Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 071222 geen aansprakelijkheid tzv ongeval tussen twee oldtimer 50cc motoren, afwijken van lijn in baksteenformatie; plotseling afremmen; vastloper

 

RBMNE 071222 geen aansprakelijkheid tzv ongeval tussen twee oldtimer 50cc motoren, afwijken van lijn in baksteenformatie; plotseling afremmen; vastloper
- verzocht € 17.895,30; begroot, niet toegewezen 20 uur x € 200,00 +21 % = € 4.840,00

2
De overwegingen

Inleiding

2.1.
Op zondagochtend 24 september 2017 om ongeveer 11.30 uur was er een verkeersongeval op de rijksweg A2 nabij Utrecht waarbij [verzoeker] en [verweerster sub 2] als motorrijders waren betrokken. Zij reden beiden op oldtimers, [verzoeker] reed op een Zündapp en [verweerster sub 2] op een Kreidler. Dat zijn voormalige bromfietsen die zijn omgebouwd tot motorfietsen.

2.2.
Zij reden met andere (bevriende) motorrijders op de meest linker rijstrook. [verweerster sub 2] reed voorop, gevolgd door [verzoeker] en daarachter reden andere motorrijders, waaronder de vader van [verweerster sub 2] en een jeugdvriend van [verweerster sub 2] , [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ). Op enig moment raakten de motoren van [verzoeker] en [verweerster sub 2] elkaar. [verzoeker] is toen gevallen en heeft beenletsel opgelopen, met blijvende invaliditeit tot gevolg.

2.3.
[verzoeker] heeft [verweerster sub 2] aansprakelijk gesteld. [verweerster sub 2] heeft de afhandeling van de aansprakelijkheid overgelaten aan zijn verzekeraar Univé .

2.4.
Univé heeft de toedracht laten onderzoeken door (een onderzoeker van) haar afdeling Veiligheidszaken. Deze onderzoeker heeft [verweerster sub 2] , zijn vader, [getuige 1] en [verzoeker] gehoord. Univé heeft op basis van het onderzoek de aansprakelijkheid van haar verzekerde afgewezen.

2.5.
Hierna is er op verzoek van [verzoeker] bij deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor geweest. [verweerster sub 2] , zijn vader, [getuige 1] en [verzoeker] en de heer [getuige 2] zijn onder ede gehoord. Na sluiting van het getuigenverhoor is Univé bij haar afwijzende standpunt gebleven.

Wat is het geschil?

2.6.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag wie een verkeersfout heeft gemaakt en daarom aansprakelijk is. Volgens [verzoeker] was dat [verweerster sub 2] . Volgens hem verminderde [verweerster sub 2] onverwacht en abrupt snelheid en week hij zonder richting aan te geven uit naar rechts waardoor hij [verzoeker] raakte met het gevolg dat [verzoeker] ten val kwam. Volgens [verweerster sub 2] is het ongeval ontstaan doordat [verzoeker] met een te hoge snelheid op een te korte afstand achter van [verweerster sub 2] reed, waarbij hij niet heeft gereageerd of geanticipeerd op de geringe snelheidsvermindering van [verweerster sub 2] .

Wat wil [verzoeker] ?

2.7.
[verzoeker] verzoekt, samengevat, primair voor recht te verklaren dat Univé en [verweerster sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval en gehouden zijn de schade te vergoeden. Subsidiair vraagt hij voor recht te verklaren dat de bewijslast van de stelling van Univé en [verweerster sub 2] – dat de aanrijding is veroorzaakt doordat [verzoeker] (te) dicht achter [verweerster sub 2] reed toen deze laatste snelheid verloor – bij Univé en [verweerster sub 2] ligt. Verder vraagt hij om de kosten van deze procedure te begroten en Univé en [verweerster sub 2] in deze kosten te veroordelen.

2.8.
[verzoeker] voert aan dat [verweerster sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld en de artikelen 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en artikelen 54 en 55 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) heeft overtreden. Hij heeft nagelaten met zijn arm een teken te geven dat hij naar rechts van rijbaan wilde wisselen en/of een belangrijke verplaatsing (naar rechts) uitvoerde (artikel 55 RVV 1990). Verder heeft hij zich op de weg zodanig gedragen dat hij gevaar en/of hinder voor [verzoeker] heeft veroorzaakt (artikel 5 WVW).

