Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 121021 geen letsel; aansprakelijkheid hogeschool voor studievertraging; toepassing richtlijn DLR

GHARL 121021 geen letsel; Aansprakelijkheid hogeschool voor studievertraging; toepassing richtlijn DLR

Het hoger beroep van [appellant] (de grieven IX tot en met XII)

3.9
Voordat het hof de grieven van [appellant] zal bespreken overweegt het nu alvast het volgende. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank (en de daaraan ten grondslag liggen de overwegingen) dat:
i) de HAN in beginsel is tekortgeschoten in de zorgplicht jegens haar studenten, zodat zij in beginsel voor de bij hen door het tekort aan stageplaatsen ontstane schade aansprakelijk is en
ii) dat dit slechts anders is als de HAN stelt en zo nodig bewijst dat zij haar potentiële studenten tijdig op de hoogte heeft gebracht van de risico’s op het niet vinden van genoeg stageplaatsen, maar ook van de mogelijke gevolgen daarvan voor het verloop en de studeerbaarheid van de studie.

Het hof neemt deze overwegingen en oordelen over en maakt deze tot de zijne.

3.10
De rechtbank heeft geoordeeld dat de HAN [appellant] voordat hij tot de studie werd toegelaten voldoende heeft geïnformeerd over het risico op studievertraging door gebrek aan stageplaatsen. Tegen dit laatste oordeel van de rechtbank richten zich de grieven IX tot en met XI.

Deze grieven treffen doel. Het hof baseert zijn oordeel op het volgende.

3.11
Uit de stukken blijkt dat er slechts één schriftelijk stuk is dat de HAN persoonlijk (per mail) aan alle aankomende studenten heeft gestuurd en waarin melding wordt gemaakt van een tekort aan stages. Dat is de brief van juni 2012, die hiervoor in r.o. 2.2 is geciteerd.

[appellant] heeft weliswaar als getuige verklaard dat hij bij zijn weten de brief van juni 2012 niet heeft ontvangen, maar nu de HAN onbetwist heeft gesteld dat zij deze brief aan alle aankomend studenten heeft gestuurd (via hetzelfde kanaal als alle andere berichten over de inschrijving) en dat in het introductiepakket in een andere brief nog naar de brief van juni 2012 wordt verwezen, moet worden aan genomen dat [appellant] kennis heeft gehad, dan wel kennis heeft kunnen nemen van de “junibrief”. Het hof zal de brief daarom wel betrekken bij zijn oordeel of de HAN [appellant] voldoende heeft geïnformeerd.

3.12
Het hof is van oordeel dat in de brief van juni 2012, hiervoor geciteerd in r.o. 2.2, niet duidelijk wordt gewaarschuwd voor het risico op studievertraging. Enerzijds wordt in de brief gezegd: “Een onzekere factor is momenteel het aantal beschikbare stageplaatsen. Dat is op dit moment nog onvoldoende ( ... )”, maar daar wordt direct aan toegevoegd : “maar daar werken wij samen met het werkveld hard aan en gelukkig komen er wekelijks stageplaatsen bij. Op zich is het gebrek aan stageplaatsen een normaal verschijnsel bij een beginnende opleiding omdat het werkveld, dat uitdrukkelijk om de opleiding heeft gevraagd, desondanks nog moet wennen aan professionals die op een andere manier worden opgeleid dan voorheen. Meestal lost dit zich binnen een paar jaar vanzelf op. Maar wij vinden het belangrijk om je dit nogmaals onder de aandacht te brengen.”

Er wordt dus wel op gewezen dat er op dit moment nog onvoldoende stageplaatsen zijn, maar door het gebruik van “nog” en de geruststellende opmerking dat er hard aan wordt gewerkt, dat het een normaal verschijnsel is bij een beginnende opleiding en dat dit zich meestal binnen een paar jaar vanzelf oplost, wordt een beginnend student, die pas in het derde jaar een echt lange stage moet lopen, niet direct gealarmeerd. En hij hoeft zeker niet te begrijpen dat hij de kans liep, zoals [appellant] overkwam, dat er pas op zijn vroegst in het najaar van 2017 een stageplek beschikbaar zou zijn.

Wat de inbedding van het beroep van medisch hulpverlener in de wet BIG betreft, wordt in de brief vermeld: “Daarnaast wordt er samen met het Ministerie ook nog druk gewerkt aan de wettelijke inbedding (BIG wet) die met name voor de ambulancedienst van wezenlijk belang is.” Ook deze opmerking geeft niet de indruk dat er op dat punt grote problemen te verwachten zijn.

