Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 210224 bezwaren tegen ad en vza-rapport kunnen niet worden gezien als zwaarwegend en steekhoudend

RBNHO 210224 Whiplash; na onderzoek neuroloog, neuropsycholoog, vza en  ad-er;
- ongeval in 2010; uit oordeel in 2022 blijkt geschiktheid voor maatgevende arbeid; schade tijdelijke arbeidsongeschiktheid
-  bezwaren tegen ad en vza-rapport kunnen niet worden gezien als zwaarwegend en steekhoudend
- HH begroot met € 15,00 p.u. voor jaren 2010-2023, € 16,00 p.u. voor 2024 e.v. totaal € 19.877,00
- ZWZH begroot cf richtlijn DLR, uitval 25%, totaal € 13.599,05
- Deel van door verzekeraar betaald griffierecht voor rekening van eiseres omdat zeer gering deel vordering wordt toegewezen
- Smartengeld bij whiplash, verzocht € 22.500,00, volgens verweer € 2.500,00, toegewezen € 10.000,00;
- kosten rekenkundige redelijk, ook al hanteerde deze andere uitgangspunten dan volgens ass. zou moeten;

De zaak in het kort

[eiseres] is op 26 oktober 2010 betrokken geraakt bij een verkeersongeval op de snelweg A2. De door [eiseres] bestuurde personenauto stond stil in verband met filevorming en werd van achteren aangereden door een bij ASR verzekerde automobilist. ASR heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Partijen zijn het niet eens over de omvang van de (letsel)schade van [eiseres] als gevolg van het ongeval.


Kern van dit langlopende geschil is de vraag of de beperkingen van [eiseres] tot blijvende arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Tot 20 december 2016 heeft [eiseres] wel arbeidsvermogensschade geleden. Daarnaast heeft [eiseres] schade wegens benodigde huishoudelijke hulp, schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden en overige materiële schade geleden. Rekening houdend met de bevoorschotting door ASR, moet ASR nog een aanvullend bedrag aan schadevergoeding en smartengeld aan [eiseres] vergoeden. Ook moet ASR nog een bedrag aan buitengerechtelijke kosten voldoen. Voor rekening van [eiseres] komt een deel van het door ASR betaalde griffierecht, omdat maar een zeer gering deel van de vordering van [eiseres] wordt toegewezen.

 

(... red. LSA LM)

2De feiten

Algemeen

2.1.

Op 26 oktober 2010 is [eiseres] , op dat moment 33 jaar, betrokken geweest bij een verkeersongeval op de snelweg A2. De door [eiseres] bestuurde personenauto stond stil in verband met filevorming. De bestuurder van een achteropkomende personenauto remde niet tijdig en reed tegen de achterzijde van de personenauto van [eiseres] aan. De bestuurder die de aanrijding veroorzaakte was in het kader van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerd bij ASR. ASR heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

Medische gegevens

2.2.

[eiseres] had meteen na de aanrijding nekklachten, gepaard gaande met stijfheid. Zij werd door een toenmalige collega opgehaald en samen hebben zij eerst nog een klant bezocht. [eiseres] heeft zich na dat gesprek bij haar toenmalige werkgever ziek gemeld vanwege toenemende klachten van hoofdpijn, duizeligheid, lichtgevoeligheid en verminderde concentratie. [eiseres] heeft met deze klachten de huisarts bezocht. De huisarts heeft haar verwezen naar een fysiotherapeut en later naar een revalidatiecentrum. [eiseres] heeft vervolgens een multidisciplinair arbeidsrevalidatietraject in Heliomare doorlopen.

2.3.

In maart en mei 2011 en in april 2013 is [eiseres] onderzocht door verschillende neurologen. Zij constateerden geen neurologische afwijkingen en kwamen tot de diagnose van een postwhiplashsyndroom.

2.4.

In juli 2013 is [eiseres] gezien op de polikliniek revalidatiegeneeskunde van revalidatiecentrum De Trappenberg. Een revalidatiearts heeft in zijn brief van 5 augustus 2013 aan de huisarts van [eiseres] geschreven dat er nog steeds klachten waren van verstoorde prikkelverwerking van licht en geluid, hoofd- en nekpijn met daarbij lichte cognitieve klachten en verhoogde vermoeibaarheid. [eiseres] heeft bij De Trappenberg een revalidatietraject doorlopen. Ook in 2014 bleef [eiseres] onder behandeling staan van een revalidatiearts.

Arbeidsgegevens

2.5.

[eiseres] was ten tijde van het ongeval acht maanden fulltime werkzaam als country manager bij [het bedrijf] , een van oorsprong Zweedse IT dienstverlener met vestigingen in meerdere landen. [eiseres] was als commercieel leidinggevende (in een “pioniersfunctie”) eindverantwoordelijk voor de oprichting en ontwikkeling van een vestiging van [het bedrijf] in Nederland.

2.6.

Na haar ziekmelding heeft [eiseres] op 1 november 2010 haar werk voor 40% proberen te hervatten, wat vanaf 23 december 2010 is uitgebreid naar 50%. De re-integratie inspanningen waren in eerste instantie gericht op werkhervatting in haar eigen functie. Vanwege achterblijvend herstel en werkdruk is [eiseres] per 1 oktober 2011 een andere functie binnen [het bedrijf] gaan bekleden tot 16 uur per week.

2.7.

[het bedrijf] heeft arbeidsdeskundig adviesbureau Elabo ingeschakeld om de re-integratiemogelijkheden van [eiseres] te onderzoeken. In het rapport van Elabo van 1 februari 2012 heeft arbeidsdeskundige O. Polfliet geconcludeerd dat hij [eiseres] op dat moment niet geschikt achtte voor de eigen werkzaamheden.

2.8.

In augustus 2012 heeft Ergatis, een medisch expertise centrum op het gebied van arbeid en gezondheid, bij [eiseres] een arbeidsgeneeskundig onderzoek en een neuropsychologisch onderzoek laten verrichten in opdracht van een door [het bedrijf] ingeschakeld re-integratiebureau. Uit die onderzoeken kwam onder meer naar voren dat het eigen werk van [eiseres] haar belastbaarheid op verschillende categorieën overschrijdt.

2.9.

In het najaar van 2012 heeft [eiseres] bij het UWV een WIA-aanvraag ingediend. Het UWV heeft vervolgens de re-integratie inspanningen van [het bedrijf] als onvoldoende beoordeeld en [het bedrijf] een loondoorbetalingsverplichting opgelegd van een jaar. Daarbij werden van [het bedrijf] extra inspanningen verwacht om [eiseres] naar passend werk te begeleiden. Als reactie daarop werd eind 2012 het ‘tweede spoortraject’ ingezet bij re-integratiebureau re-Activate. Dat traject is in februari 2014 afgesloten zonder resultaat.

2.10.

Per oktober 2013 vond bij het UWV de ‘einde wachttijd’ beoordeling plaats. [eiseres] is door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV onderzocht. De arbeidsdeskundige heeft op 14 oktober 2013 geconcludeerd dat [eiseres] door haar klachten na het ongeval het werk als country manager niet meer kon doen in verband met de deadlines/productiepieken en de vele overuren. Het UWV heeft bij besluit van 15 oktober 2013 [eiseres] per 22 oktober 2013 voor 37,88% arbeidsongeschikt verklaard.

