Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBZWB 150818 regres op verzekerde na doorrijden op beveiliger slaagt niet; opzetclausule bevat geen uitsluiting voor voorwaardelijk opzet

RBZWB 150818 regres op verzekerde na doorrijden op beveiliger slaagt niet; opzetclausule bevat geen uitsluiting voor voorwaardelijk opzet

Het geschil

2.1
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en de nakosten.

2.2
[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vordering, met, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en in de nakosten en subsidiair tot matiging van de (incasso)kosten.

De beoordeling

3.1
In deze procedure staan de volgende feiten vast:
De auto van [gedaagde] , met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), was op 23 juni 2014 ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [eiseres] .
Op deze verzekering waren de “Voorwaarden Personenautoverzekering 2014” (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. In de polisvoorwaarden staat onder meer het volgende:

“ Wat gebeurt er bij opzettelijk veroorzaakte schade?

Niet verzekerd is schade die de verzekerde opzettelijk heeft veroorzaakt of verergerd. Dit geldt ook als de schade met toestemming van de verzekerde is veroorzaakt of verergerd.

In welke andere gevallen biedt de verzekering geen dekking?

De verzekering biedt geen dekking als:

[…]”

en

“ Hoe regelen wij de schade?

Wij regelen de schade en stellen die vast. Wij hebben het recht om de schade rechtstreeks met de benadeelde af te handelen. Wij houden daarbij zoveel mogelijk rekening met het belang van de verzekerde.

Wanneer verhalen wij de schade op de verzekerde?

Wij verhalen de schade op de verzekerde als hij volgens deze voorwaarden niet verzekerd is en wij toch een bedrag moeten betalen. Wij kunnen ook de rente en andere kosten verhalen op de verzekerde.”

3. Op 23 juni 2014 was [gedaagde] als bestuurder van de auto betrokken bij een aanrijding met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Naar aanleiding van die aanrijding heeft [naam 1] bij de politie aangifte gedaan jegens [gedaagde] . In de aangifte staat onder meer het volgende:

“Vandaag, 23 juni 2014, was ik stage aan het lopen als toezichthouder bij de Rooi Pannen aan de Dr. Ahausstraat 1 te Tilburg.

Ik liep samen met toezichthouders [naam 2] over het terrein en [naam 3] kwam er ook bij. Omstreeks 14.55 uur kwam een docent naar buiten rennen, welke riep “Hou hem tegen”. Ik zag dat er een jongen voorbij kwam rennen. Het was een dunne jongen die wegrende. Ik zag dat de jongen in een rode auto stapte, een klein model, mogelijk een Opel.

Ik rende via het voetpad naar de Reitse Hoevenstraat. Ik zag dat de jongen over het parkeerterrein wegreed naar de Reitse Hoevenstraat.

Ik zag dat de jongen met de auto linksaf sloeg. Ik kwam voor de jongen en z’n auto uit. Ik gaf hem een stopteken met m’n beide handen.

Ik ben duidelijk gekleed in een zwarte broek en een rode jas van de Rooi Pannen met daarop ‘Toezicht’.

Ik hoorde en zag dat de jongen met de auto wat afremde en vervolgens op schakelde en vervolgens plankgas gaf.

Ik werd door zijn auto aangereden tegen mijn knieën en mijn benen. Door de klap schoof ik rechts van de motorkap af. Ik kwam ten val en de jongen met de auto reed door in de richting van de Wandelboslaan.”

4. In het proces-verbaal van het eerste verhoor van [gedaagde] staat onder meer het volgende:

“Ik zag hem achter me aanrennen en ik stapte snel in mijn auto. Ik zag dat [kantonrechter: de docent] het hek dicht wilde doen. Ik wilde wegrijden. Ik draaide links in. Ik keek nog om me heen. Ik zag een beveiliger aan de rechter zijkant van mijn auto staan. Hij sloeg nog met zijn vuist op de voorkant. Ik wilde hem sowieso geen pijn doen dus ik draaide een beetje naar links. Ik wilde hem een beetje afschudden. Hij stond aan de rechtervoorkant van mijn auto.

O: Verdachte geeft aan tijdens het lezen van het verhoor dat ‘afschudden’ een beetje raar klinkt en dat het gewoon de bedoeling was om om hem heen te rijden.

V: Heb je op enig moment gedacht om uit te stappen?

A: Ik dacht van het is nu al zover gekomen, ik wil nu gewoon naar huis. De politie komt toch wel naar mijn huis toe.

V: Heb je gemerkt dat je hem raakte?

A: Ik reed gewoon rustig, stapvoets uit die uitrit. Hij had zijn hand op mijn motorkap gezet aan de rechtervoorzijde en toen ben ik een beetje naar links gestuurd.

V: Maar heb jij die man geraakt die voor je auto stond?

A: Nee, ik heb hem volgens mij niet geraakt.”

5. [gedaagde] is strafrechtelijk vervolgd naar aanleiding van de aanrijding en op 20 juni 2017 door de politierechter te Breda veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, die op de tenlastelegging als volgt was omschreven:

“hij op of omstreeks 23 juni 2014 te Tilburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten A.O.S. [naam 1] ), met een (personen)auto met hoge/versnelde snelheid heeft aangereden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht).”

6. [eiseres] heeft aan [naam 1] een schadevergoeding uitgekeerd van in totaal € 35.213,05.

7. Bij brief van 13 september 2017 heeft [eiseres] [gedaagde] onder meer bericht dat [gedaagde] de schade opzettelijk heeft veroorzaakt, dat de schade derhalve niet verzekerd is en dat [eiseres] de schade op [gedaagde] verhaalt.

8. Bij brief van 29 september 2017 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] [eiseres] onder meer bericht dat er sprake was van voorwaardelijk opzet en dat voorwaardelijk opzet in de voorwaarden niet is genoemd als uitsluitingsvoorwaarde.

