Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 230222 regres wg-er; Vuilniswagen rijdt van stortbordes; overslagstation aansprakelijk ex 6:174 lid 1 & 6:181 lid 1 BW. Eigen schuld 20%

RBROT 230222 regres wg-er; Vuilniswagen rijdt van stortbordes; overslagstation aansprakelijk ex 6:174 lid 1 & 6:181 lid 1 BW. Eigen schuld 20%

4.
De beoordeling

Aansprakelijkheid van AVR

4.1
Op grond van artikelen 6:174 lid 1 en 181 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de exploitant van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, in beginsel aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt.

4.2
Bij stortbordes 8 was, anders dan bij andere bordessen in het overslagstation, de ruimte tussen de buitenkant van de linker stootdrempel en de linker zijkant van het bordes zodanig groot, dat de band van een vuilniswagen daar tussendoor kon rijden zonder de stootdrempel te raken. Ook bij voorzichtig achteruitrijden was het daardoor mogelijk dat de vuilniswagen van het bordes af kon rijden, hetgeen in dit geval ook inderdaad gebeurd is. Stortbordes 8 voldeed op het moment dat het ongeval plaatsvond daarom niet aan die eisen die aan dat bordes konden worden gesteld. Dit heeft gevaar opgeleverd voor personen en zaken, welk gevaar zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. AVR is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg van het ongeval heeft geleden. [eiseres] vordert in deze procedure geen vergoeding van schade die verband houdt met letsel dat de bestuurder heeft opgelopen.

Eigen schuld aan de zijde van [eiseres]

Algemeen

4.3
Wanneer schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, dan wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (artikel 6:101 BW). Als de benadeelde zich onvoorzichtiger heeft gedragen dan een redelijk denkend mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan, dan kan dat een omstandigheid opleveren die aan de benadeelde kan worden toegerekend (Hof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5865; Hof ’s-Hertogenbosch 9 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5184).

Contact achterband met stootdrempels?

4.4
AVR baseert haar verweer dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] in de eerste plaats op het volgende. AVR heeft aanvankelijk gesteld dat de breedte van de linker achterband van de vuilniswagen 64,5 cm was; tijdens de mondelinge behandeling heeft zij betoogt dat die breedte 66 cm was. In beide gevallen is dat breder dan de ruimte tussen de twee stootdrempels van stortbordes 8, te weten 60 cm. AVR stelt dat het onmogelijk was hier ongemerkt tussendoor te rijden en dat de bestuurder dus tegendruk moet hebben ervaren, maar desondanks is doorgereden. [eiseres] betwist dat de achterband van de vuilniswagen breder was dan de ruimte tussen de twee stootdrempels.

4.5
Ook als hetgeen AVR stelt over de breedte van de achterband juist zou zijn, dan kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank nog niet de conclusie worden verbonden dat de bestuurder gevoeld moet hebben dat de achterband de stootdrempel raakte. In het door [eiseres] overgelegde expertiserapport van Hanselman Groep B.V. van 27 juni 2019 wordt geconstateerd dat, hoewel het achterwiel vrijwel zeker de hoek van de rechter stootdrempel moet hebben geschampt, dit voor de chauffeur niet genoeg voelbaar zal zijn geweest. In het licht van die constatering door de expert en de betwisting door [eiseres] heeft AVR haar stelling, dat de bestuurder gemerkt moet hebben dat hij de stootdrempel raakte, onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Zicht via achteruitrijcamera en buitenspiegels

4.6
In de tweede plaats stelt AVR dat de bestuurder met behulp van de buitenspiegels en de achteruitrijcamera had kunnen zien dat hij niet recht op de stootdrempels afreed en zijn koers daarop had moeten aanpassen. Het feit dat de achteruitrijcamera niet registreert wat zich vlak achter de vuilniswagen bevindt staat daar niet aan in de weg, omdat het kiezen van de juiste koers moet gebeuren ruim voordat het zicht via de achteruitrijcamera op de stootdrempels weg valt. Als de buitenspiegels goed zijn afgesteld, dan kan worden gezien of er zich iets achter de achterbanden bevindt; ook als dat niet zo zou zijn, dan kan in de spiegels worden gezien wat zich naast de vuilniswagen bevindt en had de bestuurder dus ook de stootdrempels kunnen zien als die zich naast de vuilniswagen bevonden, aldus AVR. [eiseres] betwist de stellingen van AVR en stelt dat de stootdrempels wegvielen tegen de vloer, omdat die op dat moment nog niet van een contrasterende kleur waren voorzien.

