Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Leeuwarden 261010 diverse bezwaren tegen persoon en systematiek van beoordeling door verzekeringsgeneeskundige; ongegrond

Hof Leeuwarden 261010 diverse bezwaren tegen persoon en systematiek van beoordeling door verzekeringsgeneeskundige; ongegrond
De beoordeling

Ontvankelijkheid
1.  Tegen het vonnis van 30 juni 2004, waarbij de rechtbank de verzekeringsgeneeskundige drs. S. Knepper (Knepper) tot deskundige heeft benoemd en de aan Knepper te stellen vragen heeft geformuleerd, heeft [appellant] één grief - grief 5 - gericht. Deze grief keert zich alleen tegen de benoeming van Knepper tot deskundige. Met Knepper zou de rechtbank een niet onpartijdige deskundige benoemd hebben. Wat er ook zij van de bezwaren van [appellant], nu artikel 194 lid 2 Rv. hoger beroep tegen de benoeming van een deskundige uitsluit en de grief van [appellant] tegen het vonnis van 30 juni 2004 zich beperkt tot deze benoeming, kan [appellant] niet ontvangen worden in zijn appel tegen dit vonnis. Overigens zal het hof hetgeen [appellant] ter toelichting op grief 5 heeft aangevoerd wel betrekken bij de bezwaren van [appellant] tegen het rapport van Knepper en tegen de conclusies die de rechtbank aan dat rapport verbindt.

(....)
6.  In het vonnis van 2 juli 2003 heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de in het deskundigenrapport van Stroy vastgestelde beperkingen van [appellant], die naar het oordeel van de rechtbank ongevalsgevolg zijn, een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden naar de belastbaarheid van [appellant] vanaf de datum van de aanrijding “in termen van het FIS-formulier”(1). Tevens heeft de rechtbank overwogen dat zij partijen gebonden acht aan de benadering die arbeidsdeskundige Verhoeven gekozen heeft bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] (2). Uit het feit dat [appellant] sinds de aanrijding met 27 stoeluren per week een per uur bovengemiddelde omzet en winst realiseert, leidde de rechtbank af dat zijn medische beperkingen niet tot gevolg hebben dat hij tijdens zijn werken aan de stoel suboptimaal werkt (3a). Verder overwoog de rechtbank in dat vonnis dat het verdienvermogen van [appellant] in de situatie zonder ongeval bepaald kan worden door diens huidige omzet en winst op basis van 27 stoeluren per week te extrapoleren naar het aantal stoeluren dat een gemiddelde tandarts per week maakt (3b) en dat het redelijk is ervan uit te gaan dat [appellant] in de situatie zonder ongeval tot zijn 60ste levensjaar gewerkt zou hebben (4). Tenslotte achtte de rechtbank een onderzoek door een deskundige naar de gevolgen van het niet dragen van de autogordel geïndiceerd (a).

7.  In het vonnis van 30 juni 2004 benoemde de rechtbank drs. S. Knepper tot deskundige op het gebied van de belastbaarheid van [appellant] (..)

