Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE 130319 Val door dakkoepel. Bezitter opstal aansprakelijk o.g.v. 6:174 BW; oordeel over ES volgt, in schadestaatprocedure

RBOVE 130319 Val door dakkoepel. Bezitter opstal aansprakelijk o.g.v. 6:174 BW; oordeel over ES volgt, in schadestaatprocedure


De feiten 

2.1.
[gedaagde] is sinds 1996 eigenaar van het pand aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning).

2.2.
De voormalig vriendin van [eiser] , mevrouw [A] , huurt de woning van [gedaagde] en woont er samen met haar achtjarige zoon.

2.3.
De woning is een maisonnettewoning van ongeveer 100 m2 en heeft een dakterras van ongeveer 25 m2. De woning heeft twee toegangsdeuren. Eén daarvan kan worden bereikt via een (brand)trap die uitkomt op het dak van het winkelpand dat onder de woning is gesitueerd (de [adres 2] ). Dit winkelpand is ook eigendom van [gedaagde] . In het dak bevond en bevindt zich een kunststof lichtkoepel met een afmeting van ongeveer 2 meter x 1 meter, die omgeven is door een opstaande rand, door [eiser] ook wel muurtje genoemd. Het gedeelte van het dak waarin de lichtkoepel zich bevindt behoort niet tot het door [A] van [gedaagde] gehuurde.

2.4.
Onderstaande foto’s geven een beeld van de situatie, waarbij opgemerkt wordt dat de op de eerste foto zichtbare lichtkoepel en valrooster zijn aangebracht ná het ongeval waarop deze zaak betrekking heeft.

Foto 1

Foto 2

Foto 3

2.5.
Op 17 mei 2016 zijn [eiser] en [A] door de lichtkoepel naar beneden gevallen en terecht gekomen in het ondergelegen winkelpand. Beiden hebben letsel opgelopen als gevolg van de val.

2.6.
Op 14 juni 2016 heeft [A] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. [A] is geen partij in deze procedure.

2.7.
Op 1 juli 2016 heeft de toenmalig advocaat van [gedaagde] namens [gedaagde] de aansprakelijkheid afgewezen, waarbij is opgemerkt dat [gedaagde] een aansprakelijkheidsverzekering heeft bij N.V. Univé Schade.

2.8.
Op 20 juli 2016 heeft Cordaet Personenschade B.V. (hierna: Cordaet) in opdracht van N.V. Univé Schade een rapport uitgebracht van het toedrachtsonderzoek dat zij heeft uitgevoerd. In dit rapport is de visie van [gedaagde] en de visie van [A] opgenomen.

Tevens is het volgende vermeld:

“ VOORTGANG

Graag word ik geïnformeerd over het standpunt ter zake van de aansprakelijkheid en ik neem aan dat u eveneens de belangenbehartiger daarover inlicht.

In geval u de aansprakelijkheid erkent, adviseer ik u betrokkene een nader bezoek te laten brengen, zodat haar schade geïnventariseerd kan worden. Desgewenst vindt u mij, uiteraard, bereid dat onderzoek voor mijn rekening te nemen.

Conform de gemaakte werkafspraak met uw maatschappij, wacht ik uw eventuele aanvullende instructies af.

2.9.
Bij brief van 21 november 2016 heeft de toenmalig advocaat van [gedaagde] namens [gedaagde] medegedeeld dat [gedaagde] de conclusie van het onderzoek van Cordaet onderschrijft en aansprakelijkheid van de hand wijst.


