Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Midden-Nederland 140813 bevoorschotten bgk is nodig om hulp in te roepen; afwijzing vanwege ontbreken deugdelijke specificatie

Rb Midden-Nederland 140813 brommer rijdt 40 waar 30 mag, auto aan verkeerde kant weg; auto voor 90% aansprakelijk
- bevoorschotten bgk is nodig om hulp in te roepen; afwijzing vanwege ontbreken deugdelijke specificatie; uurtarief € 265 redelijk;

2 De feiten

2.1. 
[verzoeker] is op 6 april 1997 met zijn bromfiets tegen een auto aangereden. De bestuurder van de auto (hierna: de bestuurder) reed vanuit stilstand vanaf een links langs de weg gelegen parkeervak naar de andere - voor hem - rechterweghelft. [verzoeker] reed op zijn bromfiets de auto tegemoet. Hij moest uitwijken voor een hem tegemoetkomende fietser, die tegen de rijrichting inreed, en reed tegen de zijkant van de auto op.

2.2. 
Van de aanrijding is proces-verbaal (mutatienummer PL0950/97-550356) opgemaakt door de politie regio Utrecht, district Heuvelrug. Voor zover voor dit geschil van belang is in dit proces-verbaal het volgende opgenomen:

1. proces-verbaal verhoor [verzoeker]:

“(…)

Ik weet niet meer precies hoe hard ik reed. Ik dacht ongeveer 40 kilometer per uur. Ik zag dat op de Frans Halslaan een fietser in mijn richting aan kwam rijden die langs het trottoir reed aan de verkeerde zijde van de weg. Ik zag dat deze fietser nogal slingerde. Ik zag verder geen verkeer op de Frans Halslaan. Ik reed de fietser voorbij en toen ik de fietser voorbij was, zag ik vlak voor mij, op een geschatte afstand van een meter of vijf, een auto op de weg voor mij. Ik remde meteen, maar kon deze auto niet meer ontwijken en ik reed tegen de zijkant van deze auto aan. Deze auto reed vanaf mijn weghelft naar de andere weghelft.

(…)”

2. proces-verbaal verhoor getuig [A]

“(…) De bromfiets reed volgens mij niet hard, maar ik kan niet schatten hoe hard hij wel reed. De bromfietser passeerde ons en wilde kennelijk gewoon rechtdoor rijden volgens mij.

Ik zag dat voor de snackbar een grijze auto wegreed vanuit het parkeervak en in onze richting wegreed. De bromfietser reed op dat moment ongeveer in het midden van de weg. De genoemde auto reed de weg op, en ik zag dat de jongen op de bromfiets begon te remmen. Ik zag dat de jongen op de bromfiets niet meer tijdig kon stoppen en tegen de zijkant van de auto opreed. Op het moment van de aanrijding was de achterzijde van de auto nog op het weggedeelte van de bromfietser. De auto stond schuin op de weg. De bromfietser kon volgens mij niet bij de auto achterlangs, omdat deze auto de weg blokkeerde.

(…)”

3. proces-verbaal van de bestuurder

“(…)

Ik wilde de kant van het spoor oprijden. Ik reed dus net de weg op.

Ik zag dat op dezelfde weg in tegengestelde richting een bromfiets mij naderde met flinke snelheid. Ik zag dat de bromfietser een fietser moest ontwijken die aan de verkeerde kant van de weg fietste, dus van mij uit gezien links, terwijl hij wel in dezelfde richting als ik reed. Ik zag dat de bromfietser door deze manoeuvre tegen de zijkant van mijn auto reed. Ik voelde de klap tegen de auto. Ik reed zelf zoveel mogelijk rechts.

(…).”

2.3.
De bestuurder heeft een aanrijdingsformulier ingevuld en op de voorzijde onder punt 13 een situatieschets van het ongeval gemaakt. De bestuurder en [verzoeker] hebben op de voorzijde onder punt 15 hun handtekening gezet. Op de door de bestuurder ondertekende achterzijde van het formulier is vermeld dat de “tegenpartij” ± 50 km per uur reed. De vraag wie er naar zijn mening aansprakelijk is voor de aanrijding heeft de bestuurder als volgt beantwoord:

“tegenpartij haalde fietser in en kwam op linker weghelft. Hij had mij te laat gezien, ik remde al af”

2.4.

