Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Gelderland 030714 herhaald ontbindingsverzoek na incident; psychische ontreddering wn-er; schending plichten goed wg-er; vergoeding c=5

Rb Gelderland 030714 herhaald ontbindingsverzoek na incident; psychische ontreddering wn-er; schending plichten goed wg-er; vergoeding c=5

2
De feiten

2.1
[verweerder ], geboren [1973], is na eerst twee jaar op uitzendbasis voor [stichting] werkzaamheden te hebben verricht vanaf 15 februari 2004 bij [stichting] in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een basissalaris van € 2.068,80 bruto vermeerderd met onregelmatigheidstoeslag, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.
[verweerder ] is voor [stichting] werkzaam als begeleider nachtdienst op een van de locaties van [locatie te plaats], een instelling die intensieve zorg biedt aan (jong)volwassenen met complexe gedrags- en psychiatrische problemen.

2.2
In de nacht van 9 op 10 juni 2013 heeft zich tijdens de nachtdienst van [verweerder ] een incident voorgedaan met de bewoner [bewoner], een volwassen man met een fors postuur en het verstandelijke niveau van een 5-jarige. Nadat [bewoner] zich in een halletje van zijn woongroep had laten vallen en daar heeft liggen schreeuwen en met benen en armen gesparteld, heeft [verweerder ] samen met twee van zijn collega’s [bewoner] getracht te verplaatsten uit het halletje. Daarbij is [bewoner] met zijn rug in aanraking gekomen met de nylon vloerbedekking en heeft hij een forse schaafwond opgelopen.

2.3
Bij beschikking d.d. 27 november 2013 heeft de kantonrechter een eerder ontbindingsverzoek van [stichting] afgewezen. Dat verzoek was, kort gezegd, gebaseerd op het hiervoor vermelde incident. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de bij het incident betrokken medewerkers de acute situatie hebben beoordeeld en daarbij naar bevind van zaken hebben gehandeld op een dusdanige wijze die zij begrijpelijkerwijs de beste achtten. Een verwijt daarvoor viel hen niet te maken.

2.4
Nadat in de beschikking d.d. 27 november 2013 is geoordeeld dat voor toewijzing van het ontbindingsverzoek geen grond bestond is daaraan de volgende overweging ten overvloede toegevoegd:

“Gelet op de arbeidsongeschiktheid van [verweerder ] en de afwijzende houding van [stichting] lijkt het aannemelijk dat, voordat van daadwerkelijke terugkeer sprake kan zijn, een traject van herstel van vertrouwen moet worden ingezet, mogelijk onder leiding van een mediator. De door [stichting] ter zitting aangekondigde mogelijke sanctie in in de vorm van een waarschuwing, zoals ook aan [naam] is gegeven, past niet in dat traject. Los daarvan is, gelet op hetgeen hierboven ook is overwogen, voor een dergelijke waarschuwing geen grond in het gebeurde te vinden.”

2.5
[stichting] heeft na de beschikking d.d. 27 november 2013 het initiatief genomen voor een mediation, waarmee [verweerder ] heeft ingestemd. Vervolgens zijn in dat kader d.d. 29 januari 2014, 4 maart 2014 en 18 maart 2014 gesprekken gevoerd onder leiding van een mediator.

2.6
In een na de beschikking d.d. 27 november 2013 door [stichting] onder het personeel van [locatie] verspreide publicatietekst staat onder meer:
“De rechter heeft aanleiding gezien om de ontslagverzoeken af te wijzen omdat volgens de rechter de aangevoerde omstandigheden niet waren te zien als een dringende reden.
[stichting] zal zich bij dit oordeel neerleggen en daarbij uiteraard de betrokken medewerkers in de gelegenheid stellen hun werkzaamheden te hervatten.
Deze uitspraak ontslaat ons niet van de verplichting als werkgever en als werknemer om vanuit de recentelijk gedeelde ‘Visie voor [locatie], met de daarbij behorende waarden’ te werken en dat dit ook van een ieder verlangd wordt.
De waarden zijn: respect, inspireren, dialoog & samenwerking en eigen verantwoording. Van iedereen die bij [locatie] werkt, wordt verwacht dat er vanuit deze waarden ondersteuning wordt geboden aan de cliënten. Professioneel handelen betekent voor ons dat iedereen zijn verantwoordelijkheid heeft, neemt en draagt.”

