Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb 's-Hertogenbosch 280911 overlijdensschade advocaat; bepaling draagkracht overledene / carriere-ontwikkeling advocaat; eindleeftijd 65, waardeontwikkeling levensverzekering en/of lijfrentepolissen

Rb 's-Hertogenbosch 280911 overlijdensschade advocaat; bepaling draagkracht overledene / carriere-ontwikkeling advocaat; eindleeftijd 65, waardeontwikkeling levensverzekering en/of lijfrentepolissen

Gederfd levensonderhoud 

3.23.  [eisers] vorderen een vergoeding voor gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 BW (zie onder 2.2. sub 2). Zij stellen dat zij door het overlijden van hun echtgenoot en vader schade lijden in verband met het wegvallen van zijn aandeel in hun levensonderhoud. 

3.24.  [eisers] hebben in beginsel recht op een vergoeding waarmee zij kunnen blijven leven in de stand waarin zij gewend waren te leven en waarin zij vermoedelijk zouden hebben geleefd in de hypothetische situatie zonder ongeval. Om de hoogte van die vergoeding te kunnen begroten moet eerst worden vastgesteld hoe hoog het gezinsinkomen vermoedelijk zou zijn geweest in de hypothetische situatie zonder ongeval en welk deel van dat gezinsinkomen dan zou zijn gebruikt voor het levensonderhoud van [eiseres sub 1] en van de kinderen. Op die manier wordt hun individuele behoefte vastgesteld. Vervolgens moet worden vastgesteld welke middelen [eisers] in de werkelijke situatie feitelijk ter beschikking staan om te voorzien in hun levensonderhoud. Voor zover die middelen niet toereikend zijn om te voorzien in de vastgestelde behoefte, is sprake van behoeftigheid (schade) en bestaat recht op een vergoeding. 

3.25.  Hetgeen hierna zal worden besproken heeft betrekking op de situatie van [eiseres sub 1], en op de situatie van de kinderen gedurende de periode dat zij nog thuis woonden. Op de situatie van de kinderen vanaf het moment dat zij zelfstandig zijn gaan wonen zal hierna onder 3.83 en verder afzonderlijk worden ingegaan. 

Gezinsinkomen in de hypothetische situatie zonder ongeval 

Inkomsten [XX] 

3.26.  [XX] was als zelfstandig advocaat gevestigd in [woonplaats]. Hij was verbonden aa[K] kantoor “[HHH]”. In een verklaring van mr. [K] (hierna: [K]) staat dat [XX] en hij het voornemen hadden zich eind 2002 af te splitsen en samen een kantoor te beginnen. 

3.27.  [eisers] menen dat voor de berekening van de inkomsten van [XX] in de hypothetische situatie zonder ongeval de omzet die [K] heeft gemaakt vanaf 2002 als maatstaf kan worden genomen. Zij stellen dat beide advocaten een vergelijkbare praktijk hadden en die samen zouden hebben voortgezet, zodat het redelijk is om aan te nemen dat [XX] een zelfde omzet zou hebben gemaakt als [K] feitelijk heeft gemaakt. Overgelegd zijn de omzetcijfers van [K] over de jaren tot en met 2007. Uitgegaan zou moeten worden van een kostenpercentage van 50%. [eisers] komen dan tot een winst voor belasting van € 100.000,- in 2002 oplopend tot een nettowinst van € 130.000,- in 2010. 

3.28.  [eisers] gaan er aldus vanuit dat het inkomen van [XX] van 2002 tot 2010 nog aanzienlijk zou zijn gestegen. Zij achten dit een redelijk uitgangspunt omdat de opzet van een tweemanskantoor met [K] de mogelijkheid bood de omzet te verhogen. Ook wijzen zij er op dat de invoering van de euro destijds tot flinke omzetstijgingen heeft geleid en dat oudere advocaten binnen een klein kantoor (met meer vrijheid en een lagere werkdruk) in het algemeen niet minder productief worden en hun omzet verder kunnen verhogen door routine en ervaring. 

3.29.  Allianz c.s. menen dat [eisers] uitgaan van een te rooskleurige toekomstvisie. In de conclusie van antwoord en ook ter zitting hebben Allianz aangegeven er op basis van de jaarrekeningen vanuit te gaan dat [XX] in de drie jaren voor het ongeval gemiddeld ongeveer € 70.000,- bruto per jaar verdiende (€ 64.972,- in 1999, € 62.985,- in 2000 en € 79.750,- in 2001). Uitgaande van een zekere omzetstijging na het samengaan met [K], hebben Allianz c.s. aangegeven een volgende inkomensontwikkeling in de hypothetische situatie zonder ongeval reëel te achten: 

