nat worden. De gladheid ontstaat eerst wanneer de houten vloerdelen onvoldoende worden gereinigd met als gevolg dat er algengroei ontstaat. Als deze algen nat worden, ontstaat er extreme gladheid. [eiser 1] c.s. wijst erop dat als reiniging met een hoge drukspuit wordt toegepast de houten vloerdelen wel schoon worden, maar dat het behandelde materiaal verruwt waardoor een nog grotere kans op algengroei ontstaat. Het gebrek van het terras is toe te schrijven aan de wijze van onderhoud en betreft niet een eigenschap van het gebruikte materiaal waarop [eiser 1] (in zijn algemeenheid) bedacht hoefde te zijn. Juist het feit dat de houten vloerdelen zowel binnen als buiten in het complex zijn toegepast en het complex in het geheel een uitermate verzorgde indruk maakte en de vloeren nergens anders glad waren, maakte dat [eiser 1] niet alert hoefde te zijn op eventueel dreigend gevaar bij het betreden van het terras. Bij de beoordeling dient het verwachtingspatroon van de gebruiker van de vloer centraal te staan. In dit geval was er geen enkele waarschuwing voor eventuele gladheid ter plaatse, terwijl dit zeer eenvoudig te realiseren was geweest.

4.3.
De VvE heeft in verzet betwist dat zij bezitter is van de opstal en daaraan de conclusie verbonden dat zij niet op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [eiser 1] c.s. geleden schade. Bij antwoord in oppositie heeft [eiser 1] c.s. aangevoerd dat de VvE op grond van artikel 6:174 BW jo 5:113 lid 4 BW rechtstreeks kan worden aangesproken voor een gebrekkige opstal waarvoor de VvE naast de gezamenlijke eigenaars hoofdelijk aansprakelijk is. Bij repliek in oppositie heeft de VvE erkent dat “nu [eiser 1] c.s. de hoedanigheid waarin zij de VvE aanspreken hebben gewijzigd van beheerder van het complex naar vertegenwoordiger van de afzonderlijke appartementseigenaren” het kan komen tot een inhoudelijke beoordeling van de op artikel 6:174 BW gestoelde vordering. Aldus is niet meer in geschil dat de VvE in beginsel aansprakelijk kan worden gehouden voor een gebrekkige opstal.

4.4.
Kern van het geschil betreft de vraag of sprake is van een gebrekkige opstal zoals bedoeld in artikel 6:174 BW.

4.5.
Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of er ten tijde van het ongeval sprake was van algenvorming (ten gevolge van onvoldoende onderhoud). Partijen hebben in dat verband voorafgaand aan de comparitie aanvullende stukken ingebracht.

4.6.
[eiser 1] c.s. heeft zich onder meer beroepen op een verklaring van de zoon kort gezegd inhoudende dat het terras was bedekt met alg, en een rapport van [B] van 7 augustus 2017. In laatstvermeld rapport is naast verschillende op 20 juli 2017 gemaakte foto’s onder meer het volgende opgenomen:
Wij constateerden dat met name op de grens van het overkapte deel van het terras en het niet overkapte deel van het terras groene aanslag aanwezig is door algengroei. (…) Proefondervindelijk hebben wij vastgesteld dat dit grensgebied tijdens onze inspectie eveneens zeer glad was. De gladheid wordt veroorzaakt door de combinatie van de aanwezigheid van algenaanslag en van vocht. Wij konden met een duimnagel eenvoudig restanten van de algen verwijderen. (…) 
De onderstaande foto hebben wij overgenomen uit het rapport van [A] . Gelet op de donkere verkleuring op het grensgebied tussen overdekt en onoverdekt concluderen wij dat circa 6 weken na het ongeval nog sprake was van ernstige vervuiling door algengroei.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=09b719d0-80d4-4ce7-8d1e-5c694122d88b 
(…) Tijdens ons bezoek was op diverse plaatsen sprake van extreme gladheid door algengroei. De groene aanslag (…) kan verwijderd worden door een algendodend middel toe te passen (…). Een andere mogelijkheid is schoon borstelen met water en soda of met water en azijn. Het schoonmaken dient zeer regelmatig plaats te vinden als optredende gladheid voorkomen dient te worden. Aanslag kan eventueel ook voorkomen worden door schone vlonders te behandelen met een antislip veiligheidscoating. (…) Een andere oplossing is de vloerdelen te voorzien van antislip-profiel. (…) Ons inziens is 2 x per jaar reinigen niet toereikend om optredende gladheid te voorkomen.