2.7
[verweerder ] is sinds het incident met bewoner [bewoner] arbeidsongeschikt. In maart en april 2014 is [verweerder ] gedurende een periode van zes weken opgenomen geweest in een verslavingskliniek. Volgens de ‘Bijstelling Probleemanalyse WIA’ d.d. 16 april 2014 waren er op dat moment weer mogelijkheden aanwezig tot re-integratie.

2.8
Vóór het incident met [bewoner] heeft [verweerder ] gedurende het dienstverband met [stichting] geen ziekteverzuim gekend.


Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1
[stichting] verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder ] te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van wijziging van omstandigheden. Er is volgens haar sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk nu de mediation niet het gewenste effect heeft gehad en dat wel als voorwaarde geldt voor terugkeer van [verweerder ]. De gerezen conflictsituatie is niet eenvoudig op te lossen en [stichting] ziet niet in hoe nog tot een vruchtbare inzet van [verweerder ] kan worden gekomen. Omdat [verweerder ] zich wel heeft ingespannen om in de mediation tot een oplossing te komen is [stichting] bereid om bij ontbinding een vergoeding aan hem toe te kennen gebaseerd op de kantonrechtersformule met correctiefactor C=1, oftewel € 28.340,28 bruto.

3.2
[verweerder ] heeft gemotiveerd verweer gevoerd aanvankelijk primair gericht op afwijzing van het verzoek. Ter zitting heeft [verweerder ] dat verweer opgegeven en heeft hij zich neergelegd bij een ontbinding, in verband waarmee hij aanspraak maakt op een vergoeding groot € 145.152,30. [verweerder ] heeft voorts een zelfstandig tegenverzoek gedaan omdat hij, zo volgt uit zijn toelichting ter zitting, wenst te voorkomen dat nog een derde procedure tussen partijen gevoerd moet worden indien [stichting] vanwege de hoogte van de toe te kennen vergoeding zou besluiten gebruik te maken van haar intrekkingsbevoegdheid.

3.3
Tegen het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder ] heeft [stichting], na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen (nader) verweer gevoerd. Zij wenst een ontbinding van de arbeidsovereenkomst tegen de door haar voorgestelde vergoeding.


De beoordeling van het verzoek van [stichting] en het tegenverzoek van [verweerder ]

4.1
Nu beide partijen zich niet (langer) verzetten tegen toewijzing van het verzoek van de andere partij, zal de ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden uitgesproken.
De grond daarvoor is gelegen in een onherstelbare vertrouwensbreuk. Met het oog op de hoogte van de daarbij aan [verweerder ] toe te kennen vergoeding zal hierna worden nagegaan aan wie het ontstaan van die breuk verwijtbaar is te stellen.

4.2
Het is onvermijdelijk daarvoor eerst nog kort stil te staan bij de reactie van [stichting] op het incident met de bewoner [bewoner], waarover in de beschikking d.d. 27 november 2013 al het nodige is gezegd. Die reactie was onevenwichtig. In plaats van tot een neutrale en normale communicatie daarover te komen zijn de bij het incident betrokken medewerkers door [stichting] direct in het beklaagdenbankje gezet, zijn zij op non-actief gesteld en is Hoffmann Bedrijfsrecherche op hen afgestuurd. Terecht heeft [verweerder ] zeker dat laatste als disproportioneel en diffamerend ervaren. Het valt [stichting] ook te verwijten dat zij niet heeft willen luisteren naar de redelijke uitleg van de medewerkers over de aanpak van [bewoner] in de bewuste nacht maar direct heeft ingezet op ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de zwaarst mogelijke grond, die van de uitgestelde dringende reden. Daarbij was het zeker ook ongepast om zonder enig fundament het ontbindingsverzoek mede te baseren op de bewering dat [verweerder ] niet meer zou passen in de gewijzigde cultuur bij [locatie].
Al deze verwijten zijn weliswaar geredresseerd in de beschikking d.d. 27 november 2013, daaraan ging voor [verweerder ] wel een lange periode van spanning en onzekerheid vooraf.
Van een goed werkgever mag worden verwacht dat die zich daarvan bewust is en daarom niet zomaar een juridische procedure belast met ongefundeerde en ongrijpbare verwijten.