3.13
Dat de HAN de situatie in juni 2021 - zowel wat het aantal stageplekken als wat de inbedding in de wet BIG betreft - wel zorgelijk vond, blijkt uit de brief die de HAN in diezelfde junimaand aan de zittende studenten stuurde, hiervoor geciteerd in r.o. 2.3 onder a. In deze brief staat vermeld hoe groot het stageaanbod is per september 2012. Daaruit blijkt dat er voor de aankomend eerstejaars, onder wie [appellant] , al een enorm tekort is aan stageplaatsen (te weten 13 plaatsen voor de 4 daagse oriëntatiestage, waar er 75 nodig zijn), terwijl er voor de langere stages in het tweede en derde jaar (van vijf respectievelijk twintig weken) ook grote tekorten zijn. In het tweede jaar zijn er 33 stageplaatsen, waar er 160 nodig zijn. Voor het derde jaar zijn er zes stageplaatsen, waar er 35 nodig zijn.

Ook wordt in de brief vermeld dat het aanpassen van de wet BIG een langdurig traject is, waarbij de vergelijking wordt getrokken met de Masteropleiding Physician Assistant, waarbij het tot ruim vijf jaar na de diplomering van de eerste studenten heeft geduurd voor dat dit geregeld was. Tot slot wordt gezegd dat het gebrek aan stageplaatsen gevolgen kan hebben voor de studieduur. Degene die het risico op verlenging niet wil lopen stelt de HAN in de gelegenheid om met ingang van studiejaar 2012 over te stappen naar de HBO-V. Daarbij merkt de HAN op: Wij realiseren ons dat je destijds bewust niet hebt gekozen voor de HBOV. We willen je dit in overweging geven omdat je via die route alsnog kunt gaan werken op de spoedeisende hulp of de ambulance. ( ... )

Ook merkt de HAN op: “We kunnen ons voorstellen dat je schrikt van dit bericht en vragen hebt. Mede om die reden willen we met ieder van jullie nog voor de vakantie het persoonlijke gesprek aangaan om te bespreken wat dit voor jou betekent.( ... )

3.14
Desgevraagd heeft de HAN ter zitting in hoger beroep niet kunnen verklaren en toelichten waarom de inhoud en toon van de brief aan de aankomend studenten zo verschilde van die aan de zittende studenten. Het hof is van oordeel dat de HAN de aankomende studenten met de brief van juni 2012 niet voldoende heeft geïnformeerd over de risico’s. Het reële risico van studievertraging door het tekort aan stageplekken en het lange BIG-traject worden daarin niet voldoende kenbaar gemaakt. Waar de HAN zich in de brief aan de zittende studenten kan voorstellen dat zij schrikken van de brief, lijken zij de aankomende studenten juist niet te hebben willen afschrikken.

3.15
Dat er door mevrouw [naam1] (destijds adjunct-directeur bij het Instituut Verpleegkundige Studies van de HAN) tijdens het “studiestartgesprek” met [appellant] wel duidelijk is gewezen op het risico van studievertraging, kan naar het oordeel van het hof niet uit de getuigenverklaringen van [appellant] en [naam1] worden afgeleid. Uit hun verklaringen komt een vergelijkbaar beeld naar voren als uit de brief van juni 2012 aan de aankomende studenten. Er is wel gewezen op problemen met de BIG-registratie en het vinden van stageplekken, maar er werd tegelijk de goede hoop uitgesproken dat het allemaal wel goed zou komen.

Volgens [appellant] is tijdens het gesprek gezegd dat de problemen met de stageplekken vooral speelde voor de studenten die toen aan het derde jaar zouden beginnen en dat de verwachting was dat die problemen zouden zijn opgelost als [appellant] zo ver zou zijn. De boodschap was volgens [appellant] dat hij zich daar geen zorgen over hoefde te maken. Er is volgens [appellant] niet gesproken over de mogelijkheid dat hij studievertraging zou oplopen.

[naam1] verklaart dat in de studiestartgesprekken ook het risico van studievertraging aan de orde is gekomen, maar ze verklaart niet dat dat risico in concreto ook aan [appellant] is meegedeeld. [naam1] verklaart dat niet is gezegd dat de problemen zouden zijn opgelost. Volgens haar is alleen gezegd dat ze hoopten dat de problemen zouden zijn opgelost en dat ze er alles aan zouden doen om het op te lossen.

Ook op grond van de getuigenverklaringen kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat de HAN [appellant] duidelijk genoeg heeft gewaarschuwd voor het reële risico op studievertraging.

