Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Rotterdam 270516 meerdere auto-ongevallen en val uit lift; voor vaststellen causaal verband is deskundigenbericht noodzakelijk

Rb Rotterdam 270516 meerdere auto-ongevallen en val uit lift; als schade aangetoond wordt is wg-er aansprakelijk voor val uit lift in parkeergarage na beeindiging werkzaamheden
- voor vaststellen causaal verband is deskundigenbericht noodzakelijk

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende vast:

2.1.
[eiser] – geboren op [geboortedatum] 1968 – is bekend met de huidziekte psoriasis en met gewrichtsproblemen. [eiser] is in 1989 betrokken geweest bij een (ernstig) verkeersongeval. Hij heeft daarbij onder meer een hersenschudding en letsel aan zijn linkeroog opgelopen. Een andere inzittende van de auto is daarbij overleden. [eiser] heeft vanaf 1990 een WAO-uitkering ontvangen wegens depressieve klachten na het verkeersongeval van 1989. Deze uitkering is in 2000 beëindigd.

2.2.
Op 31 december 1996 is [eiser] opnieuw betrokken geweest bij een aanrijding, waarbij een andere auto achterop zijn auto is gebotst. Deze auto was op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij de Onderlinge Schadeverzekeringsmaatschappij Woudsend Anno 1816 U.A. (hierna: Woudsend). [eiser] is na dit ongeval onder behandeling geweest voor onder meer heup- en nekklachten.

2.3.
[eiser] is op 6 januari 1997 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de Gemeente op basis van de Wet sociale werkvoorziening, en was laatstelijk werkzaam in de functie van beveiligingsbeambte A. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Sociale Werkvoorziening (hierna: CAO WSW) van toepassing. Op basis hiervan ontving [eiser] een onregelmatigheidstoeslag (hierna: ORT). [eiser] heeft daarnaast op oproepbasis als beveiliger gewerkt voor The Security Company B.V.

2.4.
[eiser] heeft in rechte schadevergoeding gevorderd van Woudsend bij de rechtbank Rotterdam. In het tussenvonnis van 9 mei 2007 (zaak-/rolnummer 236848 / HA ZA 05-4457) heeft de rechtbank neuroloog [B.] (hierna: [B.] ) als deskundige benoemd.

2.5.
Op 13 maart 2007 is [eiser] wederom betrokken geweest bij een aanrijding, waarbij een andere auto achterop zijn auto is gebotst. [eiser] is daarna onder behandeling geweest naar aanleiding van onder meer nekpijn, hoofdpijn, oorsuizen en vermoeidheid. London heeft als WAM-verzekeraar van het achterop komende motorrijtuig aansprakelijkheid erkend. Tussen [eiser] en London is overleg geweest over de afwikkeling van de schade, maar de onderhandelingen hierover zijn uiteindelijk vastgelopen.

2.6.
[B.] heeft [eiser] op 27 november 2007 onderzocht. In zijn (ongedateerde) rapportage vermeld [B.] dat er in objectiverend neurologische zin geen afwijkingen zijn gevonden. In het rapport is voorts het volgende vermeld:

“VII. CONCLUSIES:
1. Bij het hem overkomen ongeval d.d. 31.12.1996 liep betrokkene een licht acceleratieletsel op van de nekstreek. Na redelijk herstel resteerden niettemin een zeer mild chronisch laat postwhiplashsyndroom bestaande uit gering verminderde belastbaarheid van nek- en schoudergordel met nu en dan optredende cognitieve klachten.

2. Bij het ongeval d.d. 13.3.2007 liep betrokkene een heftig acceleratieletsel op met thans het beeld van het ontwikkelen van een matig ernstig chronisch laat postwhiplashsyndroom. Dit is uiteraard los te zien van de gevolgen van het eerste hem overkomen ongeval.”

2.7.
In 2008 is eindvonnis gewezen in de zaak tussen [eiser] en Woudsend, waarbij de vorderingen van [eiser] deels zijn toegewezen.

2.8.
In 2009 en in 2010 is [eiser] tweemaal lange tijd (eerst ruim tien maanden en later bijna zeven maanden) arbeidsongeschikt geweest als gevolg van psoriasis.

2.9.
Op 5 maart 2013 was [eiser] voor de Gemeente als beveiliger werkzaam in het Europoint-complex nabij het Marconiplein te Rotterdam. [eiser] was met de auto naar het werk gekomen en had deze geparkeerd in de bij het Europoint-complex behorende parkeergarage. Na het einde van zijn dienst nam [eiser] , op weg naar zijn auto, om circa 14:45 uur samen met zijn collega de heer [S.] (hierna: [S.] ) de lift naar de verdieping waar zijn auto geparkeerd stond. Bij het uit de lift stappen is [eiser] ten val gekomen dan wel heeft zich verstapt. De lift was niet op de juiste positie gestopt, waardoor de vloer van de lift hoger lag dan de vloer van de verdieping. Er heeft geen onderzoek door de arbeidsinspectie naar het ongeval plaatsgevonden.

