Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB 190121 achteropaanrijding door onvoldoende afstand houden. Eigen schuld voorligger 75% door onnodig remmen

RBZWB 190121 achteropaanrijding door onvoldoende afstand houden. Eigen schuld voorligger 75% door onnodig remmen
- verzocht 5,5 uur x € 275,00, + 14 x € 235,00; toegewezen, mede vanwege ES en kosten overname, 15 uur x € 235 x 1,21 = € 4265,25 x 25%

3
De beoordeling

3.1.
Tussen partijen staan in rechte de volgende feiten vast:
a. [verzoeker] reed op 21 maart 2019 omstreeks 15:00 uur in Rijen, gemeente Gilze en Rijen, op de N282, komende uit de richting N282 en rijdende in de richting van Tilburg. Hij kwam de N282 opgereden vanaf een daargelegen benzinestation en reed in een Toyota Aygo.
b. Achter [verzoeker] reed de heer [bestuurder vrachtauto] (hierna: [bestuurder vrachtauto] ). [bestuurder vrachtauto] bestuurde een Scania vrachtauto. Deze vrachtauto was voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden.
c. Op het moment van invoegen bedroeg de afstand tussen [verzoeker] en [bestuurder vrachtauto] ongeveer 60 meter.
d. Ongeveer 190 meter verderop (gezien vanuit [verzoeker] ) wordt [verzoeker] van achteren aangereden door [bestuurder vrachtauto] .
e. Op de N282 geldt een maximumsnelheid van 80 km/uur. Tijdens de aanrijding was het licht, droog weer en was er goed zicht.
f. Van het ongeval is een video-opname beschikbaar, gemaakt vanuit de cabine van de vrachtwagen met een dashcam. Deze video-opname is als productie bij het verzoekschrift gevoegd.
g Nationale Nederlanden heeft [naam ingenieur] Ongevallenanalyse BV verzocht een verkeersongevallenanalyse (VOA) te maken. [naam ingenieur] (hierna: [naam ingenieur] ) heeft op 24 januari 2020 een rapport afgerond betreffende de toedracht van het ongeval. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de aanrijdingsformulieren van [verzoeker] en [bestuurder vrachtauto] , foto’s van de schade aan beide voertuigen en voornoemde video-opname van het ongeval. [naam ingenieur] heeft de ongevalplaats bezichtigd. Hij heeft vervolgens een analyse van de aanrijding gemaakt door aan de hand van de video-opname en de situatie ter plaatse de weg tussen het invoegen van [verzoeker] en de botslocatie te verdelen in verschillende trajecten en voor elk traject de gemiddelde snelheid van [verzoeker] en [bestuurder vrachtauto] te berekenen. Het rapport vermeldt onder meer:

VOA


3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [bestuurder vrachtauto] onrechtmatig heeft gehandeld door te weinig afstand tot hem te bewaren en zelfs te bumperkleven, terwijl [bestuurder vrachtauto] juist meer afstand dan een gemiddelde bestuurder had moeten houden omdat hij in een beladen vrachtwagen reed en dus een langere remweg had. [bestuurder vrachtauto] heeft hierdoor artikel 19 RVV overtreden. [bestuurder vrachtauto] heeft daarnaast zonder noodzaak en dus in strijd met artikel 28 RVV geclaxonneerd. [verzoeker] is hiervan geschrokken, heeft geremd en werd vervolgens van achteren aangereden.

Anders dan Nationale Nederlanden betoogt, stelt [verzoeker] dat hem van de aanrijding geen verwijt kan worden gemaakt. Toen [verzoeker] de N282 opreed, reed er voor hem een witte auto met ongeveer gelijke snelheid. Die auto moest bij het kruispunt verderop voorrang verlenen aan ander verkeer en kwam daarom stil te staan. [verzoeker] verminderde daarom – met recht – zijn snelheid van ruim 40 km/uur naar ongeveer 33 tot 35 km/uur. [verzoeker] weerspreekt dat hij tijdens het rijden zijn mobiele telefoon zou hebben gebruikt.

[verzoeker] stelt dat hij door de aanrijding letsel heeft opgelopen, kampt met hoofdpijn- en nekklachten, concentratiestoornis, lage rugklachten, pijnlijke armen en benen en visusklachten, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt. [verzoeker] verzoekt een voorschot op de schadevergoeding.