2.11.

Het hiertegen door [eiseres] gemaakte bezwaar heeft UWV bij besluit van 7 juli 2014 ongegrond verklaard na onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De bezwaar-arbeidsdeskundige concludeerde tot een beperkte belastbaarheid van [eiseres] ten aanzien van een hoog handelingstempo en veelvuldige deadlines en/of productiepieken. Een achturige werkdag werd door de bezwaar-arbeidsdeskundige passend beschouwd.

2.12.

[eiseres] heeft vanaf 22 oktober 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen, en vanaf 22 december 2014 een WGA-loonaanvullingsuitkering.

2.13.

Omdat bij [het bedrijf] geen passende functies voor [eiseres] beschikbaar waren, is de arbeidsovereenkomst per 1 april 2014 beëindigd, met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

2.14.

Per 1 januari 2014 heeft [eiseres] een eenmanszaak opgericht, waarbinnen zij zich onder meer bezighoudt met het geven van advies aan bedrijven en instellingen op het gebied van marketing en social media.

Deskundigenrapporten op gezamenlijk verzoek

2.15.

In 2015 en 2016 heeft op gezamenlijk verzoek van partijen arbeidsdeskundige P.J.M. Snel (hierna: Snel), werkzaam bij Radar BV, meermaals gerapporteerd in het kader van een zogenaamd would-be onderzoek: het hypothetische inkomens- en carrièreverloop van [eiseres] . In zijn rapport van 19 november 2015 heeft Snel onder meer aangegeven dat hij de visie van de arbeidsdeskundige van het UWV onderschrijft dat [eiseres] destijds (in 2013) ongeschikt was om het eigen werk in volledige omvang te kunnen uitoefenen.

2.16.

Eind 2016 heeft [eiseres] een deelgeschil aanhangig gemaakt, waarna partijen afspraken hebben gemaakt over de verdere voortgang van de zaak.

2.17.

Partijen hebben gezamenlijk afgesproken een onafhankelijk medisch deskundigenonderzoek uit te laten voeren door neuropsycholoog M.S.P. Vermeulen (hierna: Vermeulen) en psychiater prof. dr. M.L. Stek (hierna: Stek). Partijen hebben Stek verzocht de bevindingen van Vermeulen in zijn conclusies te verwerken.

2.18.

Vermeulen heeft [eiseres] op 14 juni 2017 onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van dezelfde datum. Daarin is onder meer vermeld dat uit de testresultaten volgt dat sprake is van lichte cognitieve stoornissen bij [eiseres] .

2.19.

Stek heeft [eiseres] op 20 december 2016 onderzocht. In zijn rapport van 19 december 2017 heeft Stek de opdrachtbrief van partijen van 24 mei 2016 aangehaald, waarin onder meer is vermeld dat er sprake lijkt te zijn van een medische eindtoestand en dat de eventuele blijvende gevolgen van het ongeval dienen te worden vastgesteld.

2.20.

Stek heeft in een definitief rapport van 19 december 2017 de bevindingen van het door hem verrichte psychiatrische expertiseonderzoek neergelegd. Stek komt tot de diagnostische overweging dat er, evenals bij het neuropsychologisch onderzoek door Vermeulen, sprake is van een consistent klachtenpatroon over de afgelopen jaren. Volgens Stek hebben er adequate pogingen plaatsgevonden tot revalidatie, tweemaal, wat ook enig effect heeft gehad in de wijze waarop [eiseres] met de klachten omgaat. De beschrijvende diagnose luidt, aldus Stek, als volgt: “pijnklachten van hoofd en hals na een de-acceleratietrauma met lichte cognitieve stoornissen en verhoogde prikkelgevoeligheid voor licht en geluid en als geheel een verlaagde tolerantie voor stressoren bij een 40-jarige vrouw met goed geadapteerd functioneren op de belangrijkste levensterreinen tot oktober 2010 zonder aanwijzingen voor ingrijpende psychiatrische symptomatologie anderszins, op dit moment in stabiel evenwicht verkerend bij aangepaste belasting in persoonlijk leven en professionele bezigheden.”

Bij de beantwoording van de vraagstelling van partijen heeft Stek onder meer bij ‘Medische eindsituatie’ het volgende geschreven: “Het is aannemelijk dat er bij betrokkene sprake is van een stabiele eindsituatie, gezien het stabiele niveau van de symptomatologie in de afgelopen jaren en de voltooide revalidatiebehandelingen en het ontbreken van ingrijpende psychiatrische symptomatologie anderszins dan vermeld.”

2.21.

Op 25 oktober 2019 hebben partijen verzekeringsarts M.M.F. Timmerhuis (hierna: Timmerhuis) gevraagd om een onafhankelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren bij [eiseres] . Daarbij hebben zij Timmerhuis de opdracht gegeven om de rapportages van Vermeulen en Stek als uitgangspunt te gebruiken en om aan de hand van het rapport van Stek de functionele beperkingen van [eiseres] te omschrijven en de belastbaarheid neer te leggen in een belastbaarheidsprofiel, een en ander ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek.

2.22.

Timmerhuis heeft de verzekeringsgeneeskundige expertise verricht en haar bevindingen neergelegd in een definitief rapport van 18 februari 2020. Timmerhuis komt tot de conclusie dat er op basis van het chronisch pijnsyndroom, zoals vastgesteld door Stek, redenen zijn om lichte beperkingen aan te nemen voor persoonlijk functioneren in arbeid. Voor het duiden van een algemene urenbeperking in de Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML) ziet Timmerhuis geen onderbouwing: [eiseres] kan ten minste 40 uur per week werken.

2.23.

In haar rapport heeft Timmerhuis ook opmerkingen gemaakt over het rapport van Vermeulen. Partijen hebben vervolgens aan Vermeulen een nadere toelichting gevraagd. Vermeulen heeft die toelichting gegeven en die hebben partijen voorgelegd aan Timmerhuis. Timmerhuis heeft in haar aanvullend rapport van 2 april 2021 geen aanleiding gezien om haar eerdere conclusies te herzien over de cognitieve belastbaarheid en urenbelastbaarheid van [eiseres] .

2.24.

Op 12 oktober 2020 hebben partijen opdracht gegeven aan Wibbens arbeidsdeskundig advies, om een onafhankelijk arbeidsdeskundig onderzoek bij [eiseres] uit te voeren, aan de hand van de rapportages van Stek, Vermeulen en Timmerhuis. De arbeidsdeskundigen M. Ruiter (hierna: Ruiter) en E-J.W. Plante (hierna: Plante), beiden werkzaam bij Wibbens arbeidsdeskundig advies, hebben dit onderzoek verricht en hun bevindingen neergelegd in een conceptrapport van 28 mei 2021.

2.25.

Ruiter en Plante concluderen in het conceptrapport dat er sprake was van het overschrijden van de belastbaarheid van [eiseres] op verschillende aspecten in haar functie, maar dat [eiseres] wel geschikt is voor overige passende functies.

