Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof Den Bosch 250809 burnout na structureel 20 uur per week overwerk; wg-er aansprakelijk

Hof Den Bosch 250809 burnout na structureel 20 uur per week overwerk; wg-er aansprakelijk
4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
4.1.1. [X.], geboren op [geboortedatum en geboortejaar], is in [jaartal indiensttreding] in dienst getreden van Centraal Bureau Dienstverlening (hierna ook: CBD) als hoofd van de non-profit afdeling. Op 1 juli 1993 is CBD overgenomen door Accountantskantoor [Z.] & Co. (hierna ook: [Z.]). De non-profit afdeling waar [X.], werkzaam was, is per 1 januari 2000 door [Z.] verkocht aan [Y.].

4.1.2. Op 26 juni 1997 is [X.] arbeidsongeschikt geraakt. Met ingang van 26 juni 1998 is aan [X.] een WAO-uitkering toegekend in de klasse 80 tot 100%. Per 15 september 2004 is in verband met herkeuring de WAO-uitkering van [X.] herzien naar de klasse 65 tot 80%.

4.1.3. In juli 2001 is [Y.] aansprakelijk gesteld voor de door [X.] als gevolg van diens arbeidsongeschiktheid geleden schade.

4.2. [X.] heeft in eerste aanleg bij exploot van 17 mei 2006 [Y.] gedagvaard voor de kantonrechter te Roermond en gevorderd, zakelijk weergegeven, [Y.] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 60.000,-- als voorschot op de materiële en immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 1997, alsmede tot betaling van de resterende vermogensschade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, met veroordeling van [Y.] in de proceskosten.

4.3. Bij vonnis van 9 januari 2007, waarvan beroep, heeft de kantonrechter [X.] toegelaten te bewijzen:
- feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [X.] voorafgaand aan diens arbeidsongeschiktheid stelselmatig een aanzienlijk aantal uren overwerk verrichtte en daardoor werd overbelast,
- feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de omvang van het overwerk en de overbelasting van [X.] bij [Y.] (althans haar rechtsvoorganger) kenbaar was.

4.4. Na bewijslevering heeft de kantonrechter bij vonnis van 16 oktober 2007, waarvan beroep, de vorderingen van [X.] afgewezen, met veroordeling van [X.] in de proceskosten.

4.5. [X.] is het met beide vonnissen niet eens en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen.

4.6. De eerste grief betreft de door de kantonrechter in het vonnis van 9 januari 2007 aan [X.] verstrekte bewijsopdracht, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.3 onder het eerste liggende streepje is weergegeven.

4.6.1. In zijn toelichting op deze grief voert [X.] aan dat de kantonrechter hem ten onrechte te bewijzen heeft opgedragen dat hij doordat hij stelselmatig een aanzienlijk aantal uren overwerk verrichtte, werd overbelast. Volgens [X.] volgt, zodra komt vast te staan dat hij een aanzienlijk aantal overuren maakte, daaruit automatisch dat hij werd overbelast.

4.6.2. Het hof overweegt als volgt.

4.6.3. De schade waarvan [X.] vergoeding vordert, betreft psychisch letsel (een burn-out) als gevolg van overbelasting. Terecht heeft de kantonrechter [X.] dan ook te bewijzen opgedragen dat hij stelselmatig een aanzienlijk aantal uren overwerk verrichtte, waardoor hij werd overbelast. Of het bewijs van het laatste deel van dit probandum (waardoor hij werd overbelast) automatisch volgt uit het bewijs van het eerste deel, is een vraag die in het kader van de beoordeling van de bewijslevering moet worden beantwoord. Het hof komt hierop bij de bespreking van de grieven III, IV en V dan ook terug. De eerste grief faalt.

4.7. De tweede grief betreft de door de kantonrechter in het vonnis van 9 januari 2007 aan [X.] verstrekte bewijsopdracht, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.3 onder het tweede liggende streepje weergegeven.

4.7.1. Blijkens zijn toelichting op deze grief stelt [X.] voorop dat iets ‘kenbaar’ is ‘waarvan men kennis kan krijgen’. Naar het oordeel van het hof is dit juist. Het gaat er niet enkel om of iets bekend was, maar ook of iets bekend kon zijn, in de zin van behoorde te zijn.

