Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 230523  regres;  UWV mag bewijzen dat partijen vóór ongeval verwikkeld waren in gevaarzettend rijgedrag

GHDHA 230523  regres;  UWV mag bewijzen dat partijen vóór ongeval verwikkeld waren in gevaarzettend rijgedrag

3 Feitelijke achtergrond

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Volgens het UWV heeft de rechtbank de feiten onvolledig weergegeven. De rechtbank was echter niet gehouden om alle feiten te vermelden, reden waarom deze klacht geen succes heeft. Omdat het UWV geen grief heeft aangevoerd tegen de door de rechtbank (wel) vastgestelde feiten zijn deze in hoger beroep niet in geschil. Daarom zal ook het hof deze feiten als uitgangspunt nemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1

Op 26 mei 2011 heeft op de rijksweg A2 tussen Amsterdam en Utrecht in de richting van Utrecht een verkeersongeval (hierna: het ongeval) plaatsgevonden. Hierbij waren betrokken een door [A] (hierna: [A] ) bestuurde personenauto van het merk Peugeot (hierna: de Peugeot) en de door [B] (hierna: [B] ) bestuurde bedrijfsauto van het merk Iveco (hierna: de Iveco) met aanhangwagen. [B] heeft hierbij letsel opgelopen. De aanrijding werd veroorzaakt doordat [A] , die op de tweede rijstrook van links reed, plotseling remde, daarbij de macht over het stuur verloor, in een slip raakte en naar rechts over een aantal rijstroken slingerde of tolde, waarna een botsing plaatsvond met de door [B] bestuurde Iveco die op dat moment op de meest rechter rijstrook reed. Bij het ongeval was nog een derde voertuig betrokken waarvan de bestuurder onbekend is gebleven. Volgens [A] betrof het voertuig een Porsche Cayenne met Belgisch kenteken (hierna: de Porsche). De Porsche reed vlak vóór de Peugeot van [A] en remde plotseling, wat de aanleiding was voor de plotselinge remactie van [A] .

3.2

[A] en [B] hebben een aanrijdingsformulier ingevuld. [A] heeft op de achterzijde van het aanrijdingsformulier over de toedracht van het ongeval het volgende opgeschreven: "Een Porsche Cayenne met Belgisch kenteken (kenteken niet leesbaar/onbekend) maakte achter mij gebruik van groot en knipperlicht terwijl ik in de meest linkerlaan zat, ik ging zodra ik kon naar rechts. De Porsche haalde mij in en voerde een noodstop voor mij uit met opzet. Ik remde, raakte in onbalans en slipte. Porsche niet geraakt. In laan 1 botste de Iveco met aanhanger tegen mijn achterkant."

3.3

Op 13 juni 2011 heeft [A] aangifte gedaan tegen de bestuurder van de Porsche. In de aangifte staat onder meer: "Ik zag de Porsche al enige tijd in mijn binnenspiegel met hoge snelheid andere voertuigen passeren, zowel links als rechts. De Porsche heeft gedurende 3 tot 4 minuten met knipperende grootlichten en knipperlichten achter mij gereden op zeer onveilige afstand, 5 tot maximaal 10 meter in de meest linker rijstrook. Ik reed de maximaal toegestane snelheid. Bij de eerstvolgende mogelijkheid ging ik naar rechts naar de vierde strook. De Porsche passeerde mij en ik zag een mannelijke bestuurder, blond haar en 35-45 jaar oud, zijn haar in een wetlook kapsel losjes achterover gekamd. De Porsche haalde mij in en voerde een onnodige noodstop voor mij uit. Ik reageerde uiteraard op zijn remactie waarbij mijn auto in onbalans raakt en uiteindelijk slipte. Hierdoor wisselde ik onvrijwillig van de vierde naar de eerste strook en werd daar uiteindelijk in de achterkant geraakt door de onschuldige Iveco met de aanhanger.”