4.7
Tussen partijen staat vast dat de bestuurder - via de achteruitrijcamera, via de buitenspiegels, of beide – zicht had op wat zich op enige afstand achter de vuilniswagen bevond. Bij het aanrijden van stortbordes 8 moet de bestuurder dan ook tot op een zeker moment zicht hebben gehad op het stortbordes en de stootdrempels. Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat, voor zover hij dat zicht via de achteruitrijcamera heeft gehad, hij dat zicht bij het naderen van de stootdrempels op enig moment heeft verloren. Op dat moment moet de rechter stootdrempel in beginsel nog zichtbaar zijn geweest via de linker buitenspiegel. In het eerder genoemde expertiserapport van Hanselman Groep wordt echter geconstateerd dat de stootdrempels moeilijker zichtbaar waren voor de chauffeur bij het achteruitrijden, omdat die niet gemarkeerd waren door bijvoorbeeld een contrasterende kleur. Daarnaast is op de filmbeelden van de bewakingscamera die [eiseres] heeft overgelegd te zien dat de bestuurder met geringe snelheid en af en toe remmend op de rand van het stortbordes is afgereden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het feit, dat de bestuurder kennelijk niet heeft gezien dat hij langs de stootdrempels dreigde te rijden, er niet op wijst dat hij zich onvoorzichtiger heeft gedragen dan een redelijk denkend bestuurder onder de omstandigheden zou hebben gedaan.

Het hek als oriëntatie

4.8
In de derde plaats voert AVR aan dat zich aan de rechterzijde van het bordes een hek bevond, dat pal naast de rechter stootdrempel was geplaatst. Na opening stond dat hek loodrecht op de rand van het bordes. De bestuurder had dat hek strak langs de vuilniswagen kunnen houden en dat als oriëntatie kunnen gebruiken. [eiseres] stelt dat het hek niet was bedoeld als een geleidelijn of routemarkering, maar tot doel had om te voorkomen dat een persoon in het stortgat zou vallen.

4.9
Het is denkbaar dat de vuilniswagen in de juiste positie voor de stootdrempels was uitgekomen als de bestuurder het hek strak langs de vuilniswagen had gehouden bij het achteruitrijden. Het is echter niet gesteld of gebleken dat de bestuurder door AVR geïnstrueerd of geadviseerd is om het hek bij het achteruitrijden als oriëntatie te gebruiken. Bij gebreke van een dergelijke instructie of advies kon niet zonder meer van de bestuurder worden verwacht dat hij zelf zou bedenken dat het onveilig was om te ver van het hek naar achteren te rijden en dat hij het hek als oriëntatie moest gebruiken. [eiseres] kan er dan ook geen verwijt van worden gemaakt dat de bestuurder dat niet gedaan heeft. Als AVR meent dat dat de bestuurder het hek als oriëntatie had moeten gebruiken, dan had het op haar weg gelegen om de bestuurder daar uitdrukkelijk op te wijzen.

Gidsen door de bijrijder

4.10
In de vierde plaats stelt AVR dat de bestuurder zich bij het benaderen van de stootdrempels had moeten laten gidsen door de bijrijder en dat gidsen het ongeval had kunnen voorkomen. AVR heeft in 2013 veiligheidsinstructies, waarin gewezen wordt op het belang van gidsen, met haar gebruikers gedeeld. AVR stelt dat onder meer uit het chauffeurshandboek van [eiseres] en andere veiligheidsgerelateerde documenten blijkt dat ook [eiseres] het belang van gidsen onderkent. [eiseres] stelt dat gidsen niet categorisch is voorgeschreven en dat veilig en effectief gidsen ter plaatse niet mogelijk was.