4.7.2. Volgens [X.] is het niet juist om hem de bewijslast op te leggen van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de omvang van het overwerk en de overbelasting van hem bij [Y.] (althans haar rechtsvoorganger) kenbaar was, nu de urenbelasting van een werknemer zoals [X.] kenbaar is voor de werkgever zodra hij aandacht heeft voor, dan wel zich verdiept in, de werkzaamheden van zijn werknemers, zoals van hem kan worden verlangd. Dan kan hij hier immers kennis van krijgen.

4.7.3. Naar het oordeel van het hof is voor aansprakelijkheid van [Y.] vereist dat de omvang van het overwerk en de overbelasting voor haar als werkgever kenbaar waren. Het betreft immers een schuldaansprakelijkheid van de werkgever en niet een risicoaansprakelijkheid. De stelplicht en de bewijslast ter zake rusten dan ook op de werknemer, in casu [X.]. [Y.] heeft in eerste aanleg gemotiveerd bestreden dat zij, althans [Z.], evidente aanwijzingen had dat [X.] was overbelast. Zo heeft [Y.] onder meer betoogd dat de door [X.] gestelde en door [Y.] betwiste hoge werkdruk voor haar, althans [Z.], niet kenbaar was uit de urenregistratie, alsmede dat [X.] ook nooit langs andere weg aandacht heeft gevraagd voor een door hem als te hoog ervaren werkdruk. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [Y.] heeft de kantonrechter terecht [X.] toegelaten te bewijzen dat de omvang van het overwerk en de overbelasting voor [Y.] kenbaar waren. De tweede grief faalt derhalve.

4.8. De grieven III, IV en V zijn, kort gezegd, gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het vonnis van 16 oktober 2007 dat [X.] niet in de beide bewijsopdrachten is geslaagd.

4.8.1. Voor de beantwoording van de vraag of [X.] in de bewijsopdrachten, weergegeven in rechtsoverweging 4.3, is geslaagd, acht het hof in de eerste plaats de eigen verklaring van [X.] van belang, zoals door hem in de diverse processtukken en de daarbij horende producties verwoord. Het hof verwijst, wat betreft de producties, met name naar:
- de ‘aanvullende rapportage algemeen kort’ d.d. 22 mei 1998 van GAK Nederland B.V. (productie 2a bij inleidende dagvaarding) blijkens welke [X.] aangeeft de afgelopen 25 jaar altijd veel uren (60) te hebben gemaakt;
- het ‘Verslag inhoudelijke bespreking’, dat is gevoegd bij de brief van 17 oktober 2002 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) blijkens welk verslag [X.] van mening is dat slechts die uren werden bijgehouden die ook mogelijk declareerbaar waren, alsmede dat hij voor 1 juli 1996 gemiddeld 60 overuren maakte en na die datum gemiddeld 80 over-uren [het hof begrijpt dat waar wordt gesproken over ‘overuren’, telkens wordt bedoeld: ‘uren’);
- de concept-rapportage van het Bureau Beroepsziekten FNV, versie 13 juni 2001 (productie 3 bij conclusie van antwoord) blijkens welke concept-rapportage [X.] stelt op papier een werkweek van 40 uur te hebben, maar in werkelijkheid doorgaans 60 tot 80 uur per week te werken.

4.8.2. In het kader van de bewijslevering heeft [X.] voorts drie getuigen laten horen. [B.] verwijst als getuige naar zijn eerdere op schrift gestelde verklaring d.d. 16 oktober 2003, die is gevoegd als productie 8 bij de inleidende dagvaarding en waar hij nog steeds achter staat. Blijkens deze verklaring was hij vanaf 1974 directeur van CBD en vervolgens vanaf 1 juli 1993, na de overname door [Z.], tot en met 30 juni 1996 kantoorhouder van [Z.]. Al die tijd was [B.] de direct-leidinggevende van [X.]. Als getuige heeft [B.] onder meer verklaard dat [X.] 40 uur per week werkte, alsmede:
“(…) De maanden februari, maart, april en mei waren drukke maanden in verband met het gereedmaken van de jaarstukken. (…) Oktober en november waren (…) druk i.v.m. het opstellen van de begrotingen. In de drukke maanden moest er veel worden vergaderd en was er veel overleg met de stichtingsbesturen. [X.] werkte dan wel tot 20 uur extra per week. (…)
Het klopt dat [X.] in de drukke periodes wel tot zo’n 60 uur per week werkte. Daar stond niets tegenover, dat hoorde bij het werk.
[X.] noteerde de door hem gewerkte uren op urenstaten. Ik controleerde die. Overwerkuren werden niet genoteerd. Dat had geen zin, want die konden toch niet in rekening worden gebracht. Wij werkten met vaste contracten met vaste prijzen.
Het is juist dat ik niet exact wist hoeveel uren [X.] werkte. Ik wist het wel globaal.
(…)”