3.2
[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft de schade van [naam 1] als gevolg van de aanrijding vergoed tot een bedrag van € 35.213,05 en heeft voor dat bedrag regres op [gedaagde] . De opzetclausule in de polisvoorwaarden is van toepassing. [gedaagde] heeft de schade opzettelijk veroorzaakt. In dat geval is de schade niet verzekerd en kan [eiseres] de schade op [gedaagde] verhalen. [gedaagde] was ten tijde van het voorval meerderjarig en mag dus geacht worden de gevolgen van zijn handelen te hebben kunnen overzien. Hij heeft welbewust en bij volle verstand gehandeld. Daarmee is opzet, in ieder geval ten aanzien van het op de koop toe nemen dat hij [naam 1] zou aanrijden, gegeven. [gedaagde] is strafrechtelijk veroordeeld voor de opzettelijke mishandeling van [naam 1] . Dat onderstreept het opzettelijk handelen van [gedaagde] . De precieze gradatie van het opzet (oogmerk, zekerheidsbewustzijn of voorwaardelijk opzet) heeft voor de uitleg van de opzetclausule geen zelfstandige betekening. Deze gradatie betreft een juridische kwalificatie en is niet relevant voor de vraag hoe partijen het begrip opzet in de opzetclausule hebben mogen begrijpen. De vraag is of de schade, naar objectieve maatstaven, het te verwachten gevolg van de gedraging van [gedaagde] is.

3.3
Volgens [gedaagde] is er primair sprake van (on)bewuste schuld. Schade ten gevolge daarvan is in de voorwaarden niet uitgesloten. Subsidiair is er sprake van voorwaardelijk opzet. Schade ten gevolge van voorwaardelijk opzet is niet uitgesloten in de polisvoorwaarden. Slechts schade ten gevolge van één geval van voorwaardelijk opzet, namelijk het rijden onder invloed, is in de polisvoorwaarden van dekking uitgesloten. [gedaagde] is de overeenkomst als consument aangegaan. In een dergelijk geval moet bij de uitleg van de opzetclausule de maatstaven van het arrest DSM/Fox gelden. Bij twijfel over de uitleg van een beding prevaleert de voor de consument gunstigste uitleg. Grammaticale uitleg dient voorop te staan.

3.4
Op grond van artikel 15 WAM heeft de verzekeraar die ingevolge de WAM de schade van een benadeelde heeft vergoed, als de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering is gedekt, voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. De polisvoorwaarden onder “Wanneer verhalen wij de schade op de verzekerde?” sluiten bij artikel 15 WAM aan. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schade van [naam 1] door de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst is gedekt. Voor het antwoord op die vraag is van belang of er sprake was van opzettelijk door [gedaagde] veroorzaakte schade in de zin van de polisvoorwaarden (onder “Wat gebeurt er bij opzettelijk veroorzaakte schade?”, hierna: de opzetclausule).

3.5
De kantonrechter zal hierna eerst beoordelen of er sprake was van (on)bewuste schuld aan de zijde van [gedaagde] , zoals [gedaagde] primair stelt, of van voorwaardelijk opzet, zoals hij subsidiair stelt.

3.6
Naar het oordeel van de kantonrechter wist [gedaagde] , althans moet hij hebben geweten dat er een aanmerkelijke kans bestond dat hij (door niet te stoppen maar door te rijden) [naam 1] zou raken en dat [naam 1] daardoor letsel zou bekomen. Er was immers sprake van een situatie waarin [naam 1] , uit hoofde van zijn functie als beveiliger, wilde beletten dat [gedaagde] het terrein van de school zou verlaten. Uit de verklaring van [gedaagde] blijkt dat [naam 1] aan de rechter voorkant van de auto stond. Hij stond zo dicht bij de auto dat hij op de voorkant van de auto kon slaan. In een dergelijk geval zou doorrijden alleen verantwoord zijn geweest als dit uiterst voorzichtig, met minimale snelheid, was gebeurd. Uit de aangifte van [naam 1] blijkt echter dat [gedaagde] niet bijzonder voorzichtig is geweest. [naam 1] verklaart dat [gedaagde] eerst afremde maar “vervolgens plankgas gaf”. Onder die omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat [gedaagde] wist of moet hebben geweten dat hij [naam 1] kon raken toen hij besloot naar links sturend door te rijden. In geval van een aanrijding tussen een auto en een persoon is de kans op letsel bij de laatste aanmerkelijk.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] die kans op een aanrijding met letsel tot gevolg bewust aanvaard (op de koop toegenomen), zodat geen sprake is van (on)bewuste schuld, maar van voorwaardelijk opzet. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde] in antwoord op de vraag of hij op enig moment heeft gedacht om uit te stappen heeft verklaard dat hij dacht “ik wil nu gewoon naar huis”. De kantonrechter begrijpt deze verklaring, gelezen in de context van het verhoor, aldus dat [gedaagde] hiermee zijn gedachten vóór de aanrijding heeft verwoord. Dat duidt er niet op dat [gedaagde] er van uit ging dat hij [naam 1] niet zou raken, maar dat hij de kans daarop op de koop heeft toegenomen. De kantonrechter acht ook van belang dat [gedaagde] door de politierechter is veroordeeld voor mishandeling. Dat is een opzetdelict. Gesteld noch gebleken is dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, zodat de veroordeling, gelet op artikel 161 Rv, in deze procedure geen dwingend bewijs van het (opzettelijk) mishandelen van [naam 1] en daarmee het opzettelijk veroorzaken van de schade oplevert, maar het oordeel van de politierechter daarover is niettemin een belangrijk feit dat de kantonrechter bij haar oordeel betrekt.