2.10.
Op 6 maart 2013 is [eiser] aan het werk gegaan. Hij heeft die dag tevens zijn huisarts bezocht wegens onder meer nekpijn, hoofdpijn en misselijkheid. Op 7 maart 2013 heeft [eiser] zich per e-mail ziekgemeld. Hij heeft hierbij tevens om een ongevalsformulier verzocht. Op 2 mei 2015 heeft [eiser] de Gemeente verzocht zijn ORT door te betalen. Dit is namens de Gemeente bij brief van 23 mei 2013 geweigerd. Op 15 augustus 2013 heeft [eiser] een ongevalsformulier ingevuld, dat hij kort daarvoor had ontvangen. Bij brief van 23 augustus 2013 heeft de Gemeente [eiser] laten weten dat zij de stukken met betrekking tot het ongeval heeft doorgestuurd aan de beheerder van het de ongevalslocatie met het verzoek de aansprakelijkstelling in behandeling te nemen. Bij brief van 20 maart 2014 heeft de rechtshulpverlener van [eiser] de Gemeente als werkgever en als bezitter van het pand aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het ongeval, waaronder de gemiste ORT. In onder meer haar e-mail van 26 mei 2014 heeft de Gemeente de aansprakelijkheid afgewezen.

2.11.
Vanaf 8 maart 2014 ontvangt [eiser] 70% van zijn laatst verdiende loon. In zijn e-mail van 29 april 2014 heeft [eiser] verzocht om over het tweede ziektejaar 100% van het laatst verdiende loon door te betalen. Volgens [eiser] heeft hij recht op 100% doorbetaling, omdat sprake is van een bedrijfsongeval. De Gemeente heeft hierop laten weten dat er geen sprake is van een bedrijfsongeval, waardoor de korting op het salaris gehandhaafd blijft. Met ingang van 7 maart 2015 ontvangt [eiser] een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80%. Zowel [eiser] als de Gemeente hebben bezwaar gemaakt tegen het percentage arbeidsongeschiktheid (74,26%). In haar beslissing op het bezwaar van 19 oktober 2015 heeft het UWV dit percentage aangepast naar 73,39%, hetgeen echter geen gevolg had voor de hoogte van de WGA-uitkering.

2.12.
Op 7 april 2014 is [eiser] tijdens het file rijden met geringe snelheid van achteren aangereden door een andere auto. Aegon heeft als WAM-verzekeraar van het achterop komende motorrijtuig aansprakelijkheid erkend. Schaderegeling heeft nog niet plaatsgevonden.

De vordering

3.1.
[eiser] heeft – verkort weergegeven – gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (de Romeinse cijfers verwijzen naar de onderdelen van het petitum):
Ten aanzien van de Gemeente:
- te verklaren voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van het liftongeval (I);
- de Gemeente te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon over de periode van de maand april 2013 tot en met 4 maart 2015 van € 29.449,36 bruto inclusief 8% vakantiebijslag, vermeerderd de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, onder verstrekking van deugdelijke specificaties (II);

Ten aanzien van London:
- London te veroordelen tot betaling van het verlies arbeidsvermogen bestaande uit de gederfde ORT over de periode maart tot en met december 2007 ad € 1.660,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente (VI);
- London te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.093,34, te vermeerderen met de wettelijke rente (XII);

Ten aanzien van London, de Gemeente en Aegon:
- London, de Gemeente en Aegon te veroordelen tot betaling van:
- de reiskosten ad € 487,20 (III);
- de niet-vergoede ziektekosten ad € 497,60 (IV);
- de kosten voor huishoudelijke hulp ad € 21.030,50 (V);
- de gederfde inkomsten door niet te kunnen werken bij de firma [naam firma] in de periode van de maart 2007 tot en met juli 2015 ad € 35.121,00 (VII);
- het loon over de periode van april 2013 tot en met 4 maart 2015 ad € 15.756,70 netto inclusief 8% vakantiebijslag, in het geval dat dat de vordering onder II (gedeeltelijk) wordt afgewezen (VIII);
- de schade bestaande uit het verlies arbeidsvermogen over de periode van 7 maart 2015 tot en met 31 juli 2015 ad € 1.968,80 (IX);
- de schade als gevolg van verlies van zelfwerkzaamheid ad € 4.052,97 (X);
- immateriële schadevergoeding ad € 20.000,00 (XI);

steeds vermeerderd met de wettelijke rente;
- London, de Gemeente en Aegon te veroordelen tot betaling van de overige schade van [eiser] als gevolg van het verkeersongeval in 2007, het liftongeval in 2013 en het verkeersongeval in 2014, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (XIII);
- London, de Gemeente en Aegon te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten (XIV).

3.2.
Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat de Gemeente aansprakelijk is voor de gevolgen van het liftongeval op grond van artikel 7:658 BW. (Meer) subsidiair baseert [eiser] de aansprakelijkheid van de Gemeente op artikel 7:611 BW dan wel artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 en 6:182 BW. London en Aegon zijn op grond van de artikelen 6:99 BW in verbinding met 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk voor alle door [eiser] uit de ongevallen geleden schade, nu de schade ten minste het gevolg is van één van deze ongelukken.