8.  In de paragraaf “Probleemanalyse & claimbeoordeling" van het rapport van deskundige Knepper van 31 januari 2005 is als conclusie vermeld:
Concluderend meen ik dat vaststaat dat de heer [appellant] chronische nekklachten heeft. Dat is een in zijn vak ongunstige omstandigheid die noopt tot een langzamer werktempo in die zin dat de heer [appellant] vaker moet pauzeren en wat korter per werkdag actief kan zijn, omdat de klachten ook onder goede ergonomische omstandigheden kunnen cumuleren. Dat zal met name het geval zijn bij langer durende statische belastingen zoals bij ingewikkelder vullingen achterin de bovenkaak, wortelkanaalbehandelingen en kroon- en brugwerk. Het is niet goed mogelijk een exacte tijdsduur van de wel mogelijke belasting aan te geven, aangezien vele factoren meespelen. Het lijkt mij dat de heer [appellant] een verstandige werkverdeling heeft gevonden - ’s ochtends de kortere behandelingen en ’s middags de langdurigere, meer belastende. Onder gebruikelijke werkomstandigheden – namelijk met assistente en verwijzing naar een mondhygiëniste - zal het werktempo hoger kunnen zijn dan nu en de belasting van de nek- en schoudergordel lager. Daarom houd ik geen rekening met tempoverlies. Wel meen ik dat er sprake is van een (toevoeging hof: voor) de nek hoe dan ook ongunstig beroep en daarom meen ik dat de heer [appellant] exclusief pauzes niet meer dan ongeveer zes uur per werkdag actief kan zijn met onderbrekingen tussendoor naar eigen keuze en inzicht, zoals een zelfstandige dat zelf kan regelen.
Derhalve concludeer ik dat de heer [appellant] netto (dus exclusief pauzes) ongeveer 30 stoeluren per week werkzaam kan zijn, met een productie die de soortgelijke gezonde tandarts in dezelfde tijd zou kunnen verrichten, te beoordelen door de arbeidsdeskundige.
De paragraaf “Beantwoording vraagstelling” van het rapport luidt als volgt:
1. Welke beperkingen en mogelijkheden heeft de heer [appellant] volgens het zogenaamde Functie Informatie Systeem (FIS) uitgaande van de beperkingen die de deskundige neuroloog in 1997 aangaf?
De heer [appellant] kan normaal zitten, lopen en staan. Hij kan niet lang volgehouden met gebogen of getordeerde nek werken, de duur is afhankelijk van de frequentie van korte onderbrekingen, de mate waarin hij goed rechtop zit, vanuit gebogen ellebogen dicht op de mond en zijn eigen lichaam werkt met indirect zicht met name achterin de bovenkaak, ontspannen bezig is, zich laat assisteren, tussendoor andere activiteiten verricht, pauzes neemt en de met name langer durende behandelingen zorgvuldig plant.

2. Welke werkzaamheden als tandarts kan de heer [appellant] als gevolg van beperkingen niet of in lager tempo doen; hoe lang kan hij aaneengesloten per dag aan de stoel werken?
De heer [appellant] kan alle voorkomende activiteiten verrichten. Aangezien ook onder goede ergonomische omstandigheden een meer dan normale nekbelasting in dit beroep onvermijdelijk is acht ik een duurbeperking in expositie aan (alleen deze) arbeid tot 30 stoeluren per week aannemelijk.

3. Zijn er eventueel aanvullende opmerkingen te maken die voor de beslissing van de rechtbank van belang kunnen zijn?
Ik twijfel aan de expertise van de in 2000 rapporterende arbeidsdeskundige en adviseer voorzover nog gewenst de arbeidsdeskundige J.A.J. Wouters of R.E.E.M. Artoos in te schakelen die langdurige ervaring hebben met de beoordeling van arbeidsongeschiktheid bij tandartsen en bovendien over de noodzakelijke ergonomische kennis beschikken.

Conform deze overwegingen heb ik een belastbaarheidspatroon (FIS) opgesteld.

Aan het rapport van Knepper was een FIS-formulier gehecht.

(....)
10.  In het vonnis van 17 augustus 2005 overwoog de rechtbank dat in de tussenvonnissen van 2 juli 2003 en 31 maart 2004 is bepaald dat Knepper de belastbaarheid van [appellant] zal vaststellen en weergeven in een FIS-formulier (6) en dat het rapport van Knepper als uitgangspunt zal functioneren bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] (7). Voorts overwoog de rechtbank dat deskundige Verhoeven tot deskundige benoemd zal worden om aan de hand van het nieuwe, door Knepper opgestelde, belastbaarheidspatroon een nieuwe schatting te maken van de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] (8). Tenslotte overwoog de rechtbank dat de conclusie van Rasenberg zo haaks staat op hetgeen de rechtbank als feit van algemene bekendheid aanmerkt, dat die conclusie nadere motivering behoeft, waartoe een nader deskundigenbericht zal worden gelast (c).