4.8.3. Voorts is aan de zijde van [X.] als getuige gehoord [K.]. Blijkens zijn verklaring kende hij [X.] vanaf 1978 en verzorgde [X.] de financiële administratie van de stichting Bejaardencentrum [plaats] waarvan de getuige directeur was. Deze stichting beheerde een verzorgingstehuis, dat in 1996 uitgroeide tot drie verzorgingstehuizen. De stichting zelf had volgens de
getuige geen financiële afdeling. De omvang van de werkzaamheden van [X.] voor de stichting is in de loop der jaren met de toename van het aantal verzorgingstehuizen gegroeid. [X.] deed voor alle drie de in-stellingen de financiële administratie. Hij was ook betrokken bij in-cidentele problemen. De getuige heeft zich wel eens afgevraagd hoe [X.] alles voor elkaar kreeg. De werkgever van [X.] was ervan op de hoogte dat [X.] ´s avonds bij de stichting de vergaderingen bijwoonde. Telkens wanneer de getuige met CBD over het contract onderhandelde, werd dit laatste punt, dat bij de vaststelling van de prijs een rol speelde, door CBD naar voren gebracht.
4.8.4. Ten slotte is aan de zijde van [X.] als getuige gehoord [M.]. Deze getuige was aanvankelijk penningmeester en later voorzitter van de stichting Ouderenzorg [plaats], welke stichting omstreeks 1995 is ontstaan uit een fusie tussen de stichting [naam stichting 1] en de stichting [naam stichting 2]. [X.] deed, zo verklaart deze getuige, de financiële administratie van [naam stichting 1], alsmede voor een Vereniging van Eigenaren die daar was. Volgens de getuige was de inzet van [X.] meer dan hij normaal gesproken had verwacht. Volgens de ge-tuige brachten de werkzaamheden van [X.] met zich mee dat er regelma-tig ´s avonds moest worden gewerkt. Het bestuur vergaderde in die tijd eens in de zes weken of twee keer in de drie maanden. [X.] was daar bij. Hij kwam tussendoor ook wel naar [plaats] voor overleg met de getuige. De getuige had de indruk dat [X.] daarnaast ook wel naar het verzorgingstehuis kwam om ter plekke administratieve werkzaamheden te verrichten. De getuige weet dat CBD in die tijd veel in de wereld van de bejaardentehuizen werkte en dat [X.] daar altijd mee werd geassocieerd.

4.8.5. Aan de zijde van [Y.] zijn twee getuigen gehoord. De getuige [O.] heeft verklaard dat hij maat/vennoot was van [Z.]. [Z.] heeft in 1993 CBD overgenomen. De getuige is toen als vennoot verantwoordelijk geworden voor de vestiging Sittard. Die vestiging had een profit en een non-profit afdeling. De getuige verklaart nooit te hebben geweten dat [X.] niet alle uren die hij voor de stichtingen werkte, op de weekstaten invulde. Voorts controleerde de getuige regelmatig de week-staten van de medewerkers, ook die van [X.]. Het is de getuige nooit opgevallen dat sprake zou zijn van een significant groot
aantal overuren. Van [B.] heeft de getuige nooit gehoord dat het binnen CBD niet gebruikelijk was om overuren te schrijven. [X.] heeft tegen de getuige nooit gezegd dat de hoeveelheid werk hem teveel werd of dat hij erg veel extra uren moest werken. Ook heeft de getuige nooit van hem gehoord dat hij veel extra werk had aan fusiebesprekingen. Ook van anderen had de getuige nooit signalen gekregen dat het werk [X.] boven het hoofd groeide. Het was voor de getuige een verrassing toen [X.] uitviel met klachten van overbelasting. Als hij op kantoor in [plaats] was, heeft de getuige regelmatig het initiatief genomen en [X.] gevraagd of er nog dingen waren waarover hij en de getuige het moesten hebben.