2002  € 90.000,- bruto 
2003  € 100.000,- bruto 
2004  € 105.000,- bruto 
2005  € 110.000,- bruto 
2006  € 115.000,- bruto 
(stabilisatie vanaf 2006) 

3.30.  Kort voor de zitting hebben Allianz c.s. in het geding gebracht een aan hen gerichte brief van schade-expert drs.[L] (hierna: [L]) van 21 september 2010. Daarin plaatst [L] vraagtekens bij de juistheid van het berekende bruto jaarinkomen van [XX] voor diens overlijden. Allianz c.s. hebben deze brief van [L] voor de zitting in het geding gebracht maar hebben zich er vervolgens niet op beroepen. Zij hebben daarentegen ter zitting met zoveel woorden nog eens aangegeven dat [XX] in de drie jaren voor het ongeval zo’n € 70.000,- bruto per jaar verdiende. Ter zitting is van de zijde van [eisers] op dit punt dan ook niet op de brief van [L] gereageerd. In hun akte van 12 januari 2011 hebben Allianz c.s. alsnog gewezen op de door [L] geplaatste vraagtekens, zonder daarbij echter aan te geven welke gevolgen dit heeft voor hun standpunt inzake de inkomsten van [XX] in de situatie zonder ongeval. De rechtbank zal dit dan ook verder buiten beschouwing laten. 

De rechtbank oordeelt als volgt. 

3.31.  Bij het bepalen van de vermoedelijke draagkracht van de overledene in de hypothetische situatie zonder ongeval, moet als uitgangspunt worden genomen zijn inkomen ten tijde van zijn overlijden, maar daarnaast moet ook rekening worden gehouden met relevante ontwikkelingen met betrekking tot dat inkomen waarvan waarschijnlijk is dat ze zich in de situatie zonder overlijden in de toekomst zouden hebben voorgedaan. Absolute zekerheid over hoe het inkomen van [XX] zich zou hebben ontwikkeld in de hypothetische situatie zonder ongeval is niet te verkrijgen omdat die situatie zich nu eenmaal niet heeft voorgedaan. De hieruit volgende onzekerheid kan tot op zekere hoogte worden toegerekend aan Allianz c.s., nu het immers aan de onrechtmatige daad van haar verzekerde/werknemer te wijten is dat de hypothetische situatie zich niet heeft voorgedaan. Dit laat echter onverlet dat het aan de nabestaanden is om voldoende aannemelijk te maken dat de door hen gestelde ontwikkelingen in het inkomen van [XX] zich in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden hebben voorgedaan. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarin de nabestaanden stellen dat dit inkomen nog fors zou zijn gegroeid. 

3.32.  Voor wat betreft het inkomen van [XX] ten tijde van zijn overlijden gaat de rechtbank uit van het door Allianz c.s. in de conclusie van antwoord en ter comparitie genoemde bedrag van gemiddeld € 70.000,- bruto per jaar (zie onder 3.29). Partijen gaan er vanuit dat het starten van een nieuwe praktijk met [K] waarschijnlijk tot een omzetstijging had geleid en dat de uurtarieven in 2002 zijn gestegen door de invoering van de euro. Tussen partijen is dan ook in confesso dat het redelijk is om aan te nemen dat het inkomen van [XX] nog zou zijn gestegen indien hem het ongeval niet zou zijn overkomen. Partijen twisten evenwel over de mate waarin en de periode waarover dat inkomen in de jaren na 2002 zou zijn gestegen. De rechtbank is van oordeel dat door [eisers] niet voldoende onderbouwd is gesteld dat en waarom het aannemelijk is dat de stijging van het inkomen van [XX] meer zou hebben bedragen en langer zou hebben voortgeduurd dan de toch aanzienlijke stijgingen waarvan Allianz is uitgegaan. [eisers] hebben met name niet voldoende onderbouwd waarom het redelijk is om aan te nemen dat [XX] een zelfde omzet had kunnen maken als [K] heeft gedaan vanaf 2002. Zij stellen wel dat beiden voorheen een vergelijkbare praktijk voerden - zonder dit overigens nader toe te lichten - maar niet is gesteld dat beiden ook vergelijkbare omzetten realiseerden. Voor wat betreft de invloed van de leeftijd van [XX] overweegt de rechtbank dat uit statistieken weliswaar blijkt dat de arbeidsproductiviteit afneemt met het stijgen van de leeftijd, maar Allianz c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat deze wetmatigheid ook geldt voor de beroepsgroep van advocaten, die in hun werk profijt kunnen hebben van toegenomen routine en ervaring. 
Anderzijds is door [eisers] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [XX], destijds vijftig jaar oud, nog lange tijd zijn omzet fors had kunnen verhogen door toegenomen routine en ervaring. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat de stijging van de leeftijd van [XX] in de periode na 2002 de door hem te behalen omzet in significante mate negatief dan wel positief zou hebben beïnvloed. 