Zowel [eiseres] als ASR had kritiek op het conceptrapport van Ruiter en Plante. Zij hebben Ruiter en Plante geen definitief rapport laten opstellen.

2.26.

In het najaar van 2021 hebben partijen via mediation gepoogd de schade definitief af te wikkelen, wat vanwege een te groot verschil van inzicht over de schadeomvang uiteindelijk niet is gelukt. Partijen hebben toen afgesproken, op voorstel van [eiseres] , om arbeidsdeskundige P.L. van der Ham (hierna: Van der Ham), werkzaam bij Artoos Van der Ham Raijmakers BV, in te schakelen voor het verrichten van een onafhankelijk arbeidsdeskundig onderzoek.

2.27.

Van der Ham is op 13 januari 2022 met het arbeidsdeskundig onderzoek van start gegaan. Om een beter inzicht te krijgen in de belastbaarheid van [eiseres] heeft Van der Ham een aantal vragen over de FML aan Timmerhuis voorgelegd. Bij e-mail van 15 februari 2022 heeft Timmerhuis deze vragen over ‘intensieve cognitieve belasting’, ‘autorijden en flitsen’ en ‘deadlines en productiepieken’ beantwoord.

2.28.

Op 24 februari 2022 heeft Van der Ham zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in een conceptrapport. Van der Ham heeft in dat rapport geconcludeerd dat op basis van de FML, opgesteld door Timmerhuis, en de belasting in de maatgevende functie er geen sprake is van overschrijdingen van de belastbaarheid, zodat [eiseres] geschikt moet worden geacht voor de maatgevende arbeid. Partijen hebben vervolgens commentaar op het conceptrapport gegeven. Daarop is Van der Ham in zijn definitieve rapport van 19 april 2022 ingegaan.

2.29.

Naast de materiële schade aan de auto van [eiseres] heeft ASR verschillende voorschotbedragen aan schadevergoeding voldaan, in totaal € 184.465,-. Vanaf oktober 2013 heeft ASR daarnaast ook € 57.187,72 aan buitengerechtelijke kosten voldaan. Ook daarvóór zijn buitengerechtelijke kosten vergoed.

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. ASR veroordeelt tot betaling van € 400.377,- aan geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen, te vereffenen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de afzonderlijke jaarschades zoals toegelicht onder paragraaf 149 van de dagvaarding;

II. ASR veroordeelt tot betaling van € 1.358.879,- aan te lijden schade vanaf 1 januari 2023 wegens verlies aan verdienvermogen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023;
III. ASR veroordeelt tot betaling van € 43.464,- ter zake van de fiscale component over de begrote schade wegens verlies aan verdienvermogen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023;
IV. ASR veroordeelt tot betaling van € 22.500,- aan smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2010;

V. ASR veroordeelt tot betaling van € 27.418,- aan geleden en te lijden schade wegens benodigde huishoudelijke hulp, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

VI. ASR veroordeelt tot betaling van € 12.854,25 aan geleden en te lijden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
VII. ASR veroordeelt tot betaling van € 9.475,52 aan overige geleden materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
VIII. ASR veroordeelt tot betaling van € 7.382,62 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

IX. ASR veroordeelt om aan [eiseres] een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken over het totaal van toegewezen schadevergoedingen;
X. ASR veroordeelt tot betaling van de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarbij verzoekt [eiseres] de rechtbank om op de onder I tot en met VIII gevorderde en toe te wijzen schade in mindering te brengen het door ASR bij wijze van voorschotten uitgekeerde bedrag van € 184.465,-.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

[eiseres] heeft als gevolg van het ongeval op 26 oktober 2010 letsel opgelopen, bestaande uit een chronisch pijnsyndroom (postwhiplashsyndroom), met blijvende cognitieve en fysieke beperkingen. ASR is gehouden de schade die [eiseres] heeft geleden en lijdt te vergoeden.

3.2.2.

De grootste schadepost bestaat uit het verlies aan verdienvermogen. [eiseres] stelt dat haar huidige verdienvermogen ruim achterblijft bij het (hypothetisch) inkomen dat zij bij [het bedrijf] en/of gelijksoortige werkgevers in soortgelijke functies had kunnen verdienen. De voortdurende schade wegens verlies aan verdienvermogen heeft zij berekend op een totaalbedrag van € 1.802.720,-. Volgens [eiseres] bestaat er causaal verband tussen deze schade en het ongeval. In dit verband wijst zij onder meer op de beoordelingen van de bedrijfsarts van [het bedrijf] , het UWV, Stek, Vermeulen en arbeidsdeskundige Snel en arbeidsdeskundigen Ruiter en Plante. Daaruit volgt dat zij [eiseres] arbeidsongeschikt hebben beschouwd voor de functie als country manager. [eiseres] mocht van de juistheid van die conclusies uitgaan. Zij hoefde daaraan (vanuit oogpunt van schadebeperking) in ieder geval niet te twijfelen.

3.2.3.

Het bestaan van het causaal verband of toerekening van de financiële gevolgen van het verlies van het werk (en inkomen) bij [het bedrijf] aan ASR wordt volgens [eiseres] niet doorbroken door de bevindingen van arbeidsdeskundige Van der Ham. In de eerste plaats niet omdat sprake is van klemmende en steekhoudende bezwaren tegen het hanteren van het rapport van Van der Ham als uitgangspunt voor de schadeafwikkeling. En in de tweede plaats niet omdat met de theoretische vaststelling door Van der Ham dat [eiseres] achteraf bezien wel geschikt was voor de functie van country manager de feitelijke beëindiging van de arbeidsrelatie niet meer ongedaan kan worden gemaakt, aldus [eiseres] .

3.2.4.

Verder heeft [eiseres] als gevolg van het ongeval behoefte aan huishoudelijke hulp en is verlies ontstaan in het vermogen zelfwerkzaam te zijn. [eiseres] maakt aanspraak op deze schade die zij lijdt en heeft geleden. Daarnaast vordert [eiseres] de nodige kosten die zij door het ongeval heeft moeten maken, bestaande uit (niet-vergoede) medische kosten, reiskosten en overige kosten (hulpmiddelen).
Ook maakt [eiseres] aanspraak op smartengeld. Vanwege de relatieve jonge leeftijd waarop haar het ongeval is overgekomen, de duurzame aantasting van haar verdiencapaciteit wat ook een grote invloed heeft op de kwaliteit van haar privéleven, en de lange duur van het schaderegelingsproces, vindt [eiseres] een vergoeding van smartengeld van € 22.500,- billijk. Tenslotte meent [eiseres] nog recht te hebben op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 7.382,62.

3.3.

ASR vindt dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen en dat [eiseres] in de kosten van dit geding moet worden veroordeeld. ASR voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

3.3.1.