4.8.6. Ten slotte is nog als getuige aan de zijde van [Y.] gehoord [C.]. Deze getuige verklaart dat hij werkzaam is bij [Z.] en dat hij slechts incidenteel te maken heeft gehad met de non-profit afdeling, die op 31 december 1999 is verkocht aan [Y.]. In de jaren waar het hier over gaat, was de getuige verantwoordelijk voor de fiscale praktijk van de gehele maatschap. De getuige was in die tijd niet bekend met problemen rond de persoon van [X.]. Als die er waren geweest, dan had de getuige dat zeker geweten. De getuige werkte parttime op hetzelfde kantoor als [X.]. [X.] heeft bij de getuige in die jaren niet de indruk gewekt dat hij was overbelast. Ook van anderen heeft de getuige niet gehoord dat [X.] was overbelast.

4.8.7. Het hof acht bewezen dat [X.] in de periode dat [B.] zijn direct-leidinggevende was in de maanden februari tot en met mei, alsmede in oktober en november stelselmatig een aanzienlijk aantal uren overwerk verrichtte.

4.8.8. De getuige [O.] verklaart weliswaar niet te weten van een significant groot aantal overuren door [X.] en de getuige [C.] weet niets over overbelasting van [X.], maar een en ander neemt niet weg dat door de eigen verklaring van [X.], ondersteund door die van de getuigen [B.], [K.] en [M.] wordt bewezen dat [X.] in de periode dat [B.] zijn direct-leidinggevende was, dat was vanaf 1974 tot en met 30 juni 1996, stelselmatig in de drukke periodes een aanzienlijk aantal overuren maakte en dat [B.] dit ook wist. De getuige [B.] heeft verklaard te weten dat de maanden februari tot en met mei, alsmede oktober en november voor [X.] drukke maanden waren en dat [X.] dan wel tot 20 uur extra per week werkte, dat wil zeggen in de drukke periodes tot zo’n 60 uur per week. De verklaring van de getuige [K.], dat hij zich wel eens afvroeg hoe [X.] alles voor elkaar kreeg, en van de getuige [M.], dat de inzet van [X.] hoger was dan hij normaal gesproken had verwacht en dat de werkzaamheden van [X.] met zich brachten dat er regelmatig ’s avonds moest worden gewerkt, sporen met de verklaring van [X.] en van de getuige [B.], die erop neerkomen dat [X.] in de drukke periodes stelselmatig een aanzienlijk aantal overuren maakte. De wetenschap van [B.], zoals gezegd de direct-leidinggevende van [X.], moet daarbij worden toegerekend aan de respectievelijke werkgevers van [X.], CBD en [Z.], alsmede aan [Y.], de rechtsopvolger van [Z.].

4.8.9. [Y.] wijst er nog wel op dat de door [X.] genoemde overuren niet blijken uit diens urenregistratie, maar het hof acht door de ei-gen verklaring van [X.] en door de verklaring van de getuige [B.] genoegzaam bewezen dat onder de rechtsvoorgangers van [Y.] de niet-declarabele uren niet werden geregistreerd.

4.8.10. Het hof acht het evident dat [X.] werd overbelast doordat hij in de jaren waarin [B.] zijn direct-leidinggevende was in de drukke maanden stelselmatig een aanzienlijk aantal overuren maakte, welk aantal op basis van het voorhanden bewijsmateriaal kan worden gesteld op 20 uur per week, nu de wettelijke standaardregeling, vastgelegd in art. 5:7 van de Arbeidstijdenwet, limieten kent van twaalf uur per dienst, 60 uur per week en gemiddeld 48 uur per week in iedere periode van 16 aaneengesloten weken en deze norm, zo volgt uit het bovenstaande, jarenlang in de drukke maanden werd overschreden.

4.8.11. Uit het voorgaande volgt dat [X.] wel degelijk in de bewijsle-vering is geslaagd. De grieven III, IV en V slagen dan ook.

4.9. Het slagen van deze grieven brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en niet behandelde weren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen, voorzover het hoger beroep de toewijsbaarheid van die vordering opnieuw aan de orde stelt.

4.10. [X.] legt aan zijn vordering ten grondslag de stelling dat hij vanaf 26 juni 1997 als gevolg van zijn werkzaamheden arbeidsongeschikt is geraakt. [X.] stelt te lijden aan de beroepsziekte burn-out. [Y.] op haar beurt bestrijdt dat [X.] aan een burn-out lijdt. Mocht vaststaan dat [X.] aan een burn-out lijdt, dan zal hij op grond van de huidige jurisprudentie voorts moeten stellen en bij voldoende betwisting moeten bewijzen dat hij daadwerkelijk burn-out is geraakt door de werkzaamheden voor [Y.] en dus dat andere factoren daarbij geen rol hebben gespeeld, aldus [Y.].