4.7.
De VvE heeft zich vervolgens beroepen op een aanvullend rapport van [A] Expertise d.d. 27 oktober 2017. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
Tijdens het bezoek (…) aan het (…) complex op 29 februari 2016 was er sprake van droge weersomstandigheden en was de terrasvloer op het balkon niet glad. Ook niet op het grensgebied van het terras waar de overkapping ophoudt. Ondergetekende heeft op 29 februari 2016 geen groene aanslag (…) door algengroei op het bewuste terras aangetroffen. (…) Volgens mij is het een feit van algemene bekendheid dat hout op enig moment, waarvan duur en mate van inwerking afhankelijk is van de bewerking van hout, aangetast kan raken door de inwerking van vocht.

4.8.
De rechtbank acht de stelling van [eiser 1] c.s. dat sprake is geweest van gladheid op het terras als gevolg van een combinatie van aanwezigheid van algaanslag en vocht met de verklaring van de zoon en voormeld rapport van [B] en de daarin opgenomen foto’s van onder meer de op 20 juli 2017 gefotografeerde algaanslag voldoende onderbouwd. Die stelling is door de VvE met voormeld aanvullend rapport van [A] onvoldoende onderbouwd betwist. De omstandigheid dat [A] Expertise tijdens zijn bezoek op 29 februari 2016 geen aanslag door algengroei heeft aangetroffen is in het licht van de onderbouwde bevindingen van [B] onvoldoende.

De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat [A] Expertise bij zijn bezoek op 29 februari 2016 (specifiek) aandacht heeft besteed aan de vraag of sprake was van algaanslag, dat [A] Expertise daarop mogelijk niet was bedacht nu hij heeft nagelaten [eiser 1] voorafgaand aan zijn onderzoek te horen over de omstandigheden waaronder hij was gevallen en dat [A] Expertise een bezoek heeft gebracht op een moment dat sprake was van droge weersomstandigheden, hetgeen mede kan verklaren dat op dat moment het terras niet glad was.

4.9.
De enkele omstandigheid dat het terras op 15 januari 2016 glad was tengevolge van algaanslag en vocht brengt echter niet zonder meer met zich dat in de gegeven omstandigheden sprake is (geweest) van een gebrekkig terras.

4.10.
Bij het antwoord op de vraag of het terras voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het immers aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk was. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