4.3
Na de afwijzing van het eerste ontbindingsverzoek hebben de partijen overeenkomstig het advies van de kantonrechter gebruik gemaakt van mediation. Daarmee is er de mogelijkheid geweest om in een sfeer van vertrouwelijkheid met elkaar van gedachten te wisselen niet alleen over het incident met de bewoner [bewoner] zelf maar, naar valt aan te nemen, ook over de reactie daarop van [stichting]. Nu partijen over dat alles vrijelijk hebben kunnen spreken, moest er daarna eenvoudig een punt achter het incident worden gezet. De kantonrechter volgt [stichting] dus niet waar zij aan de mediation de eis verbindt dat daarin een “gewenst effect” moest worden bereikt. De mediation was niet bedoeld om [verweerder ] in dat traject een soort examen te laten afleggen als voorwaarde voor zijn werkhervatting, noch mocht de mediation door [stichting] worden gebruikt om daarin alsnog het gelijk te behalen dat zij in de eerste ontbindingsprocedure juist niet heeft gekregen.
Dat [verweerder ] voor de mediation moest “slagen” staat niet in de beschikking d.d. 27 november 2013 en dat past ook volstrekt niet bij de overwegingen van die beschikking welke overduidelijk er op neer komen dat [stichting] het incident met [bewoner] verkeerd heeft beoordeeld ten nadele van de daarbij betrokken medewerkers. Zelfs voor een waarschuwing bestond immers geen grond in de visie van de kantonrechter. [stichting] moest dan ook ophouden om steeds maar weer in verwijtende zin terug te komen op het incident en het gedrag van [verweerder ] door hem daarbij voor te houden dat hij moet leren van fouten om herhaling in de toekomst te voorkomen. Door zich wel zo te gedragen en halstarrig vast te houden aan het eigen gelijk, toont [stichting] zich een slecht verliezer en komt zij de toezegging niet na [verweerder ] “uiteraard” (zie onder 2.6) in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten.

4.4
Het is [stichting] aan te rekenen dat zij niet bekwaam is gebleken de eerdere beschikking op juiste waarde te schatten en daarnaar te handelen, omdat zij daardoor veel te lang de re-integratie van [verweerder ] en de door hem gewenste feitelijke terugkeer op het werk heeft geblokkeerd. Voldoende aannemelijk is geworden dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerder ] enkel daardoor is blijven voortbestaan en intussen aanzienlijk is verergerd. [verweerder ] is psychisch ontredderd geraakt en hij is daarom nog niet heel lang geleden zes weken opgenomen geweest in een verslavingskliniek. [stichting] beroept zich in dat verband op predispositie, maar dat is volstrekt misplaatst. Juist omdat [stichting] kennelijk wist van deze bijzondere kwetsbaarheid van [verweerder ] had zij daarmee in haar beleid en opstelling rekening moeten houden. Een predispositie doorbreekt, anders dan waar het gaat om pre-existente klachten (die hier niet aan de orde zijn gelet op het ontbreken van een ziekteverzuim geschiedenis), ook geenszins het juridisch causaal verband. Gevolgen die zijn terug te voeren op een bijzondere lichamelijke of geestelijke zwakheid van de benadeelde moeten volgens vaste rechtspraak als het gevolg van de onrechtmatige daad of wanprestatie aan de aansprakelijke partij worden toegerekend.

4.5
Nu uiteindelijk ter zitting is gebleken dat het de spankracht van [verweerder ] te buiten gaat om zich nog langer te verzetten tegen de door [stichting] nagestreefde ontbinding en hij daarmee niet alleen een ongewisse (financiële) toekomst tegemoet treedt maar tevens afstand moet nemen van een microsfeer waarin hij tot zijn genoegen en naar tevredenheid al twaalf jaar functioneerde, behoort ter compensatie van deze verliezen een ruime vergoeding aan [verweerder ] te worden toegekend. Het repeterend en halstarrig handelen van [stichting] in strijd met haar verplichtingen als goed werkgever noopt daar eveneens toe. Er zal daarom een vergoeding worden toegekend zoals gevraagd, dat wil zeggen gebaseerd op de factor 5 als correctie. Bij de uitwerking daarvan wijkt de kantonrechter wel af van de door [verweerder ] gepresenteerde berekening, omdat daarin fluctuaties van de onregelmatigheidstoeslag voorkomen die niet overeenkomen met het gemiddelde. Daarom gaat de kantonrechter uit van het door [stichting] opgegeven bedrag van € 774,97 bruto als gemiddelde toeslag.
Dat leidt tot een geringe aanpassing in de berekening, aldus dat bij 8 gewogen dienstjaren en correctiefactor 5 de toe te kennen vergoeding dan uitkomt op € 141.701,40 bruto.ECLI:NL:RBGEL:2014:6000