3.4

In een ongedateerde brief aan Klaverblad heeft [A] onder meer het volgende geschreven onder de kop ‘Hetgeen vooraf is gegaan aan het voorval?’: “Op een moment zag ik in mijn binnenspiegel (…) een hoge zwarte auto (model SUV) door het verkeer kruisen waarbij de auto zowel links als rechts inhaalde en de chauffeur dus roekeloos gedrag vertoonde naast het feit dat hij te snel reed. Niet veel later reed hij vlak achter mij op een afstand van 5 tot 10 meter, zijn geduld was minimaal en flitste met grootlichten en knipperlichten. Dat was onmogelijk op dat moment aangezien alle 5 lanen volledig gevuld waren en ik niet zonder meer veilig naar rechts kon gaan zonder weggebruikers rechts van mij te hinderen. Ik bleef doorrijden op de maximumsnelheid op de meest links gelegen baan totdat enkele minuten later de gelegenheid zich voordeed dat ik wel een baan naar rechts kon gaan. Daarop passeerde de zwarte SUV mij, (…) De SUV verwisselde direct van laan vlak voor mij en aangezien ik goed ben geïnstrueerd in het nieuwe rijden, inclusief defensief rijgedrag (naast dat ik direct nattigheid voelde), keek ik om mij heen of ik verder naar rechts of weer naar links kon uitwijken (…). Op dat moment werd ik al links gepasseerd en rechts achter mij was er ook een auto aanwezig. Op dat moment maakt de SUV bestuurder een onnodige noodstop, voor hem was er immers geen verkeer. Instinctief remde ik om een aanrijding met de SUV te vermijden, (…). Door de kracht van de noodstop die ik zelf uit moest voeren raakte mijn auto in onbalans waarbij de voorwielen in tegenfase veerden. Dit kon ik niet meer corrigeren en ik raakte in een slip waarbij ik uiteindelijk in de meest rechtse baan door de betrokkene van achter werd geraakt.”.

3.5

[B] heeft over de toedracht op het aanrijdingsformulier geschreven: "reed op de rechtse baan. de ander auto raakte inde slip en ging zo de weg over". De vraag: "Wie is naar uw mening aansprakelijk?" op de achterzijde van het aanrijdingsformulier heeft hij als volgt beantwoord: "de ander bestuurder want die was met een andere weg gebruiker aan het remen en afsnijden en verliesde hier door het macht over het stuur en slingerde en Tolde rond over de weg van Links naar rechts zo Tegen de auto aan stopen was on mogelijk."

3.6

[getuige] (hierna: [getuige] ) heeft een getuigenformulier ingevuld op 15 september 2011. In dit formulier duidt hij de Peugeot van [A] aan als voertuig A (in vraag 5 als voertuig B), de Iveco van [B] als voertuig B en de Porsche als voertuig C. In het getuigenformulier staat voor zover thans van belang het volgende vermeld:

2) Vanaf welke plaats werd het ongeval door u waargenomen? (…)

"Ik reed tussen de Peugeot en voertuig B."

3) Wat zag u precies gebeuren?

"Voertuig A moest plotseling remmen vanwege de auto voor hem. Vervolgens begon A te wankelen en de auto schoot over de weg, vlak langs mijn auto tegen voertuig B."

(…)

5) Wie heeft er naar uw mening schuld aan dit ongeval en waarom?

"Is moeilijk in te schatten. Voertuig C was aan het remmen waardoor voertuig B ook plots moest remmen en de auto defect leek te raken. Waarom C intensief remde is mij onduidelijk."

3.7

Door klachten ten gevolge van bij het ongeval opgelopen knieletsel is [B] op

12 mei 2012 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als internationaal vrachtwagenchauffeur die hij in loondienst verrichtte. Hij heeft deze werkzaamheden niet meer kunnen hervatten. [B] is door het UWV arbeidsongeschikt geacht. Sinds mei 2014 ontvangt hij een WGA-uitkering van het UWV.

3.8

De Peugeot was ten tijde van het ongeval conform de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Klaverblad. Klaverblad heeft tot op heden aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval van de hand gewezen.

4Procedure bij de rechtbank

4.1

Het UWV heeft Klaverblad gedagvaard en gevorderd dat, samengevat, de rechtbank voor recht verklaart dat Klaverblad aansprakelijk is voor de door het UWV geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval en Klaverblad veroordeelt om de uit het ongeval voor het UWV voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden, met veroordeling van Klaverblad tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten en met rente.

4.2

Het UWV heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij op grond van artikel 99 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en artikel 6 WAM een rechtstreeks verhaalsrecht heeft op Klaverblad in verband met de door hem gedane en nog te verrichten uitkeringen ingevolge de arbeidsongeschiktheid van [B] . Hij stelt daartoe, kort gezegd, dat [A] door een verkeersfout het ongeval heeft veroorzaakt en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B] , ten gevolge waarvan [B] arbeidsongeschikt is geraakt. Klaverblad heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van het UWV.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en het UWV in de kosten veroordeeld. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat er onvoldoende, voor bewijslevering vatbare, feitelijke aanknopingspunten zijn waaruit kan worden afgeleid dat een verkeersfout van [A] het ongeval heeft veroorzaakt. Onduidelijk is gebleven waarom de Porsche plotseling remde. Dat er een noodzaak was voor de Porsche om te remmen, waarop ook [A] op zijn beurt had moeten anticiperen, is gesteld noch gebleken. Dat [A] vervolgens de macht over het stuur verloor, is evenmin zonder meer als verkeersfout te duiden. Omdat geen onrechtmatige daad van [A] is gebleken, heeft het UWV geen regresrecht, aldus de rechtbank.