3.16
De HAN stelt dat er op de open dag ook melding is gemaakt van een tekort aan stageplaatsen. In de PowerPoint-presentatie van die dag24 wordt het tekort aan stageplaatsen echter niet gemeld. En ook al zou het die dag wel zijn vermeld, dan staat als onbetwist vast dat [appellant] de open dag niet heeft bijgewoond. Dat kan hem niet worden aangerekend. Er is geen verplichting de open dag bij te wonen. De brief van juni 2012 gaat er ook vanuit dat de aankomende studenten “wellicht” de open dag hebben bijgewoond, niet dat zij dat zeker hebben gedaan. Ook blijkt uit niets dat de open dag verplicht gesteld was voor aankomende studenten.

3.17
De HAN stelt ten slotte dat er vanaf 28 juni 2012 op de site van de BMH-opleiding een bericht is geplaatst dat er problemen zijn met het vinden van genoeg stageplaatsen en dat dit mogelijk studievertraging met zich kan brengen en waarin een persoonlijk gesprek wordt aangeboden indien meer informatie wordt gewenst. [appellant] stelt echter dat hij die mededeling nooit heeft gezien, omdat men al vóór 15 mei 2012 ingeschreven diende te zijn voor de BMH-opleiding (omdat het een numerus fixus studie was) en studenten voor hun studiezaken nooit kennis hoeven te nemen van deze algemene webpagina en ook nooit op deze pagina uitkomen. Dit laatste is door getuige [naam1] tijdens het getuigenverhoor bevestigd. Om deze reden kan er niet van worden uitgegaan dat [appellant] de webpagina heeft gezien voordat hij aan zijn studie begon en heeft de HAN daarvan ook niet mogen uitgaan.

3.18
Het feit dat er slechts één van de meer dan 70 ingeschreven aankomend studenten de studie uiteindelijk niet is gaan volgen (waarbij de reden daarvoor overigens onbekend is), vormt ook een aanwijzing dat de HAN de studenten niet duidelijk heeft gewezen op het risico van studievertraging.

3.19
Op grond van het voorgaande is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de HAN niet heeft bewezen dat zij [appellant] tijdig en voldoende heeft geïnformeerd over het reële risico op studievertraging. De HAN is aansprakelijk voor de schade die [appellant] ten gevolge van het schenden van deze, uit de zorgplicht voortvloeiende, informatieverplichting heeft geleden.

3.20
Het hof acht aannemelijk dat als [appellant] tijdig zou zijn gewaarschuwd op de manier waarop de zittende studenten in juni 2012 zijn gewaarschuwd, hij zou zijn gewisseld van studie. Dat heeft hij immers ook gedaan toen hij in 201525 werd geconfronteerd met het ernstige tekort aan stageplaatsen. Het hof acht daarmee het causaal verband tussen het tekortschieten van de HAN in haar zorgplicht en de door [appellant] opgelopen studievertraging aanwezig. Daarbij geldt dat aan [appellant] de mogelijkheid is ontnomen om meteen al een andere keuze te maken. Aan de stelplicht voor wat betreft het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade kunnen in dit verband niet al te hoge eisen worden gesteld.

Het hof acht de HAN daarom aansprakelijk voor de schade die [appellant] door die studievertraging heeft gehad.

3.21
[appellant] vordert een voorschot op de schade die hij heeft gelden en nog zal lijden. Het komt het hof voor dat er inmiddels een eindtoestand is bereikt, zodat de totale schade kan worden begroot. [appellant] is in september 2012 begonnen met de BMH. Op de zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij in januari 2018 is afgestudeerd aan de HBO-V. Dat zou betekenen dat hij 1,5 jaar (en geen 2,5 jaar) vertraging heeft opgelopen.

Nu [appellant] tijdens die extra jaren studie – een half jaar in 2016 en het hele jaar 2017 – ook daadwerkelijk heeft gestudeerd, en hij in die periode niet de gelegenheid heeft gehad ook te werken, en er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de schade concreter te berekenen, acht het hof het voorshands redelijk om aansluiting te zoeken bij de Letselschaderichtlijn Studievertraging.

3.22
Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om bij akte op de in 3.21vermelde veronderstellingen en overwegingen in te gaan en zich uit te laten over de omvang van zijn schade. De HAN zal bij antwoordakte kunnen reageren.

Het hoger beroep van [appellante] (de grieven I tot en met VII)

3.23
In grief I beklaagt [appellante] zich over de door de rechtbank te beperkt weergegeven grondslag van haar vordering en in grief II voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de studenten, onder wie [appellante] , de schadevordering niet meer baseren op het ontbreken van arbeidsperspectief. Zij hebben die grondslag volgens [appellante] niet laten vallen. De studenten hebben volgens [appellante] in de dagvaarding juist aan de hand van vele documenten aangevoerd en onderbouwd dat het arbeidsmarktperspectief, meer in het bijzonder het beroepsperspectief, (volledig) ontbrak.