Wat vinden Univé en [verweerster sub 2] ?

2.9.
Volgens Univé en [verweerster sub 2] heeft [verweerster sub 2] niet onrechtmatig gehandeld. Voor zover zij wel aansprakelijk zouden zijn jegens [verzoeker] , verzoeken zij een verklaring voor recht dat hun schadeverplichting op grond van eigen schuld (artikel 6:101 BW) van [verzoeker] geheel is vervallen, subsidiair dat [verzoeker] meer dan 95% van zijn schade zelf zal dienen te dragen. Het subsidiaire verzoek van [verzoeker] over de bewijslastverdeling leent zich volgens Univé en [verweerster sub 2] niet voor een deelgeschil omdat het niet bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, alle (relevante) getuigen zijn gehoord en bovendien niet verder zal worden onderhandeld.

Waar zijn partijen het over eens?

2.10.
Partijen zijn het er over eens dat het in “baksteen” rijden door een groepje motorrijders een gebruikelijke manier van rijden is. Het houdt in dat de motoren op dezelfde rijbaan en in dezelfde richting rijden, niet achter elkaar maar om en om schuin naast/achter elkaar. Verder zijn zij het erover eens dat de motor van [verweerster sub 2] geen richtingaanwijzer had en dat dit niet hoefde omdat het een oldtimer was en dat toen [verweerster sub 2] vaart minderde dit niet gepaard ging met het oplichten van een remlicht. Partijen zijn het er ook over eens dat zij met de groep motorrijders zo rond de 100 kilometer per uur reden op de meest linker rijbaan en dat [verzoeker] en [verweerster sub 2] elkaar hebben geraakt waardoor [verzoeker] gevallen is.

Waarover verschillen zij van mening?

2.11.
Partijen verschillen van mening hoe abrupt en sterk de snelheidsvermindering van [verweerster sub 2] was en of [verweerster sub 2] daarbij een “vastloper” kreeg. Verder is in discussie of [verweerster sub 2] een beweging naar rechts heeft gemaakt, of [verzoeker] in baksteenformatie reed en hoe dicht hij op [verweerster sub 2] reed.

2.12.
De lezing van [verzoeker] is dat hij in een baksteenformatie schuin rechts ongeveer 15 meter achter [verweerster sub 2] reed, dat de (opgevoerde) motor van [verweerster sub 2] een technisch probleem/een “vastloper” kreeg, dat [verweerster sub 2] abrupt snelheid verminderde, naar rechts uitweek om de vluchtstrook te bereiken en daarbij met zijn achterwiel het voorwiel van de inmiddels schuin achter/naast hem rijdende [verzoeker] aantikte waardoor [verzoeker] ten val kwam.

2.13.
Volgens [verweerster sub 2] reed [verzoeker] erg dicht en bijna recht achter hem en lag [verzoeker] plat voorover op zijn motorfiets en is hij tegen de achterzijde van de motor van [verweerster sub 2] gereden. Hij kwam met zijn voorwiel tussen het achterwiel en de uitlaat van de motorfiets van [verweerster sub 2] terecht en viel.

Het primaire verzoek: heeft [verweerster sub 2] onrechtmatig gehandeld?

2.14.
Hoe het ongeval precies is gebeurd daar zijn partijen het dus niet over eens. Dan geldt de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv): degene die bepaalde feiten stelt en die daaraan een recht wil ontlenen, zal het bewijs voor die feiten moet leveren. Hier is het [verzoeker] die stelt dat [verweerster sub 2] abrupt snelheid verminderde en naar rechts uitweek om de vluchtstrook te bereiken en daarbij met zijn achterwiel het voorwiel van de inmiddels schuin achter/naast hem rijdende [verzoeker] aantikte waardoor [verzoeker] ten val kwam. Daarom is hij het die de door hem gestelde toedracht van het ongeval moet bewijzen.

Abrupte snelheidsafname?