(...)Verhoeven concludeerde in een rapport van 6 december 2005 dat [appellant] voor 18,3% arbeidsongeschikt is voor zijn werk als tandarts.

12.  In het vonnis van 30 augustus 2006 overwoog de rechtbank, ondanks de kritiek van [appellant] op het rapport van Verhoeven, dat het rapport voldoende duidelijk en gemotiveerd is en daarom als basis zal dienen voor de berekening van de schade van [appellant] (9).

(....)
Bespreking van de grieven
16.  Uit hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 2 reeds heeft overwogen, volgt dat grief 5, die zich keert tegen de benoeming van drs. Kneppel tot deskundige geen bespreking behoeft.
(...)

19.  Met grief 1 komt [appellant] op tegen het hierboven als 1 aangemerkte oordeel van de rechtbank in het vonnis van 2 juli 2003. Volgens [appellant] is het FIS-systeem ongeschikt om te kunnen dienen bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in een letselschadezaak, omdat het uitgaat van de situatie van een maatman en niet van de situatie van het slachtoffer van het ongeval. [appellant] wijst er in dat verband op dat het systeem is ontwikkeld voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

20.  Aan [appellant] kan worden toegegeven dat voor het begroten van de schade vanwege het verlies verdienvermogen uitgegaan dient te worden van de concrete situatie van het slachtoffer en dat daarbij rekening dient te worden gehouden met diens persoonlijke situatie, ook als die afwijkt van die van de maatman, de gemiddelde soortgelijke, maar dan gezonde, persoon met eenzelfde beroep en opleiding. Met [appellant] is het hof van oordeel dat niet de situatie van een “doorsnee” tandarts, maar de persoonlijke situatie van [appellant] bepalend is voor de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen van [appellant]. Dat betekent echter, anders dan [appellant] veronderstelt, niet dat bij de begroting van het verlies verdienvermogen van [appellant] geen gebruik kan worden gemaakt van het FIS-systeem. Dat systeem, dat is ontwikkeld voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, beoogt op systematische wijze de beperkingen van een (mogelijk) arbeidsongeschikte werknemer vast te leggen. Allereerst bepaalt een verzekeringsgeneeskundige met behulp van een FIS-formulier welke lichamelijke en psychische beperkingen de betrokkene heeft. Vervolgens wordt op basis van die vastgestelde beperkingen door een arbeidsdeskundige vastgesteld of de betrokken werknemer in staat is zijn oude functie (waarbij min of meer wordt geabstraheerd van de concrete situatie, maar wordt uitgegaan van een modelbelasting) of andere functies te verrichten. De door het maatmanbegrip bewerkstelligde abstrahering van de concrete situatie, waartegen [appellant] terecht bezwaar heeft, vindt aldus pas plaats in de tweede fase van het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid, de fase waarin de met behulp van het FIS-formulier in kaart gebrachte beperkingen door een arbeidsdeskundige worden verbonden aan de (model)belasting van de relevante functies. In de eerste fase, waarbij door een verzekeringsgeneeskundige aan de hand van het FIS-formulier de concrete beperkingen van de betrokken werknemer in beeld worden gebracht, is daarvan echter nog geen sprake. De rechtbank heeft overwogen dat de te benoemen verzekeringsgeneeskundige bij het vaststellen van de belastbaarheid van [appellant] het FIS-formulier ([appellant] spreekt in de toelichting ten onrechte over de “FIS-methode”) dient te gebruiken. Dat de FIS-methode ook in een ander kader gebruikt moet worden, volgt niet uit de door [appellant] bestreden overwegingen. Dat de rechtbank heeft geopteerd voor een benadering van de schade vanwege verlies verdienvermogen van [appellant] waarbij wordt geabstraheerd van diens persoonlijke situatie, volgt er evenmin uit. In dit verband wijst het hof erop dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.2 van het vonnis van 2 juli 2003 juist uitdrukkelijk heeft overwogen dat uitgegaan moet worden van de concrete praktijk van [appellant], niet van een gemiddelde tandartsenpraktijk.