Nh1816 is de WAM-verzekeraar van de auto. Nh1816 heeft de aansprakelijkheid erkend voor 85%.

2.5.

Partijen hebben gezamenlijk een orthopedische expertise laten uitbrengen door dr. R.M. Kuipers, werkzaam bij het Slingelandziekenhuis te Doetinchem, die op 1 april 2003 een rapport heeft uitgebracht.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. [verzoeker] verzoekt dat de rechtbank

1. beslist dat Nh1816 100% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat plaatsvond op 6 april 1997;
2. beslist dat Nh1816 de kosten van rechtsbijstand, gemaakt tot het moment van indienen van dit verzoekschrift, ten bedrage van € 10.321,17 betaalt binnen veertien dagen na het geven van de beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente over het sinds 9 november 2010 openstaande bedrag van € 2.691,20 tot aan de dag der voldoening;
3. de kosten van het deelgeschil begroot als door [verzoeker] in dit verzoekschrift aangegeven en Nh1816 veroordeelt in betaling daarvan.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de bestuurder gevaarzettend jegens hem heeft gehandeld. Onder verwijzing naar de getuigenverklaringen stelt [verzoeker] dat de bestuurder vanuit stilstand uit het parkeervak voor de snackbar met zijn auto de weg schuin overstak en voor [verzoeker], de weg blokkeerde. [verzoeker] betwist dat hij zelf heeft bijgedragen aan het ongeval door te hard te rijden of door uit te wijken voor een hem tegemoetkomende fietser.

3.3.

Nh1816 erkent 85% aansprakelijkheid voor het ongeval. Zij stelt dat [verzoeker] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade omdat ook hij door uit te wijken voor een hem tegemoetkomende fietser een bijzondere manoeuvre uitvoerde of afrondde en omdat hij met een te hoge snelheid reed. Nh1816 verwijst in dit verband naar het schadeformulier op de voorzijde waarvan is vermeld dat de auto zich al aan de rechterzijde van de weg bevond en op de achterzijde dat [verzoeker] ca 50 km per uur reed. Nh1816 betoogt dat geen sprake is van een deelgeschil, omdat het vaststellen van de aansprakelijkheid nader onderzoek vergt, waar het deelgeschil zich niet voor leent. Bovendien betreft het geschil tussen partijen volgens Nh1816 niet zo zeer de schulddeling, maar gaat het veeleer om de door [verzoeker] geleden schade. Nh1816 stelt dat [verzoeker] ten onrechte de deelgeschilprocedure aanwendt ter vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en dat een rechterlijke beslissing op dit punt een oplossing niet dichterbij zal brengen. Wat betreft de gevorderde kosten van rechtsbijstand wijst Nh1816 er op dat [verzoeker] een reeks opeenvolgende belangenbehartigers heeft gehad. Volgens Nh1816 rechtvaardigen (de aard van) de verrichte werkzaamheden, noch door de hoogte van het schadebedrag de hoogte van de in rekening gebrachte kosten van rechtsbijstand.

De beoordeling

De aansprakelijkheid 4.1.

De rechtbank overweegt dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Bij de inhoudelijke behandeling zal moeten worden beoordeeld of voor het nemen van een beslissing nader onderzoek noodzakelijk is en indien dit het geval is of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank leent de hier aan de orde zijnde aansprakelijkheidsvraag zich voor behandeling in de deelgeschilprocedure, nu dit op basis van de thans beschikbare stukken kan worden beslist en nadere bewijslevering door middel van getuigen niet noodzakelijk is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Wat betreft de snelheid van [verzoeker] overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] heeft tegenover de politie over zijn snelheid verklaard dat hij niet meer precies weet hoe hard hij reed, maar dat hij veronderstelt dat het ongeveer 40 km per uur was. De bestuurder heeft tegenover de politie verklaard dat [verzoeker] met “een flinke snelheid” kwam aanrijden. Deze verklaring wordt weersproken door de verklaring van [A] dat “de bromfietser niet erg hard reed”. Gelet op de getuigenverklaringen hecht de rechtbank minder belang aan de verklaring van de bestuurder op de achterzijde van het aanrijdingsformulier dat [verzoeker] ongeveer 50 km per uur reed en komt tot de conclusie dat [verzoeker] ongeveer 40 km per uur heeft gereden.

4.4.

Nu ten tijde van de aanrijding de maximumsnelheid van een bromfiets binnen de bebouwde kom 30 km per uur bedroeg, moet worden geconstateerd [verzoeker] deze maximumsnelheid met 10 km per uur overtrad.