Partijen zijn gebonden aan de deskundigenrapporten van neuropsycholoog Vermeulen, psychiater Stek, verzekeringsgeneeskundige Timmerhuis en arbeidsdeskundige Van der Ham. Deze rapportages hebben partijen in gezamenlijk overleg laten opstellen en deze moeten, in lijn met de vaste rechtspraak op dit punt, het uitgangspunt zijn voor de vaststelling van de schadeomvang. Uitgaande van deze rapporten moet ervan worden uitgegaan dat er bij [eiseres] als gevolg van het ongeval sprake is van lichte beperkingen, die leiden tot beperkte uitval voor huishoudelijk werk en zelfwerkzaamheid en die niet leiden tot blijvende arbeidsongeschiktheid. Er is geen sprake van doorlopende causale arbeidsongeschiktheid (tot de pensioendatum).

3.3.2.

Wat [eiseres] daartegenover heeft gesteld kan er niet toe leiden dat het onafhankelijke, duidelijke en deugdelijk onderbouwde rapport van Van der Ham terzijde wordt geschoven. Daarbij is de context waarbinnen Van der Ham werd ingeschakeld van belang: [eiseres] kon zich niet vinden in het conceptrapport van arbeidsdeskundigen Ruiter en Plante, partijen kwamen vervolgens in mediation niet tot een oplossing en Van der Ham werd ingeschakeld om alsnog tot een oplossing van de zaak te kunnen komen. Van der Ham is tot de conclusie gekomen dat [eiseres] volledig arbeidsgeschikt moet worden geacht voor het uitoefenen van (een functie met de belastbaarheidsaspecten van) de functie die zij bij [het bedrijf] vervulde. Dat [eiseres] deze functie niet meer uitoefent, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van causaal verlies van verdienvermogen, aldus ASR.

3.3.3.

ASR stelt dat er wel van uit kan worden gegaan dat er aansluitend aan het ongeval een periode is geweest waarin [eiseres] beperkingen ondervond die wél tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid hebben geleid. ASR stelt echter dat zij die arbeidsvermogensschade (ruimschoots) heeft vergoed met de betaling van het bedrag aan voorschotten van € 184.465,-. In dat bedrag is ook begrepen het smartengeld, dat volgens ASR niet leidt tot een hogere vergoeding dan € 2.500,-, gelet op de rechtspraak in vergelijkbare gevallen. Verder dekt de bevoorschotting, aldus ASR, de gestelde causale schade wegens huishoudelijke hulp en uitval in zelfwerkzaamheid en een deel van de gestelde causale overige materiële schade. Voor zover [eiseres] ten aanzien van deze schadeposten meer vordert, voert ASR daartegen verweer. Tot slot betwist ASR de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In deze zaak staat centraal de vraag of ASR een hoger bedrag aan schadevergoeding moet betalen aan [eiseres] dan zij al aan voorschotten heeft betaald, te weten een totaalbedrag van € 184.465,-. Tussen partijen is niet in geschil dat ASR in ieder geval gehouden was dit bedrag aan [eiseres] te betalen, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

4.2.

De rechtbank zal hierna de diverse door [eiseres] opgevoerde schadeposten bespreken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op [eiseres] de stelplicht en - bij gemotiveerde betwisting door ASR - bewijslast rust van feiten waaruit het bestaan en de omvang van de desbetreffende schadeposten volgt.

Verlies van verdienvermogen

4.3.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of [eiseres] gebonden is aan de inhoud van het rapport van arbeidsdeskundige Van der Ham, zoals ASR aanvoert maar [eiseres] weerspreekt.

4.4.

Van der Ham heeft in 2022 zijn arbeidsdeskundig onderzoek op gezamenlijk verzoek van partijen verricht. [eiseres] heeft Van der Ham als deskundige voorgesteld, waarmee ASR akkoord is gegaan, en partijen hebben vervolgens overeenstemming bereikt over de voor te leggen vragen. Voldoende aannemelijk is dat het de bedoeling van partijen was, gelet op hun langlopende conflict, dat het onderzoek van Van der Ham uiteindelijk zou bijdragen aan een definitieve regeling tussen partijen. Het onderzoek heeft geleid tot het in het geding gebrachte rapport van 19 april 2022.

Toetsingskader deskundigenrapport op gezamenlijk verzoek

4.5.

Indien partijen in het kader van onderzoek naar de schadeafwikkeling in verband met de aansprakelijkheid van één van hen, overeenkomen om gezamenlijk een deskundige aan te zoeken die gezamenlijk geformuleerde vragen moet beantwoorden, geldt in beginsel dat partijen zich ertoe verbinden om dit rapport als uitgangspunt voor hun verdere behandeling van de zaak te nemen. Indien over de inhoud van dit rapport een geschil ontstaat en dit aan de rechter wordt voorgelegd, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde aan dit rapport moet worden toegekend1. Bij het beoordelen van aspecten van het onderzoek door de deskundige die bij uitsluiting op het terrein van de deskundige liggen, moet de rechter in beginsel terughoudend zijn.

4.6.

In beginsel geldt dat een dergelijk rapport tot bewijs kan dienen, ook wanneer dit niet op de wijze als omschreven in de artikelen 194 e.v. Rv tot stand is gekomen. Het staat de rechter dus vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen of te bepalen dat dit door partijen tot uitgangspunt moet worden genomen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan2.

4.7.

Het voorgaande kan echter anders zijn indien sprake is van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het aldus tot stand gekomen rapport, in die zin dat het rapport ontoereikend is voor de schadeafwikkeling en/of inhoudelijk of voor wat betreft de wijze van totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. Dat laatste is onder andere het geval als de inhoud van het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

Van de partij die een deskundigenrapport bekritiseert, mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de deskundige op overtuigende wijze worden weersproken.

Geen klemmende en steekhoudende bezwaren

4.8.

[eiseres] stelt dat er sprake is van klemmende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van Van der Ham, zodat aan diens bevindingen voorbij moet worden gegaan.

4.8.1.

In de kern komt de kritiek op het rapport van Van der Ham erop neer dat niet goed te volgen is dat en waarom in een leidinggevende functie bij een internationaal commercieel bedrijf geen sprake zou zijn van onder andere ‘intensieve cognitieve belasting’ van meer dan zes uur per dag, ‘veelvuldige deadlines en productiepieken’, ‘afleiding door activiteiten van anderen’ en ‘veelvuldige storingen en onderbrekingen’. Dit zijn volgens [eiseres] juist de kenmerkende belastbaarheidsaspecten (stressbestendigheid, punctualiteit en flexibiliteit) waaraan men in dergelijke functies moet voldoen en waarnaar wordt gevraagd, en waarom voor dergelijke functies ook goed wordt betaald.

4.8.2.

[eiseres] stelt dat de bevindingen van Van der Ham op genoemde belastbaarheidsaspecten ten eerste lijnrecht staan tegenover die van het UWV en van arbeidsdeskundigen die op gezamenlijk verzoek van partijen zijn benaderd, en voorts onvoldoende steun vinden in de feiten, omdat Van der Hams beschrijving van de functievereisten van country manager volstrekt niet overeenkomt met de werkelijkheid.
[eiseres] verwijt Van der Ham dat hij de CBBS3-beoordeling veel te strikt heeft toegepast en zij betwist dat het werk van [eiseres] in een volledig vast afgebakend en hetzelfde schema zou kunnen worden uitgevoerd. Volgens [eiseres] waren de belastingen in haar functie soms onvoorspelbaar, beschikte zij niet over een eigen kantoorruimte en had zij te maken met veelvuldige, harde deadlines waarbij het overschrijden negatieve gevolgen voor haar en haar werkgever had. Als alle door Stek en Timmerhuis geduide beperkingen in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, dan kan de conclusie, aldus [eiseres] , geen andere zijn dan dat op meerdere onderdelen van de functie van country manager sprake was van een overschrijding van de toegestane belastbaarheid. De motivering van Van der Ham schiet volgens haar tekort.

