Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 261023 eenzijdig ongeval; ES passagier vanwege dragen heupgordel (25%) en niet beletten gebruik lachgas bestuurder, na bill. corr 30%

RBDHA 261023 eenzijdig ongeval; ES passagier vanwege dragen heupgordel (25%) en niet beletten gebruik lachgas bestuurder, na bill. corr 30%
- verzocht 14 uur x € 245 + 7% + 21%, toegewezen obv 12 uur excl kantoorkosten € 3557,40 x 70% vanwege ES

3De feiten

3.1.

Op 15 april 2019 is [verzoekster] als passagier van een auto op de A13 bij de afrit Delft Noord een verkeersongeval overkomen. Zij zat op de bijrijdersstoel toen de bestuurder de macht over het stuur verloor, waarna de auto van de weg afraakte en in een sloot nabij de afrit belandde.

3.2.

De bestuurder heeft tijdens de autorit lachgas ingenomen.

3.3.

[verzoekster] droeg tijdens het ongeval slechts een enkele gordelband. De andere gordelband bevond zich achter haar rug.

3.4.

De bestuurder is zowel door de rechtbank Den Haag (vonnis van 18 november 2020) als door het gerechtshof Den Haag (arrest van 25 juli 2022) veroordeeld tot een taakstaf voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

3.5.

Het ongeval heeft bij [verzoekster] ernstig letsel veroorzaakt: zij had meerdere wervelfracturen en fracturen in het linkerscheenbeen, de rechterenkel en de rechterhand. Zij is na het ongeval naar het ziekenhuis vervoerd waar zij veertien dagen opgenomen is geweest en daarna lang heeft moeten revalideren.

3.6.

[verzoekster] heeft NN als WAM-verzekeraar van de auto aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en heeft daarbij een beroep gedaan op de Schuldloze Derden-Regeling. NN heeft jegens [verzoekster] aansprakelijkheid erkend en uitkeringen gedaan, maar zij doet tevens een beroep op eigen schuld van [verzoekster] aan het ontstaan van haar schade.

3.7.

Ten tijde van het ongeval was [verzoekster] werkzaam als pedagogisch medewerker op een kinderdagverblijf. Zij heeft zich na het ongeval ziekgemeld. De arbeidsovereenkomst (nulurenovereenkomst) van [verzoekster] eindigde op 15 oktober 2019. [verzoekster] ontving in eerste instantie een uitkering op grond van de Ziektewet. Sinds 12 april 2021 ontvangt zij een WIA-uitkering (WGA).

4Het geschil

4.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank thans nog – na intrekking van het eerste verzoek ter zitting – bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

  • -

    te verklaren voor recht dat NN gehouden is om de schade van [verzoekster] voor 100%, dan wel een in goede justitie te bepalen percentage, te vergoeden;

  • -

    de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten en NN te veroordelen tot betaling van deze kosten.

4.2.

NN voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure

5.1.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv. Dit artikel biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling.

5.2.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de hoogte van het percentage eigen schuld in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. De rechtbank zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

5.3.

Tussen partijen staat vast dat de bestuurder van de auto door het besturen van de auto onder invloed van lachgas artikel 6 WVW heeft overtreden en dus een verkeersfout heeft gemaakt. Dit betekent – zoals NN al heeft erkend – dat NN als verzekeraar van de bestuurder in beginsel jegens [verzoekster] verplicht is tot vergoeding van de schade die zij door het ongeval heeft geleden en zal lijden.

5.4.

Het gaat in deze procedure om de vraag of en zo ja, in hoeverre, er sprake is van eigen schuld van [verzoekster] aan het ontstaan van haar schade.

5.5.

NN stelt dat er sprake is van 50% eigen schuld van [verzoekster] aan het ontstaan van haar schade. Op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv rust op NN de plicht om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit die eigen schuld kan volgen en bij voldoende betwisting die feiten en omstandigheden te bewijzen. NN stelt in dit kader dat [verzoekster] aan het ontstaan van de schade heeft bij gedragen omdat zij:

  1. de gordel niet op de correcte wijze heeft gedragen;

  2. primair: ballonnen met lachgas heeft gevuld en heeft aangereikt aan de bestuurder;

subsidiair: de bestuurder onvoldoende heeft belet om lachgas te gebruiken.

Het onjuist dragen van de gordel

5.6.