4.5.

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) verbiedt een ieder zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) bepaalt dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren zoals - onder meer - uit een uitrit de weg oprijden, het overige verkeer voor moeten laten gaan.

4.6.

Op de situatieschets behorend bij het proces-verbaal van de politie is de auto schuin op de weg getekend. Ook getuige [A] heeft verklaard dat de auto schuin op de weg stond. De schuine stand van de auto duidt erop dat op het moment van het ongeval de manoeuvre van de auto nog niet was beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden worden gelaten of de auto de weg voor [verzoeker] blokkeerde, of dat hij ruimte had om, nadat hij voor de fietser was uitgeweken, achter de auto zijn weg te vervolgen. Daartoe is het volgende overwogen.

4.7.

De verbodsbepaling van artikel 5 WVW 1994 en de op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) in acht te nemen zorgvuldigheid, in samenhang met artikel 54 RVV 1990 vereisen dat een bestuurder van een motorvoertuig, alvorens hij vanuit een parkeervak de weg oprijdt, zich er van vergewist dat de weg vrij is en hij de manoeuvre kan uitvoeren zonder de overige verkeersdeelnemers in gevaar te brengen of te hinderen. Voor extra oplettendheid was in dit geval te meer reden omdat de bestuurder tegen de rijrichting schuin de weg moest oversteken. De bestuurder heeft verklaard dat hij “net de weg opreed” en toen [verzoeker] zag die moest uitwijken voor de fietser. Gesteld noch gebleken is dat hij deze twee verkeersdeelnemers niet had kunnen opmerken op het moment dat hij nog in het parkeervak stilstond. [verzoeker] overtrad weliswaar de voor hem geldende maximumsnelheid maar hij reed niet zo hard dat het aannemelijk is dat hij plotseling uit het niets voor de bestuurder opdoemde. Voorts is algemeen aanvaard dat een automobilist rekening moet houden met eventuele fouten of manoeuvres van andere verkeersdeelnemers. Dit geldt zowel voor de snelheid waarmee [verzoeker] kwam aanrijden als de omstandigheid dat hij is uitgeweken voor de fietser die tegen het verkeer in reed. In de gegeven omstandigheden had de bestuurder dienen wachten tot de verkeerssituatie zodanig was dat hij voldoende tijd had de manoeuvre geheel uit te voeren. Door ondanks de aanwezigheid van twee verkeersdeelnemers op relatief korte afstand, de weg op te rijden, heeft de bestuurder gevaarzettend gehandeld. Het ontstaan van het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden geheel aan de bestuurder toe te rekenen. Nh1816 is daarom aansprakelijk voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

4.8.

Aannemelijk is echter dat de snelheid van [verzoeker] van 40 km per uur, in plaats van de toegestane snelheid van 30 km per uur, de botsing tegen de auto en de kracht van de val hebben verhevigd, als gevolg waarvan de ernst van het letsel is vergroot. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 6:106 lid 1 BW te bepalen dat [verzoeker], door de maximum snelheid te overschrijden, voor 10% heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade als gevolg van het ongeval. De vergoedingsplicht van Nh1816 zal daarom dienen te worden verminderd tot 90% van de door [verzoeker] geleden schade.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek om te bepalen dat Nh1816 100% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval moet worden afgewezen.

De kosten van rechtsbijstand

4.10.

De rechtbank overweegt dat het duidelijk is dat er nog de nodige stappen gezet moeten worden in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject en dat er meer voor nodig is om de impasse tussen partijen te doorbreken dan een rechterlijke beslissing betreffende de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Het is echter begrijpelijk dat [verzoeker] wil voorkomen dat hij aan het eind van het onderhandelingstraject er mee wordt geconfronteerd dat de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten niet (volledig) worden vergoed. De rechtbank acht het daarom redelijk dat [verzoeker] dit punt in het deelgeschil aan de orde stelt en zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

4.11.