3.7
Vervolgens rijst de vraag of de schade die [gedaagde] met voorwaardelijk opzet heeft veroorzaakt van dekking is uitgesloten. Voor het antwoord op die vraag is van belang of [gedaagde] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft moeten begrijpen dat door de opzetclausule van dekking werd uitgesloten schade als gevolg van een gedraging zoals die van [gedaagde] op 23 juni 2014, te weten het naar links sturend doorrijden op het moment dat [naam 1] aan de rechtervoorkant van zijn auto stond, zo dichtbij dat hij op de voorkant van de auto kon slaan. Of dat het geval is moet worden beoordeeld op basis van uitleg van de opzetclausule. Daarbij is niet van belang of [gedaagde] de opzetclausule bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst daadwerkelijk heeft gelezen.

3.8
De uitleg van een bepaling in de polisvoorwaarden als de onderhavige, waarover tussen partijen niet is onderhandeld, is met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en in het licht van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Voor de uitleg van een contractuele clausule waarmee wordt afgeweken van een wettelijke bepaling van regelend recht, zoals artikel 7:952 BW, kan ook van belang zijn wat die wettelijke bepaling inhoudt (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601).

3.9
De taalkundige betekenis die de term opzettelijk in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken heeft, is dat met een bepaald voornemen, derhalve willens en wetens, is gehandeld. Een jurist vraagt zich in een dergelijk geval wellicht af of ook voorwaardelijk opzettelijk veroorzaakte schade (die derhalve niet willens en wetens is veroorzaakt) van dekking is uitgesloten, maar aannemelijk is dat de gemiddelde verzekeringnemer met die strafrechtelijke vorm van opzet niet eens bekend is. Wanneer alleen zou worden gekeken naar de taalkundige betekenis van de opzetclausule zou derhalve moeten worden geconcludeerd dat de opzetclausule in het onderhavige geval (van voorwaardelijk opzet) niet van toepassing is. De uitleg van de opzetclausule dient echter niet plaats te vinden op basis van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de opzetclausule. Die uitleg is wel van groot belang.

3.10
In het onderhavige geval ontbreekt een bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Een definitie van opzet of opzettelijk veroorzaakte schade is in de polisvoorwaarden ook niet opgenomen. [gedaagde] kon daar derhalve niet uit opmaken dat ook schade die hij niet heeft beoogd of gewild (maar wel op de koop heeft toegenomen) van dekking zou zijn uitgesloten. [gedaagde] had dat wel kunnen begrijpen als niet alleen opzettelijk veroorzaakte schade, maar ook schade die door roekeloosheid is veroorzaakt van dekking zou zijn uitgesloten, zoals artikel 7:952 BW bepaalt. De toevoeging van de term roekeloosheid in die wettelijke bepaling maakt namelijk duidelijk dat ook niet beoogde schade van dekking kan zijn uitgesloten en (voor verzekeringnemers die bekend zijn met de verschillende strafrechtelijke vormen van opzet) dat schade ten gevolge van het volledige scala van opzetvormen (tussen oogmerk als de zwaarste vorm van opzet en roekeloosheid als de zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm) van dekking is uitgesloten. Artikel 7:952 BW is echter van regelend recht. [eiseres] mag daar derhalve van afwijken. Dat heeft zij door middel van de opzetclausule gedaan. Schade die is veroorzaakt door roekeloosheid heeft zij niet van dekking uitgesloten. Door roekeloosheid in de opzetclausule niet te noemen en bovendien na te laten uit te leggen dat opzet meer is dan het willens en wetens veroorzaken van schade, heeft [eiseres] onduidelijkheid laten bestaan over welke schade zij met de opzetclausule van dekking beoogt uit te sluiten.

3.11
Tot slot is van belang dat tussen partijen niet in geschil is (de kantonrechter leest dit overigens niet in de polisvoorwaarden) dat schade ten gevolge van één specifiek geval van voorwaardelijk opzet, namelijk het rijden onder invloed, in de polisvoorwaarden, direct na de opzetclausule, onder “In welke andere gevallen biedt de verzekering geen dekking?” van dekking is uitgesloten. Ook dat is (voor degenen die bekend zijn met de verschillende strafrechtelijke vormen van opzet) een indicatie dat met de opzetclausule niet is beoogd alle vormen van voorwaardelijk opzet van dekking uit te sluiten.

3.12
De kantonrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat er redelijkerwijs sprake kan zijn van twijfel over de betekenis van de opzetclausule. In dat geval prevaleert, gelet op artikel 6:238 lid 2 BW en nu [gedaagde] de verzekeringsovereenkomst als consument heeft gesloten, de voor [gedaagde] meest gunstige uitleg (HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:83). Bij de voor [gedaagde] meest gunstige uitleg van de opzetclausule is voorwaardelijk opzettelijk veroorzaakte schade niet van dekking uitgesloten.

3.13
Nu de door [gedaagde] voorwaardelijk opzettelijk veroorzaakte schade niet van dekking is uitgesloten, bieden artikel 15 WAM noch de polisvoorwaarden onder “Wanneer verhalen wij de schade op de verzekerde?” grond voor verhaal door [eiseres] op [gedaagde] van de door [eiseres] aan [naam 1] uitgekeerde schadevergoeding. De vorderingen van [eiseres] zullen derhalve worden afgewezen.

3.14
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.000,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] (2,5 punten x € 400,00 per punt).

3.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [eiseres] deze kosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [eiseres] , indien zij door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de kostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.