21.  Voor zover de bezwaren van [appellant] tegen het gebruik van het FIS-formulier inhouden dat het FIS-formulier in zijn algemeenheid niet bruikbaar is bij de begroting van schade vanwege verlies verdienvermogen, faalt het dan ook. [appellant] heeft zijn bezwaren niet geconcretiseerd door aan te geven dat het FIS-formulier in zijn situatie niet goed te gebruiken is, bijvoorbeeld doordat geen aandacht wordt geschonken aan voor de beoordeling van zijn situatie relevante beperkingen. De stelling van [appellant] dat het FIS-formulier niet bruikbaar zou zijn, ligt overigens ook niet voor de hand nu [appellant] zelf in zijn akte van 18 februari 2004 heeft voorgesteld om aan de te benoemen verzekeringsarts, onder meer, de volgende vraag voor te leggen:
Kunt U aan de hand van de beschikbare stukken, zoals aangegeven in punt 3.3 van het tussenvonnis, komen tot een vaststelling van de belastbaarheid van de heer [appellant] in termen van het FIS-formulier, gerekend vanaf de dag der aanrijding, zijnde 27 november 1994?
De grief faalt dan ook.
(...)

30.  Grief 6 verwijt de rechtbank in het vonnis van 30 juni 2004 het volgende te hebben overwogen:
“bij voormelde tussenvonnissen de rechtbank onder meer heeft bepaald dat de deskundige Knepper de belastbaarheid van [appellant] vanaf de datum van aanrijding zal vaststellen (onderstreping hof) en weergeven in een FIS-Formulier”.
[appellant] heeft moeite met het woord vaststellen. Hij wijst er op dat de rechtbank deskundige Knepper in het vonnis van 20 juni 2004 (alleen) gevraagd heeft om de belastbaarheid weer te geven in een FIS-Formulier, niet om de belastbaarheid ook in zo’n formulier vast te stellen. Volgens [appellant] dient een deskundige bij het “vaststellen” van de belastbaarheid in een FIS-Formulier uit te gaan van de regels van het sociaal verzekeringsrecht, onder meer inhoudende dat alleen rekening gehouden kan worden met objectief vast te stellen beperkingen. Bij het “weergeven” van beperkingen zou de deskundige vrij zijn om naar eigen inzicht te handelen.

31.  Daargelaten of de door [appellant] gegeven interpretatie van de woorden “vaststellen” en “weergeven” juist is, uit de bestreden overweging volgt naar het oordeel van het hof niet dat de rechtbank van oordeel is dat de deskundige bij zijn onderzoek naar de belastbaarheid van [appellant] de normen van het sociaal verzekeringsrecht dient te hanteren. De grief berust dan ook op een onjuiste lezing van de bestreden overweging, die - niet meer en niet minder - inhoudt dan dat de deskundige de belastbaarheid van [appellant] moet vaststellen, bepalen, en (vervolgens) dient weer te geven, schriftelijk dient vast te leggen, in een FIS-Formulier, zulks in lijn met de door de rechtbank eerder aan de deskundige gegeven opdracht.

32.  Ook deze grief faalt derhalve.

33.  Met grief 7 komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank in het vonnis van 17 augustus 2005 dat het door Knepper uitgebrachte rapport als uitgangspunt dient te fungeren bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van [appellant]. [appellant] meent dat de bezwaren en vragen die hij over het rapport van Knepper heeft opgeworpen door de rechtbank ten onrechte niet gehonoreerd zijn. Volgens [appellant] had de rechtbank in zijn kritiek ten minste een reden moeten zien om Knepper te horen. In de toelichting op grief 5 heeft [appellant] nog betoogd dat Knepper vooringenomen is.