5Beoordeling in hoger beroep

5.1

Het UWV is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij heeft verschillende grieven tegen het vonnis aangevoerd. Het UWV vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank.

5.2

Kort gezegd zien de grieven van het UWV op het volgende: gelet op de toedracht van het ongeval dient er volgens het UWV voorshands vanuit gegaan te worden dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld, behoudens door Klaverblad te leveren tegenbewijs. Dat de Peugeot van [A] in de slip en mogelijk defect is geraakt, kan [A] worden aangerekend. Het is aannemelijk dat de Peugeot defect is geweest. De Peugeot was immers standaard voorzien van een antiblokkeersysteem. Indien de Peugeot niet defect zou zijn geweest, hadden de wielen door het aanwezige antiblokkeersysteem niet kunnen blokkeren. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de lezing van het ongeval van [A] ondersteund wordt door de lezing van het ongeval van [getuige] . Ook heeft de rechtbank ten onrechte het bewijsaanbod van het UWV gepasseerd. Bovendien is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan het bepaalde in de artikelen 6:99 BW en 6:102 BW. Klaverblad bestrijdt de grieven.

Heeft [A] onrechtmatig gehandeld?

5.3

Allereerst dient te worden beoordeeld of [A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B] . Volgens het UWV heeft [A] in strijd met het bepaalde in artikel 5 en/of 6 van de Wegenverkeerswet 1994 gevaar op de weg veroorzaakt dan wel het overige verkeer op de weg gehinderd. Ook heeft [A] een verkeersfout gemaakt door in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) bij het wisselen van rijstrook (een bijzondere manoeuvre) het overige verkeer te hinderen. [A] heeft bovendien de Peugeot niet veilig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien, wat in strijd is met artikel 19 RVV, en reed - in strijd met artikel 3 RVV - onnodig links. Een en ander is aan de schuld van [A] te wijten, aldus het UWV.

5.4

Het hof stelt voorop dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het UWV de bewijslast rust van de stellingen die hij ten grondslag legt aan zijn vordering; Klaverblad hoeft niet de feiten te bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de stellingen waarop het UWV zijn vordering baseert.

5.5

Op basis van de stellingen van het UWV kan er niet voorshands van worden uitgegaan dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld. De door het UWV gestelde toedracht van het ongeval is immers door Klaverblad betwist en staat dus niet vast.

5.6

Het beroep van het UWV op artikel 1 van de Overeenkomst Vereenvoudigde Schaderegeling (OVS) van het Verbond van Verzekeraars, wat daarvan zij, gaat niet op omdat het UWV geen partij is bij de OVS.

5.7

Indien komt vast te staan dat [A] en de bestuurder van de Porsche kort vóór het ongeval elkaar uitdaagden door te remmen en af te snijden, is in beginsel de conclusie gerechtvaardigd dat [A] gevaar op de weg heeft veroorzaakt dan wel het overige verkeer heeft gehinderd, en dat [A] daarom een verwijt valt te maken van het ontstaan van het ongeval.

5.8

Het UWV heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden van zijn stelling dat [A] en de bestuurder van de Porsche met elkaar verwikkeld waren in gevaarzettend rijgedrag. Het hof ziet aanleiding om het UWV overeenkomstig zijn aanbod in de gelegenheid te stellen om door middel van het horen van getuigen bewijs te leveren van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [A] en de bestuurder van de Porsche kort vóór het ongeval met elkaar verwikkeld waren in gevaarzettend rijgedrag.

5.9

Aan het aanbod van het UWV om te bewijzen dat het aannemelijk is dat de Peugeot die [A] bestuurde defect raakte of reeds defect was ten tijde van het ongeval, gaat het hof voorbij omdat het niet onzorgvuldig en/of onrechtmatig is om met een auto van het bouwjaar van de Peugeot (2001) zonder (werkend) antiblokkeersysteem deel te nemen aan het verkeer.

5.10

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. ECLI:NL:GHDHA:2023:1130