3.16
Nu [eiseres] in de proceskosten zal worden veroordeeld, is ook de vordering tot veroordeling van [eiseres] in de nakosten toewijsbaar. De gevorderde nakosten zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

3.17
De door [gedaagde] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal als onweersproken worden toegewezen. ECLI:NL:RBZWB:2018:4717


VERZEKERINGSRECHT, verzwijging

RBDHA 180718 schending mededelingsplicht tzv eerdere fraude en politiecontact; gegronde redenen voor registratie EVR en IR

2 De feiten
2.1.
Op 20 maart 2014 hebben [eiseres] en haar partner [A] (hierna: ‘ [A] ’) onder andere een opstal- en inboedelverzekering (hierna: de verzekering) voor hun woning aan de [adres] aangevraagd bij Nationale-Nederlanden. Daarbij trad De Hypotheker op als tussenpersoon van [eiseres] en [A] .

2.2.
Op het aanvraagformulier zijn door Nationale-Nederlanden de volgende vragen gesteld met betrekking tot het – achtereenvolgens – verzekerings-, strafrechtelijk- en schadeverleden:

“Is een verzekering ooit eerder afgewezen of opgezegd door een maatschappij? (…)

Bent u, of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de loop van de laatste acht jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking geweest met politie of justitie? (…)

Heeft u in de afgelopen 5 jaar op een van de aangevraagde onderdelen wel eens een schade geclaimd bij uw verzekeringsmaatschappij?”

Het aanvraagformulier vermeldt daarnaast:

“Wettelijke mededelingsplicht
U bent verplicht de gestelde vragen in dit aanvraagformulier zo volledig mogelijk te beantwoorden. Dit geldt ook voor feiten en omstandigheden die betrekking hebben op een derde, wiens belangen worden meeverzekerd. Bij de beantwoording is bovendien niet alleen uw eigen wetenschap bepalend, maar ook die van de andere belanghebbenden bij deze verzekering. (…) Indien u niet of niet volledig aan uw mededelingsplicht heeft voldaan, kan dat ertoe leiden dat het recht op uitkering wordt beperkt of zelfs vervalt, of dat de verzekering wordt opgezegd.”

2.3. Voornoemde vragen zijn alle met “nee” beantwoord, waarna het formulier door [eiseres] en [A] is ondertekend.

2.4.
De verzekering is afgesloten op naam van [eiseres] en ingegaan op 28 maart 2014.

2.5.
Op 18 januari 2017 is er brand ontstaan in de woning van [A] en [eiseres] , met aanzienlijke schade als gevolg. De brandschade is onder de verzekering gemeld bij Nationale-Nederlanden (hierna: de schadeclaim).

2.6.
Naar aanleiding van de schadeclaim heeft Nationale-Nederlanden CED ingeschakeld voor het verrichten van een toedrachtsonderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd door de heer [de expert] (hierna: de expert). De expert heeft in het kader van zijn onderzoek op 19 januari 2017 [eiseres] en [A] in de woning bezocht en aldaar met hen gesproken. De expert heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 7 februari 2017. Daarin staat, voor zover relevant:

“Beschouwing:
(…)
Verzekerden hebben bij de aanvraag van onderhavige polis verzwegen dat er in 2010 een verzekering is opgezegd door de OHRA naar aanleiding van een vermoeden van een fraudeleuze claim en dat verzekeringneemster in 2013 in aanraking is geweest met politie en justitie ter zake mishandeling. Verzekerden geven aan dat deze vragen hen niet zijn gesteld bij het aanvragen van de polis. Uit de aanvraag is echter gebleken dat er op de slotvragen allemaal “nee” is geantwoord.”

2.7.
Op 8 en 9 februari 2017 heeft [eiseres] Nationale-Nederlanden gebeld. De door Nationale-Nederlanden van de gesprekken gemaakte telefoonnotities vermelden, voor zover relevant:

8 februari 2017 
“(….) na bestudering van het dossier en overleg (…) besloten om open te zijn over constateringen. Dubbele schending mededelingsplicht (en onduidelijkheid over brandoorzaak.) Haar reactie op de verzwijging was (…) dat dat om haar man ging en niet om haar. Haar op gewezen dat haar man medeverzekerde is en ook de aanvraag heeft ondertekend. Zinspeelde er nog op dat hypotheker haar had verteld dat zij wel gewoon polis op haar naam kon afsluiten.” 
9 februari 2017
“Belde weer, had gisteren te horen gekregen dat er weleens niet betaald zou gaan worden. Dat klopt, AVF is niet juist ingevuld. AVF was ingevuld door (…) de Hypotheker. Deze zou zelf voorgesteld hebben om polis op haar naam te zetten. Zij had alleen maar getekend, wist niet meer dat haar man had meegetekend. Slotvragen zouden volgens haar alleen betrekking op haar hebben. Dan is het AVF nog steeds niet juist vanwege haar verleden. Ja, maar ik was toen nog niet veroordeeld. Haar gewezen op het feit dat dat niet de vraag was. Deze voorgelezen. Dan zou ze eea niet goed begrepen hebben. Zij stelt nog gepoogd te hebben aangifte in te trekken maar justitie had de zaak doorgezet. Zou betrekking hebben op een uit de hand gelopen familieruzie. (…) Aangegeven dat wij info (…) hebben opgevraagd bij Ohra. Eerst verklaart ze hierover dat er geprocedeerd zou zijn tegen het standpunt, later ontkende ze dit weer. Ze zouden een expert ingeschakeld hebben om de conclusie van Ohra aan te vechten.”

2.8.
Bij brief van 24 februari 2017 (hierna: de opzeggingsbrief) heeft Nationale-Nederlanden de schadeclaim afgewezen en de verzekering met onmiddellijke ingang beëindigd. Voorts heeft Nationale-Nederlanden de persoonsgegevens van [eiseres] (en [A] ) opgenomen in - onder andere - haar Incidentenregister (hierna: IR) en in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) voor de duur van acht jaar.