34.  Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat Knepper vanwege zijn opvattingen met betrekking tot aandoeningen als whiplash zijn opdracht niet zonder vooringenomenheid kan uitoefenen. Anders dan [appellant] meent, volgt uit de door [appellant] aangehaalde citaten van interviews met en artikelen van Knepper niet zonder meer dat Knepper een “non-believer” is als het gaat om niet-objectiveerbare aandoeningen. [appellant] heeft nagelaten om de interviews en artikelen waaruit hij de citaten heeft geput over te leggen, zodat de context van de door hem gekozen citaten onduidelijk is en niet kan worden nagegaan of de keuze van de citaten een representatief of een eclectisch karakter heeft. Bovendien volgt uit de citaten niet dat Knepper categorisch weigert om rekening te houden met niet-objectiveerbare klachten, maar slechts dat hij meent dat deze klachten niet per definitie moeten worden herleid tot een medisch erkend ziektebeeld. Voor wat betreft de vraag of voor whiplashachtige klachten een neurologische diagnose kan worden gesteld, sporen de opvattingen van Knepper overigens met de relevante geldende richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Zijn stelling dat Knepper vooringenomen is, heeft [appellant] dan ook onvoldoende onderbouwd.

35.  Het hof zal thans beoordelen of de rechtbank het deskundigenbericht van Knepper terecht (zonder Knepper te horen) tot uitgangspunt heeft genomen bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van [appellant] en zal in dat kader ingaan op de kritiek van [appellant] tegen (de uitkomsten van) het onderzoek van Knepper. Het hof stelt daarbij voorop dat van een partij die een deskundigenrapport bekritiseert dat op correcte wijze tot stand is gekomen, dat consistent is en waarvan de conclusies deugdelijk onderbouwd zijn, verwacht mag worden dat hij zijn kritiek op het rapport zorgvuldig onderbouwt, bij voorkeur door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen. Van belang is voorts dat de rechter niet gebonden is aan de conclusies van de deskundige, maar vrij is in de waardering van het rapport. Bij de beantwoording van de vraag of de rechter de conclusies van de deskundige volgt, dient de rechter de terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en mede op basis van de stellingen van partijen te toetsen of er aanleiding is om van de conclusie van het deskundigenadvies af te wijken (vgl. Hoge Raad 19 oktober 2007, LJN BB5172).

36.  Dat het rapport van Knepper niet op een behoorlijke wijze tot stand is gekomen, heeft [appellant] terecht niet aangevoerd. Knepper heeft [appellant] immers (uitvoerig) gesproken, heeft partijen in de gelegenheid gesteld op zijn concept-rapport te reageren en heeft de kritiek van partijen in zijn definitieve rapport verwerkt. Het rapport is naar het oordeel van het hof logisch opgebouwd en geeft voldoende inzicht in de methode die Knepper heeft gebruikt om tot zijn oordeel te komen en van welke informatie hij daarbij is uitgegaan. De antwoorden op de vragen vloeien ook voort uit hetgeen Knepper over zijn onderzoek in het feitelijke en beschouwende deel van het rapport heeft vermeld. Voor zover [appellant] kritiek heeft op de wijze waarop het onderzoek door Knepper is verricht en daarvan in zijn rapport verslag heeft gedaan, deelt het hof de kritiek van [appellant] niet.

37.  Het hof stelt vast dat [appellant] weliswaar aanvoert dat onduidelijk is waar Knepper zich bij het invullen van het belastbaarheidsprofiel op heeft gebaseerd, maar dat hij geen concrete bezwaren tegen het door Knepper ingevulde belastbaarheidsprofiel formuleert. Voor zover de bezwaren van [appellant] ook betrekking hebben op het belastbaarheidsprofiel - duidelijk is dat niet - heeft [appellant] zijn bezwaren onvoldoende onderbouwd, zodat er alleen om die reden al aan voorbij kan worden gegaan. In dit verband wijst het hof erop dat [appellant] ook in zijn reactie op het concept-rapport van Knepper geen bezwaren heeft geformuleerd tegen het door Knepper ingevulde belastbaarheidsformulier, zodat er voor Knepper geen reden was om in het definitieve rapport een toelichting op (de betwiste onderdelen van) het formulier te geven.