3.3.
Nationale Nederlanden stelt zich primair op het standpunt dat de zaak zich niet leent voor behandeling in deelgeschil. Zij voert daartoe aan dat [verzoeker] met zijn verzoek eigenlijk een bodemgeschil voorlegt. Ook indien het enkel om de onrechtmatigheid gaat, leent de zaak zich niet voor een deelgeschil omdat partijen zo verdeeld zijn over het causale verband tussen de aanrijding en de gestelde schade, dat de beslissing onvoldoende zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Bovendien staan er onvoldoende feiten vast, zodat bewijslevering zou moeten plaats vinden, waarvoor in deelgeschilprocedures geen plaats is.

Subsidiair betwist Nationale Nederlanden dat haar verzekerde [bestuurder vrachtauto] onrechtmatig heeft gehandeld. Het enkele feit dat [bestuurder vrachtauto] achterop [verzoeker] is gebotst, is onvoldoende om aan te nemen dat hij een verkeersfout heeft gemaakt. [bestuurder vrachtauto] heeft voldoende afstand bewaard maar door het plotselinge remmen van [verzoeker] en de zwaar beladen vrachtwagen was het voor hem onmogelijk om de (lichte) botsing te voorkomen. [bestuurder vrachtauto] reed op dat moment met lage snelheid, ongeveer 20 km/uur. Hij heeft geclaxonneerd omdat hij de indruk had dat [verzoeker] zijn aandacht niet bij het verkeer had en onnodig langzaam reed, zodat [verzoeker] zijn aandacht weer op het verkeer zou vestigen en zou doorrijden.

Nationale Nederlanden stelt dat het juist [verzoeker] was die verkeersfouten heeft gemaakt: hij heeft tijdens het rijden zijn mobiele telefoon gebruikt waardoor hij op een 80 km/u-weg ver onder de maximumsnelheid is gaan rijden, hij heeft na het claxonneren van [bestuurder vrachtauto] geen vaart vermeerderd, maar heeft juist zonder in zijn binnenspiegel te kijken onnodig en onverwacht abrupt geremd, terwijl hij wist of had moeten weten dat een vrachtwagen een langere remweg heeft. [verzoeker] heeft met zijn verkeersgedrag onvoldoende rekening gehouden met andere verkeersdeelnemers en het overige verkeer gehinderd. Nationale Nederlanden verzoekt daarom om, indien de rechtbank zou oordelen dat [bestuurder vrachtauto] onrechtmatig heeft gehandeld, te bepalen dat de schade vanwege eigen schuld volledig voor rekening van [verzoeker] dient te blijven.

Nationale Nederlanden verzet zich tegen toekenning van een voorschot. Diverse medisch specialisten hebben geconcludeerd dat [verzoeker] lijdt aan een aangeboren afwijking aan zijn rug. Er bestaat dan ook geen causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het ongeval. De schade is bovendien in het geheel niet onderbouwd, zodat niet is aangetoond dat de verschenen schade het voorschot overstijgt.

3.4.
Uit artikel 1019w Rv volgt dat een deelgeschil kan worden begonnen om een beslissing te krijgen over een deel van wat tussen partijen in geschil is en waarvan de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het doel van een deelgeschil is dan ook om vastgelopen onderhandelingen weer op gang te brengen. Een verzoek moet worden afgewezen indien de verzochte beslissing naar het oordeel van de rechter onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Daarbij moet de investering in tijd, geld en moeite worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

3.5.
Anders dan Nationale Nederlanden betoogt, is de rechtbank van oordeel dat met het verzoek niet feitelijk het gehele geschil aan de rechtbank wordt voorgelegd. De kern van het verzoek betreft vaststelling van de aansprakelijkheid en dat is een type geschil dat in beginsel geschikt is voor behandeling in een deelgeschil, zolang over de feiten voldoende duidelijkheid bestaat. Dat [verzoeker] tevens een voorschot op de schadevergoeding verzoekt, maakt nog niet dat hij tevens een beslissing over het causale verband, de omvang van de schade of over de buitengerechtelijke kosten vraagt; hij stelt juist nadrukkelijk dit niet te doen. Dat partijen behalve over de aansprakelijkheidsvraag ook verdeeld zijn over het causale verband tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker] , staat evenmin in de weg aan behandeling van de aansprakelijkheidsvraag in deelgeschil. Indien over de aansprakelijkheid is beslist, is voor partijen in ieder geval duidelijk of zij de discussie over causaliteit met elkaar dienen te voeren of niet. Op die discussie moet niet vooruit worden gelopen, door nu te oordelen dat een vaststellingsovereenkomst mogelijk niet bereikt zal worden. Het primaire verweer van Nationale Nederlanden wordt in zoverre verworpen.