4.10.1. Het hof stelt allereerst vast dat blijkens het door [X.] over-gelegde huisartsenjournaal (productie 1 bij inleidende dagvaarding) de huisarts in februari 1998 bij [X.] de diagnose ‘burn-out’ heeft gesteld.

4.10.2. Blijkens de in rechtsoverweging 4.8.1 genoemde ‘aanvullende rapportage algemeen kort’ van 22 mei 1998 stelde voorts de verzekeringsarts [D.] ten aanzien van [X.] de diagnose: burn-out. Onder het kopje “Beschouwing, Algemeen’ schrijft deze verzekeringsarts ten aanzien van [X.]: “Belanghebbende is uitgevallen met [e]en aantal lichamelijke en psychische klachten die passen bij een burnout syndroom.” Ook in zijn rapportage van 12 januari 1999 (productie 2b bij inleiden-de dagvaarding) stelt genoemde verzekeringsarts ten aanzien van [X.] de diagnose: burn-out.

4.10.3. Daarnaast staat vast dat ook [E.], arts-assistent interne geneeskunde in het Academisch Ziekenhuis Maastricht (hierna ook: AZM), mede namens prof.dr. [F.], internist, bij brief van 8 juni 1998 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) aan de huisarts van [X.] schrijft dat er ten aanzien van [X.] sprake is van ‘moeheid, waarschijnlijk ten gevolge van burn-out syndroom’.

4.10.4. Tegenover de door genoemde artsen gestelde diagnoses, staat die van de psychiater [G.], waarop [Y.] zich beroept. Blijkens diens geneeskundig rapport d.d. 1 februari 2000, dat [X.] bij pleidooi in hoger beroep heeft overgelegd, bestrijdt de psychiater [G.] de juist-heid van de diagnose burn-out, wat betreft [X.]. Hij schrijft onder meer:
“(…)
het valt te betreuren dat de overbelastende werksituatie en de daarin door onderzochte aangehouden werkwijze bij aanvankelijk sociaal-verzekeringsgeneeskundige be-oordeling heeft geleid tot de opvatting dat er bij onderzochte zelf sprake zou zijn van een ziekte, welke in de laatste jaren met de eigentijdse term ‘burn out’ (…) werd omschreven (…)”
Als diagnose formuleert de genoemde psychiater:
“wisselende psychosomatische moeheidsgevoelens; normaal toestandsbeeld in psychiatrische zin bij een op boven-gemiddeld begaafd intellectueel niveau functionerend, gecompenseerd neurotisch karakter; gereguleerde hypertensie.”

4.10.5. Het hof stelt echter vast dat de juistheid van de bevindingen van de psychiater [G.] wordt bestreden door het eveneens door [X.] bij pleidooi in hoger beroep overgelegde schrijven d.d. [datum] van
[H.], arts (RGA) van [H.] Medisch Advies B.V., waarin deze concludeert dat de conclusie van psychiater [G.] ten aanzien van [X.] “gezien in het huidige tijdsbestek” niet meer houdbaar is. De medisch adviseur [H.] schrijft onder meer:
“(…)
De meeste kenmerken voor een burnout-syndroom bestaan uit klachten over moeheid, lusteloosheid, gespannenheid, piekeren, slecht slapen, prikkelbaarheid, emotionele labiliteit, concentratieproblemen, verlies van interesse en demoralisatie.
(…)
Naast de klachten van overspanning bestaan er vaak ook lichamelijke klachten en kan de langdurige stress eventueel leiden tot symptomen zoals een te hoge bloeddruk.
Naast het kenmerkende klachtenpatroon dient er voor de diagnosestelling sprake te zijn van sociaal disfunctioneren, een herkenbare relatie met stressoren, alsmede een redelijk korte duur van de klachten en disfunctioneren en een voorgeschiedenis van normaal functioneren.
(…)
Het geheel overziende ben ik van mening dat er op grond van de voorliggende gegevens, inderdaad aanwijzingen zijn, dat betrokkene gedurende lange tijd in de werksituatie overbelast is geweest en dat dit geleid heeft tot een overspanning/burnout.
(…)”

4.10.6. Na kennis te hebben genomen van het verslag van [I.] van [Z.], in welk verslag de door [X.] opgestelde urenregistratie is opgenomen, is medisch adviseur [H.] bij brief van 7 mei 2003, bij pleidooi in hoger beroep door [Y.] overgelegd, weliswaar teruggekomen op zijn bevin-dingen verwoord in de in rechtsoverweging 4.10.5 genoemde brief, maar het hof gaat aan deze brief van 7 mei 2003 voorbij, nu deze is gebaseerd op de naar het oordeel van het hof onjuiste conclusie dat er door [X.] niet noemenswaardig werd overgewerkt.