Het geschil 

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] op grond van artikel 6:174 juncto 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor het ongeval dat [eiser] op 17 mei 2016 is overkomen;
II. partijen verwijst naar een schadestaatprocedure ter begroting van de schade;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.
[eiser] legt risicoaansprakelijkheid ex artikel 6:174 BW dan wel onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW aan zijn vordering ten grondslag. Hij voert in dat verband aan dat op [gedaagde] de verplichting rust om zorg te dragen voor een veilige lichtkoepel (en daarmee voor een veilig dak(terras)) die geen gevaar voor zaken of personen mag opleveren. Doordat hij deze verplichting niet is nagekomen, geen voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen heeft getroffen in de vorm van een omheining of opvangraster en het gevaar zich heeft verwezenlijkt, is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade van [eiser] . [eiser] voert in dat kader nog aan dat de lichtkoepel slecht onderhouden was, dat het doorzichtige plastic van de lichtkoepel nagenoeg verrot was en de ligging van de lichtkoepel gevaarlijk was, omdat men er gemakkelijk mee in aanraking kon komen. Bewoners moesten namelijk langs de lichtkoepel om bij de deur van de woning te kunnen komen. Bovendien nodigde het muurtje om de lichtkoepel uit om daarop te gaan zitten en heeft [gedaagde] niet gewaarschuwd voor valgevaar. [eiser] stelt als gevolg van het ongeval letsel te hebben opgelopen, bestaande uit lichamelijke en psychische klachten. [eiser] stelt een drievoudige torecale wervelfractuur te hebben opgelopen. Ook is zijn reukorgaan 80 tot 100% beschadigd. [eiser] ervaart regelmatig pijnklachten bij normale dagelijkse bezigheden en heeft als gevolg van medicatiegebruik last van haaruitval. Zijn psychische klachten zijn te omschrijven als posttraumatische stressstoornis (PTSS), paniekaanvallen en hyperfocus. [eiser] heeft last van een lichte depressie en een laag libido, aldus [eiser] . Daarnaast stelt [eiser] materiële schade te hebben opgelopen.

3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] voert aan dat de vraag of de lichtkoepel gebrekkig was, in de gegeven omstandigheden en gelet op het te verwachten gebruik, niet te beantwoorden is, omdat de exacte toedracht van het ongeval niet vast staat. Volgens [gedaagde] , die stelt nog in het bezit te zijn van de originele delen van de lichtkoepel, was de doorzichtige plastic plaat geenszins verrot. Hoewel er geen actief onderhoud aan de lichtkoepel heeft plaatsgevonden, werd deze wel regelmatig door [gedaagde] bekeken. Er zijn geen (wettelijke) veiligheids- of bouwvoorschriften overtreden. Niet is gebleken van enige relativiteit ex artikel 6:163 BW. [gedaagde] doet voorts een beroep op eigen schuld van [eiser] . Het is volgens [gedaagde] een feit van algemene bekendheid dat een lichtkoepel niet geschikt is om op te gaan zitten. Met inachtneming van artikel 6:101 BW en de billijkheidscorrectie zou een eigenschuldpercentage van tenminste 50% redelijk en passend zijn, gelet op alle omstandigheden van het geval. Tot slot merkt [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap op dat niet kan worden vastgesteld, althans wordt betwist, dat het opgelopen letsel en de daarmee gepaard gaande schade in causale relatie staan met de valpartij.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


De beoordeling 

4.1.
De vraag die voorligt is of [gedaagde] op grond van artikel 6:174 BW dan wel artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van [eiser] .

4.2.
Naar de rechtbank begrijpt grondt [eiser] zijn vorderingen primair op artikel 6:174 BW. Op grond van artikel 6:174 BW is [gedaagde] als bezitter van de opstal in beginsel aansprakelijk voor de schade die als gevolg van het ongeval is ontstaan, indien komt vast te staan dat het valgevaar het gevolg is geweest van een gebrek aan de opstal (meer specifiek de lichtkoepel). Het gevaar moet door het gebrek zijn ontstaan, waarbij van een gebrek sprake is, indien de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

4.3.
Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN6236) komt het bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (ECLI:NL:HR:1965:AB7079).

4.4.
De lichtkoepel waar [eiser] en [A] doorheen zijn gevallen, bevindt zich nabij het (dak)terras van de woning en is gesitueerd op/in het dak van het daaronder gelegen winkelpand, dat ook eigendom is van [gedaagde] . Niet in geschil is dat [A] , via de (brand)trap, van het dak gebruik maakt om bij (de deur van) de woning te komen en dat zij daarbij langs de lichtkoepel komt. Ook de achtjarige zoon van [A] , bewoners van andere woningen en bezoekers maken op deze wijze gebruik van het dak. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] ermee bekend is dat het dak op deze manier wordt gebruikt en dat hij dienaangaande geen instructies of waarschuwingen heeft verstrekt. Dat de woning ook via een andere deur (volgens [gedaagde] “de hoofdingang”) kan worden bereikt, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, is niet relevant, nu door [eiser] is gesteld en door [gedaagde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist dat het logischer en dus gebruikelijker was om de deur bij het dakterras te gebruiken, omdat bij de (brand)trap fietsen en auto’s geparkeerd konden worden.

