Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 160913 werknemer loopt letsel op door val plafondplaat; geen aansprakelijkheid gebruiker pand en/of wg-er ogv art. 7:658, 6:170 of 7:611 BW

Rb Den Haag 160913 werknemer loopt letsel op door val plafondplaat; geen aansprakelijkheid gebruiker pand en/of wg-er ogv art. 7:658, 6:170 of 7:611 BW;
- kosten gevorderd obv 19,25 uur x € 260,--, totaal € 6.613,85, begroot obv 13 uur x € 230,-- totaal € 4.072,80

vervolg op: rb-den-haag-300311-oordeel-over-opstalaansprakelijkheid-verpleeghuis-na-val-van-plafondplaat-nog-niet-mogelijk-bij-gebrek-aan-voldoende-feitelijke-gegeven

2 De feiten
2.1.
[A] was sinds juni 2009 als uitzendkracht – via Linkcare – te werk gesteld bij [B 2]. In dat kader heeft [A] (onder meer) op 8 september 2009 werkzaamheden uitgevoerd in het verpleeghuis Sint Antonius te Volkel (hierna: het pand), bestaande uit het aanleggen van glasvezelkabels. In de hal van het pand konden de kabels niet – zoals opgenomen in het bekabelingsplan – via de kruipruimte naar hoger gelegen verdiepingen worden doorgetrokken. Om deze reden is ter plaatse besloten de kabels via het plafond naar boven te leiden. In dit verband zijn door onder meer [A] plafondplaten opgetild en verschoven. Bij het terugplaatsen van één van de plafondplaten door [A] is een andere plafondplaat, met in het midden van die plaat een spotje, naar beneden gevallen. [A] stelt dat de plaat hem heeft geraakt en dat hij hierdoor letsel heeft opgelopen dat tot schade heeft geleid (verder te noemen: het ongeval).

2.2.
Op 9 september 2009 heeft de heer Klaassen, inspecteur van de Arbeidsinspectie (hierna: Klaassen), naar aanleiding van het ongeval een onderzoek verricht. In het door Klaassen opgemaakte ongevalsrapport is op pagina 3, voor zover hier van belang, opgenomen:
“Op foto’s 2 en 3 is de rand van het systeem te zien, waaruit de plaat is gevallen. Ik heb daarbij geen onregelmatigheden gezien, waardoor de plaat uit het systeem is gevallen. Ik zag dat de profielen niet beschadigd waren. Op foto 4 is de plafondplaat te zien met het spotje. Op foto 5 is te zien, dat een hoek van die plaat door de val is beschadigd. Ik schatte het gewicht van de plafondplaat met het spotje op ongeveer 3,5 kilogram. Het spotje was precies in het midden van de plafondplaat gemonteerd. Hierdoor was er geen sprake van ongelijke gewichtverdeling over de hele plaat. De platen zelf zijn niet zwaar. Op foto 4 is wel een heel dun scheurtje te zien (aangegeven op de foto met een (pijl).”
De conclusie van Klaassen luidt als volgt:
“Tijdens mijn onderzoek heb ik geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het, ingevolge artikel 9, 1e lid van diezelfde wet, meldingsplichtige arbeidsongeval, zoals bedoeld in artikel 1, derde lid, onder i, Arbowet. In verband hiermee heb ik volstaan met het opmaken van dit ongevalsrapport.”

2.3.
[A] heeft zowel Brabant Zorg (gebruiker van het pand) en Zorggoedbrabant 2 (eigenaar van het pand) als [B 2] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Nationale-Nederlanden, de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van Brabant Zorg en Zorggoedbrabant 2, en Amlin, de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van [B 2], hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.4.
[A] heeft eerder bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt. Deze procedure was alleen gericht tegen Nationale-Nederlanden c.s.. [A] heeft hierin, voor zover hier van belang, verzocht te oordelen dat Nationale-Nederlanden c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden naar aanleiding van het ongeval. Bij beschikking van 30 maart 2011 is dit verzoek op grond van artikel 1019z Rv afgewezen.

2.5.
Na voornoemde deelgeschilprocedure heeft voor deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Op 21 mei 2012 zijn als getuigen gehoord: [A], Klaassen, de heer [E] (elektromonteur) en de heer [F] (uitvoerder). Vervolgens zijn op 11 september 2012 als getuigen gehoord: de heer [G] (glasvezelmonteur), mevrouw [H] (receptioniste), de heer [I] (manager locatiegroep), de heer [R] (personeelsfunctionaris) en de heer [J] (KAM coördinator).