De opzeggingsbrief vermeldt, voor zover relevant:

“Conclusie
Op grond van uw verklaringen en door u verstrekte informatie staat vast dat u beiden, bij het aanvragen van de verzekeringen, de vragen over het strafrechtelijk verleden, uw schade- en verzekeringsverleden onwaar heeft beantwoord. Bovendien is er sprake van opzettelijke misleiding omdat u, mevrouw [eiseres] , in het telefoongesprek van 9 februari 2017 verklaarde dat de verzekeringen, al dan niet op advies van een derde, op uw naam zijn gezet om te voorkomen dat de schade op naam van uw man aan het licht zou komen. (…) U en uw partner hebben de mededelingsplicht, zoals bepaald in artikel 7:928 Burgerlijk Wetboek en verder, geschonden.

Wij zouden de verzekeringen niet geaccepteerd hebben indien wij door u van de juiste informatie voorzien waren. Wij vinden bovendien dat er sprake is van opzettelijke misleiding. De gevolgen daarvan zijn dat er geen uitkering volgt en de verzekeringen met onmiddellijke ingang worden beëindigd.

Dat leidt ertoe dat wij nu een beroep doen op artikel 7:928 lid 1 BW en 7:930 lid 4 BW & lid 5 BW. (…)

Registraties in systemen: 
Omdat wij uw claim en de aanvraag voor uw verzekeringen nader hebben onderzocht én dit besluit hebben genomen, hebben wij uw beider (persoons)gegevens opgenomen in de gebeurtenissenadministratie en het incidentenregister van Nationale-Nederlanden. (…)

Het bovengenoemde gedrag kan een bedreiging vormen voor financiële instellingen. Daarom hebben wij uw (persoons)gegevens opgenomen in het Extern Verwijzingsregister. Financiële instellingen in Nederland kunnen, volgens de regels van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen, toetsen of u in dit register voorkomt. (…)

Wij begrijpen dat de registratie gevolgen voor u kan hebben als u bijvoorbeeld een andere verzekering of financieel product aanvraagt of solliciteert bij een financiële instelling. Daarom hebben wij een zorgvuldige afweging gemaakt tussen uw belangen en de belangen van de financiële instellingen.”

2.9.
Het in de opzeggingsbrief genoemde en ten tijde van de registraties van toepassing zijnde Protocol Incidenten Waarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2013 (hierna: het Protocol) bepaalt, voor zover relevant:

“2 Begripsbepalingen

In dit Protocol wordt verstaan onder:
(…)
Incident een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad
dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of van de medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phising en opzettelijke misleiding.
(…)

3.1
Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister 
3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) incident. (…).

3.1.2
Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de Deelnemers, alsmede de Organisatie van de Deelnemers via een verwijzingsapplicatie en bevat uitsluitend Verwijzingsgegevens die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 Protocol door de Deelnemers mogen worden opgenomen. 
(…)

4 Incidentenregister
4.1
Doel Incidentenregister 
4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
● op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
● op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
● op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

(…)

5 Extern Verwijzingsregister
(…)
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1. De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.’

3 Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de registratie van [eiseres] in het IR van Nationale-Nederlanden onrechtmatig is;

II. Nationale-Nederlanden veroordeelt om de registratie in het IR binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Nationale-Nederlanden in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,-, dan wel een ander bedrag dat uw rechtbank redelijk acht;

III. voor recht verklaart dat de registratie van [eiseres] in het EVR door Nationale-Nederlanden onrechtmatig is;

IV. Nationale-Nederlanden veroordeelt om de registratie in het EVR binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Nationale-Nederlanden in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,-, dan wel een ander bedrag dat uw rechtbank redelijk acht;

V. Nationale-Nederlanden veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder het door [eiseres] betaalde griffierecht en de nakosten.

3.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen (kort samengevat) ten grondslag dat de aan haar - voor zover al terecht - tegengeworpen gedragingen de door Nationale-Nederlanden gedane registraties niet rechtvaardigen. Er is niet voldaan aan de door het Protocol gestelde en door de jurisprudentie ingevulde voorwaarden zodat niet mocht worden overgaan tot registratie van persoonsgegevens in het EVR. Desbetreffende voorwaarden gelden - aldus nog steeds [eiseres] - ook voor de registratie in het IR dat ook externe werking kan hebben.

3.3.
Nationale-Nederlanden voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van schending van de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:928 BW en dat [eiseres] (en [A] ) daarmee de opzet had(den) om Nationale-Nederlanden te misleiden om een verzekering af te sluiten die zij bij de ware stand van zaken niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1.
Kern van het geschil betreft de vraag of de registratie van de persoonsgegevens van [eiseres] (en niet tevens [A] ) in het EVR en in het - blijkens artikel 3.1.2. Protocol daaraan gekoppelde en qua externe werking minder vergaande - IR (on)rechtmatig is. Om te komen tot een beantwoording van die vraag dient te worden beoordeeld of er gegronde redenen bestaan om [eiseres] te registreren, zoals Nationale-Nederlanden heeft gedaan. De rechtbank stelt in het kader van die beoordeling het volgende voorop.

4.2.
De Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars hebben nadere regels opgesteld ter uitwerking van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wpb). Deze regels zijn vastgelegd in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële instellingen (hierna: de Gedragscode). De Gedragscode is door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) getoetst en van een goedkeurende verklaring voorzien. In artikel 5.5.2 van de Gedragscode is bepaald dat vastlegging van persoonsgegevens in het EVR mogelijk is indien wordt voldaan aan de vereisten van het Protocol (zie 2.9.). De vereisten die worden gesteld zijn hoog gelet op de verstrekkende gevolgen die opname in het EVR kan hebben voor de geregistreerde. Zo kan niet alleen de deelnemer die tot registratie is overgegaan, maar kunnen ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de geregistreerde weigeren.