38.  [appellant] oefent kritiek uit op het antwoord van Knepper op vraag 2, inhoudende dat [appellant] alle voorkomende activiteiten als tandarts kan verrichten. Nu [appellant] in zijn kritiek op het rapport van Knepper niet heeft aangegeven welke activiteiten hij niet kan verrichten en uit zijn stellingen veeleer volgt dat hij alle voorkomende tandartsactiviteiten kan verrichten, heeft hij zijn kritiek echter onvoldoende onderbouwd. Een bespreking van wat [appellant] aanvoert over de motivering van dit oordeel van Knepper, kan dan ook achterwege blijven.

39.  Uit de in rechtsoverweging 8 aangehaalde conclusie van de paragraaf “Probleemanalyse & claimbeoordeling” van het rapport van Knepper volgt dat Knepper uitgaat van een belasting van maximaal zes stoeluren per dag. Daarvan uitgaande concludeert Knepper dat [appellant] netto ongeveer 30 stoeluren per week werkzaam kan zijn. Dat aantal heeft Knepper vermeld in zijn antwoord op de tweede vraag. Het hof volgt [appellant] dan ook niet in zijn betoog dat het rapport van Knepper onduidelijk is over het aantal stoeluren per dag. Uit het rapport van Knepper volgt ondubbelzinnig dat hij uitgaat van maximaal 6 stoeluren per dag. Tegen dit aantal heeft [appellant] geen (als zodanig herkenbare) bezwaren gemaakt. Het sluit ook grotendeels aan bij de door [appellant] na het ongeval gevolgde praktijk, met dien verstande dat Knepper geen rekening houdt met één vrije middag per week waardoor [appellant] geen 30 maar 27 stoeluren per week maakt. Dat uitgegaan moet worden van een maximale belastbaarheid van 27 in plaats van 30 stoeluren per week heeft [appellant] echter niet gemotiveerd gesteld.

40.  [appellant] meent dat Knepper ten onrechte geen rekening heeft gehouden met tempoverlies gedurende de door hem maximaal aanvaardbaar geachte 30 stoeluren. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de conclusie van paragraaf 4.2 de indruk doet ontstaan dat Knepper geen rekening heeft gehouden met tempoverlies en dat, zoals [appellant] ook aangeeft, de redenering die Knepper daar gebruikt veeleer een arbeidsdeskundig dan een verzekeringsgeneeskundig karakter heeft. [appellant] ziet er echter aan voorbij dat Knepper naar aanleiding van het commentaar van [appellant] op het concept-rapport onder meer een toelichting heeft gegeven op het onderwerp tempoverlies. In dat verband heeft Knepper - in de paragraaf “Bespreking” - onder meer het volgende opgemerkt:
Ik heb rekening gehouden met tempoverlies door conform de betreffende verzekeringsgeneeskundige standaard geen 40, maar 30 stoeluren per week mogelijk te achten. Het gaat om netto uren, wat betekent dat ik niet gesteld heb dat de heer [appellant] om 16.00 uur naar huis moet gaan om dan pas klachten te krijgen, maar dat hij langere dagen kan maken maar dan met meer onderbrekingen. (…)
Niet valt in te zien dat de heer [appellant] zijn gezondheid op enige wijze zou schaden door in aangepast tempo het equivalent van 30 uren per week aan de stoel te werken.
Uit deze toelichting van Knepper leidt het hof af dat Knepper er bij de bepaling van het maximum aantal stoeluren al rekening mee heeft gehouden dat [appellant] niet 6 uren (of 2 maal 3 uren) per dag aaneengesloten aan de stoel kan werken, maar de nodige pauzes moet nemen, waardoor hij meer tijd nodig heeft om aan 6 “netto” stoeluren te komen. Daarmee gaat Knepper per saldo uit van een lager werktempo. In de benadering van Knepper heeft [appellant] meer uren nodig om per saldo op 6 stoeluren uit te komen. De kritiek van [appellant] dat Knepper geen rekening heeft gehouden met tempoverlies berust dan ook niet op een juiste lezing van het (volledige) rapport van Knepper. Uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, volgt niet dat de conclusie van Knepper over het (op deze wijze waarderen van) het tempoverlies onjuist is. [appellant] heeft niet aangevoerd welke beperkingen ertoe leiden dat hij, wanneer hij (met de noodzakelijke tussenpozen) aan de stoel werkt, langzamer werkt dan zonder zijn beperkingen.