2.6.
Op verzoek van Nationale-Nederlanden c.s. heeft Cunningham Lindsey Nederland bv (hierna: Cunningham Lindsey) een rapport opgesteld. In dit rapport van 8 mei 2013 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Bij het werken boven de plafonds tijdens het leggen van de leidingen is het mogelijk dat de kabels, tijdelijk, deels OP de plafondplaten zijn gelegd in afwachting van een degelijker montage in bijvoorbeeld een leidinggoot. Het gewicht van die leidingen kan bijdragen tot het overschrijden van het maximale draagvermogen van de plafondplaten.
Om de werkzaamheden boven het plafond te kunnen uitvoeren zullen één of meerdere plafondplaten verwijderd zijn door (collega’s van) de heer [A]. Het is mogelijk dat daarbij de draagliggers enigszins verschuiven om ruimte te creëren om de plafondplaten te kunnen verwijderen. Door het verschuiven van de draagliggers kan de oplegging van naastgelegen plafondplaten deels verloren gaan. Met andere woorden: de naastgelegen plafondplaten liggen onvoldoende ver op de draagliggers. Daardoor kan een dergelijke plaat omlaag vallen. Platen met een hoger gewicht, bijvoorbeeld omdat daarin een spot is gemonteerd of omdat er een bos kabels op ligt, zijn dan het meest gevoelig hiervoor.
Opvallend is echter dat op de foto’s, waarop de kennelijk gevallen plaat is weergegeven, vrijwel geen sporen zichtbaar zijn waaruit zou mogen worden afgeleid dat de plaat moeizaam door het ophangsysteem is gezakt door een groot gewicht. Er zijn namelijk geen rafelige randen zichtbaar en de plaat is ook niet middendoor gebroken.
Dit alles leidt tot de aanname dat, vermoedelijk als gevolg van de werkzaamheden, de draagliggers uit elkaar zijn geschoven en dat daardoor de bewuste plaat onvoldoende gedragen werd zodat deze omlaag is gevallen. Een eventueel scheurtje in de plaat zal hierop van geen enkele invloed zijn geweest omdat in dat geval een hoek van de plaat afgebroken zou moeten zijn en de plaat in stukken omlaag gevallen zou zijn. Nu vastgesteld mag worden dat de plaat in ongebroken toestand omlaag is gevallen, lijkt dit niet aan de orde.”

3 Het geschil
3.1.
[A] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv:
1. te oordelen dat Brabant Zorg en Zorggoedbrabant 2 aansprakelijk zijn op basis van artikel 6:174 BW voor de schade die [A] heeft geleden en nog zal lijden naar aanleiding van het ongeval en dat Nationale-Nederlanden gehouden is de schade rechtstreeks aan [A] te voldoen;
2. te oordelen dat [B 2] als werkgever op basis van artikel 7:658 en/of artikel 6:170 BW en/of artikel 7:611 BW aansprakelijk is voor de schade die [A] heeft geleden en nog zal lijden naar aanleiding van het ongeval en dat Amlin gehouden is de schade rechtstreeks aan [A] te voldoen;
3. de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten op een bedrag van € 6.613,85 en verweersters te veroordelen tot betaling daarvan.

3.2.
[A] stelt dat Brabant Zorg en Zorggoedbrabant 2 aansprakelijk zijn op basis van artikel 6:174 BW. In dit verband voert [A] aan dat, nu de betreffende plafondplaat spontaan en tijdens het verrichten van normale werkzaamheden althans door een scheur naar beneden is gevallen, de gebrekkigheid van het pand vast staat.
Ter onderbouwing van de aansprakelijkheid van [B 2] op grond van artikel 7:658 BW stelt [A] dat hij tijdens zijn werkzaamheden gewond is geraakt en dat [B 2] niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Hiertoe voert hij aan dat (1) onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen en onvoldoende specifieke instructies zijn gegeven, (2) geen adequate Risico Inventarisatie & Evaluatie is gemaakt, (3) artikel 8.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen is overtreden en (4) sprake is geweest van onvoldoende coördinatie. [A] wijst er voorts op dat niet valt uit te sluiten dat de betreffende plafondplaat destijds door een collega verkeerd is teruggelegd. In dat geval is [B 2] aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. Tot slot is [B 2] aansprakelijk op grond van artikel 7:611 BW, nu een werkgever in het kader van “goed werkgeverschap” gehouden is ervoor te zorgen dat niet verzekerde schade wordt betaald, aldus [A].