3.3.
Op de stellingen van [eiser] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het verweer

4.1.
London, de Gemeente en Aegon hebben ieder afzonderlijk verweer gevoerd en concluderen allen tot afwijzing van de vorderingen.

4.2.
London heeft tegen de vordering aangevoerd – kort weergegeven – dat de door [eiser] gestelde klachten en daaruit voortvloeiende schade niet het gevolg is van het ongeval in 2007. Er is sprake van zowel andere schadeveroorzakende gebeurtenissen als pre-existente klachten. London baseert zich daarvoor de informatie uit de eerdere schaderegeling in 2008 en 2012 met de toenmalige rechtshulpverleners van [eiser] en de door haar ingewonnen medische adviezen. London kan zich voorts niet vinden in de conclusies van neuroloog [B.] , bij wiens onderzoek zij in het geheel niet betrokken is geweest. Het beroep op artikel 6:102 BW gaat niet op, nu niet is onderbouwd dat de verschillende oorzaken dezelfde schade tot gevolg hadden. Het is ook niet zo dat elke schadeveroorzakende gebeurtenis de gehele schade kan hebben veroorzaakt, waardoor ook 6:99 BW toepassing mist. London betwist ten slotte de door [eiser] gehanteerde uitgangspunten ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen, in het bijzonder de omvang van de verdiensten bij The Security Company B.V. en de aanname dat [eiser] bij [naam firma] in dienst zou zijn getreden.

4.3.
De Gemeente heeft tegen de vordering aangevoerd – kort weergegeven – dat zij niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het liftongeval, nu dit buiten werktijd en niet tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van [eiser] heeft plaatsgevonden. Er is volgens de Gemeente bovendien geen causaal verband tussen het liftongeval en de schade. De Gemeente is niet aansprakelijk op grond van artikel 7:611 BW, nu het ongeval geen verband houdt met de werkzaamheden en er evenmin sprake was van een specifiek en kenbaar gevaar. De Gemeente is niet de bezitter van het opstal waarin de lift zich bevindt waaruit [eiser] is gevallen, waardoor artikel 6:174 BW niet van toepassing is. [eiser] heeft geen recht op betaling van 100% van zijn loon over het tweede ziektejaar als bedoeld in artikel 8.1 lid 4 CAO WSW, nu geen sprake was van een bedrijfsongeval. Het geschil met betrekking tot de vraag of [eiser] recht heeft doorbetaling van de ORT is reeds beslecht in een procedure tussen de Gemeente en [eiser] bij het gerechtshof Den Haag. Dit onderdeel van de vordering is destijds al afgewezen. Het debat over de schade kan pas gevoerd worden wanneer vast zou komen te staan dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is. Gelet op het aantal ongevallen en het aantal gedaagden, zou de schade beoordeeld moeten worden in een schadestaatprocedure.

4.4.
Aegon heeft tegen de vordering aangevoerd – kort weergegeven – dat het indemniteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:960 BW zich mogelijk verzet tegen toewijzing van de vordering. De schade van [eiser] is mogelijk al (gedeeltelijk) vergoed na schaderegeling dan wel gerechtelijke procedure naar aanleiding van de ongevallen in 1989 en 1996. [eiser] dient de relevante stukken te achterhalen en in het geding te brengen. Aegon heeft voorts aangevoerd dat geen causaal verband bestaat tussen de door [eiser] gestelde klachten en het ongeval in 2014. Volgens Aegon betrof dit een aanrijding met een zodanig lage impact, dat het niet mogelijk is dat daardoor klachten zijn veroorzaakt. Het betreft naar haar mening pre-existente klachten die kennelijk het gevolg zijn van eerdere gebeurtenissen. Subsidiair is er volgens Aegon sprake van een zodanige predispositie dat de schade als gevolg van het ongeval in 2014 niet aan haar kan worden toegerekend. De klachten zijn als gevolg van het ongeval in 2014 niet verergerd, waardoor geen sprake is mengschade in de zin van artikel 6:99 BW. Aegon betwist de juistheid van de schadebegroting en merkt daarbij op dat [eiser] niet steeds heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht, nu van [eiser] meer inzet verwacht had mogen worden bij de medische behandelingen.

4.5.
Op de stellingen van London, de Gemeente en Aegon wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil

5.1.
De vordering van [eiser] bestaat hoofdzakelijk uit vergoeding van de schade die volgens hem het gevolg is van de ongevallen van 2007, 2013 en 2014, waarbij [eiser] stelt dat London, de Gemeente en Aegon hoofdelijk aansprakelijk zijn voor (het grootste deel van) de totale schade. London en Aegon stellen slechts aansprakelijk te zijn voor (eventuele) schade die het gevolg is van de ongevallen van respectievelijk 2007 en 2014, de Gemeente betwist überhaupt aansprakelijk te zijn jegens [eiser] .