4.9.

De rechtbank stelt vast dat deze bezwaren overeenkomen met de op- en aanmerkingen en kritiek die [eiseres] én haar advocaat hebben ingebracht tegen het conceptrapport van Van der Ham. Van der Ham heeft van de kritiek en de aanvullende vragen kennis genomen en daarop uitgebreid gereageerd, waarna het rapport definitief is geworden.

4.10.

Van der Ham heeft in zijn definitieve rapport inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en dat zijn conclusies deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens. Die gegevens bestonden ook uit omschrijvingen van de functie die [eiseres] ten tijde van het ongeval vervulde. Van der Ham beschikte over stukken van [het bedrijf] en diverse rapportages, waaronder die van arbeidsdeskundige Snel en arbeidsdeskundigen van het UWV waarin de belastende aspecten van de functie van country manager veelvuldig aan bod kwamen. Ook is Van der Ham door [eiseres] zelf uitgebreid over haar werkzaamheden voorgelicht. Volgens Van der Ham heeft [eiseres] in meerdere versies gereageerd op zijn concept-gespreksverslag. Gelet hierop volgt de rechtbank [eiseres] niet in haar stelling dat Van der Ham (nog) navraag bij [het bedrijf] had behoren te doen naar de taken en belastingen van haar functie.

4.11.

Het behoort tot de professionele taak van de arbeidsdeskundige om op basis van de voorhanden zijnde gegevens en zijn kennis en ervaring een bepaalde inschatting / reconstructie van de belastbaarheidsaspecten van de functie te maken, de arbeidsbelasting te bepalen en de weging van belasting en belastbaarheid te verrichten. Van der Ham heeft er in zijn rapport blijk van gegeven dit te hebben gedaan. Van der Ham is uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op de belasting van de maatgevende arbeid, op de arbeidskundige vertaling van de beperkingen naar belastbaarheid, op het gehanteerde interpretatiekader zoals vermeld in het CBBS-handboek en op onder andere de (duiding van de) FML- onderdelen ‘intensieve cognitieve belasting’ en ‘deadlines en productiepieken’ die door verzekeringsgeneeskundige Timmerhuis zijn beoordeeld. Ten aanzien van die onderdelen heeft Van der Ham nog navraag gedaan bij Timmerhuis.

4.12.

Ondanks haar bezwaren tegen het rapport van Timmerhuis heeft [eiseres] het uitdrukkelijk toegestaan dat Van der Ham mede aan de hand van dat rapport zijn arbeidskundige beoordeling zou maken. [eiseres] heeft namelijk haar akkoord gegeven aan de voorgelegde vraagstelling, zonder enig voorbehoud te maken met betrekking tot de verbondenheid van partijen aan het rapport van Van der Ham. Die vraagstelling was ruim geformuleerd en, anders dan [eiseres] lijkt te impliceren, niet beperkt tot (uitsluitend) de beoordeling van de resterende verdiencapaciteit van [eiseres] . Ook de vraag naar blijvende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voor het werk dat [eiseres] ten tijde van het ongeval verrichtte, was onderdeel van het onderzoek. Naar de wens van partijen moest dat onderzoek mede aan de hand van de rapportage van Timmerhuis (met de daarin neergelegde FML met toelichting) uitgevoerd worden, net als bij het onderzoek van Ruiter en Plante. De door Van der Ham gehanteerde uitgangspunten bij zijn beoordeling zijn daarom correct.

4.13.

Ter betwisting van de bevindingen van Van der Ham beroept [eiseres] zich op rapportages van (de bedrijfsarts van) [het bedrijf] , het UWV, Stek, Vermeulen en arbeidsdeskundige Snel en arbeidsdeskundigen Ruiter en Plante. Deze rapportages dateren echter van vóór de totstandkoming van het rapport van Van der Ham. Dat die (arbeids)deskundigen met betrekking tot het (blijvend) bestaan van ongevalsgerelateerde arbeidsongeschiktheid tot een andere conclusie zouden zijn gekomen, is onvoldoende om het oordeel van Van der Ham onjuist te achten. Uit hun bevindingen volgt immers niet dat Van der Ham de noodzakelijke onpartijdigheid niet heeft betracht, of dat diens deskundigenbericht niet consistent of inzichtelijk zou zijn, dan wel dat de daarin opgenomen redeneringen niet zouden voldoen aan de regels van de logica.

Dat Van der Ham naar de mening van [eiseres] zijn beoordeling van een aantal FML-items niet genoegzaam heeft toegelicht of gemotiveerd, is een onvoldoende grond om het oordeel van Van der Ham ter zijde te kunnen stellen. De kritiekpunten die [eiseres] in dit verband aanvoert heeft zij niet deugdelijk onderbouwd met bijvoorbeeld een tegenrapport waarin de conclusies van Van der Ham op overtuigende wijze worden weersproken.

4.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat geen van de bezwaren van [eiseres] tegen het rapport van Van der Ham kunnen worden gezien als zwaarwegende en steekhoudende bezwaren in de zin van wat hiervoor onder 4.7 is overwogen.

Rapport van verzekeringsgeneeskundige Timmerhuis

4.15.

De bezwaren van [eiseres] tegen het, eveneens op gezamenlijk verzoek tot stand gekomen, rapport van Timmerhuis delen het lot van die tegen het rapport van Van der Ham. Ook ten aanzien van het rapport van Timmerhuis hebben [eiseres] , haar advocaat en haar medisch adviseur in de conceptfase commentaar gegeven. Dat waren dezelfde bezwaren als in deze procedure. Die zien onder andere op de gehanteerde systematiek (het te strikt toepassen van de aan de FML en het Schattingsbesluit ten grondslag liggende definities) en op diverse FML-aspecten. Timmerhuis is op dat commentaar en op vragen van [eiseres] ingegaan in haar definitieve rapport van 18 februari 2020. Timmerhuis heeft, volgens de opdracht van partijen, de rapporten van neuropsycholoog Vermeulen en psychiater Stek als uitgangspunt gebruikt. Daarbij heeft Timmerhuis opgemerkt dat dat niet betekent dat zij alle kwalitatieve beperkingen altijd moet vertalen in kwantitatieve beperkingen; de achterliggende definities van de FML zijn medebepalend. Vervolgens heeft Timmerhuis haar bevindingen nog heroverwogen naar aanleiding van een reactie van Vermeulen op haar rapport (op verzoek van partijen) en besloten dat voor aanpassing van haar rapport geen reden bestond.

4.16.