De vraag of de feiten voldoende vast staan om te kunnen beslissen over de aansprakelijkheid, zal in het navolgende aan de orde komen.

3.6.
[verzoeker] verwijt [bestuurder vrachtauto] allereerst dat hij onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld door onvoldoende afstand te houden. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat [bestuurder vrachtauto] achterop [verzoeker] is gebotst, onvoldoende is voor het oordeel dat [bestuurder vrachtauto] te dicht op [verzoeker] reed, artikel 19 RVV heeft geschonden en onrechtmatig heeft gehandeld. Op [verzoeker] rust de stelplicht en bewijslast van de door hem gestelde toedracht van het ongeval. Hij beroept zich daarbij op de video-opname van het ongeval en verwijst naar de in opdracht van Nationale Nederlanden uitgevoerde VOA. Nationale Nederlanden betwist dat [bestuurder vrachtauto] onvoldoende afstand heeft gehouden en voert aan dat het door het plotselinge – en onnodige – remmen van [verzoeker] onmogelijk was om met de zwaar beladen vrachtwagen een aanrijding te voorkomen.

3.7.
Uit de VOA volgt dat er ongeveer 19 seconden gelegen zijn tussen het moment dat [verzoeker] op de N282 invoegt en het botsmoment. De afstand tussen [verzoeker] en [bestuurder vrachtauto] is aanvankelijk ongeveer 60 meter. Op de video-opname is zichtbaar dat [bestuurder vrachtauto] in die 19 seconden inloopt op [verzoeker] , de afstand tussen hen wordt kleiner. Uit de tabel in de VOA met de gemiddelde snelheden per traject blijkt dat de snelheid van [bestuurder vrachtauto] aanvankelijk ook hoger is dan die van [verzoeker] , maar dat hij zijn snelheid terugbrengt naar -min of meer- gelijk aan die van [verzoeker] in traject E-F en F-botsing. Tussen het moment dat [verzoeker] zijn snelheid door te remmen nog verder terugbrengt (van ongeveer 24 km per uur naar uiteindelijk ongeveer 10 km per uur), en het botsmoment, is slechts 2,2 seconden gelegen. Ervan uitgaande dat [bestuurder vrachtauto] een zekere tijd nodig heeft gehad om te reageren op het remmen door [verzoeker] vóór hem (doorgaans wordt gerekend met 1 zogenaamde ‘schrikseconde’, de VOA spreekt bij vraag 7 in zijn algemeenheid van ‘minder dan 1 seconde’), en rekening houdend met het feit dat [verzoeker] volgens de VOA rustig remde, geldt dat de tijd tussen het remmen door [verzoeker] en het botsen zodanig kort is, dat de afstand die [bestuurder vrachtauto] heeft gehanteerd tussen hemzelf en [verzoeker] , te klein is geweest. Hij heeft weliswaar zijn snelheid aangepast aan de lage snelheid van [verzoeker] , maar is daarbij zodanig dicht op [verzoeker] komen te rijden, dat een verdere snelheidsvermindering door hem niet meer opgevangen kon worden. Dat [bestuurder vrachtauto] met zijn zwaarbeladen vrachtwagen een langere remweg heeft dan [verzoeker] in zijn lichte personenauto is een omstandigheid die voor rekening van [bestuurder vrachtauto] komt als bestuurder van de vrachtwagen: hij had hier in zijn weggedrag rekening mee moeten houden. Het verwijt dat [bestuurder vrachtauto] te dicht op [verzoeker] heeft gereden en onvoldoende afstand heeft bewaard, slaagt dan ook. [bestuurder vrachtauto] heeft onrechtmatig gehandeld.

