Overslaan en naar de inhoud gaan

RvD Amsterdam 080714 advocaat die derde inschakelt dient in te staan voor de kosten van die derde

RvD Amsterdam 080714 advocaat die derde inschakelt dient in te staan voor de kosten van die derde
2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2 Klaagster drijft een schade-expertisebureau en verricht diensten in letselschadezaken. Verweerder heeft in 2005 de heer X als advocaat bijgestaan in een letselschadezaak. In het kader van de behandeling van de zaak van de heer X heeft klaagster schade-expertisediensten verricht.

2.3 Verweerder heeft de heer X bijgestaan op grond van een privatieve lastgevingsovereenkomst van 3 november 2005 tussen verweerder en de heer X. Artikelen 1 en 2 van die overeenkomst bepalen:

"1.  Cliënt (lastgever) verstrekt aan de advocaat (lasthebber) door ondertekening van deze overeenkomst een onherroepelijke privatieve last ex art. 7:423 BW om de kosten van rechtsbijstand die de advocaat ten behoeve van de cliënt heeft gemaakt en/of nog maakt, om die kosten rechtstreeks, op eigen naam en met uitsluiting van de lastgever te verhalen op de (aansprakelijke) derde(n);

2. onder de kosten van rechtsbijstand zijn onder meer begrepen de kosten van deurwaarders, procureurs, medisch adviseurs, arbeidsdeskundigen, schade-expertiseburo's of anderen die door, namens of ten behoeve van cliënt zijn ingeschakeld om diensten of informatie te leveren in het kader van de door de advocaat ten behoeve van de cliënt behartigde kwestie".

2.4 Bij brief van 18 juli 2006 heeft verweerder aan de advocaat van de wederpartij geschreven:

"Wat betreft de vaststelling van de omvang van de schade zal ik een beroep doen op [klaagster]. Dat bureau zal de materiële schade, in haar volle omvang, nauwkeurig becijferen. Ik zal u als contactpersoon noemen. (…) [Klaagster] zal rechtstreeks, zonder mijn tussenkomst (dit mede ter beperking van de kosten) met u communiceren. Ik kom in beeld wat de medische (immateriële) kant van deze kwestie betreft en indien de afwikkeling onverhoopt tot problemen leidt."

 Van deze brief heeft verweerder een afschrift aan klaagster gezonden.

2.5 Bij brief van 23 januari 2007 heeft verweerder aan klaagster bericht:

"(…) u zult zich namens de heer [X] bezig (blijven) houden met het vaststellen van de omvang van de door hem geleden schade,"

en:

"Wat mij betreft kunt u steeds rechtstreeks met de heer [X] communiceren; ik hoef daar niet tussen te zitten. Uw nota's dient u in dat geval aan hem te adresseren. Slechts indien de schaderegeling zoals hierboven weergegeven stokt of de verschillen van inzicht tussen u en [de deskundige van de schadeveroorzaker] onoverbrugbaar zijn, kom ik weer in beeld."

2.6 Op 14 juli 2008 hebben de heer X en de schadeveroorzaker een schikking getroffen ten overstaan van de rechtbank ’s-Gravenhage. In het aan X te betalen bedrag was aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van EUR 25.000,- begrepen.

2.7 Op 6 augustus 2008 hebben verweerder en de heer X een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin staat dat de heer X op dat moment nog EUR 45.000,- aan verweerder verschuldigd was en waarin de heer X zich heeft verplicht aan verweerder een bedrag van EUR 33.000 te betalen, waarna partijen over en weer jegens elkaar finaal gekweten zouden zijn. Deze overeenkomst is uitgevoerd.

2.8 De facturen van klaagster, die in totaal circa EUR 20.000,- belopen, zijn onbetaald gebleven.

2.9 Bij brief met bijlagen van 7 november 2013 heeft klaagster zich bij de deken beklaagd over verweerder.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij de werkzaamheden van klaagster vanaf 2005 onbetaald heeft gelaten terwijl de diensten van klaagster door verweerder zijn ingeroepen.

4 BEOORDELING

4.1 Gedragsregel 32 bepaalt dat de advocaat moet instaan voor de kosten van de door hem bij de behandeling van een zaak ingeroepen derde, tenzij hij een uitdrukkelijk voorbehoud maakt. De raad overweegt dat deze gedragsregel niet uitsluitend ziet op situaties waarin sprake is van een privaatrechtelijke overeenkomst van opdracht tussen de advocaat en de derde, maar op alle situaties waarin het inroepen van de derde op initiatief van de advocaat is geschied. In het algemeen is het namelijk zo dat de derde bij zijn beslissing of en onder welke condities hij medewerking verleent zich mede zal laten leiden door het gezag van de advocaat, die geacht mag worden te kunnen overzien of de verplichtingen die namens zijn cliënt worden aangegaan ook adequaat zullen (kunnen) worden gehonoreerd.

4.2 Het verweer van verweerder dat niet hij, maar de heer X de contractuele wederpartij van klaagster is, dient dan ook te worden gepasseerd. De raad oordeelt dat op grond van de in 2.4 en 2.5 aangehaalde brieven voldoende vast is komen te staan dat het inschakelen van klaagster op initiatief van verweerder is geschied. De in die brieven opgenomen mededeling van verweerster aan klaagster en de wederpartij dat hij niet als tussenpersoon bij hun contact zal fungeren, maakt dat niet anders.

4.3 Verweerder heeft niet aannemelijk weten te maken dat hij het voorbehoud heeft gemaakt zoals bedoeld in Gedragsregel 32 lid 1, slot. De enkele mededeling dat klaagster haar nota’s rechtstreeks aan de heer X diende te adresseren kan niet als een dergelijk voorbehoud worden aangemerkt.

4.4 Het voorgaande brengt met zich dat verweerder dient in te staan voor de declaraties van klaagster. Nu hij die declaraties onbetaald heeft gelaten, heeft hij naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De raad zal de klacht dan ook gegrond verklaren.

5 MAATREGEL

5.1 De raad acht de oplegging van de maatregel van een waarschuwing passend.ECLI:NL:TADRAMS:2014:171