4.3.
Artikel 5.2.1 aanhef Protocol bepaalt dat de persoonsgegeven van iemand mogen worden opgenomen in het EVR indien aan de criteria vermeld onder a) en b) wordt voldaan. Ingevolge deze criteria moet in voldoende mate vaststaan dat de gedraging van de desbetreffende persoon een bedreiging vormt voor de (financiële) belangen van een financiële instelling, alsmede voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Dit houdt in dat de gestelde feiten die de registratie dragen een gegronde verdenking moeten vormen van fraude (“opzet te misleiden”). (Hof Amsterdam 30 november 2010, ECLI:GHAMS:2010:BO7581, R.O. 3.5, alsmede Geschillencommissie Kifid 26 oktober 2017, 2017-717 onder 4.3.)

4.4.
Ingevolge artikel 5.2.1 onder c) Protocol dient de verzekeraar bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR voorts het proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen en bij de beoordeling van de vraag of hij gegevens in het EVR registreert, en zo ja, voor welke duur, de belangen van de betrokkene mee te wegen. De betrokkene die verwijdering wenst, zal moeten onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belang en waarom zijn belang prevaleert boven dat van de verzekeraar.

4.5.
De rechtbank is met Nationale-Nederlanden van oordeel dat zij, gelet op de haar ter beschikking staande gegevens, op goede gronden heeft kunnen komen tot het besluit om de persoonsgegevens van [eiseres] in het EVR en het daaraan gekoppelde IR op te nemen. Redengevend daarvoor is het volgende.

4.6.
Vaststaat dat [eiseres] geen melding heeft gemaakt van het feit dat zij in 2013 met de politie en/of justitie in aanraking is geweest, terwijl zij zeer kort (twee maanden) voor de verzekeringsaanvraag een dagvaarding heeft ontvangen om ter zake een mishandeling voor de politierechter te verschijnen. Voorts heeft [eiseres] geen melding gemaakt van het feit dat er in 2010 een soortgelijke verzekering is opgezegd door verzekeraar OHRA in verband met het vermoeden van een frauduleuze claim. De ter zake door Nationale-Nederlanden op het aanvraagformulier gestelde vragen (zie 2.2.) zijn derhalve ten onrechte met “nee” beantwoord. Daar komt bij het door de rechtbank - met Nationale-Nederlanden - geconstateerde uitgekiende gedrag aan de zijde van [eiseres] . Hiertoe wordt verwezen naar de wisselende verklaringen die [eiseres] blijkens de door Nationale-Nederlanden overgelegde telefoonnotities (zie 2.7.) voor de foutieve beantwoording heeft gegeven. Voorts is in dit kader relevant dat het aanvraagformulier zowel door [eiseres] als door [A] is ondertekend maar dat de verzekeringsovereenkomst - naar ook ter zitting is gebleken - bewust is aangevraagd op uitsluitend de naam van [eiseres] . Laatstgenoemde stelt zich vervolgens bij dagvaarding op het standpunt dat niet duidelijk zou zijn geweest tot wie de vragen op het aanvraagformulier zich richtten alsook dat [A] de vraag over het strafrechtelijk verleden zou hebben beantwoord en [eiseres] de vraag over het verzekerings- en schadeverleden.

4.7.
Voornoemde omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gegronde verdenking op dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding van Nationale-Nederlanden teneinde haar te bewegen tot het sluiten van een verzekeringsovereenkomst.

4.8.
[eiseres] betwist echter dat aan haar zijde sprake is van opzettelijke misleiding. Zij wijst in dit verband allereerst op de onduidelijkheid/ondeugdelijkheid van het aanvraagformulier. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

onduidelijkheid en ondeugdelijkheid van het aanvraagformulier 
4.9. [eiseres] stelt dat uit het aanvraagformulier niet duidelijk wordt tot wie van de twee aanvragers - [eiseres] of [A] - de vragen worden gericht, terwijl er slechts ruimte was voor één persoon om te antwoorden. Als gevolg hiervan is thans onduidelijk welke vragen door [eiseres] en welke vragen door [A] zijn beantwoord. Deze onduidelijkheid komt voor rekening en risico van Nationale-Nederlanden op wiens weg het lag om beide aanvragers beantwoordingsruimte te bieden dan wel om na ontvangst van het aanvraagformulier nadere inlichtingen in te winnen om zichzelf alsnog de nodige duidelijkheid te verschaffen. Het voorgaande maakt, aldus nog steeds [eiseres] , dat de antwoorden op het aanvraagformulier haar niet kunnen worden tegengeworpen en dat Nationale-Nederlanden ter zake geen beroep op verzwijging toekomt.

4.10.
[eiseres] wordt in dit betoog niet gevolgd. Op het aanvraagformulier staat immers in heldere bewoordingen aangegeven dat de vragen zowel voor/door de verzekeringnemer als voor/door derden wiens belangen worden meeverzekerd, waaronder dus [A] , moeten worden beantwoord (zie de onder 2.2. geciteerde mededelingsplicht). De rechtbank is van oordeel dat het [eiseres] gelet hierop duidelijk had moeten zijn dat de vragen aan haar en aan [A] - als (mede)aanvrager dan wel als derde-belanghebbende - waren gericht. Het aanvraagformulier biedt wel degelijk plaats om voor/door twee personen antwoorden op de vragen te geven. Hierbij gaat de rechtbank er - met Nationale-Nederlanden - vanuit dat als één van de aanvrager(s) of de derde-belanghebbende een verzekeringsverleden, een schadeverleden en/of een strafrechtelijk verleden heeft het antwoord op de onder 2.2. weergegeven vragen ‘ja’ is. De rechtbank constateert dat alsdan voldoende ruimte is voor een toelichting waarbij kan worden aangegeven op wie - (één van) de aanvragers of de derde-belanghebbende - het betreffende antwoord ziet.