Tussen partijen staat vast [verzoekster] ten tijde van het ongeval haar gordel niet correct droeg. In het licht van de wettelijke verplichting om de autogordel te dragen op een wijze die de beschermende werking ervan niet beïnvloed (artikel 59 lid 7 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [verzoekster] de gordel niet op de juiste wijze droeg aan haar kan worden toegerekend. Het niet of niet juist dragen van een gordel leidt veelal tot een verdeling van de aansprakelijkheid van 25% voor degene die letsel heeft opgelopen (in casu [verzoekster] ) en 75% voor de vergoedingsplichtige (in casu NN). [verzoekster] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom het aansprakelijkheidspercentage voor wat betreft het onjuist dragen van de gordel aan haar kant naar beneden zou moeten worden bijgesteld. Haar stelling dat zij de gordel op andere wijze droeg vanwege de omstandigheid dat zij – om esthetische redenen – een korset droeg, noopt daar in ieder geval niet toe. De rechtbank zal daarom in ieder geval een zogenaamde gordelkorting van 25% toepassen.

Rol [verzoekster] bij het lachgasgebruik van de bestuurder

5.7.

Ten aanzien van het lachgasgebruik van de bestuurder en de vraag of [verzoekster] hieraan heeft bijgedragen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt NN niet in haar primaire standpunt dat [verzoekster] ballonnen gevuld met lachgas heeft aangereikt aan de bestuurder. Hiervoor heeft NN naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de betwisting van [verzoekster] te weinig aangedragen. Dat [verzoekster] ballonnen zou hebben aangereikt aan de bestuurder volgt niet uit de verklaring die de bestuurder in het kader van het toedrachtsonderzoek heeft afgelegd. De bestuurder heeft verklaard dat "[verzoekster] lachgas gebruikt” en dat “zij zelf bezig was om een ballon met gas te vullen”, maar niet dat zij deze aan hem heeft aangereikt. De bestuurder heeft juist verklaard dat hij “nooit in [zijn] leven lachgas heeft gebruikt.” [verzoekster] heeft in het kader van het toedrachtsonderzoek ontkend dat zij tijdens de autorit ballonnen met lachgas heeft gevuld. Zij heeft in het kader van het toedrachtsonderzoek verklaard dat de bestuurder dit zelf heeft gedaan: “Ik weigerde de ballon voor [bestuurder] [bestuurder] met gas te vullen. [bestuurder] vulde vervolgens zelf de ballon met lachgas. (..) Vervolgens ademde hij de gevulde ballon in. Ik weet nog dat hij bij het vullen mij wegduwde.” Ook de overige door NN aangedragen omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat [verzoekster] ballonnen gevuld met lachgas aan de bestuurder heeft gegeven. Wel volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster] onvoldoende heeft gedaan om de bestuurder te beletten om lachgas te gebruiken. De rechtbank weegt hierin mee dat de lachgastank vrij groot en zwaar was en na het ongeval is aangetroffen op de grond in de auto ter hoogte van de bijrijdersstoel waar [verzoekster] zat. [verzoekster] heeft hier zelf over verklaard : “Ik stapte in de auto van [bestuurder] . Bij het instappen zag ik een gasfles op de vloer voor de bijrijdersstoel liggen”. Gelet op de plaats waar de gasfles zich tijdens de autorit bevond, de grootte hiervan – uit het toedrachtsonderzoek volgt dat het naar alle waarschijnlijkheid een gasfles betrof van 2, 4 of 10 kilogram – in combinatie met de handelingen die moeten worden verricht om een ballon met lachgas te vullen, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat [verzoekster] , zoals zij zelf stelt, niets heeft kunnen doen om de bestuurder te beletten om de gasfles van de vloer voor de bijrijdersstoel te pakken, vervolgens een ballon te vullen en lachgas te gebruiken. Het lachgasgebruik van de bestuurder kan [verzoekster] dus in enige mate worden verweten.

Schuldverdeling

5.8.

Ingeval van eigen schuld wordt de schade over de benadeelde ( [verzoekster] ) en de aansprakelijke partij (de bestuurder/NN) verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Voor de schuldverdeling acht de rechtbank het volgende van belang.

5.9.

Zoals hiervoor reeds is overwogen kan aan de bestuurder worden toegerekend dat hij tijdens het autorijden lachgas heeft ingenomen. Deze gedraging weegt, vanwege het gevaarzettende karakter daarvan, zwaar.