Indien [eiseres] het relevant had gevonden dat Van der Ham bij zijn beoordeling niet het rapport van Timmerhuis, in het bijzonder de door haar opgestelde FML met bijbehorend interpretatiekader4, tot uitgangspunt zou nemen, had het op haar weg gelegen dit aan te geven. Dat heeft zij niet gedaan. Zoals hiervoor is overwogen heeft [eiseres] ermee ingestemd dat een (volledig) arbeidsdeskundig onderzoek door Van der Ham zou worden verricht waarbij voor de belastbaarheid werd uitgegaan van de beoordeling door Timmerhuis.

Als Timmerhuis een andere toetsingsmaatstaf (een andere ‘maatman’) had moeten volgen dan door haar gehanteerd, had [eiseres] dit, in samenspraak met ASR, duidelijk in de vraagstelling van 25 oktober 2019 moeten verwerken. Volstaan is echter met de vraag aan Timmerhuis om de functionele beperkingen van [eiseres] te omschrijven en de belastbaarheid neer te leggen in een belastbaarheidsprofiel. Dat heeft Timmerhuis gedaan door het opstellen van een FML, voorzien van een toelichting.

Het nu in 2023 opnieuw in twijfel trekken van het rapport van Timmerhuis is te laat en kan er niet toe leiden dat dit ter zijde wordt geschoven. Bovendien heeft [eiseres] tegen het rapport van Timmerhuis geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren in de zin van wat hiervoor onder 4.7 is overwogen aangevoerd. [eiseres] heeft bijvoorbeeld geen rapport van een andere verzekeringsgeneeskundige in het geding gebracht, waarin de conclusies van Timmerhuis op overtuigende wijze worden weersproken.

4.17.

Het voorgaande leidt ertoe dat [eiseres] gebonden is aan de uitkomsten van de rapporten van Van der Ham en Timmerhuis.

Conclusie blijvende arbeidsongeschiktheid

4.18.

Van der Ham heeft, mede op basis van het rapport van Timmerhuis, vastgesteld dat [eiseres] met haar lichte cognitieve beperkingen als gevolg van het ongeval geschikt moet worden geacht voor de maatgevende arbeid (namelijk een functie met de belastbaarheid van de functie bij [het bedrijf] die zij ten tijde van het ongeval verrichtte). Die vaststelling heeft dan ook als uitgangspunt te gelden bij de schadebegroting tussen partijen.

De door [eiseres] aangevoerde omstandigheid dat de feitelijke beëindiging van de arbeidsrelatie per 1 april 2014 niet meer ongedaan kan worden gemaakt, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van blijvend causaal verlies van verdienvermogen.

Tijdelijke (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid na het ongeval

4.19.

Wel gaat de rechtbank - met [eiseres] én ASR - ervan uit dat er een periode na het ongeval is geweest waarin [eiseres] ongevalsgerelateerd (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was waardoor zij arbeidsinkomsten miste. De vraag is hoe lang deze periode duurde.

4.20.

Op basis van het, op gezamenlijk verzoek tot stand gekomen rapport van psychiater Stek van 19 december 2017 kan worden vastgesteld dat (in ieder geval) op 20 december 2016 sprake was van medische eindsituatie bij [eiseres] (zie hiervoor onder 2.19 en 2.20). Dat moment beschouwt de rechtbank daarom als het moment waarop [eiseres] met haar beperkingen (pas) in staat moet worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten, gelet op de rapporten van Timmerhuis en Van der Ham die mede op het rapport van Stek zijn gebaseerd.

4.21.

De rechtbank gaat er dus van uit dat [eiseres] in de periode van 26 oktober 2010 tot 20 december 2016 verdienvermogensschade heeft geleden. [eiseres] heeft gesteld, onder verwijzing naar een rapport van een door haar ingeschakelde rekenkundige, dat die schade over de afzonderlijke jaren uit de volgende bedragen bestaat:

2010 € 137

2011 € 13.224

2012 € 22.995

2013 € 30.157

2014 € 28.126

2015 € 33.571

2016 € 32.157

4.22.

De rechtbank ziet in het verweer van ASR geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze jaarschades, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Dit betekent dat een totaalbedrag van € 160.367,- aan geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen toewijsbaar is.

4.23.

De gevorderde wettelijke rente over de verschillende jaarschades is niet toewijsbaar, gelet op de bevoorschotting door ASR. [eiseres] heeft niet gesteld dat ASR in de betreffende jaren in verzuim was door de jaarschade niet tijdig te voldoen.
De gevorderde fiscale component is evenmin toewijsbaar.

Schade wegens behoefte aan huishoudelijke hulp en uitval in zelfwerkzaamheid

4.24.

Bij de beoordeling van de behoefte aan huishoudelijke hulp gaat het allereerst om de weging tussen de belasting in de huishoudelijke taken enerzijds en de belastbaarheid van betrokkene anderzijds. Van der Ham gaat bij de vraag naar de vaststelling van de huishoudelijke hulpbehoefte in zijn rapport uit van het systeem GITHA (gestandaardiseerde inventarisatie tijden huishoudelijke arbeid). Geen van partijen heeft daartegen gemotiveerd bezwaar aangetekend en zij lijken beiden in hun berekeningen dezelfde uitgangspunten te hanteren als Van der Ham doet. De rechtbank zal dat daarom ook doen.

4.25.

Van der Ham gaat uit van de situatie dat [eiseres] in Haarlem in een bovenwoning zonder tuin woont. [eiseres] heeft aangevoerd dat die situatie gold vanaf 2018 tot 2022.

4.26.

[eiseres] heeft verder – onbetwist – aangevoerd dat zij vanaf de datum ongeval (oktober 2010) tot 2018 in Soest in een koopwoning met twee verdiepingen en tuin woonde. En vanaf 2023 in een twee-onder-een kapwoning met tuin in [woonplaats] .

4.27.

Uitgaande van wat Van der Ham heeft vastgesteld en wat partijen over en weer hebben aangevoerd, komt de rechtbank tot de volgende uitgangspunten voor de berekening van deze schadeposten.

Behoefte huishoudelijke hulp

4.28.

Ten tijde van het ongeval had [eiseres] drie uur per twee weken huishoudelijke hulp. Rekening houdend met dit feit stelt Van der Ham de uitval als gevolg van het ongeval voor [eiseres] vast op 0,5 uur per week. Daar gaat de rechtbank in het volgende ook van uit.

Als gemiddeld uurtarief in de periode 2010 – 2023 zal de rechtbank € 15,- hanteren. Vanaf 2023 vindt de rechtbank een uurtarief van € 16,- redelijk.

Partijen zijn het er over eens dat deze schadepost kan worden doorberekend tot de leeftijd van 75 jaar.

4.29.

Een en ander leidt tot het volgende berekening:

november 2010 – 2018

346 weken x 0,5 uur x € 15,- = € 2.595,-

2018 – 2023

240 weken x 0,5 uur x € 15,- = € 1.800,-

2023 – 2053

Jaarschade 2023 is € 384,- (0,5 x € 16,- x 48 weken). Inkomen tussen € 30.000,- en € 40.000,- per jaar. Contante waarde berekend vanaf 1 januari 2023 tot en met 7 mei 2053 volgens de laatste Aanbeveling Rekenrente = € 15.482,-.

4.30.