4.11.
Dat sprake zou zijn van enige onduidelijkheid is ook overigens niet geloofwaardig nu de vragen door/voor geen van beiden naar waarheid zijn beantwoord. Daarbij is het ‘toevallig’ dat de vraag over het strafrechtelijk verleden door [A] zou zijn beantwoord en de vragen omtrent het schade- en verzekeringsverleden door [eiseres] . Vervolgens is het aanvraagformulier wel door beiden ondertekend, hetgeen - zoals Nationale-Nederlanden terecht heeft opgemerkt - ingeval van de vermeende onduidelijkheid evenmin voor de hand ligt. In een dergelijke situatie ligt het veeleer voor de hand om navraag te doen bij Nationale-Nederlanden en/of bij de door [eiseres] (en [A] ) ingeschakelde tussenpersoon ten aanzien van wie het er gelet op zijn expertise voor gehouden mag worden dat hij de vragen en de door Nationale-Nederlanden verlangde wijze van beantwoorden daarvan zou hebben begrepen. Dat [eiseres] dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. 

het strafrechtelijk verleden
4.12. Voorts betwist [eiseres] dat zij de vraag over het strafrechtelijk verleden onjuist heeft beantwoord en aldus Nationale-Nederlanden opzettelijk zou hebben misleid. [eiseres] stelt daartoe dat desbetreffende vraag indertijd door [A] is beantwoord, omdat het aanvraagformulier geen ruimte bood voor het invullen van een antwoord van meerdere verzekeringnemers. Deze stellingname stuit eveneens af op hetgeen hiervoor onder 4.10. is overwogen. Daar komt bij dat [eiseres] zich met de (mede)ondertekening van het aanvraagformulier aan de antwoorden heeft geconformeerd, terwijl Nationale-Nederlanden er daarmee gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de antwoorden voor beide aanvragers juist waren.

4.13.
Het betoog dat [eiseres] in de veronderstelling zou verkeren dat de mishandeling later zou hebben plaatsgevonden passeert de rechtbank, gelet op de uiteenlopende verklaringen van [eiseres] op dit punt, als ongeloofwaardig.

4.14.
[eiseres] is voorts van mening dat de “verzwegen” strafrechtelijke informatie geen registratie rechtvaardigt, nu deze informatie niet tot een afwijzing van de verzekeringsaanvraag zou hebben geleid. Anders dan bijvoorbeeld een vermogensdelict, zou het in casu aan de orde zijnde betrekkelijk eenvoudig en wederzijds geweldsdelict in de familiaire sfeer [eiseres] als verzekeringnemer niet minder betrouwbaar maken en derhalve geen risico vormen voor de verzekeraar. Echter en zoals Nationale-Nederlanden terecht betoogt, is voor de gevorderde ongedaan making van de registraties niet relevant of Nationale-Nederlanden de verzekering al dan niet met [eiseres] zou hebben gesloten. Dit speelt slechts een rol bij een vordering tot uitkering van schadepenningen (7:930 BW). Een dergelijke vordering heeft [eiseres] in deze procedure niet ingesteld. Overigens is ter zitting door de heer [X] , coördinator fraudebeheersing bij Nationale-Nederlanden, gemotiveerd verklaard dat het niet medegedeelde strafrechtelijk verleden wel degelijk relevant zou zijn geweest bij de beoordeling van de verzekeringsaanvraag. Naar zijn zeggen heeft Nationale-Nederlanden het beleid dat bij elke aanraking met justitie in de laatste acht jaar in verband met een misdrijf (ongeacht of dit een vermogensdelict of een geweldsdelict is en zonder veroordeling) nimmer tot acceptatie wordt overgegaan.

4.15.
Ten slotte voert [eiseres] in dit verband aan dat zij haar strafrechtelijk verleden aan de tussenpersoon heeft gemeld. Voor zover dit is gebeurd en de tussenpersoon klaarblijkelijk daarna niet heeft geadviseerd om de vraag met betrekking tot het strafrechtelijk verleden met “ja” te beantwoorden - onderbouwende stukken waaruit dit zou kunnen volgen, ontbreken -, komt dat ingevolge vaste jurisprudentie (Hof Arnhem, 19 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD1306) voor risico en rekening van [eiseres] . 

het verzekerings- en schadeverleden
4.16.
Wat betreft het door Nationale-Nederlanden aan [eiseres] gemaakte verwijt ter zake het verzekerings- en schadeverleden stelt [eiseres] zich op het standpunt dat zij de daarop betrekking hebbende vragen terecht met “nee” heeft beantwoord. Anders dan [A] , is haar nooit een verzekering afgewezen of opgezegd. Evenmin heeft zij de afgelopen vijf jaar een claim bij een verzekeraar ingediend op één van de aangevraagde onderdelen. Ook dit betoog stuit af op de reeds eerder genoemde expliciete vermelding op het aanvraagformulier dat de mededelingsplicht van de aanvrager tevens ziet op feiten en omstandigheden die betrekking hebben op een derde, wiens belangen worden meeverzekerd, zoals in dit geval [A] . Nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] onwetend was over het verzekerings- en schadeverleden van [A] , kan haar worden verweten dat de onder 2.2. vermelde eerste en derde vraag ten opzichte van [A] met “ja” beantwoord hadden moet worden. Dat daarbij sprake zou zijn van een te ruime interpretatie van deze vragen omdat daarin in tegenstelling tot onder de tweede vraag niet aan derden wordt gerefereerd, is onjuist. De verschillende wijze waarop de ter discussie staande vragen zijn geformuleerd doet aan het voorgaande niet af en kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden. 

4.17. Bijkomende feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat er aan de zijde van [eiseres] geen sprake is (van een redelijk vermoeden) van opzettelijke misleiding, zijn door [eiseres] niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Daarbij passeert de rechtbank de stelling dat de voorliggende vragen bij de verzekeringsaanvraag niet zouden zijn gesteld (zie 2.6.), gelet op de uiteenlopende verklaringen ter zake en nu [eiseres] kennelijk goed op de hoogte was van het bestaan van de vragen, als ongeloofwaardig. Bij deze stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat in casu aan de criteria a) en b) van artikel 5.2.1 Protocol is voldaan.