5.2.
Eerst zal beoordeeld worden of de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval met de lift in 2013 (de vordering onder I). Vervolgens zal worden ingegaan op het causaal verband tussen de verschillende ongevallen en de door [eiser] gestelde schade, voordat toegekomen kan worden aan de beoordeling van de schadeposten zelf. Ten slotte wordt ingegaan op de loonvordering van [eiser] op de Gemeente (de vordering onder II).

Aansprakelijkheid van de Gemeente

5.3.
Voor aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van artikel 7:658 BW is vereist dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Door de Gemeente is niet betwist dat de lift niet naar behoren functioneerde. Hoewel het exacte hoogteverschil tussen de lift en de vloer niet vast staat (daarover is niet eenduidig verklaard), kan er in rechte vanuit worden gegaan dat er sprake was van een aanzienlijk niveauverschil, waardoor de lift niet voldeed aan de eisen van artikel 7:658 lid 1 BW. De Gemeente betwist echter wel dat (1) het ongeval ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ heeft plaatsgevonden en (2) [eiser] schade heeft geleden die het gevolg is van het ongeval met de lift. Er is door de Gemeente geen beroep gedaan op opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] .

5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeval met de lift op 5 maart 2013 om omstreeks 14:50 uur heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft gesteld (randnummer 34 van de dagvaarding) dat zijn dienst die dag tot 15:00 uur duurde, en concludeert daaruit dat het ongeval tijdens zijn dienst en dus in de uitoefening van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden. De kantonrechter volgt [eiser] niet in dit standpunt. Uit zijn eigen stellingen (randnummer 10 van de dagvaarding) blijkt immers dat – hoewel hij tot 15:00 uur was ingepland – [eiser] zijn werkzaamheden reeds om 14:45 uur had overgedragen en zijn dienst had beëindigd. Het ongeval vond dus plaats na afloop van het verrichten van zijn werkzaamheden als beveiliger.

5.5.
Dat [eiser] zijn werkzaamheden had beëindigd, hoeft aansprakelijkheid echter niet uit te sluiten, zie Hoge Raad 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1027 en NJ 1993, 687 (Power/Ardross), waaruit volgt dat een werkgever ook aansprakelijk kan zijn voor een ongeval dat zich voordeed na het verlaten van de werkplek (op weg naar een kleedruimte). In de onderhavige zaak is sprake van een enigszins vergelijkbare situatie, nu het ongeval zich voordeed toen [eiser] na het werk op weg was naar zijn auto, die geparkeerd stond in de parkeergarage. [eiser] is gevallen uit de lift die bij de parkeergarage behoort. De parkeergarage maakt weer onderdeel uit van het gebouwencomplex waar [eiser] werkte. [eiser] was weliswaar op weg naar huis, maar ongeval gebeurde niet op de openbare weg of een andere locatie waar de werkgever evident geen zeggenschap over heeft. Het betreft dan ook geen ongeval tijdens regulier woon-werkverkeer, waarvoor de werkgever doorgaans niet aansprakelijk is.

5.6.
De Gemeente moet op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk worden geacht wanneer de lift in de parkeergarage aangemerkt kan worden als een plaats waar [eiser] zijn werkzaamheden verrichtte. Voor dit begrip kan aansluiting worden gezocht bij de in artikel 1 lid 3, aanhef en onder g, Arbeidsomstandighedenwet omschreven ‘arbeidsplaats’, dat wil zeggen iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt (zie Hoge Raad 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf). Bij de beoordeling van de vraag of de betreffende lift als arbeidsplaats beschouwd moet worden, is met name van belang of de werkgever zeggenschap had over de plaats waar het ongeval gebeurde. Dit betreft de mogelijkheid van de werkgever om maatregelen te treffen of aanwijzingen te geven om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. Daaruit volgt dat wanneer een lift onderdeel uitmaakt van de werkplek, de werkgever hieraan regulier onderhoud dient te (laten) verrichten en actie te ondernemen wanneer zich mankementen voordoen. Niet in geschil is dat de Gemeente als (mede)gebruiker van het pand in staat was om zorg te (laten) dragen voor het onderhoud aan de liften.

5.7.
Door de Gemeente is niet betwist dat de lift waar het ongeval heeft plaatsgevonden zich op een gebruikelijke route naar de parkeerplekken bevindt. Voorts staat vast dat de beveiligingswerkzaamheden zich buiten kantooruren en in het weekeinde ook tot dit onderdeel van het gebouwencomplex uitstrekten (onder meer in verband met het toezicht houden op de parkeergarage en het openen van deuren en hekken), maar dat [eiser] hier op de dag van het ongeval (een dinsdag) zelf niet hoefde te zijn voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. De Gemeente stelt zich op het standpunt de betreffende lift daarom niet als werkplek van [eiser] kan worden aangemerkt, omdat op werkdagen tussen 7:00 uur en 18:30 uur een andere partij zeggenschap had over de parkeergarage. Het standpunt van de Gemeente impliceert dat de lift tijdens andere diensten volgens haar wel onderdeel uitmaakt van de werkplek en dat zij daardoor tijdens die diensten wel verantwoordelijk kan zijn met ongevallen met de lift. Hoewel het mogelijk is dat het gebruik en daarmee wellicht ook de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de lift door de Gemeente gedeeld werd met derden, kan de verantwoordelijkheid van de Gemeente voor een goed functionerende lift naar zijn aard niet worden beperkt tot bepaalde dagen of uren.