4.11.
Met toepassing van die criteria op het onderhavige geval komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat houten vloerdelen - al dan niet mede als gevolg van algaanslag - glad kunnen zijn als zij nat zijn. Dat betekent dat men in het algemeen bij buiten toegepaste houten vloerdelen beducht moet zijn op het gevaar van uitglijden bij regenachtig weer. Tussen partijen is niet in geschil dat op 15 januari 2016 sprake was van natte weersomstandigheden. [eiser 1] c.s. heeft aangevoerd dat sprake was van een natuurlijke overgang van niet gladde vloerdelen naar gladde vloerdelen, waardoor hij niet alert hoefde te zijn op eventueel dreigend gevaar bij het betreden van het terras. De rechtbank volgt [eiser 1] c.s. hierin niet. [eiser 1] betrad vanuit het (binnen)complex via een te openen glazen toegangsdeur het gedeeltelijk overdekte buiten gelegen terras. [eiser 1] c.s. heeft de stelling van de VvE niet weersproken dat hij daaraan voorafgaand vrijwel onbeperkt zicht had op het buiten gelegen terras. Ter comparitie heeft [eiser 1] ontkennend geantwoord op de vraag of hij gezien had dat er sprake was van verkleuring op het terras en daarbij gezegd dat de vloerdelen “spiegelend” waren. In die omstandigheden had [eiser 1] weldegelijk beducht moeten zijn voor het gevaar van uitglijden. Voorts is het volgende van belang. De VvE heeft aangevoerd dat sprake is van een terras in een complex dat slechts toegankelijk is voor de bewoners en hun bezoekers, dat het terras in de wintermaanden nauwelijks wordt gebruikt en dat er sinds de oplevering van het complex in 2006 geen andere valpartijen bekend zijn, terwijl de (eventuele) gladheid van de terrassen evenmin aan de orde is geweest tijdens vergaderingen van de VvE. [eiser 1] c.s. heeft een en ander niet gemotiveerd weersproken. Mede ook gelet daarop is de enkele omstandigheid dat er ten tijde van het ongeval geen sprake was van een waarschuwing voor mogelijke gladheid van onvoldoende gewicht. Niet is komen vast te staan dat de kans dat bewoners en hun bezoekers op het terras uitglijden en de kans dat daaruit (ernstige) ongevallen ontstaan zo groot is te achten dat van de VvE redelijkerwijs verdergaande maatregelen dan het twee maal per jaar reinigen met een hoge drukreiniger gevergd hadden kunnen worden. [eiser 1] heeft nog een beroep gedaan op een arrest van het Hof Amsterdam, geplubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2017:368.

In die zaak heeft het hof overwogen dat van de eigenaar van een opstal verwacht mocht worden dat zij maatregelen treft om zo veel als redelijkerwijs mogelijk uitglijden te voorkomen en dat de eigenaar er rekening mee moest houden dat bezoekers niet steeds de vereiste oplettendheid betrachten. De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van relevante verschillen met de onderhavige zaak. Doorslaggevend verschil betreft de omstandigheid dat in de zaak die tot voormeld arrest heeft geleid sprake was van een houten vloer in een winkelcentrum, aldus een voor het openbaar publiek toegankelijke ruimte. Bij een dergelijk voor publiek toegankelijk gebouw zal eerder van een gebrekkige toestand sprake zijn dan bij een niet-openbaar gebouw. Verder heeft het hof overwogen dat de bewuste houten vloer direct aansloot op een lift, zodat gebruikers van de lift min of meer onverwacht de houten vloer betreden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, zoals hiervoor reeds is overwogen, nu [eiser 1] van binnen zicht had op het terras buiten. Daarnaast heeft het hof in voormelde zaak overwogen dat de vloerdelen in de lengterichting waren geplaatst en dat de technisch manager belast met het toezicht op het winkelcentrum (kennelijk) had geoordeeld dat de bestaande anti-sliplaag niet langer voldeed, welk oordeel de eigenaar (kennelijk) ook inmiddels had overgenomen. Ook dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval niet gesteld noch gebleken.

4.12.
De rechtbank komt tot de volgende conclusie. Er is sprake geweest van een ongelukkige val van [eiser 1] . De rechtbank heeft de overtuiging bekomen dat de VvE en haar verzekeraar (onder meer door aanvankelijk te betwisten dat [eiser 1] in het complex ten val was gekomen en door hem niet te horen over de omstandigheden waaronder die val had plaats gehad) niet steeds op adequate wijze met [eiser 1] heeft gecommuniceerd. Dat neemt niet weg, dat de rechtbank al met al tot het oordeel komt dat de VvE niet op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [eiser 1] c.s. geleden schade, zodat niet wordt afgeweken van het beginsel dat een ieder zijn eigen schade draagt.

4.13.
Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. De vorderingen van [eiser 1] c.s. zullen alsnog worden afgewezen. ECLI:NL:RBOVE:2018:1158