4.10.7. Gelet op de bevindingen van de huisarts van [X.], de verzekeringsgeneeskundige De [D.] en van de medisch adviseur [H.] in diens brief van 13 maart 2003 is het hof van oordeel dat [Y.] haar verweer dat [X.] niet aan een burn-out lijdt, onvoldoende heeft onderbouwd. Dat verweer wordt dan ook gepasseerd.

4.10.8. [Y.] heeft weliswaar bestreden dat [X.] burn-out is geraakt door werkzaamheden voor [Y.], maar ook hier is het hof van oordeel dat [Y.] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd, met name gelet op de duur en de omvang van het door [X.] voor [Y.] verrichte overwerk. In dit verband is door [Y.] ook niets gesteld omtrent een omstandigheid (in de zin van een zelfstandige oorzaak) die voor rekening van [X.] zou komen, zoals genetische aanleg of van buitenaf komende oorzaken, noch is daarvan gebleken.

4.11. [Y.] bestrijdt verder dat zij jegens [X.] tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de op haar ([Z.]) ingevolge art. 7:658 BW rustende verplichtingen. Volgens [Y.] heeft zij (lees: [Z.]) wel degelijk aan de op haar rustende zorgplicht voldaan.

4.11.1. [Y.] voert ter onderbouwing van haar stelling (onder meer) aan dat [Z.] in 1995 een Risico Inventarisatie en Evaluatie had laten opstellen. Voorts werden er met [X.] geen functioneringsgesprekken gehouden, maar werd er wel met hem gesproken en bestond er voor hem alle ruimte om eventuele problemen aan de orde te stellen en mocht dat ook van hem worden verwacht. Van een werknemer met het opleidingsniveau, de functie en de zelfstandigheid als van [X.], mocht een eigen verantwoordelijkheid worden verwacht en een eigen inzicht in het functioneren en de mogelijke problemen die daarbij eventueel ondervonden (konden) worden. Het ontbrak bij [Y.] ([Z.]) niet aan een ziekteverzuimbeleid, noch was er sprake van onvoldoende medische en sociale begeleiding ten tijde van het naar buiten treden van de klachten van [X.]. [Y.] ([Z.]) heeft zich ook voldoende ingespannen om uitval van [X.] in de WAO te voorkomen, aldus [Y.].

4.11.2. Het hof stelt voorop dat [X.] overbelast is geraakt door het stelselmatig verrichten van een aanzienlijk aantal overuren. Naar het oordeel van het hof heeft [Y.] door middel van het bovenstaande in het geheel niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, hoe de op haar/[Z.]/CBD rustende zorgplicht specifiek ten aanzien van de op [X.] rustende werkdruk vorm was gegeven. Het gaat immers niet aan de risico’s van een dergelijke min of meer permanente werkdruk geheel bij een werknemer te leggen in die zin dat eerst wanneer deze klachten daarover uit, te reageren. Een deugdelijk beleid op dit punt dient erop gericht te zijn juist te voorkomen dat een werknemer door stelselmatige overbelasting klachten gaat ontwikkelen. Ook dit verweer van [Y.] wordt derhalve verworpen.

4.12. Ten slotte heeft [Y.] nog bestreden dat een voorschot op de schadevergoeding voor toewijzing gereed zou liggen en zeker een voorschot van € 60.000,--.

4.12.1. [X.] vordert bij wijze van voorschot een vergoeding van € 60.000,-- op de totale materiële en immateriële schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Het hof stelt [X.] in de gelegenheid zich bij akte nader uit te laten over de omvang van de schade en het hof daarin zodanig inzicht te verschaffen, zodat het hof vervolgens de hoogte van de schadevergoeding zelfstandig kan vaststellen.

4.12.2. In afwachting van de door [X.] te nemen akte, waarop [Y.] bij antwoordakte kan reageren, verwijst het hof de zaak naar de rol en wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
LJN BK0617