5.8.
Nu (a) de werkzaamheden van de beveiliging op bepaalde momenten ook uitstrekten tot de lift en (b) het ongeval zich voordeed bij direct na het beëindigen van de werkzaamheden verlaten van het pand langs een gebruikelijke route, moet geconcludeerd worden dat de betreffende lift onderdeel uitmaakte van de arbeidsplaats van [eiser] . Het ongeval heeft zich dan ook voorgedaan in de uitoefening van de werkzaamheden in de zin van artikel 7:658 lid 2 BW.

5.9.
Uit het voorgaande volgt dat de Gemeente aansprakelijk is jegens [eiser] voor de gevolgen van de val uit de lift, mits er sprake is van schade als gevolg van dit ongeval. Het causaal verband tussen het liftongeval en de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen wordt echter door de Gemeente betwist. De beantwoording van de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het liftongeval en de door [eiser] gestelde schade hangt samen met de beoordeling van de causale verbanden tussen de andere ongevallen en de schade. Deze vragen zullen hieronder daarom gezamenlijk behandeld worden.

5.10.
Indien een causaal verband met door [eiser] geleden schade wel vast komt te staan, ontstaat aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW en komt de kantonrechter niet meer toe aan de subsidiair aangevoerde grondslagen voor aansprakelijkheid, te weten goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) en aansprakelijkheid voor de opstal (artikel 6:174 BW). Ten aanzien van de laatgenoemde grond is overigens niet vast komen te staan dat de Gemeente naast gebruiker ook als bezitter van de opstal aangemerkt moet worden. In het geval dat geen causaal verband tussen het liftongeval en de klachten en beperkingen (en daaruit voortvloeiende schade) niet vast komt te staan, ontbreekt om die reden ook op grond van de artikelen 7:611 BW en 6:174 BW aansprakelijkheid.

Causaliteit

5.11.
[eiser] zijn vijf ongevallen overkomen: in 1989, 1996, 2007, 2013 en 2014. Aegon stelt dat er sprake is van een zesde ongeval, dat zich zou hebben voorgedaan in 2007, toen een tram waarin [eiser] zich bevond, een noodstop maakte. Dit voorval is genoemd in een (in deze procedure niet overgelegd) verslag van de bedrijfsarts van 24 juli 2007, dat is aangehaald in een in opdracht van London uitgebracht medisch advies van 19 februari 2004. Hieruit blijkt echter niet dat het incident in de tram heeft geleid tot meer dan een tijdelijke verergering van de op dat moment aanwezige klachten. Dit incident zal dan ook niet als afzonderlijke schadeveroorzakende gebeurtenis aangemerkt.

5.12.
Van de vijf ongevallen zijn slechts de ongevallen uit 2007, 2013 en 2014 onderwerp van deze procedure. [eiser] acht London, de Gemeente en Aegon hoofdelijk aansprakelijk voor het grootste deel van de schade (de vorderingen onder III-V, VII-XI en XIII). In beginsel dient iedere gedaagde echter slechts de schade te vergoeden die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dat zij hem als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Alle gedaagden betwisten gemotiveerd het causaal verband tussen de gestelde schade en de gebeurtenissen waarvoor zij aansprakelijk zijn. Er zal daarom per ongeval vastgesteld moeten worden welke gevolgen dit heeft gehad. Het beroep van [eiser] op artikel 6:99 BW in verbinding met 6:102 BW maakt dit niet anders. Thans staat immers niet vast dat de schade door toedoen van ten minste één van de ongevallen uit 2007, 2013 en 2014 is ontstaan. Pas wanneer vast staat dát bepaalde schadeposten mogelijk door twee of meer gedaagden zijn veroorzaakt, rust de (hoofdelijke) verplichting tot schadevergoeding op ieder van de mogelijke veroorzakers, tenzij een veroorzaker bewijst dat de betreffende schade niet het gevolg is van de gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is. Voor de goede orde wordt in dit verband vast opgemerkt dat in ieder geval niet alle onder III-V, VII-XI en XIII gevorderde schade als mengschade gekwalificeerd zal kunnen worden. Zo zijn de Gemeente en Aegon – anders dan [eiser] kennelijk meent – niet aansprakelijk voor schade die zich voordeed vóór 5 maart 2013 respectievelijk 7 april 2014.

