Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 140222 arbeidsongeval staat vast, schade ook; voor beoordeling zorgplicht is nader bewijs nodig; niet geschikt voor deelgeschil

RBLIM 140222 arbeidsongeval staat vast, schade ook; voor beoordeling zorgplicht is nader bewijs nodig; niet geschikt voor deelgeschil
kosten begroot, niet toegewezen cf verzoek, maar zonder kantoorkosten 11,25 x € 260,00 + 21% = € 3.539,25

zie voor het vervolg:
RBLIM 270324 Wg-er aansprakelijk voor polsfractuur na val van treinwagon; taalbarièrre voor rekening wg-er

2
De feiten
2.1.

Op 12 november 2018 is [verzoeker] bij Maasterminal een ongeval overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden bestaande uit het losmaken en verplaatsen van zekeringspaaltjes op treinwagons.

2.2.
Op 22 februari 2019 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] Maasterminal op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. In reactie daarop heeft Maasterminal aansprakelijkheid afgewezen en later op 13 oktober 2020 - zonder erkenning van aansprakelijkheid - zich bereid verklaard te bezien of een pragmatische regeling mogelijk is.

2.3.
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

3
Het geschil
3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter op grond van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv):
- te verklaren voor recht dat Maasterminal aansprakelijk is voor alle schade, materieel als immaterieel, welke [verzoeker] als gevolg van het arbeidsongeval d.d. 12 november 2018 heeft geleden, thans nog lijdt en in de toekomst nog zal lijden,
- Maasterminal te veroordelen tot vergoeding van alle door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, inclusief de wettelijke rente, voor het smartengeld vanaf de datum van het schade-evenement en voor de overige schade vanaf het ontstaan hiervan, nader op te maken bij staat,
- Maasterminal te veroordelen tot betaling van € 15.000,00 dan wel een naar redelijkheid door de kantonrechter vast te stellen bedrag als voorschot op de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval van 12 november 2018,
- de kosten van deze procedure te begroten en Maasterminal te veroordelen tot betaling van deze kosten, alsmede de proceskostenveroordeling voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.
Maasterminal voert verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
De beoordeling
4.1.

Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek stelt de kantonrechter het volgende voorop. De in artikel 1019w e.v. Rv geregelde deelgeschilprocedure is bedoeld om het buitengerechtelijke traject te versterken. De deelgeschilprocedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood van een ander of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. De bij de afhandeling van de letsel- en overlijdensschade betrokken partijen krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden. Zie voor dit alles de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2007/08, 31518, nr. 3).

4.2.
Voorts is van belang dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Zie voor dit alles de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2007/08, 31518, nr. 3).

4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat het onderhavige geschil zich niet leent voor een afdoening in het kader van een deelgeschilprocedure. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.
De kantonrechter laat in het midden of er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat en artikel 7:658 lid 1 BW rechtstreeks van toepassing is. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter is met partijen van oordeel dat op hun verhouding in ieder geval artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing is. Vervolgens dient beoordeeld te worden of Maasterminal op grond van artikel 7:658 leden 1 tot en met 3 BW met succes door [verzoeker] kan worden aangesproken. Met andere woorden: aan de orde is de vraag of Maasterminal aansprakelijk is voor schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden en te lijden als gevolg van een ongeval dat hem overkomen is in de uitoefening van zijn werkzaamheden op 12 november 2018.

4.5.
Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in artikel 7:658 lid 1 genoemde verplichtingen nagekomen is of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Artikel 7:658 BW beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar, maar een werkgever dient ingevolge dit artikel wel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid verwacht mag worden, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.6.
Vast staat dat [verzoeker] op 12 november 2018 een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat hij (in ieder geval enige) schade heeft geleden. Dat betekent dat Maasterminal in beginsel aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval, tenzij Maasterminal stelt en zo nodig bewijst dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht.

4.7.
Maasterminal heeft gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan en niet aansprakelijk is. Daarbij heeft Maasterminal erop gewezen dat [verzoeker] bij de aanvang van de werkzaamheden een deugdelijke Engelstalige mondelinge instructie (die qua inhoud overeenkwam met de binnen Maasterminal bestaande Nederlandstalige schriftelijke werkinstructie) heeft gekregen, de werkzaamheden door een ervaren medewerker, de heer [naam medewerker 1] (hierna: [naam medewerker 1] ), zijn voorgedaan en [naam medewerker 1] de werkzaamheden door [verzoeker] zelf heeft laten uitvoeren ter controle of hij de instructie goed had begrepen, waarna [verzoeker] de werkzaamheden zelfstandig mocht uitvoeren. Voorts stelt Maasterminal dat zij [verzoeker] persoonlijke beschermingsmiddelen (PMB’s) ter beschikking heeft gesteld. Daartoe stelt Maasterminal dat [verzoeker] zijn eigen veiligheidsschoenen droeg, dat deze er op het oog goed uitzagen en er geen aanleiding was dat deze schoenen onveilig waren en Maasterminal hem werkhandschoenen (met aan de binnenzijde een aantal rubberen noppen voor meer grip) ter beschikking heeft gesteld. Maasterminal betwist dat het dragen van andere veiligheidshandschoenen of andere PMB’s het ongeval en letsel hadden voorkomen. Ten slotte voert Maasterminal aan dat zij voldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van de verstrekte instructies. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, heeft Maasterminal schriftelijke verklaringen overgelegd van een aantal medewerkers ( [naam medewerker 1] , de heer [naam medewerker 2] en mevrouw [naam medewerkster] ) waarin onder meer staat dat instructies zijn gegeven aan [verzoeker] en PMB’s zijn verstrekt aan [verzoeker] .