4.18.
Het betoog van [eiseres] dat de registraties desondanks onrechtmatig zijn omdat Nationale-Nederlanden daartoe is overgegaan zonder hoor en wederhoor toe te passen, houdt evenmin stand. Anders dan [eiseres] aanvoert, stelt het Protocol dit vereiste niet. Wel heeft de voorzieningenrechter in de door [eiseres] in dit verband aangehaalde uitspraak (ECLI:NL:RBLIM:2013:4232) geoordeeld dat voorafgaand aan een registratie in het EVR en/of IR zorgvuldig onderzoek moet worden verricht. Daartoe behoort onder meer dat de verzekeraar ingeval van verdenking van verzekeringsfraude de verzekerde confronteert met de verdenking, hoort en in staat stelt om de verdenking te weerleggen en om zijn of haar lezing van de feiten te geven, alvorens (eventueel) tot registratie over te gaan. Uit voornoemde jurisprudentie volgt niet dat [eiseres] , zoals door haar betoogd, in de gelegenheid moest worden gesteld om te reageren op het besluit van Nationale-Nederlanden tot registratie. Nationale-Nederlanden heeft gemotiveerd betwist dat zij tot het registreren van de persoonsgegevens van [eiseres] is overgegaan zonder hoor en wederhoor toe te passen. Zij verwijst hiertoe naar de telefoonnotities van 8 en 9 februari 2017 (zie 2.7.). Volgens deze notities zou Nationale-Nederlanden voornoemde handelswijze ten aanzien van [eiseres] wel degelijk hebben gevolgd. Voorts heeft Nationale-Nederlanden in dit kader betoogd dat [eiseres] (en [A] ) zowel tijdens als na het gesprek met de expert op 19 januari 2017 is verzocht om te verklaren over het schadeverleden en om informatie te verstrekken over de opzegging door OHRA en over haar strafrechtelijke verleden. Blijkens het rapport van de expert heeft [eiseres] op dit verzoek gereageerd bij e-mail van 27 januari 2017. Tevens heeft Nationale-Nederlanden nadien de opzeggingsbrief van OHRA en de uitspraak van de politierechter ontvangen. Afgezet hiertegen heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de registraties niet na zorgvuldig onderzoek zijn verricht.

4.19.
Ten slotte staat ter discussie of is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat wil zeggen dat de inbeuk op de belangen van [eiseres] niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor [eiseres] minder nadelige, wijze kan worden verwezenlijkt. De rechtbank is van oordeel dat Nationale-Nederlanden bij de in dit kader te maken en blijkens de opzeggingsbrief ook daadwerkelijk gemaakte belangenafweging in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang om fraude binnen en/of benadeling van de financiële sector te voorkomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.20.
In onderhavig geval van een gegrond vermoeden van fraude moet registratie van de persoonsgegevens in beginsel als proportioneel worden beschouwd. Daarbij komt dat hier niet uitsluitend het belang van Nationale-Nederlanden in het geding is, maar ook het maatschappelijk belang gemoeid met de bestrijding van verzekeringsfraude. Dat maatschappelijk belang, ten aanzien waarvan gesteld noch gebleken is dat dit ook op een voor [eiseres] minder belastende wijze kan worden gediend, rechtvaardigt in beginsel dat de registratie niet beperkt blijft tot het IR van Nationale-Nederlanden. Daartegenover staat het belang van [eiseres] . Allereerst geldt dat een groot deel van haar onderbouwing is gebaseerd op het vermeende summiere karakter van de verwijten die Nationale-Nederlanden aan het adres van [eiseres] maakt en de aard van haar strafrechtelijk verleden. Dit deel van haar onderbouwing is, gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld, komen te vervallen. De tevens in dit kader door [eiseres] geponeerde stelling dat zij op eigen initiatief heeft verklaard verdacht te zijn geweest van een strafbaar feit passeert de rechtbank als onjuist. Vaststaat dat [eiseres] hier pas melding van heeft gemaakt in haar gesprek met de expert (al dan niet na een daartoe strekkende vraag), terwijl [eiseres] dit - zoals hiervoor reeds overwogen - uit eigener beweging op het aanvraagformulier had moeten melden. Wat resteert is dat de registratie de mogelijkheden van [eiseres] om zichzelf en haar minderjarige kinderen te verzekeren in negatieve zin beïnvloedt. Ter zitting is aan de zijde van [eiseres] gesteld dat zij zich ondanks de registratie nog wel kan verzekeren, zij het tegen een hogere dan een marktconforme premie. Zoals Nationale-Nederlanden terecht betoogt, heeft [eiseres] zich aan dit risico bewust blootgesteld door opzettelijk meerdere antwoorden op het aanvraagformulier onjuist te beantwoorden en de verzekeringsovereenkomst op haar naam te zetten. Bij deze stand van zaken mocht Nationale-Nederlanden de belangenafweging in het voordeel van de financiële sector laten uitvallen. De rechtbank oordeelt de registratie voor de duur van acht jaren in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd en niet buitenproportioneel. Omstandigheden die tot verkorting van de duur van de registratie zouden moeten leiden, zijn niet gesteld of gebleken.

4.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat is voldaan aan het Protocol en daarmee ook aan de Wbp (zie 4.2.), zodat de registratie in het EVR alsook in het daaraan gekoppelde maar minder verstrekkende IR rechtmatig zijn. De gevorderde verklaringen voor recht en ongedaanmakingen van de registraties zullen worden afgewezen. ECLI:NL:RBDHA:2018:9458

Deze website maakt gebruik van cookies