3.8.
Het verwijt dat [bestuurder vrachtauto] artikel 28 RVV heeft geschonden door te claxonneren zonder dat sprake was van gevaar, slaagt niet. Bestuurders mogen op grond van dat artikel geluidssignalen afgeven (slechts) ter afwending van dreigend gevaar. Nationale Nederlanden voert aan dat [bestuurder vrachtauto] mocht claxonneren omdat hij de indruk had dat [verzoeker] zijn aandacht niet bij het verkeer had en onnodig langzaam reed. De rechtbank volgt Nationale Nederlanden in dit standpunt. Op het moment dat [bestuurder vrachtauto] claxonneerde, reed hij inmiddels 14 seconden achter [verzoeker] , die zonder duidelijke aanleiding op een 80-km/uur weg een lage snelheid reed (ongeveer 42 km per uur) en deze nog verder terug bracht (ongeveer 35 km per uur), terwijl de weg vóór hem leeg was. [bestuurder vrachtauto] mocht, gelet op die omstandigheden en met het vermoeden dat [verzoeker] zijn aandacht niet bij het verkeer had, claxonneren om de aandacht van [verzoeker] op deze potentieel gevaarlijke situatie te vestigen.

3.9.
Nationale Nederlanden doet een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [verzoeker] . Zij voert aan dat het juist [verzoeker] is geweest die verkeersfouten heeft gemaakt en dat daardoor het ongeval is veroorzaakt. [verzoeker] heeft namelijk tijdens het rijden zijn mobiele telefoon gebruikt waardoor hij op een 80 km/u-weg ver onder de maximumsnelheid is gaan rijden, hij heeft na het claxonneren van [bestuurder vrachtauto] geen vaart vermeerderd, maar heeft juist zonder in zijn binnenspiegel te kijken onnodig en onverwacht abrupt geremd, terwijl hij wist of had moeten weten dat een vrachtwagen een langere remweg heeft, zo stelt zij. [verzoeker] bestrijdt dat hij verkeersfouten heeft gemaakt. Hij betwist dat hij zijn telefoon gebruikte en voert aan dat zijn snelheid laag was omdat de auto die voor hem reed op het kruispunt verderop tot stilstand was gekomen om voorrang te verlenen. Gelet op die omstandigheden mocht [verzoeker] zijn snelheid ook verlagen van ruim 40 km per uur naar ongeveer 35 km per uur. Harder doorrijden had geen zin, want dan zou hij zeker ook volledig stil zijn komen te staan. Van een normschending van zijn kant is dan ook geen sprake, aldus [verzoeker] .

3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij bij het invoegen op de N282 zag dat ‘heel ver achter’ hem een vrachtwagen reed, dat hij vanwege het rode stoplicht vóór hem naar zijn vrij is geschakeld en vervolgens een harde claxon hoorde. Hij is daarop – waarschijnlijk uit schrik – gaan remmen. Daarbij heeft hij niet in zijn binnenspiegel gekeken, dat had hij na het invoegen niet meer gedaan. Op de video-opname is te zien dat de weg vóór [verzoeker] leeg is. In de verte is een kruispunt met verkeerslichten zichtbaar, met de voor [verzoeker] rijdende auto; volgens de VOA is de afstand tussen de botsplaats en het kruispunt ongeveer 185 meter. [verzoeker] reed reeds 50 meter vóór de botsplaats, dus ongeveer 235 meter voor het kruispunt, langzamer dan 40 km per uur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] , door op zo’n ruime afstand van een kruispunt reeds zijn snelheid te verminderen naar minder dan de helft van de maximaal toegestane snelheid, terwijl de weg voor hem leeg is, en dit zonder acht te slaan op het verkeer achter hem, onvoldoende rekening gehouden met het overige verkeer, in het bijzonder met [bestuurder vrachtauto] . Hij heeft dit verkeer ook gehinderd, hetgeen is aan te merken als een verkeersfout. Naar het oordeel van de rechtbank komt daarbij geen zelfstandige betekenis toe aan het vermoeden van [bestuurder vrachtauto] dat [verzoeker] zijn telefoon gebruikte. Hoewel dit een verklaring zou kunnen vormen voor de verlaging van de snelheid, geldt ook zonder dat het gestelde telefoongebruik is komen vast te staan, dat [verzoeker] onvoldoende aandacht voor het verkeer om hem heen heeft gehad. De rechtbank passeert dan ook de stelling van Nationale Nederlanden dat op dit punt bewijslevering zou moeten plaatsvinden.