4.8.
[verzoeker] betwist dat er een deugdelijke instructie heeft plaatsgevonden ten aanzien van het verplaatsen van zekeringspaaltjes op treinwagons. Hij heeft een zeer korte en summiere uitleg van de [naam medewerker 1] gekregen en was niet ermee bekend dat hij niet op de wagon mocht klimmen. Verder betwist [verzoeker] dat er voldoende toezicht was. [naam medewerker 1] was met zijn eigen werkzaamheden bezig en had geen zicht op [verzoeker] . Verder betwist [verzoeker] dat Maasterminal PMB’s heeft verstrekt. [verzoeker] heeft geen beschermende kleding, werkschoenen en werkhandschoenen gekregen. De eigen werkschoenen van [verzoeker] waren niet geschikt (afgesleten en onvoldoende grip) voor de te verrichten werkzaamheden bij Maasterminal en zijn niet gecontroleerd door Maasterminal.

4.9.
Gelet op het voorgaande staan de standpunten van partijen over de naleving van de zorgplicht door Maasterminal haaks op elkaar. Maasterminal heeft de bewijslast ten aanzien van de naleving van de zorgplicht en heeft bewijs aangeboden door het horen van getuigen, waaronder voornoemde en andere medewerkers, leidinggevenden, veiligheidsmedewerkers, de onderzoeker van [naam] , alsmede door het verstrekken van aanvullende documentatie zoals RI&E’s, situatieschetsen, plattegronden van de hal en wagon en de situatie ter plaatse. De kantonrechter kan in het kader van dit deelgeschil daarom niet beoordelen of de zorgplicht is geschonden en niet vaststellen dat Maasterminal aansprakelijk is. Daarvoor zal nader bewijs moeten worden geleverd door Maasterminal. Verder twisten partijen over feiten en omstandigheden die zien op de toedracht (oorzaak) van het ongeval. Zo is onduidelijk of [verzoeker] op de wagon heeft gestaan c.q. van de wagon is afgevallen, zoals [verzoeker] stelt en Maasterminal betwist.

4.10.
Gezien het voorgaande kunnen de voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag van belang zijnde feiten en omstandigheden onvoldoende worden vastgesteld. Nadere bewijsvoering ligt in de rede. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de investering in tijd, geld en moeite niet opweegt tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Het verzochte met betrekking tot de vaststelling van de aansprakelijkheid zal dan ook worden afgewezen.

4.11.
Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, dient te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dat is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Nu het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift niet als volstrekt onnodig of onterecht kan worden beschouwd, zal de kantonrechter overgaan tot een begroting van de kosten aan de zijde van [verzoeker] .

4.12.
Mr. Quindt stelt in totaal een bedrag van € 3.714,75 (inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw) aan advocaatkosten te hebben gemaakt. Daarbij is zij uitgegaan van 11,25 uren en een uurtarief van € 260,00.

4.13.
Maasterminal heeft zich verzet tegen het door de advocaat gehanteerde uurtarief van € 260,00 en heeft om matiging daarvan verzocht. De kantonrechter is met Maasterminal van oordeel dat het uurtarief aan de hoge kant is, maar gelet op het aantal gedeclareerde uren, waartegen Maasterminal geen bezwaar heeft gemaakt en welke tijdsbesteding de kantonrechter redelijk vindt, wordt er geen aanleiding gezien het uurtarief te matigen. Gelet op het hoge uurtarief zullen de kantoorkosten worden afgewezen. Gezien het voorgaande zullen de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op een bedrag van € 3.624,25 (11,25 uur x € 260,00, vermeerderd met btw van 21% en € 85,00 griffie-recht).

4.14.
Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2007/2008, 31518, nr. 3 p. 19) volgt dat in een zaak als de onderhavige, waarin de aansprakelijkheid (nog) niet vaststaat, een proceskostenveroordeling achterwege blijft. ECLI:NL:RBLIM:2022:4413