41.  Het hof merkt nog op dat, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, ook uit het (tweede) rapport van arbeidsdeskundige Verhoeven niet volgt dat van tempoverlies sprake is. Ofschoon Verhoeven zich kritisch uitlaat over diverse aspecten van het rapport van Knepper - in zijn rapport had Knepper zich overigens zeer kritisch betoond over het eerste rapport van Verhoeven - en ook de hierboven aangehaalde toelichting van Knepper op het aspect tempoverlies vermeldt, stelt Verhoeven niet dat het tempoverlies ten onrechte niet door Knepper is verdisconteerd. Uit het rapport van Verhoeven volgt veeleer dat Verhoeven van oordeel is dat Knepper op een te beperkte duurbelasting is uitgekomen. Dat is ook wel voorstelbaar gelet op het feit dat Verhoeven in zijn eerste rapport was uitgegaan van een duurbelasting van 32,3 stoeluren per week.
De slotsom is dat [appellant] ook zijn kritiek betreffende het tempoverlies onvoldoende heeft onderbouwd.

42.  Nu de kritiek van [appellant] op de conclusies van het rapport van Knepper
- omtrent de te verrichten werkzaamheden, de duurbelasting en het tempoverlies - onvoldoende onderbouwd is, kunnen de andere bezwaren van [appellant] tegen dat rapport, wat daar verder ook van zij, onbesproken blijven. Die bezwaren leiden er immers niet toe dat de door [appellant] bestreden conclusies niet gevolgd kunnen worden.

43.  Ook grief 7 faalt derhalve.

44.  Grief 8 heeft tot uitgangspunt dat de rechtbank in het vonnis van 17 augustus 2005 ten onrechte de bezwaren van [appellant] tegen het rapport van Knepper verworpen heeft en in het vonnis van 2 juli 2003 ten onrechte heeft verwezen naar het FIS-formulier. De grief bouwt daarmee voort op respectievelijk grief 7 en de grieven 1 en 2. Omdat de bezwaren van [appellant] die grieven verworpen zijn, kan ook grief 8 niet slagen.

45.  Grief 9 keert zich tegen de beslissing van de rechtbank in het vonnis van 30 augustus 2006, dat het rapport van Verhoeven als basis dient voor de berekening van de schade van [appellant]. De grief bevat geen andere bezwaren tegen het rapport van Verhoeven, dan dat dit rapport (node) gebaseerd is op het rapport van Knepper en dat Knepper de belastbaarheid van [appellant] heeft vastgesteld met behulp van het FIS-formulier. Aldus bouwt ook grief 9, zoals [appellant] in de toelichting op de grief uitdrukkelijk vermeldt, voort op de hierboven verworpen grieven en deelt deze grief het lot van die andere grieven.

46.  De slotsom is dat alle grieven vergeefs zijn voorgesteld, op grief 4 na, die gedeeltelijk slaagt. Het hof zal de bestreden vonnissen dan ook bekrachtigen, het vonnis van 2 juli 2003 onder verbetering van gronden, voor wat betreft de eindleeftijd. Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij, zal [appellant] veroordeeld worden in de proceskosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief VI). LJN BO2039

Deze website maakt gebruik van cookies