3.33.  Al met al is de rechtbank van oordeel dat [eisers] in hun berekening uitgaan van een te rooskleurig scenario van flinke winstgroei. Een voldoende onderbouwing ontbreekt en er is niet kenbaar rekening gehouden met mogelijke tegenvallers waarvan waarschijnlijk is dat deze zich ook hadden voorgedaan. De rechtbank acht het daarom redelijk om voor de hypothetische situatie zonder ongeval als uitgangspunt te nemen dat het bruto jaarinkomen van [XX] in 2002 € 90.000,- zou hebben bedragen en op de onder 3.29 genoemde wijze zou zijn gestegen tot een bedrag van € 115.000, in 2006, waarna het (behoudens indexatie) gelijk zou zijn gebleven. In deze aanname zitten naar het oordeel van de rechtbank de goede en kwade kansen ten aanzien van te realiseren winsten voldoende verdisconteerd. 

3.34.  Evenals partijen acht de rechtbank aannemelijk dat [XX] in de situatie zonder ongeval tot op 65-jarige leeftijd (maart 2016) was blijven werken. Hij zou vervolgens een AOW-uitkering hebben ontvangen. 

(...)


Levensverzekeringen, lijfrentes 

3.39.  Vaststaat dat door [XX] drie polissen werden afgesloten: 
I.  beleggingscertificaat nr. 5277856 bij Fortis ASR (prod.17-19) 
II.  levensverzekering bij AMEV, polisnummer 010606715 (prod.20-21) 
III.  levensverzekering bij Nationale Nederlanden (prod.22) 

3.40.  Partijen zijn het er over eens dat de uitkeringen die [XX] uit deze polissen bij leven op de expiratiedatum zou hebben ontvangen moeten worden opgeteld bij zijn inkomen in de situatie zonder ongeval. Partijen zijn het niet eens over de vermoedelijke hoogte van die uitkeringen noch over de vraag of die uitkeringen ineens of middels aankoop van een lijfrente zouden zijn betaald. 

3.41.  De rechtbank acht het redelijk om voor de situatie zonder ongeval voor alle drie polissen aan te nemen dat met de uitgekeerde bedragen een levenslange lijfrente zou zijn aangekocht waarbij het overlijdensrisico van [XX] zou zijn meeverzekerd zodat [eiseres sub 1] ook na zijn overlijden lijfrente-uitkeringen zou blijven ontvangen. Voor wat betreft de hoogte van die uitkeringen overweegt de rechtbank het volgende. 

Ad I 

3.42.  [eisers] menen dat de waarde van de polis van Fortis ASR op de expiratiedatum 1 januari 2015 minimaal € 29.496,- zou hebben bedragen (20 jaar x jaarinleg van € 1.474,80), te verhogen met een rendement van 6% of althans 3%. Dit zou een lijfrente-uitkering hebben opgeleverd van minimaal € 3.000,- tot € 3.500,- per jaar. 

3.43.  Allianz c.s. beroepen zich in deze op het oordeel van schade-expert [L], die in zijn brieven van 21 september 2010 en 14 oktober 2010 aangeeft dat en waarom het niet juist is om aan te nemen dat op de expiratiedatum minimaal het totaal van de ingelegde bedragen zou worden uitgekeerd. [L] wijst op het feit dat op de inleg kosten in mindering worden gebracht en dat het een beleggingsproduct betreft en dat beleggingen minder waard kunnen worden en als gevolg van de huidige economische crisis ook fors minder waard zijn geworden of zelfs nagenoeg zijn ‘verdampt’. [L] gaat in zijn berekening uit van een uitkering per expiratiedatum van € 22.011,- en acht dit zeker niet aan de lage kant. Dit zou volgens zijn berekening een lijfrente hebben opgeleverd van € 1.126,- per jaar. 

3.44.  De rechtbank is van oordeel dat als uitgangspunt moet worden genomen dat de uitkering zou hebben bestaan uit de netto inleg (de inleg verminderd met de ingehouden administratie- en beheerskosten) vermeerderd met het jaarlijks rendement over die netto inleg, waarbij zij opgemerkt dat dit rendement zou hebben gefluctueerd en in sommige jaren ook (fors) negatief zou zijn geweest. De wijze waarop [eisers] het uit te keren bedrag berekent - de volledige inleg vermeerderd met een rendement van 6% of althans 3% - geeft dan ook een te rooskleurig resultaat. Het betreft hier een beleggingsproduct zonder gegarandeerd uitkeringsbedrag per expiratiedatum en uit de overgelegde algemene voorwaarden blijkt dat de inleg wordt belegd in vaste-rentedragende waarden, aandelen en onroerende zaken. Nadere gegevens over de samenstelling van de beleggingsportefeuille en over behaalde rendementen op dit beleggingsproduct ontbreken. Een feit van algemene bekendheid is wel dat beleggingen de afgelopen jaren over het algemeen fors minder waard zijn geworden. De rechtbank zal daarom vooralsnog uitgaan van het door [L] genoemde bedrag van € 22.011,-. De te benoemen rekenaar zal worden gevraagd te berekenen welke jaarlijkse lijfrente dit zou hebben opgeleverd. 
[eisers] zal evenwel gelegenheid krijgen onderbouwd aan te geven dat en waarom van een hoger uitkeringsbedrag moet worden uitgegaan, bij voorkeur door overlegging van gegevens van Fortis ASR over de reeds behaalde en de nog te verwachten rendementen op dit beleggingsproduct. 