Het betoog van Nh1816 dat reeds een bedrag van € 5.000,00 aan buitengerechtelijke kosten is vergoed en dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de door hem gestelde omvang schade heeft geleden, is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat om die reden geen buitengerechtelijke kosten (meer) dienen te worden vergoed. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten, die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van het schadebedrag te bepalen, worden vergoed door de verzekeraar van de aansprakelijke partij. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW: vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen. Het niet bevoorschotten van de buitengerechtelijke kosten, enkel omdat deze niet in verhouding staan tot de door de aansprakelijke partij veronderstelde geringe omvang van de schade, zoals Nh1816 voorstaat, zou er toe leiden dat de benadeelde ernstig wordt beperkt in zijn mogelijkheid de omvang van de schade met behulp van een professionele rechtsbijstandverlener te laten vaststellen en vervolgens een reële minnelijke regeling met de aansprakelijke partij te treffen.

4.12.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot betaling van een bedrag van € 10.321,17 als buitengerechtelijke kosten een factuur overgelegd van 9 november 2010, over de periode 26 maart 2010 tot en met 3 november 2010 en een factuur van 15 april 2013, over de periode 15 november 2010 tot en met 28 maart 2013. De facturen vermelden de namen van de bij het advocatenkantoor werkzame behandelend advocaten/belangenbehartigers, het door hen gehanteerde uurtarief en het aantal bestede uren, maar - zoals Nh1816 ook heeft opgemerkt - een specificatie van de verrichte werkzaamheden ontbreekt. De rechtbank acht het aannemelijk dat er door het advocatenkantoor buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, maar door het ontbreken van een specificatie zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen toetsen of en in welke mate de gefactureerde tijdsbesteding redelijkerwijs noodzakelijk was. Ter zitting heeft de advocaat van [verzoeker] globaal aangeduid welke werkzaamheden door het advocatenkantoor zijn verricht, maar zij kon desgevraagd niet aangeven welke verrichtingen de op de facturen vermelde tijdsbesteding concreet betreft. Voor een duidelijke omschrijving van de verrichte werkzaamheden was in dit geval te meer reden nu - zoals Nh1816 onweersproken naar voren heeft gebracht - voordat [verzoeker] het advocatenkantoor in 2010 benaderde, een zevental andere belangenbehartigers voor hem had opgetreden en dat bovendien binnen het advocatenkantoor de zaak viermaal aan een andere advocaat is overgedragen. Onder deze omstandigheden is het alleszins redelijk dat Nh1816 niet eerder overgaat tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten dan nadat [verzoeker] haar door middel van een deugdelijke specificatie duidelijk maakt welke werkzaamheden het advocatenkantoor heeft verricht en de reden daarvan, zodat Nh1816 kan beoordelen of het gaat om werkzaamheden die redelijkerwijs zijn verricht. In het kader van de op dit punt door partijen te voeren onderhandelingen overweegt de rechtbank het gehanteerde tarief van € 265,00 exclusief 6% kantoorkosten voor een in letselzaken gespecialiseerde advocaat niet onredelijk te achten.

Kosten van het deelgeschil

4.13.

Voor het oordeel dat de gemaakte kosten van het deelgeschil niet voor begroting in aanmerking komen of op nihil begroot moeten worden, zoals Nh1816 voorstelt, is onvoldoende grond. Zoals in 4.2 en 4.10 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet volstrekt nodeloos ingesteld. Van misbruik van de deelgeschilprocedure is dan ook geen sprake.

4.14.

Wat betreft de kosten van het deelgeschil maakt [verzoeker] aanspraak op vergoeding van € 9.550,88 (inclusief BTW en kantoorkosten) aan advocaatkosten voor een tijdbesteding van in totaal 28,6 uur, tegen een uurtarief van € 265,00 exclusief BTW en exclusief kantoorkosten van 6%. Nh1816 heeft zowel het uurtarief als de tijdsbesteding gemotiveerd betwist.

4.15.

De rechtbank overweegt dat de in het deelgeschil voorgelegde vraag gaat om relatief eenvoudige en overzichtelijk feiten en een niet zeer gecompliceerde rechtsvraag. In aanmerking genomen dat de behandelend advocaat gespecialiseerd is in het betreffende rechtsgebied, ziet de rechtbank daarom aanleiding de tijdsbesteding te matigen. Voor matiging van het gehanteerde uurtarief ziet de rechtbank, zoals hier voor in 4.12 reeds is overwogen, onvoldoende reden. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil op € 274,00 voor griffierecht en € 4.213,50 exclusief BTW (15 uur tegen een uurtarief van € 265,00 inclusief 6% kantoorkosten) voor kosten van rechtsbijstand. ECLI:NL:RBMNE:2013:3727