4.5.
Zoals volgt uit de hierboven opgenomen feiten en foto’s, zijn de afmetingen en constructie van de lichtkoepel zodanig, dat een (volwassen) persoon hier doorheen kan vallen.

4.6.
Het risico op een val door de lichtkoepel wordt vergroot, doordat de lichtkoepel gesitueerd is op een plek waar veelvuldig personen langs lopen of in de buurt komen, waaronder (spelende) kinderen. Ook de ligging van de lichtkoepel nabij het terras van de woning, dat niet is afgeschermd met bijvoorbeeld een schutting, maakt dat er rekening mee moet worden gehouden dat personen op de rand van de lichtkoepel gaan zitten en/of nabij de lichtkoepel gaan staan/zitten. Dat door hen niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht wordt genomen, is een omstandigheid waarmee naar het oordeel van de rechtbank in dit geval rekening moet worden gehouden. Er bestaat dan ook een reële kans dat iemand door een struikeling en/of val op de lichtkoepel terecht komt.

4.7.
Daartegenover staat dat het nemen van veiligheidsmaatregelen, zoals het afzetten van de lichtkoepel met een omheining of het aanbrengen van een valrooster, zoals na het ongeval van [eiser] en [A] kennelijk alsnog is gebeurd, relatief eenvoudig en goedkoop is en [gedaagde] desondanks heeft nagelaten destijds dergelijke maatregelen te nemen. Evenmin heeft [gedaagde] anderszins waarschuwingssignalen ter plaatse aangebracht en/of, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.4. is overwogen, de gebruikers van het dak veiligheidsinstructies gegeven voor het gebruik van het dak.

4.8.
Hoewel niet in geschil is dat er ten aanzien van lichtkoepels geen concrete bouw- en/of veiligheidsnormen tegen valgevaar bestaan, en [gedaagde] dergelijke normen dus ook niet kan hebben geschonden, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bovengenoemde omstandigheden de opstal van [gedaagde] niet heeft voldaan aan de eisen die daaraan mochten worden gesteld en daardoor een gevaar voor personen (namelijk een struikel/valgevaar) opleverde. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat het struikel/valgevaar zich in casu heeft verwezenlijkt. Nu voorts vast staat dat hierbij de lichtkoepel is gebroken en [eiser] en [A] daardoor door de lichtkoepel naar beneden zijn gevallen, acht de rechtbank niet van belang of de lichtkoepel (daarnaast ook nog) verrot en/of niet (goed) onderhouden was. Dat de (precieze) toedracht van de struikeling/val niet vast staat, maakt het vorenstaande niet anders.

4.9.
Dat [eiser] door de val (enige) schade heeft opgelopen, is - gelet op de aard van een val door een dakkoepel, waarbij de persoon een paar meter naar beneden valt - onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Nu de geschonden norm strekt tot bescherming tegen dergelijke schade, wordt het door [gedaagde] gedane beroep op artikel 6:163 BW afgewezen.

4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is jegens [eiser] voor het ongeval dat [eiser] op 17 mei 2016 is overkomen. De dienaangaande door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. Daarmee wordt aan hetgeen partijen omtrent de subsidiaire grondslag van de vordering van [eiser] (artikel 6:162 BW) hebben aangevoerd niet meer toegekomen.

4.11.
Nu onvoldoende is gesteld om de omvang van de schade vast te kunnen stellen, is begroting van de schade thans niet mogelijk, zodat de gevorderde verwijzing naar een schadestaatprocedure eveneens zal worden toegewezen.

4.12.
Gelet op de verwijzing naar de schadestaatprocedure, kan de discussie over de vraag of er sprake is van eigen schuld van [eiser] in de schadestaatprocedure behandeld worden. Daarbij speelt de toedracht van de struikeling/val een rol, waarover thans nog veel onduidelijk is. De stellingen van partijen lopen op dit punt uiteen, zodat het volledige debat hierover in de schadestaatprocedure dient te worden gevoerd. Dat geldt ook voor de omvang van de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval stelt te hebben geleden. Dit vonnis behelst dan ook geen oordeel over die onderwerpen. ECLI:NL:RBOVE:2019:917