5.10.

Aan de kant van [verzoekster] weegt – zoals hiervoor overwogen – mee dat zij haar veiligheidsgordel niet op de juiste wijze heeft gedragen. Hierdoor was haar letselschade mogelijk ernstiger dan in het geval zij haar veiligheidsgordel wel op de juiste wijze had gedragen. Voorts weegt mee dat [verzoekster] de bestuurder niet heeft belet om lachgas te gebruiken, terwijl dit mede gezien de plaats waar de gasfles zich tijdens de autorit bevond, de omvang en zwaarte van deze fles in combinatie met de handelingen die moeten worden verricht om een ballon met lachgas te vullen, wel van haar had kunnen worden verlangd.

5.11.

Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe de mate waarin de aan de bestuurder en [verzoekster] toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade vast te stellen op 60% voor de bestuurder en 40% voor [verzoekster] .

Billijkheidscorrectie?

5.12.

Tot slot moet de vraag worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling van de schade leidt. Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid, gelet op de persoonlijke en de maatschappelijke belangen die in dit geval zijn betrokken, een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval.

5.13.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt de ernst van de gemaakte fout aan de kant van de bestuurder, mede in aanmerking genomen de ernst van de gemaakte fouten aan de kant van [verzoekster] , mee dat er aanleiding is voor toepassing van de billijkheidscorrectie. Ook de ernst van het letsel van [verzoekster] noopt daartoe. Hoewel de exacte aard en omvang van het letsel en de gevolgen daarvan nog niet vaststaan, stelt de rechtbank vast dat het letsel dat [verzoekster] door het ongeval heeft opgelopen ernstig was en zij is hiervoor voor een periode van veertien dagen in het ziekenhuis opgenomen. Ook de gevolgen hiervan voor [verzoekster] zijn zeker ernstig te noemen, te meer omdat zij nog dagelijks pijn ervaart in de rug, het linkerbeen en de rechterhand. Daarnaast wordt zij in haar dagelijks leven beperkt door paniekaanvallen vanwege herbelevingen. Dit leidt ertoe dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist en wel in die zin dat dat NN 70% van de schade van [verzoekster] moet dragen en dat [verzoekster] 30% van de schade zelf moet dragen.

Kosten deelgeschil

5.14.

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt begroot. Hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet eveneens redelijk zijn.

5.15.

[verzoekster] heeft de kosten van dit deelgeschil begroot op € 4.440,82. Zij gaat daarbij uit van een tijdsbesteding van haar advocaat van 14 uur tegen een uurtarief van € 245 exclusief 7% kantoorkosten en btw. Daar komt dan nog een bedrag van € 86 aan griffierecht bij.

5.16.

NN maakt bezwaar tegen deze kostenopgave. Volgens haar moet het aantal aan de zaak bestede uren worden gematigd tot 10,5 uur, exclusief reiskosten. Hiertoe stelt zij dat de zaak niet zodanig complex is dat deze een ruimere tijdsbesteding rechtvaardigt. Bovendien acht zij het gehanteerde uurtarief bovenmatig en is zij het er niet mee eens dat de reistijd tegen het volle uurtarief in rekening wordt gebracht. Zij acht een uurtarief van € 230 zonder kantoorkosten redelijk en wil voor reizen uitgaan van een tarief van € 0,24 per kilometer.

5.17.

Mede gelet op de geringe complexiteit van de zaak en de omstandigheden dat deze wordt behandeld door een advocaat met enige expertise op het gebied van letselschade, acht de rechtbank de door de advocaat van [verzoekster] opgegeven tijdsbesteding aan de hoge kant. Zij zal uitgaan van een tijdsbesteding van twaalf uur. Het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet bovenmatig. De rechtbank zal geen rekening houden met kantoorkosten, nu niet gebleken is dat deze feitelijk in deze mate zijn gemaakt.

5.18.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten van deze procedure in redelijkheid begroten op een bedrag van € 3.643,40 (twaalf uur x € 245 te vermeerderen met 21% btw en met het betaalde griffierecht van € 86).

5.19.

Aangezien NN voor 70% aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als het gevolg van het ongeval heeft geleden, zal NN veroordeeld worden tot betaling van 70% van het hiervoor begrote bedrag, oftewel een bedrag van € 2.550,38. ECLI:NL:RBDHA:2023:17559