Vervolgens is [verzoeker] na de claxon van [bestuurder vrachtauto] na 2,8 seconden gaan remmen, terwijl de weg voor hem leeg was en zonder dat hij in zijn spiegel heeft gekeken wat de verkeerssituatie achter hem was. Ook dit is aan te merken als een verkeersfout. Dat zijn handelen een schrikreactie op het geluid van de claxon was, ligt niet voor de hand, gelet op het feit dat na de (enkele en korte) claxon eerst 2,8 seconden verstrijken en [verzoeker] vervolgens rustig heeft geremd. Het doet naar het oordeel van de rechtbank in elk geval niet af aan de verwijtbaarheid van de verkeerde remactie, aangezien reeds is geoordeeld dat [bestuurder vrachtauto] mocht claxonneren ter afwending van dreigend gevaar.

Uit de VOA volgt dat de aanrijding rechtstreeks is veroorzaakt door het remmen van [verzoeker] . Daarvóór is de snelheid van [verzoeker] en [bestuurder vrachtauto] immers gelijk, en na het remmen van [verzoeker] is zijn snelheid lager met als gevolg dat [bestuurder vrachtauto] hem aanrijdt.

3.11.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep van Nationale Nederlanden op eigen schuld van [verzoeker] slaagt. De vergoedingsplicht van Nationale Nederlanden op grond van het onrechtmatige handelen van [bestuurder vrachtauto] wordt verminderd door de schade te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Aan de zijde van [bestuurder vrachtauto] is dat het onvoldoende afstand houden. Aan de zijde van [verzoeker] is dat het hinderen van en onvoldoende rekening houden met het verkeer om hem heen door te vroeg te langzaam te rijden, en het remmen kort voor de aanrijding. Deze omstandigheden leiden tot een causale verdeling van 25% voor [bestuurder vrachtauto] en 75% voor [verzoeker] .

In het kader van de billijkheidscorrectie overweegt de rechtbank enerzijds dat [verzoeker] stelt letsel te hebben opgelopen door de aanrijding (hoewel dat tussen partijen nog in geschil is) en dat [bestuurder vrachtauto] voor aansprakelijkheid is verzekerd, doch anderzijds dat de ernst van de gemaakte fouten in het nadeel van [verzoeker] wegen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitkomst van de causale verdeling niet op grond van de billijkheid aangepast moet worden. [verzoeker] heeft 75% eigen schuld aan de aanrijding en Nationale Nederlanden is (als WAM-verzekeraar van [bestuurder vrachtauto] ) gehouden tot vergoeding van 25% van de schade.

3.12.
[verzoeker] verzoekt een voorschot op de vergoeding van de door hem geleden schade van € 9.297,91. Hij verwijst daarbij naar een voorlopige schadestaat met posten voor verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp, niet vergoede medische kosten, reiskosten, diversen en immateriële schade, sluitend op € 9.297,91 + PM. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zijn subsidiaire verzoek om een in goede justitie te bepalen voorschot toegelicht en, indien de schade niet begroot kan worden, verzocht om toekenning van een voorschot van € 2.500 voor gemaakte reiskosten, smartengeld en buitengerechtelijke kosten. Nationale Nederlanden voert verweer.