3.3.
Nationale-Nederlanden c.s. voeren gemotiveerd verweer. Zij verzoeken de rechtbank [A] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken en/of die verzoeken af te wijzen, primair zonder begroting van de kosten ex artikel 1019aa Rv en subsidiair met begroting van die kosten op een bedrag van maximaal € 3.558,30, althans op een door de rechtbank te bepalen bedrag.

3.4.
[B 2] c.s. voeren eveneens gemotiveerd verweer. Zij verzoeken de rechtbank de verzoeken van [A] af te wijzen. Voorts verzoeken zij zelfstandig om vast te stellen dat [B 2] jegens [A] niet aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval, althans – subsidiair – dat geen conditio sine qua non verband bestaat tussen een eventuele zorgplichtschending en het [A] overkomen ongeval.

3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
Behandeling in een deelgeschilprocedure
4.1.
In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Nationale-Nederlanden c.s. hebben immers primair als verweer aangevoerd dat de zaak niet geschikt is voor een behandeling in deelgeschil, omdat (1) er geen onderhandelingen tussen partijen hebben plaatsgevonden, (2) naast de aansprakelijkheidsvraag nog talloze andere geschilpunten resteren en (3) op diverse onderdelen nog nadere bewijsvoering dient plaats te vinden.

4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de zaak geschikt is voor een behandeling in deelgeschil stelt de rechtbank voorop dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

4.3.
Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschil aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de rechtbank over de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen. Overigens heeft [A] gesteld dat wel degelijk onderhandelingen hebben plaatsgevonden, zij het dat de discussie – gelet op de afwijzing van aansprakelijkheid – reeds in een vroeg stadium is vastgelopen. Ook de door Nationale-Nederlanden c.s. aangevoerde omstandigheid dat tussen partijen, naast de aansprakelijkheidsvraag, nog diverse andere wezenlijke geschilpunten bestaan, maakt op zichzelf niet dat het verzoek niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Tot slot overweegt de rechtbank dat, zoals uit het onderstaande zal blijken, nadere bewijsvoering niet noodzakelijk is om een beslissing op het onderhavige verzoek te kunnen nemen.

4.4.
De rechtbank is mitsdien van oordeel dat, wanneer de investering in tijd, geld en moeite wordt afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die de verzochte beslissing op zichzelf aan de totstandkoming van een minnelijke regeling zou kunnen leveren, tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan worden overgegaan.

Inhoudelijke beoordeling
4.5.
[A] meent kennelijk dat sprake is van hoofdelijkheid, nu het verzoek tegen zowel Nationale-Nederlanden c.s als [B 2] c.s. is gericht en een veroordeling van beide partijen wordt gevraagd. De grondslag van de verzoeken verschilt. [A] stelt dat Brabant Zorg en Zorggoedbrabant 2 aansprakelijk zijn op basis van artikel 6:174 BW. Volgens [A] is sprake van een gebrekkige opstal. [B 2] wordt als materiële werkgever op meerdere gronden aangesproken. De rechtbank zal eerst het verzoek jegens Nationale-Nederlanden c.s. beoordelen en daarna het verzoek jegens [B 2] c.s.

Artikel 6:174 BW
4.6.
Vooropgesteld moet worden dat tot op heden onduidelijk is of [A] geraakt is door de plaat, zoals hijzelf stelt, of dat hij zijn hoofd bezeerd heeft door een schrikreactie na het vallen van de plaat. Vaststaat dat hij direct nadat de plaat gevallen was klaagde over hoofdpijn en lijkbleek zag en vervolgens aansluitend medische hulp heeft gezocht, waarbij hij heeft gemeld dat hem een arbeidsongeval was overkomen. Er is derhalve sprake van een rechtens relevante opvolging van gebeurtenissen die noopt tot een beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag.

4.7.
In het kader van de onderbouwing van de stelling dat sprake is van een gebrekkige opstal heeft [A] in de eerste plaats gesteld dat de plafondplaat spontaan naar beneden is gevallen, waarmee volgens [A] aansprakelijkheid gegeven is. Vast staat echter dat de plafondplaat is gevallen op het moment dat er al werkzaamheden aan het plafond waren verricht, waartoe plafondplaten zijn opgetild en uit het systeem zijn geschoven. Om deze reden kan naar het oordeel van de rechtbank – hoewel vast staat dat de betreffende plaat, direct voordat deze naar beneden viel, niet werd aangeraakt – niet worden gesteld dat van een spontane val sprake is geweest. Dat klemt temeer daar vast staat dat [A] ten tijde van het incident doende was de naastliggende plaat weer terug te plaatsen. Daarmee lijkt een relatie met de werkzaamheden voor de hand te liggen. Bovendien is onbestreden gebleven dat de platen voordien reeds vele jaren zonder problemen aanwezig waren. Het enkele feit dat dergelijke platen er speciaal voor zijn bestemd om in het kader van normale werkzaamheden opgetild en verschoven te worden kan [A] niet baten, nu dat de mogelijkheid open laat dat er bij de werkzaamheden ongewild iets is verschoven of niet helemaal goed is teruggelegd.