2.15.
Uitgangspunt is dat een verkeersdeelnemer voldoende afstand moet houden om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand die vrij is ten opzichte van zijn voorganger (19 RVV 1990). Dat kan anders zijn indien die voorganger een abrupte onverwachte snelheidsvermindering begaat. Met andere woorden, men dient voldoende afstand te houden om een aanrijding te voorkomen tenzij sprake is van een zo ongebruikelijk voorval dat daar geen rekening mee gehouden kon worden. Dat van dit laatste bij [verzoeker] sprake was, is hier niet vast komen te staan.

2.16.
[verzoeker] , [verweerster sub 2] , de vader van [verweerster sub 2] en [getuige 1] hebben tegen de onderzoeker van Univé en bij het voorlopig getuigenverhoor over de snelheidsafname verklaard. [verzoeker] heeft de bewijslast van de door hem gestelde toedracht, zijn verklaring heeft daarom te gelden als een verklaring van een partijgetuige. Dit betekent dat zijn verklaring dat [verweerster sub 2] onverwacht sterk vaart verminderde geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (164 lid 2 Rv). [getuige 1] heeft tegen de onderzoeker van Univé en bij het getuigenverhoor verklaard dat [verweerster sub 2] “iets vaart minderde”. [verweerster sub 2] heeft bij het getuigenverhoor verklaard dat hij “van het gas afging” en rechts opzij keek en [verzoeker] op één meter afstand zag. Op het aanrijdingsformulier heeft [verweerster sub 2] ingevuld “Ivm technische problemen remde motor abrubt” maar hierover heeft hij bij het voorlopig getuigenverhoor op een vraag van de rechter-commissaris “Het formulier is ondertekend op 20 februari 2018. Waarom zitten er zoveel maanden tussen het ongeval in september en de ondertekening” het volgende verklaard:

We wilden het eerst niet via de verzekering doen, omdat [verzoeker] zo dicht op mij reed. Een tijdje later vertelde [verzoeker] (rb: [verzoeker] ) dat hij 50.000 euro kon krijgen via zijn verzekering. Ik wilde het niet via mijn verzekering laten lopen, maar ik wilde hem wel helpen. Ik heb toen de ene helft van het formulier ingevuld en [verzoeker] de andere helft”.

2.17.
Alleen [verzoeker] heeft verklaard dat [verweerster sub 2] hevig snelheid minderde en ander bewijs voor een sterke snelheidsafname is er niet. [verweerster sub 2] heeft immers later over het schadeformulier verklaard dat de inhoud niet klopt. Zoals hiervoor uitgelegd is de verklaring van [verzoeker] zelf niet voldoende. Dat [verweerster sub 2] abrupt en flink vaart heeft geminderd, is dus niet vast komen te staan.

Technisch probleem/vastloper?

2.18.
Voorzover [verzoeker] voor de sterke snelheidsafname zich beroept op een “vastloper”in de motor van [verweerster sub 2] , volgt de rechtbank hem daar niet in. Volgens [verzoeker] reed [verweerster sub 2] op topsnelheid op een opgevoerde motor, met onder andere een verkeerd (te krap) afgestelde squish en de kans was groot dat mede daardoor de cilinder en zuiger oververhit zouden raken met de vastloper tot gevolg. Dat sprake was van een vastloper en dat [verweerster sub 2] dat erkent, dat blijkt volgens hem uit het whatsappbericht tussen [verweerster sub 2] en [verzoeker] . Het gaat hier over dezelfde app als geciteerd onder (2.22) waarin te lezen is “liep die meteen vast”. Verder blijkt volgens [verzoeker] uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] (reparateur van lichte 2-takt motoren) bij het getuigenverhoor dat [verweerster sub 2] een vastloper heeft gehad. [getuige 2] heeft verklaard: “ [verweerster sub 2] heeft tegen mij gezegd dat hij een vastloper had gehad.”. [getuige 1] heeft op de vraag van mr. Tijsseling “Weet u wie tegen de politie zei dat er een vastloper was?” verklaard: “Volgens mij [verweerster sub 2] (rb: [verweerster sub 2] ).