Dit leidt tot de conclusie dat een bedrag aan geleden en te lijden schade wegens benodigde huishoudelijke hulp tot (€ 2.595 + € 1.800 + € 15.482=) € 19.877,- toewijsbaar is.

De gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding is niet toewijsbaar, omdat, gelet op de bevoorschotting, van verzuim geen sprake is.

Verlies mogelijkheden tot zelfwerkzaamheid

4.31.

Van der Ham vermeldt in zijn rapport dat uit het gesprek met [eiseres] bleek dat de totale omvang van de zelfwerkzaamheid vóór het ongeval beperkt was. Het zou gaan om af en toe een klein klusje (iets ophangen) of af en toe samen met haar partner een grotere klus doen (schilderen, tapijt leggen). Het gaat dan om schilderwerk binnen (wanden, houtwerk).

Van der Ham meldt verder dat de uitval niet direct in uren is uit te drukken, ook omdat de omvang van de zelfwerkzaamheid per jaar sterk kan verschillen. De rechtbank volgt (met partijen) zijn advies om uit te gaan van de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad.

4.32.

Partijen zijn het met Van der Ham eens om uit te gaan van een uitval van 25%. De rechtbank gaat ook hier uit van de woonsituatie die [eiseres] heeft beschreven (zie 4.25 en 4.26 hiervoor). Bij de richtlijnen van de Letselschaderaad gaat het om forfaitaire bedragen. In de periode 2018 tot 2023 heeft [eiseres] in een “bovenwoning zonder tuin” gewoond. Dat dit een historische bovenwoning is geweest, waaraan “het nodige onderhoud nodig was” leidt er niet toe dat van het desbetreffende forfaitaire bedrag zal worden afgeweken. Deze bedragen zijn nu juist gekozen om discussies zoals [eiseres] die nu wil voeren, te voorkomen. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank wel reden om een omrekenfactor van 0,7 toe te passen.

4.33.

Een en ander leidt tot het volgende berekening:

november 2010 – 2018

Eigen woning, twee verdiepingen, tuin, alle onderhoud

(3 jaar € 1.080,- + 4 jaar € 1.140,-) x 25% = € 1.950,-

2018 – 2023

Eigen woning zonder tuin, alle onderhoud

(3 jaar € 778,- + 2 jaar € 836,-) x 25% x factor 0,7 = € 701,05

2023 – 2048

Eigen woning met tuin, alle onderhoud

Jaarschade 2023 is € 1.354,- x 25% = € 338,50. Inkomen tussen € 30.000,- en € 40.000,- per jaar. Contante waarde berekend vanaf 1 januari 2023 tot en met 7 mei 2048 (eindleeftijd van 70 jaar, richtlijn Letselschaderaad) volgens de laatste Aanbeveling Rekenrente € 10.948,-.

4.34.

Dit leidt tot de conclusie dat een bedrag aan geleden en te lijden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden van (€ 1.950 + € 701,05+ € 10.948 =) € 13.599,05 toewijsbaar is. De rechtbank gaat onder 4.39 in op de gevorderde wettelijke rente.

Overige materiële schade

4.35.

[eiseres] vordert een bedrag van € 7.475,52 aan totale schade wegens betaalde medische kosten die niet door haar zorgverzekeraar zijn vergoed. Het gaat om een totaalbedrag van € 1.307,73 in 2015 en om een totaalbedrag van € 6.167,79 in de periode tot en met 2014. ASR betwist deze vordering.

4.36.

Gelet op deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld dat de gevorderde medische kosten in een zodanig verband met de aanrijding staan, dat zij ASR kunnen worden toegerekend. Daar komt bij dat de vordering niet is onderbouwd. [eiseres] verwijst in dit verband nog naar een overgelegde schadestaat en naar CZ vergoedingsoverzichten over de periode 20 januari 2011 tot en met 2 oktober 2014 maar daarmee zijn de gevorderde kosten, resulterend in een bedrag van € 7.475,52, niet inzichtelijk gemaakt. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.37.

[eiseres] vordert verder een bedrag van € 2.000,- aan gemaakte reiskosten in verband met artsen- en therapiebezoeken en aan hulpmiddelen die zij heeft moeten aanschaffen. ASR voert geen verweer tegen deze schadepost. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen. De rechtbank gaat onder 4.39 in op de gevorderde wettelijke rente.

Conclusie schadevergoeding

4.38.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de volgende schadeposten toewijsbaar zijn:

€ 160.367,00 verlies aan verdienvermogen

€ 19.877,00 schade wegens benodigde huishoudelijk hulp

€ 13.599,05 schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden

€ 2.000,00 overige materiële schade
Totaal € 195.843,05

4.39.

ASR heeft aan [eiseres] voorschotbedragen aan schadevergoeding van in totaal € 184.465,- betaald. Dit betekent dat nog een toe te wijzen bedrag van € 11.378,05 resteert. Daartoe zal de rechtbank ASR veroordelen. De wettelijke rente over dit bedrag zal de rechtbank toewijzen met ingang van de datum van de dagvaarding, zoals gevorderd.

Smartengeld

4.40.

[eiseres] stelt dat zij vanwege de negatieve gevolgen die zij nog steeds door het ongeval ondervindt, recht heeft op vergoeding van smartengeld. Zij wijst erop dat zij blijvende gezondheidsklachten heeft die tot volledige arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Ook hebben deze klachten grote invloed gehad op haar privéleven, zoals niet meer intensief kunnen sporten, en op haar sociale activiteiten. Volgens [eiseres] moet bij de bepaling van het smartengeld verder rekening worden gehouden met de nog relatief jonge leeftijd waarop haar het ongeval overkwam en met de lange duur van het schaderegelingsproces, waardoor zij al jaren in onzekerheid verkeert over haar financiële toekomst. [eiseres] vindt binnen de kenbare bandbreedtes een vergoeding van € 22.500,- billijk, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2010. Zij verwijst in dit verband naar rechterlijke uitspraken uit de Smartengeldgids waarbij sprake was van whiplashklachten waardoor de benadeelde arbeidsongeschikt was geraakt voor de eigen werkzaamheden. De toegekende bedragen varieerden van € 5.000,- tot € 25.000 - € 28.000.

4.41.

ASR acht een smartengeldbedrag van € 2.500,- opportuun, omdat [eiseres] niet blijvend arbeidsongeschikt is en bij haar sprake is van lichte beperkingen. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die beperkingen leiden tot beperkingen in het uitoefenen van de sporten die zij ten tijde van het ongeval deed en tot beperkingen in het sociale leven. ASR stelt verder dat het niet terecht is om de lange duur van het schaderegelingstraject te relateren aan het betwisten door ASR van de vorderingen. Partijen hebben diverse regelingspogingen gedaan die echter mede zijn stukgelopen door de volharding van [eiseres] in haar stelling dat het ongeval tot zeer aanzienlijke arbeidsvermogensschade heeft geleid, aldus ASR.

4.42.