4.8.
Indien er al van moet worden uitgegaan dat [A] en/of zijn collega’s de betreffende plaat op een eerder moment niet geheel goed hebben teruggelegd, hetgeen ook na de getuigenverhoren niet is komen vast te staan, regardeert dat Nationale-Nederlanden c.s. niet. Terecht is van die zijde naar voren gebracht dat onder de gegeven omstandigheden ook dan aansprakelijkheid ontbreekt. Immers, in dat geval is sprake van een kort voordien ontstaan gebrek dat veroorzaakt is door [A] en/of zijn collega’s, zodat het beroep van Nationale-Nederlanden c.s. op de tenzij-clausule slaagt. De risico-aansprakelijkheid van de opstalbezitter/eigenaar strekt niet zo ver dat hij ook voor een dergelijk gebrek behoeft op te komen.

4.9.
In de tweede plaats heeft [A] ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een gebrek in het pand gesteld dat de plafondplaat door een scheur naar beneden is gevallen. Aangezien ter zitting bleek dat er onduidelijkheid bestond over de vraag op welke foto de door hem bedoelde scheur is te zien, is [A] in de gelegenheid gesteld om een kleurenkopie van de betreffende foto (met de in het ongevalsrapport door Klaassen genoemde pijl) in het geding te brengen.

4.10.
Bij brief van 17 mei 2013 heeft [A] van deze gelegenheid gebruik gemaakt, stellende dat foto 4 van het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie, waarvan onder meer een A3-vergroting is overgelegd als productie 3, de betreffende scheur laat zien. Hierbij heeft [A] te kennen gegeven dat Klaassen in zijn e-mail van 4 mei 2013 een verklaring heeft gegeven voor het feit dat de in het ongevalsrapport genoemde pijl niet op de foto te zien is. Volgens [A] komt deze foto overeen met de door [B 2] gemaakte foto’s van de plaat, overlegd als (onderdeel van) productie 19 bij het verweerschrift van [B 2] c.s.

4.11.
Nu verweersters het voorgaande niet gemotiveerd hebben weersproken, neemt de rechtbank de stellingen van [A] op dit punt als vaststaand aan. De rechtbank stelt op basis van de door [A] bij brief van 17 mei 2013 overgelegde foto’s derhalve vast dat in de naar beneden gevallen plafondplaat een scheur zat vanaf het spotje in het midden van de plaat lopend tot de rand van de plaat. Dat deze scheur, zoals [A] heeft gesteld, de oorzaak van de val is geweest acht de rechtbank echter onvoldoende feitelijk onderbouwd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat, zoals in de eerdere deelgeschilbeschikking van 30 maart 2011 reeds is overwogen, het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie daarop in ieder geval niet duidt, aangezien aan de plafondplaat geen onregelmatigheden waren te zien waardoor de plaat uit het systeem is gevallen en de profielen niet beschadigd waren. Ook op basis van de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen kan niet worden vastgesteld dat genoemde scheur de val van de plaat heeft veroorzaakt. Voorts is in het door Nationale-Nederlanden c.s. overgelegde rapport van Cunningham Lindsey van 8 mei 2013 vermeld dat de mogelijkheid dat een systeemplafondplaat omlaag valt doordat er een klein scheurtje inzit vrijwel volledig wordt uitgesloten.

4.12.
Pas bij voornoemde brief van 17 mei 2013, na de zitting, heeft [A] tot slot nog aangevoerd dat de armatuur zich niet symmetrisch in het midden van de plaat bevond, zodat het gewicht van het spotje niet gelijk over de plaat verdeeld was. Deze asymmetrie, in combinatie met voornoemde scheur, bevestigt de gebrekkigheid, aldus [A]. De rechtbank is van oordeel dat ook deze stelling [A] niet kan baten. Daartoe is van belang dat de gestelde asymmetrie niet vast staat, nu het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie juist vermeldt dat het spotje precies in het midden van de plaat was gemonteerd waardoor er geen sprake was van ongelijke gewichtverdeling over de plaat. Ook overigens heeft [A] onvoldoende onderbouwd dat de gestelde asymmetrie, zo daarvan al sprake zou zijn, tot het vallen van de plaat zou kunnen leiden. Onder de gegeven omstandigheden volstaat een blote stelling niet.