5.13.
Er sprake is van een reeks van ongevallen met mogelijk vergelijkbare gevolgen. Dit bemoeilijkt het beoordelen van het causaal verband tussen de gestelde schade enerzijds en de verschillende ongevallen anderzijds. Bovendien is sprake van niet aan enig ongeval gerelateerde oorzaken, zoals de psoriasis waar [eiser] aan lijdt. Desalniettemin dient zoveel mogelijk per ongeval beoordeeld te worden tot welke klachten en beperkingen dit heeft geleid en in welke periode deze klachten en beperkingen zich hebben voorgedaan. Dit wordt hieronder nader uitgewerkt.

Ongeval in 2007

5.14.
[eiser] heeft gesteld dat het ongeval in 2007 (een achterop aanrijding met een snelheid van circa een 65-70 kilometer per uur) heeft geleid tot ‘postwhiplashklachten’. De gevolgen van dit ongeval zijn onderzocht door neuroloog [B.] . Deze deskundige was weliswaar benoemd in de procedure tussen [eiser] en Woudsend om zich uit te laten over de gevolgen van het ongeval uit 1996, maar nu zich in de tussentijd het ongeval uit 2007 voordeed, was [B.] genoodzaakt ook dit ongeval bij zijn expertise te betrekken. London, de verzekeraar die aansprakelijkheid heeft erkend voor de gevolgen van het ongeval in 2007, heeft bezwaar tegen verschillende onderdelen van het rapport van [B.] . Nu London geen partij was in de procedure tussen [eiser] en Woudsend en evenmin bij de expertise door [B.] is betrokken, is zij niet zonder meer aan deze rapportage gebonden. Tegelijkertijd moet vastgesteld worden dat, als gevolg van het tijdverloop en de ongevallen die [eiser] na 2007 zijn overkomen, het door [B.] uitgevoerde onderzoek niet meer herhaald kan worden door een andere neuroloog. Het rapport van [B.] zal daarom in deze procedure worden gebruikt, voor zover de stellingen van London zich hier niet tegen verzetten.

5.15.
London maakt bezwaar tegen de door [B.] vastgestelde beperkingen. Nu op grond van de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie door neurologen geen beperkingen meer worden vastgesteld, zullen de door [B.] genoemde beperkingen van [eiser] niet in deze procedure worden als vaststaand worden aangenomen. London kan zich er voorts niet in vinden dat [B.] de gevolgen van het ongeval van 2007 veel ernstiger inschat dan die van het ongeval van 1996. Deze conclusie van [B.] lijkt vooral gebaseerd op de constatering dat [eiser] zich vanaf 1998 (bijna twee jaar na het ongeval) niet meer heeft gemeld bij huisarts met nekklachten en/of concentratieproblemen en uiteindelijk weer volledig arbeidsgeschikt was. Ten tijde van het onderzoek door [B.] was het ongeval van 2007 echter circa pas circa acht maanden geleden, waardoor een vergelijking van de ernst van de gevolgen van beide ongevallen voorbarig lijkt. Ook na het ongeval van 2007 is [eiser] bijvoorbeeld uiteindelijk weer volledig arbeidsgeschikt geworden. Voor zover de conclusie van [B.] tevens is gebaseerd op het feit dat de auto van [eiser] bij het tweede ongeval total loss is verklaard, wordt opgemerkt dat dit een economische term betreft die sterk afhangt van de (kennelijk geringe) waarde van de auto ten tijde van het ongeval. De opmerkingen van [B.] met betrekking tot de ernst van het ongeval van 2007 ten opzichte het ongeval van 1996 worden daarom door de kantonrechter vooralsnog niet overgenomen. Van de zijde van London is geen verweer gevoerd tegen de door [B.] gestelde diagnoses, te weten tweemaal een postwhiplashsyndroom zonder objectief vast te stellen afwijkingen. In deze procedure zal daarom van deze diagnoses worden uitgegaan.

5.16.
Door het ontbreken van medisch objectiveerbaar letsel kan geen medisch causaal verband ten aanzien van het ongeval van 2007 worden vastgesteld. Er zal derhalve moeten worden beoordeeld of er een juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval van 2007 en de klachten en beperkingen die zich daarna voordeden. Daarvoor dient in de eerste plaats beoordeeld te worden of de door [eiser] gestelde klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Wanneer hieraan voldaan is, dient een vergelijking te worden gemaakt van de gezondheidsklachten voor en na het ongeval, waarna beoordeeld moet worden of de (toename van de) gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en of alternatieve verklaringen daarvoor ontbreken.

Ongeval in 2013

5.17.
De klachten die [eiser] ervoer na het ongeval van 2007 zijn met de tijd verminderd. [eiser] was in ieder geval op enig moment weer volledig arbeidsgeschikt. [eiser] stelt dat het ongeval met de lift in 2013 het voorheen bestaande klachtenbeeld, heeft ‘geheractiveerd’. Door [eiser] is niet gesteld dat ook bij dit ongeval wel medisch objectiveerbaar letsel is ontstaan. Ook ten aanzien van deze klachten zal derhalve de hierboven genoemde toets van de juridische causaliteit moeten worden toegepast.