2.19.
Uit het voorgaande blijkt dat er dus wel is gesproken over een vastloper maar zoals [verweerster sub 2] terecht stelt is het door niemand geconstateerd. Maar ook als er vanuit wordt gegaan dat [verweerster sub 2] een vastloper heeft gehad, dan staat nog niet vast dat hij daardoor abrupt snelheid heeft verminderd. [verweerster sub 2] betwist immers dat een vastloper tot een sterke vertraging leidt want volgens hem rolt de motor dan uit. [verzoeker] zegt dat wel maar hij heeft daar verder geen aanknopingspunten voor aangereikt. Voor een omkering van de bewijslast op dit punt zoals [verzoeker] betoogd is geen reden omdat niet vast staat dat het gevaar (abrupte snelheidsvermindering door een vastloper) zich heeft verwezenlijkt.

Verplaatsing naar rechts?

2.20.
Volgens [verzoeker] is [verweerster sub 2] naar rechts uitgeweken zonder een teken te geven en heeft hij daarmee in strijd met artikel 55 RVV 1990 gehandeld. In dat artikel is onder meer bepaald dat bestuurders van een motorvoertuig een teken moeten geven bij “alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen”.

2.21.
Ook op dit punt is [verzoeker] de enige die heeft verklaard dat [verweerster sub 2] naar rechts uitweek maar volgens [verzoeker] volgt ook uit een whatsapp bericht van [verweerster sub 2] aan hem en uit de verklaringen van [verweerster sub 2] tegen de onderzoeker van Univé en bij de rechter-commissaris dat hij naar rechts uitweek.

2.22.
In het whatsappbericht van [verweerster sub 2] aan [verzoeker] is het volgende te lezen:

Pff ja ik schrok me echt de tering. Ik keek je aan toen t gebeurde… ik vertrouwde mijn blokje toen niet dus wilde een baan opzij gaan en zag jou in mn ooghoeken achter me hangen, dus wilde je zeggen dat ik ging stoppen… dat was al te laat want ik keek je aan en liep die meteen vast”.

2.23.
[verweerster sub 2] heeft tegen de onderzoeker van Univé het volgende verklaard:

Ik hoorde op een gegeven moment dat mijn motor van mijn Kreidler niet lekker liep. Ik wilde gaan stoppen om een en ander te gaan controleren. Ik kneep de koppelingshandle in en verminderde gas. Ik wilde naar de vluchtstrook gaan. Op dat zelfde moment keek ik rechts achterom en zag op dat moment [verzoeker] (rb: [verzoeker] ) op een zeer korte afstand van ongeveer één meter achter mij rijden).”

2.24.
Bij het voorlopig getuigenverhoor heeft [verweerster sub 2] op een vraag van mr. Tijsseling “Hoe weet u dat [verzoeker] ongeveer één meter achter u reed?” als volgt verklaard:

Ik zag dat toen ik van het gas afging en rechts opzij keek. Ik weet zeker dat het één meter afstand was. ( ... )

2.25.
Verder heeft [verweerster sub 2] bij het getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:

Ik wilde stoppen op de vluchtstrook om te kijken of alles oké was. Als je een ander geluid hoort, weet je dat er misschien iets aan de hand is.

2.26.
Uit de verklaringen van [verweerster sub 2] en het whatsappbericht valt wel op te maken dat [verweerster sub 2] naar rechts wilde maar dat hij ook een zijdelingse beweging naar rechts heeft gemaakt voordat hij met [verzoeker] in aanraking kwam, volgt er niet uit.

2.27.
Dit betekent dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat [verweerster sub 2] naar rechts is uitgeweken.

Was er voldoende afstand tussen [verweerster sub 2] en [verzoeker] en reed [verzoeker] schuin achter [verweerster sub 2] in baksteenformatie?

2.28.
[verzoeker] stelt dat hij op een afstand van 15 meter schuin achter [verweerster sub 2] reed in baksteenformatie. Bij de rechter-commissaris heeft hij ook verklaard dat hij in baksteenformatie reed en dat hij als afstand een streep en een leeg vlak aanhield. [getuige 1] heeft bij het getuigenverhoor verklaard dat [verzoeker] op ongeveer op een afstand van 30 centimeter van [verweerster sub 2] reed en dat zij allemaal (ook [verzoeker] ) baksteengewijs reden. [verweerster sub 2] heeft bij de onderzoeker van Univé en bij het getuigenverhoor verklaard dat [verzoeker] op één meter afstand reed met de kin op de tank. De vader van [verweerster sub 2] heeft tegen de onderzoeker van Univé verklaard dat [verzoeker] op ongeveer één meter recht achter [verweerster sub 2] reed en bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat [verzoeker] erg dichtbij reed.