3.13.
De rechtbank neemt met partijen als uitgangspunt dat een toe te kennen voorschot de tot nu toe geleden schade niet moet overstijgen. Tussen partijen is in geschil of de klachten die [verzoeker] stelt te hebben in causaal verband staan tot de aanrijding, nu meerdere behandelend specialisten stellen dat sprake is van een aangeboren rug afwijking. Het al dan niet bestaan van causaal verband tussen klachten en ongeval is geen inzet van dit deelgeschil en de aanwezigheid van causaal verband staat dan ook tussen partijen niet vast. Het gevolg is dat de schadeposten waarbij dit geschilpunt van betekenis is, niet kunnen worden begroot. Dit betreft in ieder geval het verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp en niet vergoede medische kosten. Het betreft ook de reiskosten omdat uit het overzicht blijkt dat deze reiskosten overwegend verband houden met medische bezoeken. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft [verzoeker] weinig toegelicht, anders dan dat het niet goed met hem gaat. Zonder nadere toelichting en zonder inzicht in het fysieke letsel dat is veroorzaakt door de aanrijding is de immateriële schade niet goed te begroten. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank dat uit het als productie 9 verstrekte overzicht blijkt dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die geen betrekking hebben op dit deelgeschil. Deze kosten komen op grond van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking voor zover zij de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Daarnaast blijkt dat kosten zijn gemaakt voor een vertaling (niet zijnde de kosten voor de tolk tijdens de mondelinge behandeling), dat kosten zijn gemaakt om medische informatie op te vragen en dat het eigen risico voor de ziektekostenverzekering in 2019 is verschuldigd. Al met al gaat de rechtbank ervan uit dat de verschenen schade in ieder geval € 2.000 bedraagt. Rekening houdend met het vastgestelde percentage eigen schuld, zal een voorschot van € 500 worden toegekend.

3.14.
Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de benadeelde begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Begroting kan alleen achterwege blijven, als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is geen sprake, zodat de rechtbank de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt, zal begroten. Daarbij moet de rechtbank de zogenaamde “dubbele redelijkheidstoets” hanteren: zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

3.15.
[verzoeker] verzoekt de deelgeschilkosten te begroten op € 6.870,80, bestaande uit € 297 aan griffierecht, € 762,78 terzake de kosten van de tolk, € 1.830,12 voor de voormalige advocaat van [verzoeker] (opstellen verzoekschrift 5,5 uur x uurtarief € 275 ex btw) en € 3.980,90 voor de huidige advocaat van [verzoeker] (6 uur opstellen verweerschrift tegenverzoek, 2 uur bespreking en correspondentie, 4 uur opstellen pleitnota en voorbereiden zitting en 2 uur zitting zelf ad uurtarief € 235 ex btw).

Het betaalde griffierecht en de kosten van de tolk zijn zonder meer redelijk.

Ter zake de kosten van de advocaten van [verzoeker] overweegt de rechtbank dat het [verzoeker] natuurlijk vrij staat om op enig moment een andere belangenbehartiger te kiezen, maar dat het niet zonder meer redelijk is om voor de daardoor veroorzaakte extra kosten volledige vergoeding van Nationale Nederlanden te verlangen. De rechtbank is voorts van oordeel dat in de kern sprake is van een overzichtelijk, niet complex geschil over de aansprakelijkheid en eigen schuld. Dat naast de 5,5 uur voor het opstellen van het (zeer eenvoudige) verzoekschrift nog 6 uur is besteed aan het opstellen van het verweerschrift, 4 uur voor de pleitnota en 2 uur voor bespreking en correspondentie, acht de rechtbank bovenmatig veel. Een tijdsbesteding van 10 uur in totaal voor verzoekschrift en verweer acht de rechtbank redelijk, rekening houdend met het feit dat overdracht aan een nieuwe advocaat heeft plaatsgevonden en dat communicatie wegens de taalbarrière meer tijd zal kosten. Daarnaast acht de rechtbank een tijdsbesteding van 5 uren voor de zitting en voorbereiding redelijk.

Het uurtarief van € 235 ex btw van de huidige advocaat acht de rechtbank redelijk voor een gespecialiseerde letselschadeadvocaat. Het uurtarief van € 275 ex btw van [verzoeker] eerste advocaat acht de rechtbank hoog, zeker gelet op het eenvoudige verzoekschrift. De rechtbank zal in de begroting daarom uitgaan van het uurtarief van € 235 ex btw.

De deelgeschilkosten worden begroot op:
Griffierecht € 297
Tolk € 762,78
Advocaat € 4.265,25 (15 uur x € 235 x 1,21)

Totaal € 5.325,03

3.16.
Omdat de aansprakelijkheid van Nationale Nederlanden is komen vast te staan, zal de rechtbank Nationale Nederlanden veroordelen tot betaling van de deelgeschilkosten, rekening houdend met het eigen schuld-percentage van 75%. Nationale Nederlanden zal worden veroordeeld tot betaling van € 1.331,26 aan deelgeschilkosten.ECLI:NL:RBZWB:2021:273