5.18.
Door de Gemeente wordt, onder verwijzing naar het medisch advies van [H.] (hierna: [H.], betwist dat er sprake is van een verband tussen (de terugkeer van) de klachten en het ongeval met de lift. De Gemeente stelt in dat verband in de eerste plaats dat [eiser] niet uit de lift is gevallen (zoals [eiser] stelt), maar zich door het hoogteverschil heeft verstapt (overigens bestaat tevens onduidelijkheid over de omvang van het hoogteverschil). Ter onderbouwing van de door hen gestelde toedracht van het ongeval beroepen [eiser] en de Gemeente zich beide op een verklaring van [S.] : [eiser] verwijst naar de door [S.] ondertekende verklaring van 23 september 2013 (onderdeel van productie 4 bij dagvaarding) en de Gemeente verwijst naar de schriftelijke vastlegging van een telefonische verklaring van [S.] van 23 juli 2013 (productie 2 bij de conclusie van antwoord van de Gemeente). Deze verklaringen zijn tegenstrijdig. In de verklaring van 23 september 2013 vermeldt [S.] : “Toen de liftdeuren opengingen stapte collega dhr [eiser] direct uit de lift, want hij stond vlak naast de deur en viel dus naar beneden”, terwijl [S.] tegenover de Gemeente heeft verklaard dat [eiser] met zijn voet op de grond kwam en er geen sprake was van een val. Gelet op de onderling tegenstrijdige verklaringen van [S.] kan thans niet vastgesteld worden dat [eiser] uit de lift is gevallen en daardoor op de grond is beland. Het achterhalen van de feitelijke toedracht van het ongeval is mogelijk van belang om een oordeel te kunnen vellen over causaal verband tussen het ongeval van 2013 en de gestelde schade. Daarvoor zou bijvoorbeeld [S.] als getuige gehoord moeten worden. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten.

5.19.
Door de Gemeente is voorts gewezen op mogelijke andere oorzaken van de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen vanaf 2013. Daarbij noemt zij in de eerste plaats de lange medische voorgeschiedenis van [eiser] . Daarnaast plaatst zij een kanttekening bij de psychische klachten, waarbij onder meer in het oog springt dat [eiser] kennelijk reeds vanaf 6 maart 2013 (één dag ná het ongeval en één dag vóór de ziekmelding) onder behandeling stond bij psycholoog [P.] . Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de psychische problemen dateren van voor het ongeval in 2013. Door de Gemeente is voorts gewezen op de kennelijke traumagevoeligheid van [eiser] , waarbij tevens passiviteit en onvoldoende motivatie voor behandelingen die het patroon zouden kunnen doorbreken worden genoemd. Overigens schrijft psycholoog [P.] in een brief van 13 maart 2015 aan het UWV dat bij [eiser] een aan een pijnstoornis gebonden aan somatische en psychische factoren is vastgesteld met daarnaast een depressie.

Ongeval in 2014

5.20.
Het verkeersongeval uit 2014 (de auto van [eiser] werd in een file achterop aangereden met een snelheid van circa 10-15 kilometer per uur) heeft volgens [eiser] geleid tot een verdere verergering van de klachten die hij in 2013 ervoer. Door [eiser] is niet gesteld dat bij dit ongeval wel sprake is van medisch objectiveerbaar letsel, waardoor dit ongeval zal worden getoetst aan het criterium van de juridische causaliteit.

5.21.
Door [eiser] is niet toegelicht waaruit de verergering van de klachten precies bestaat. Vast staat dat na het ongeval door het ambulancepersoneel geen afwijkingen zijn geconstateerd en dat daarna geen verder medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Van de zijde van Aegon, de verzekeraar die de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, is aangegeven dat een aanrijding met een zodanig lage impact niet de gestelde verergering teweeg kan brengen.

Deskundigenonderzoek

5.22.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat een deskundigenbericht door één of meer deskundigen noodzakelijk is om een oordeel te kunnen geven over het causaal verband. Een deskundige zal op grond van een medisch onderzoek en het medisch dossier een vergelijking kunnen maken van de gezondheidssituatie van [eiser] voor en na de drie ongevallen en kan zich vervolgens uitlaten over in hoeverre de (toename van de) klachten is veroorzaakt door het betreffende ongeval. Het uitgangspunt daarbij is de IWMD-vraagstelling. Daarbij kan de deskundige in het bijzonder ingaan op de vraag of het mogelijk is dat een oud whiplashtrauma wordt gereactiveerd en op de vraag of het mogelijk is dat een aanrijding met een zeer lage impact bestaande whiplashklachten kan verergeren. De deskundige kan voorts wijzen op mogelijke alternatieve oorzaken van de (toename van de) klachten, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de pre-existente psoriasis van [eiser] . Ten aanzien van deze vragen ligt – nu het primair om whiplashachtige klachten gaat – het raadplegen van een neuroloog wellicht in de rede.