Bij de vaststelling van de omvang van immateriële schadevergoeding moet de rechtbank acht slaan op alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het letsel en, in het verlengde hiervan, de aard, ernst en duur van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. Daarnaast moet de rechter ook letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, rekening houdend met de sindsdien opgetreden geldontwaarding.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie van [eiseres] niet vergelijkbaar is met de whiplashzaken waarnaar [eiseres] verwijst. Dit geldt met name voor de ernst van de (invaliderende) gevolgen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld kan bij [eiseres] blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ongeval niet worden aangenomen. Wel heeft [eiseres] de eerste jaren na het ongeval gezondheidsklachten en beperkingen ondervonden met de nodige gevolgen voor haar dagelijkse werk- en privéleven die in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan het ongeval. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gezondheidssituatie van [eiseres] tot aan het ongeval goed was, dat zij op het moment van het ongeval al jaren fulltime aan het werk was in commerciële leidinggevende functies en dat zij 33 jaar was. Verder betrekt de rechtbank dat [eiseres] nog steeds lichte cognitieve beperkingen ondervindt.

4.44.

Met inachtneming van deze omstandigheden en aansluitend bij vergelijkbare gevallen acht de rechtbank, gezien de aard, duur en ernst van het letsel, een bedrag van € 10.000,- een billijke vergoeding. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, zoals gevorderd.

Buitengerechtelijke kosten

4.45.

Niet in geschil is dat ASR op grond van declaraties van (de advocaat van) [eiseres] meer dan € 57.187,72 aan buitengerechtelijke kosten heeft voldaan.

4.46.

[eiseres] vordert op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog een openstaand bedrag van € 7.382,62 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid én kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Ter onderbouwing van haar vordering verwijst [eiseres] naar overgelegde onderliggende urenspecificaties.

4.47.

ASR voert hiertegen verweer.

4.48.

Buitengerechtelijke kosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW: (i) het maken van kosten dient in de gegeven omstandigheden redelijk te zijn en (ii) de omvang van de verrichte werkzaamheden zal redelijkerwijs noodzakelijk moeten zijn om vergoeding van de schade te verkrijgen.

4.49.

De vordering omvat bedragen van € 1.039,20 en € 2.200,98. ASR betwist dat die bedragen de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Daartoe stelt ASR dat het bedrag van € 1.039,20 dubbel werk betreft na overname van de zaak van de vorige belangenbehartiger en dat het bedrag van € 2.200,98 ziet op werkzaamheden van de door [eiseres] ingeschakelde rekenkundige die in 2020 maar liefst 14,7 uur zou hebben besteed aan rekenwerk.

4.50.

Wat betreft het gevorderde bedrag van € 1.039,20 overweegt de rechtbank dat [eiseres] niet nader heeft toegelicht en onderbouwd waarom deze kosten in redelijkheid moesten worden gemaakt. Gelet op de betwisting door ASR acht de rechtbank het daarom niet redelijk dat de gevorderde kosten voor rekening van ASR komen, zodat dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.51.

Anders dan ASR is de rechtbank van oordeel dat het redelijk was om een rekenkundige in te roepen voor deskundige bijstand, ook al hanteert deze deskundige bij de schadeberekening andere uitgangspunten dan volgens ASR zou moeten. De daartoe gemaakte kosten van € 2.200,98 acht de rechtbank ook redelijk. De rechtbank beschouwt deze kosten dan ook als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96, lid 2, onder b BW die voor toewijzing in aanmerking komen. De gevorderde wettelijke rente is ook toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.

4.52.

De vordering omvat daarnaast openstaande bedragen aan kosten van rechtsbijstand buiten rechte van € 1.761,76 en € 2.380,68. ASR wijst in haar verweer op de werking van artikel 241 Rv en concludeert, gelet op de data van de werkzaamheden uit de urenoverzichten (van april 2022 tot februari 2023), dat niet blijkt dat de opgevoerde kosten betrekking hebben op andere verrichtingen dan die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. Die kosten moeten geacht worden te zijn begrepen in de proceskosten en komen dus niet voor afzonderlijke toewijzing in aanmerking, aldus ASR.

4.53.

De rechtbank volgt dit verweer. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW is artikel 6:96 lid 2 onder c BW niet van toepassing wanneer op grond van artikel 241 Rv de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Die situatie doet zich hier voor (de uitzondering van de tweede volzin van artikel 241 Rv doet zich niet voor, alleen al gezien de aard van de hoofdvordering, een vordering tot vergoeding van schade). [eiseres] heeft niet nader onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat de kosten waarvan zij vergoeding vordert moeten worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten. Uit de overgelegde producties 28b en 28c blijkt niet dat ter incasso van de vordering werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder het bereik van een eventuele proceskostenveroordeling. De vordering tot betaling van € 1.761,76 en € 2.380,68 zal de rechtbank daarom afwijzen.

Belastinggarantie

4.54.

ASR heeft gesteld bereid te zijn om over de betaalde schadevergoeding een belastinggarantie te verstrekken. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] over het verstrekken van een belastinggarantie toewijzen op de in de beslissing vermelde wijze.

Proceskosten

4.55.

De rechtbank ziet in de uitkomst van deze procedure, waarin slechts een zeer gering deel van de vordering van [eiseres] wordt toegewezen, aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren op na te melden wijze.

4.55.1.

De compensatie houdt in dat [eiseres] haar eigen kosten draagt. Voor ASR geldt dat de kosten voor salaris advocaat voor eigen rekening komen. Wat betreft het door ASR betaalde griffierecht overweegt de rechtbank als volgt.

Door de hoogte van de door [eiseres] ingestelde vordering (meer dan 1,8 miljoen euro) is ASR geconfronteerd met een bijbehorend griffierecht van € 5.737,- dat zij heeft moeten betalen om verweer te kunnen voeren. Hoewel [eiseres] niet onnodig heeft geprocedeerd, is het in dit vonnis toegewezen bedrag wel veel lager dan door haar is gevorderd. Er is daarom in dit geval grond om ASR voor een deel van het griffierecht te compenseren, in die zin dat het griffierecht dat hoort bij het toegewezen bedrag voor eigen rekening komt (€ 2.837,-), en dat het verschil met het betaalde griffierecht (€ 5.737,-) voor rekening van [eiseres] komt. Dit betekent dat [eiseres] aan ASR een bedrag van € 2.900,- moet betalen.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ASR tot betaling aan [eiseres] van een bedrag aan schadevergoeding van € 11.378,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 20 maart 2023 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt ASR tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 10.000,- aan smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 oktober 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt ASR om aan [eiseres] een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken over het totaal van betaalde en in dit vonnis toegewezen (nog te betalen) schadevergoedingen,

5.4.

veroordeelt ASR tot betaling van € 2.200,98 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 20 maart 2023 tot de dag van volledige betaling,

5.5.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens voor ASR een deel van het door haar betaalde griffierecht zoals overwogen onder 4.55.1 en veroordeelt [eiseres] tot betaling aan ASR van € 2.900,-, ECLI:NL:RBNHO:2024:1719

1art. 152 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

2vgl. ook HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654, rov. 3.4.1.

3Claimbeoordelings- en Borgingssysteem van het UWV

4Deze FML verschilt overigens naar eigen zeggen van [eiseres] niet noemenswaardig van die van de arbeidsdeskundigen van het UWV.