Ad II 

3.45.  [eisers] stellen dat bij de polis bij AMEV, met als expiratiedatum 11 december 2016, sprake was van een verzekerd kapitaal van € 61.260,- en dat daarnaast aanspraak bestond op winstdeling. In de dagvaarding rekenen zij voor dat uitgegaan moet worden van een winstdeling van € 516,13 per jaar. Uit wat namens [eisers] ter zitting naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat zij van mening zijn dat bij dit bedrag nog moet worden opgeteld de premie die bij leven nog per kwartaal zou zijn doorbetaald, waardoor de uitkering ruim € 74.500,- zou hebben bedragen, vermeerderd met het rendement over de inbreng. 

3.46.  Allianz c.s. beroepen zich ook hier op het oordeel van schade-expert [L] als weergegeven in zijn brieven van 21 september 2010 en 14 oktober 2010. Allianz c.s. zijn bereid uit te gaan van een waarde in 2016 van € 76.744,-, zijnde het verzekerd kapitaal vermeerderd met de (vaststaande) winstdeling t/m 2001 van € 7.742,- en mogelijke winst na 2001. Volgens een berekening van [L] zou dit vanaf 2016 voor [XX] een lijfrente hebben opgeleverd van € 4.461,- per jaar. 

3.47.  De rechtbank acht de verklaring ter zitting van [eisers], dat bij het verzekerde bedrag niet alleen de winstdeling moet worden opgeteld maar ook de ingelegde premies en het rendement over de inleg, niet juist. Zoals [eisers] zelf aangeven gaat het hier om een product waarbij de uitkering op de expiratiedatum bestaat uit een verzekerd bedrag van € 61.260,- verhoogd met een winstdeling. Vaststaat dat de winstdeling over de jaren 1986 t/m 2001 in totaal € 7.742,- heeft bedragen, derhalve gemiddeld € 516,13 per jaar. De rechtbank kan Allianz c.s. daarom volgen in haar standpunt dat het redelijk is om uit te gaan van een totale poliswaarde in 2016 van € 76.744,-, bestaande uit het verzekerd bedrag van € 61.260,- vermeerderd met de winstdeling over de jaren 1986 tot en met 2016 van (30 jaar x € 516,13 =) € 15.483,90. De rechtbank zal de te benoemen rekenaar vragen te berekenen welke lijfrente-uitkering dit vanaf 2016 vermoedelijk zou hebben opgeleverd. 

Ad III 

3.48.  Uit de polis van Nationale Nederlanden blijkt dat de lijfrente-ingangsdatum is gesteld op 1 mei 2026 - op 75-jarige leeftijd van [XX] - maar dat de verzekerde bij in leven zijn ook kon kiezen voor een eerdere ingangsdatum met een lagere verzekerde uitkering, op zijn vroegst op 1 mei 2016. De rechtbank zal evenwel, in navolging van partijen, uitgaan van het vermoeden dat de lijfrente zou zijn ingegaan op 1 mei 2026. Allianz c.s. stellen dat deze lijfrente-uitkering dan € 8.081,77 per jaar zou hebben bedragen. Tussen partijen staat vast dat in 2026 sprake zou zijn geweest van een verschuldigde uitkering van € 106.755,- (fl. 234.862,-). De rechtbank zal de te benoemen rekenaar vragen te berekenen welke lijfrente-uitkering dit vanaf 2026 vermoedelijk zou hebben opgeleverd. 

Betaalde premies 

3.49.   Daar waar de uitkeringen die [XX] uit de door hem afgesloten polissen zou hebben ontvangen worden opgeteld bij zijn (netto) inkomsten in de hypothetische situatie zonder ongeval, moeten ook de premies die [XX] gedurende zijn leven nog had moeten betalen voor diezelfde polissen op die (netto) inkomsten in mindering worden gebracht. Welke bedragen [XX] nog verschuldigd zou zijn geweest en gedurende welke periodes, kan worden afgeleid uit de overgelegde stukken (prod. 17-22). 

LJN BT2741