4.11
Het staat vast dat de bestuurder een bijrijder bij zich had, die de bestuurder bij het oprijden van stortbordes 8 in principe had kunnen gidsen, maar dat niet heeft gedaan. Ook staat vast dat het ongeval had kunnen worden voorkomen als gebruik was gemaakt van een gids die effectief zijn werk had kunnen doen, dat wil zeggen: die voldoende zicht zou hebben gehad op de achterkant van de vuilniswagen tijdens het achteruitrijden. De vragen die in dit verband nog open staan zijn (i) of er onder de omstandigheden veilig en effectief gegidst had kunnen worden en, zo ja, (iii) of het feit dat niet gegidst is aan [eiseres] kan worden toegerekend. Ten aanzien van die vragen overweegt de rechtbank het volgende.

4.12
Partijen zijn het erover eens dat een gids om veiligheidsredenen een veilige afstand van de vuilniswagen moet houden, dat wil zeggen dat die zich bij het achteruitrijden op het stortbordes niet achter de wagen mag bevinden en tenminste anderhalve meter afstand van de zijkant van de vuilniswagen moet houden. Ook staat vast dat de gids tenminste vier meter afstand van het stortgat moet houden; die regel geldt overigens niet als het veiligheidshek gesloten is. AVR heeft gesteld dat ook als die afstanden in acht worden genomen, er posities zijn waar begeleiders veilig kunnen staan en waar zij tevens voldoende zicht hebben om effectief te kunnen gidsen. In het licht van hetgeen AVR daarover gesteld heeft, heeft [eiseres] haar betwisting onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het antwoord op de eerste vraag is dat de bijrijder de vuilniswagen bij het achteruitrijden veilig en effectief had kunnen gidsen.

4.13
Een redelijk denkend bestuurder dient in een geval als dit bij het achteruitrijden altijd de situatie te beoordelen en zich op de hoogte stellen van zijn directe omgeving om te bepalen hoe ver hij achteruit kan rijden (vgl. Hof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8010). Beide partijen onderschrijven in zijn algemeenheid het belang van gidsen bij het achteruitrijden. Daarbij komt dat in het chauffeurshandboek van [eiseres] de instructie is opgenomen dat de bijrijder, voor zover aanwezig, altijd dient te gidsen bij achteruitrijden; uit de tekst blijkt niet dat er sprake zou zijn voor een uitzondering voor achteruitrijden in overslagstations. Ook de toepasselijke RI&E en taakrisicoanalyse (TRA) benoemen gidsen door de bijrijder als een maatregel die dient om risico’s bij achteruitrijden te beheersen. De Arbocatalogus Afvalbranche schrijft weliswaar voor dat zo min mogelijk medewerkers bij het storten moeten worden toegelaten, om het risico van ongevallen en de blootstelling van personen aan gevaarlijke stoffen en biologische agentia te minimaliseren, maar die arbocatalogus bepaalt niet dat gidsen bij achteruitrijden niet zou zijn toegestaan. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat van de bestuurder van de vuilniswagen verwacht mocht worden dat hij zich, voor zijn eigen veiligheid, bij het achteruitrijden had laten begeleiden door een gids. Dat hij dat niet heeft gedaan is een omstandigheid die aan [eiseres] kan worden toegerekend, omdat de bestuurder in dienst was van [eiseres] en in opdracht van [eiseres] handelde, terwijl [eiseres] zeggenschap had over zijn gedragingen.

4.14
De oorzaak van de schade is in overwegende mate gelegen in de onveilige manier waarop stortbordes 8 was ingericht; die oorzaak moet aan AVR worden toegerekend. Daarnaast heeft de omstandigheid dat de bestuurder zich niet heeft laten gidsen, die aan [eiseres] moet worden toegerekend, ook bijgedragen aan het ontstaan van de schade, zij het in aanmerkelijk mindere mate. De rechtbank oordeelt dat de schade tussen AVR en [eiseres] moet worden verdeeld in de verhouding 80:20. De billijkheid eist in dit geval niet dat een andere verdeling van de schade plaatsvindt dan een verdeling in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Dit betekent dat AVR zal worden veroordeeld tot vergoeding van 80% van de door [eiseres] geleden en te lijden schade, voor zover die schade voor vergoeding in aanmerking komt.ECLI:NL:RBROT:2022:1458