4.13.
De rechtbank concludeert dat van aansprakelijkheid van Brabant Zorg en Zorggoedbrabant 2 op basis van artikel 6:174 BW geen sprake is.

Artikel 7:658 BW
4.14.
[A] heeft tevens [B 2] als zijn materiële werkgever aansprakelijk gesteld. Hij voert daartoe aan dat [B 2] haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden. Nu vaststaat dat [A] tijdens zijn werkzaamheden letsel heeft opgelopen kan hij volstaan met deze stelling. Op [B 2] rust vervolgens de bewijslast van haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is [B 2] daarin geslaagd.

4.15.
Vaststaat dat [B 2] een VCA-gecertificeerd bedrijf is dat van haar werknemers vergt dat zij een Basis Veiligheid VCA-diploma halen. Dat gold ook voor [A]. Hij heeft het diploma op 16 juli 2009 gehaald. Op 17 juni 2009 zijn de veiligheidsrisico’s van zijn functie met [A] besproken, voorafgaand aan de start van zijn werkzaamheden. Voorts heeft hij op 18 juni 2009 een pakket met persoonlijke beschermingsmiddelen ontvangen, waaronder een veiligheidshelm. Daarnaast heeft hij een werkinstructie gekregen van de KAM-coördinator. Bij die gelegenheid is hem ook een boekje met veiligheidsinstructies verstrekt. Daarnaast worden geregeld toolboxmeetings gehouden, welke verplicht zijn voor werknemers. Tot slot laat [B 2] op regelmatige basis RI&E’s verrichten. Daarmee heeft [B 2] voldoende zorg gedragen voor algemene veiligheidsaspecten.

4.16.
De stelling van [A] als zou hij voor de concrete werkzaamheden onvoldoende zijn geïnstrueerd wordt door de rechtbank gepasseerd. Het betrof simpele werkzaamheden, te weten het leggen van glasvezelkabels, die voor een leerling glasvezelmonteur als [A] geen bijzondere instructies vergden, temeer daar hij die al vaker had verricht. Het enkele feit dat in afwijking van het bekabelingsplan niet via de kruipruimte werd gewerkt maar via de plafonds maakt dat niet anders. Bovendien heeft [A] zelf verklaard dat je geen deskundige hoeft te zijn om te weten hoe een systeemplafond werkt. Ook de stelling van [A] dat hij ten onrechte niet verplicht is geworden een helm te dragen kan hem niet baten, nu onbestreden is gebleven dat het volstrekt ongebruikelijk is bij dergelijke werkzaamheden een helm te dragen en de Arbeidsinspectie dienovereenkomstig geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet heeft vastgesteld. Tot slot overweegt de rechtbank dat ook voorbij wordt gegaan aan de stelling van [A] dat een risico-inventarisatie het ongeval had kunnen voorkomen. Vaststaat immers dat [A] voordat hij aan de werkzaamheden begon zelf heeft gezien dat de plaat met het spotje een scheur had, waarna hij tegen zijn collega heeft gezegd dat ze moesten opletten als ze in de buurt van die plaat aan het werk gingen.

4.17.
De rechtbank concludeert dat [B 2] voldoende invulling heeft gegeven aan de op haar rustende zorgplicht. Van aansprakelijkheid van [B 2] op grond van artikel 7:658 BW is dan ook geen sprake.

Artikel 6:170 BW
4.18.
[A] heeft [B 2] voorts aansprakelijk gesteld op basis van artikel 6:170 BW. Dit artikel stelt de werkgever risico-aansprakelijk voor fouten van zijn ondergeschikten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] zijn stelling dat er sprake zou zijn van een fout van een ondergeschikte echter volstrekt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Hij heeft in zijn verzoekschrift ter zake volstaan met te stellen dat “niet is uit te sluiten dat de desbetreffende plafondplaat door een collega van [A] verkeerd was teruggelegd”. Het door Nationale-Nederlanden c.s. in het kader van hun verweer ingebrachte rapport van Cunningham Lindsey laat weliswaar de mogelijkheid open dat door één of meer collega’s van [A] kabels op de plafondplaten zijn gelegd waardoor het maximale draagvermogen van die platen is overschreden of dat van verschuivingen van de draagliggers als gevolg van het verwijderen van plafondplaten sprake is geweest, maar hiervan kan niet worden uitgegaan, nu de getuigen dienaangaande niets hebben verklaard en er door de betreffende rapporteur geen onderzoek ter plaatse is verricht. Daar komt bij dat uit het rapport van de Arbeidsinspectie valt af te leiden dat die inspecteur ter plaatse geen onregelmatigheden heeft gezien, ook niet ten aanzien van de plaatsing van de kabels, waardoor de plaat is gevallen. Dat leidt tot de slotsom dat [B 2] ook op deze grond niet aansprakelijk kan worden gehouden.