5.23.
Naast de inventarisatie van de klachten dient tevens inzicht te worden verkregen of de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Met het oog op de beantwoording van deze vraag lijkt mogelijk de benoeming van een psychiater als deskundige aangewezen. Daarbij zou tevens duidelijkheid kunnen worden verkregen over het verloop van de psychische klachten waarvoor [eiser] sinds 6 maart 2013 onder behandeling is. Ten slotte zou door een psychiater kunnen worden ingegaan op de houding van [eiser] ten aanzien van zijn herstel en de door De Brouwer genoemde traumagevoeligheid.

5.24.
Naast het medisch dossier zou(den) de deskundige(n) tevens gebruik kunnen maken van het verzuimdossier. Hoewel de vraag of [eiser] aan het werk was niet doorslaggevend is voor het bestaan van klachten, kan inzage in de verzuimhistorie wel aanvullend inzicht geven in aanwezigheid en ernst van de gestelde klachten.

5.25.
Het hierboven beschreven onderzoek betreft de vaststellingsfase van het causaal verband en niet de toerekening van de schade. Thans is echter duidelijk dat, wanneer een causaal verband zal worden aangenomen, bij de toerekening van de schade sprake is van predisponerende factoren die aanleiding zouden kunnen geven de looptijd van de schade te beperken. Dit betreft in het bijzonder de psychische klachten na het ongeval van 1989 en het postwhiplashsyndroom na het ongeval van 1996. Om proceseconomische redenen zouden de vragen met betrekking tot predispositie tevens aan de deskundige(n) kunnen worden voorgelegd.

5.26.
Voordat tot een deskundigenbericht wordt overgegaan, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het volgende:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- de noodzaak om de toedracht van het ongeval in 2013 voorafgaand aan een deskundigenbericht nader te onderzoeken;
- het aantal te benoemen deskundige(n);
- het specialisme van de te benoemen deskundige(n);
- de persoon van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen (zie overweging 5.22 en 5.25).
De kantonrechter zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

5.27.
Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

5.28.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding vooralsnog aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige(n) gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen zullen daarom ieder een kwart van dit voorschot moeten betalen.

5.29.
Nu nader onderzoek naar het causaal verband is aangewezen, zal de beslissing ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht (de vordering onder I) worden aangehouden.

Loonvordering en ORT

5.30.
[eiser] vordert van de Gemeente primair betaling van achterstallig loon van € 29.449,36 bruto over de periode van de maand april 2013 tot en met 4 maart 2015. [eiser] stelt ter onderbouwing hiervan dat gedurende de gehele ziekteperiode ten onrechte de ORT niet is doorbetaald en dat hij daarnaast gedurende het tweede ziektejaar 100% van zijn laatstverdiende loon had behoren te ontvangen in plaats van slechts 70% daarvan. Deze bedragen zijn subsidiair als onderdeel van het verlies aan verdienvermogen gevorderd.

5.31.
Op grond van artikel 8.1 lid 4 CAO WSW behoudt een werknemer recht op 100% van zijn laatstverdiende loon, indien de ziekte het gevolg is van een bedrijfsongeval. Uit het hetgeen is overwogen onder 5.16 volgt echter dat de relatie tussen de ziekmelding en de val uit de lift nog niet kan worden vastgesteld. De beslissing op dit onderdeel van de vordering zal daarom worden aangehouden tot een oordeel is gegeven over het causaal verband.

5.32.
De vordering tot doorbetaling van de loon tijdens de ziekte bestaat voor een belangrijk deel uit gemiste ORT. Om proceseconomische redenen zal ook dit onderdeel van de vordering worden aangehouden.

Overige

5.33.
De beoordeling van de verschillende schadeposten (waaronder de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure) zal plaatsvinden wanneer duidelijkheid is verkregen over de omvang van het causaal verband. Met betrekking tot de schade wordt thans wel reeds het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast dat [eiser] in een rechtszaak tegen Woudsend over het ongeval van 1996 (gedeeltelijk) in het gelijk is gesteld. Naar aanleiding hiervan rijst de vraag in hoeverre er sprake is van overlapping van de in die zaak toegekende bedragen en de in deze procedure gevorderde schadevergoeding. Het tweemaal vergoeden van dezelfde is immers in strijd het indemniteitsbeginsel. De uitspraken in de zaak tegen Woudsend kunnen daarover duidelijkheid verschaffen, maar [eiser] heeft de betreffende vonnissen niet overgelegd (hij heeft deze niet meer in zijn bezit). Het staat de kantonrechter niet vrij ambtshalve kennis te nemen van de in deze zaak gedane uitspraken. De kantonrechter zal [eiser] daarom op grond van artikel 22 Rv bevelen de in de zaak tussen hem en Woudsend gedane uitspraken (vanzelfsprekend met kopie aan de wederpartij) in het geding te brengen. [eiser] kan als oud-partij bij deze zaak op grond van artikel 28 Rv een afschrift van deze uitspraken opvragen bij de handelskamer van deze rechtbank.

5.34.
Iedere verdere beslissing zal in dit stadium van het geding worden aangehouden. ECLI:NL:RBROT:2016:4317