2.29.
De stelling van [verzoeker] dat hij in baksteenformatie reed wordt dus ondersteund door de verklaring van [getuige 1] maar dat hij ook op voldoende afstand reed blijkt alleen uit de verklaring van [verzoeker] zelf. De rechtbank acht gelet op de verschillende verklaringen aannemelijk dat, ongeacht de formatie waarin, [verzoeker] dicht op [verweerster sub 2] reed.

Wat betekent dit voor het primaire verzoek van [verzoeker] ?

2.30.
Dit voorgaande betekent dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat [verweerster sub 2] een verkeersfout heeft gemaakt met zijn val als gevolg. Zijn primaire verzoek is daarom niet toewijsbaar is.

Het subsidiaire verzoek over de bewijslast

2.31.
Subsidiair vraagt [verzoeker] voor recht te verklaren dat de bewijslast van de stelling van Univé en [verweerster sub 2] – dat de aanrijding is veroorzaakt doordat [verzoeker] (te) dicht achter [verweerster sub 2] reed toen deze laatste snelheid verloor – bij Univé en [verweerster sub 2] ligt.

2.32.
Volgens artikel 1019w Rv is een deelgeschil “een geschil over een aspect van wat tussen partijen volgens het recht geldt als het gaat om aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel, en waarbij gezegd kan worden dat een uitspraak van de deelgeschilrechter over zo'n geschilpunt partijen kan helpen om buitengerechtelijk verder te onderhandelen en mogelijk een vaststellingsovereenkomst te sluiten". Een beslissing over de bewijslast kan een impasse in de onderhandeling doorbreken. Bewijslast impliceert immers bewijsrisico; heeft een partij de bewijslast ten aanzien van bepaalde feiten, dan loopt die partij het risico de procedure te verliezen bij het onbewezen en onduidelijk blijven van die feiten.

2.33.
Anders dan Univé en [verweerster sub 2] betogen, leent dit verzoek zich wel voor een deelgeschil omdat duidelijkheid over het bewijsrisico kan bijdragen in een verdere onderhandeling maar het verzoek is niet toewijsbaar. Univé en [verweerster sub 2] verweren zich met de stelling dat de aanrijding is veroorzaakt doordat [verzoeker] (te) dicht achter [verweerster sub 2] reed. Gelet op wat in 2.29 is vastgesteld komt de rechtbank aan bewijslevering op dit punt niet meer toe.

Kosten deelgeschil

2.34.
De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoeker] € 17.895,30 inclusief btw.

2.35.
Volgens Univé en [verweerster sub 2] moeten de kosten worden afgewezen omdat aansprakelijkheid ontbreekt. Subsidiair moet rekening gehouden worden met de mate van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] .

2.36.
De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten, ook als een verzoek niet wordt toegewezen. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.37.
De rechtbank begroot de kosten voor zover die betrekking hebben op dit deelgeschil onder meer gelet op de complexiteit van het geschil, de processtukken en – handelingen en een passend tarief van een (gespecialiseerde) advocaat. Deze zaak is niet heel eenvoudig, maar rechtvaardigt niet het bedrag van € 17.895,30 inclusief btw die [verzoeker] in rekening wil brengen. De rechtbank begroot gezien de aard van het geschil, de processtukken en de zitting de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak op 20 uren x € 200,00 exclusief btw, dus op € 4.000,00 exclusief btw/ € 4.840,00 inclusief btw. Daar moet het griffierecht van € 314,00 dat [verzoeker] aan de rechtbank heeft moeten betalen nog bij opgeteld worden.

2.38.
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Univé en [verweerster sub 2] niet veroordelen om dit te betalen. Univé en [verweerster sub 2] verzoeken verder nog rekening te houden met de mate van eigen schuld. De rechtbank volgt hen daarin niet. Eigen schuld leidt tot verminderde aansprakelijkheid. Nu de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, is een beroep op eigen schuld niet aan de orde. ECLI:NL:RBMNE:2022:6409