Artikel 7:611 BW
4.19.
Nu de verzoeken in zoverre niet slagen en er dus sprake is van onverzekerde schade dient te worden beoordeeld of de werkgever op grond van “goed werkgeverschap” alsnog gehouden is de schade voor haar rekening te nemen. [A] laat na aan te geven waarom voornoemd artikel in dit concrete geval toepassing zou moeten vinden. De rechtbank is van oordeel dat ook deze grondslag het verzoek niet kan dragen. Terecht vermeldt [A] zelf al dat de werking van dit artikel beperkt is. Het gaat niet zo ver dat de werkgever die aan al zijn zorgplichten jegens de werknemer heeft voldaan alsnog aansprakelijk kan worden gehouden voor een ongeval op de werkvloer en/of dat hij gehouden zou zijn ook voor die gevallen een verzekering te sluiten. Dat zou immers feitelijk een risico-aansprakelijkheid impliceren hetgeen volgens de Hoge Raad nu juist niet aan de orde is. De gevallen waarin dit artikel in de rechtspraak wel toepassing heeft gevonden zijn zeer specifiek en niet vergelijkbaar met deze kwestie. Ook op grond van artikel 7:611 BW kan [B 2] derhalve niet aansprakelijk worden gehouden.

Slotsom
4.20.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verzoeken van [A] jegens Nationale-Nederlanden c.s. en [B 2] c.s. niet kunnen slagen.

4.21.
Nu alle verzoeken van [A] worden afgewezen kan het primaire zelfstandig verzoek van [B 2] c.s worden toegewezen. De rechtbank zal derhalve voor recht verklaren dat [B 2] jegens [A] niet aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval.

Kosten deelgeschil
4.22.
Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

4.23.
Nu de rechtbank van oordeel is dat [A] – mede in het licht van het inmiddels gehouden getuigenverhoor – zich in redelijkheid opnieuw tot de deelgeschillenrechter kon wenden, gaat de rechtbank aan het op dit punt door Nationale-Nederlanden c.s. gevoerde verweer voorbij. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het op zichzelf redelijk is dat aan de zijde van [A] kosten in verband met het onderhavige deelgeschil zijn gemaakt. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.

4.24.
Mr. Hovinga heeft in het verzoekschrift gesteld dat hij naar schatting € 6.613,85 aan kosten zal maken. Daarbij is hij uitgegaan van een tijdsbesteding van 19,25 uur, een uurtarief van € 260,--, 5% kantoorkosten en 21% BTW, te vermeerderen met het griffierecht van € 255,--.

4.25.
Nationale-Nederlanden c.s. maken bezwaar tegen het aantal opgevoerde uren en [B 2] c.s. voeren verweer wat betreft het in rekening gebrachte uurtarief.

4.26.
De rechtbank acht het door mr. Hovinga gehanteerde uurtarief in een zaak als de onderhavige bovenmatig. Ook is de rechtbank van oordeel dat het aantal opgevoerde uren bovenmatig is. Hierbij heeft de rechtbank met name acht geslagen op de omstandigheid dat reeds eerder – tussen [A] en Nationale-Nederlanden c.s. – een deelgeschilprocedure over de aansprakelijkheidsvraag is gevoerd, met een goeddeels vergelijkbaar verzoekschrift. De rechtbank acht het redelijk om het uurtarief te matigen tot € 230,-- en het aantal aan de zaak bestede uren tot 13 uur in totaal.

4.27.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van € 4.072,80 (13 uur x € 230,--, vermeerderd met kantooropslag van 5% en BTW van 21% en voorts vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 274,--).

4.28.
Gelet op de afwijzing van het verzoek van [A] zal de verzochte kostenveroordeling worden afgewezen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van verweersters alsnog in rechte komt vast te staan. ECLI:NL:RBDHA:2013:15015