3.24
Het hof overweegt op dit punt als volgt. Dat [appellante] de voormelde grondslag heeft laten vallen of prijsgegeven is in de stukken niet, althans niet voldoende onderbouwd, terwijl het laten vallen van de grondslag ook onlogisch zou zijn, omdat het niet kunnen vinden van werk voor [appellante] na haar afstuderen juist de reden was om over te stappen naar de verkorte HBO-V-opleiding. [appellante] stelt26 dat wellicht tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank desgevraagd is aangegeven dat de studenten op dat moment (maart 2018) geen klachten meer hadden over het arbeidsperspectief. Hoe dan ook baseert [appellante] haar vordering in hoger beroep in ieder geval expliciet (ook) op deze grondslag (het ontbreken van arbeidsperspectief na het afstuderen). Het hof zal deze grondslag daarom bij zijn oordeel betrekken. De grieven I en II slagen daarmee, dan wel behoeven geen nadere bespreking.

3.25
De BMH-opleiding leidt op tot het beroep van medisch hulpverlener in de richting ambulancezorg, spoedeisende hulp of anesthesie. Voor het uitoefenen van deze beroepen is nodig/vereist dat men bevoegd is om zelfstandig voorbehouden handelingen te verrichten (als bedoeld in artikel 36 wet BIG), waarvoor men BIG-geregistreerd dient te zijn27. Dat was vóór de start van de opleiding al bekend, zoals op de zitting in hoger beroep door de HAN is erkend en zoals ook blijkt uit het “Arbeidsmarktonderzoek naar de behoefte aan een hbo-opleiding Medische Hulpverlening”28 van september 2007 en uit het onderzoeksrapport “Macrodoelmatigheid van de bachelor opleiding Medische Hulpverlening” van december 200929.

De noodzaak om bevoegdelijk zelfstandig voorbehouden handelingen te mogen verrichten geldt daarbij in sterke mate voor het beroep van medisch hulpverlener op de ambulance. Dat volgt uit diverse stukken die zowel door appellanten als de HAN in het geding zijn gebracht. Het hof verwijst in dit verband onder meer naar de brief van Ambulancezorg Nederland van 29 mei 201330 en de “Samenvatting bijeenkomst dinsdag 16 december 2014”.31

Om afgestudeerden in staat te stellen om zelfstandig voorbehouden handelingen te verrichten diende het beroep van medisch hulpverlener te worden “ingebed” in het BIG-systeem. Uiteindelijk is dat, zoals eerder al is vermeld, per 1 mei 2017 gebeurd op grond van artikel 36a wet BIG, het zogenaamde “experimenteerartikel”.

3.26
Niet alleen was in 2010 het gebrek aan stageplaatsen voorzienbaar, ook was bij de start van de opleiding in 2010 al duidelijk dat de inbedding in de wet BIG wel eens tot 2019 zou kunnen duren. Ter zitting in hoger beroep heeft de HAN desgevraagd geantwoord dat zij in 2010 al wist dat een inbedding in de wet BIG pas aangevraagd en geregeld zou kunnen worden nadat de eerste lichting BMH-ers zou zijn afgestudeerd en dat zo’n traject, zoals ook bij de Master Physician Assistants het geval is geweest, dan best wel eens vijf jaar zou kunnen duren. De HAN wist dus dat de studenten van het cohort 2010 zouden afstuderen zonder dat zij bevoegd zouden zijn tot het zelfstandig verrichten van voorbehouden handelingen.

3.27
Het hof is van oordeel dat de HAN de (aankomend) studenten ook daarvoor had dienen te waarschuwen, nu het zelfstandig mogen uitvoeren van voorbehouden handelingen een essentieel onderdeel vormde van het beroep/de beroepen waarvoor de studenten werden opgeleid. Uit niets blijkt echter dat de HAN de aankomend studenten in 2010 heeft gewaarschuwd dat het beroep waarvoor zij zouden worden opgeleid na hun afstuderen voorlopig nog niet zou zijn ingebed in de wet BIG. Desgevraagd heeft de HAN ter zitting in hoger beroep verklaard dat een dergelijke waarschuwing destijds niet is gegeven. Daarmee heeft de HAN naar het oordeel van het hof de studenten de indruk gegeven en hebben de studenten redelijkerwijs mogen verwachten dat zij na hun afstuderen bevoegd zouden zijn om het vak uit te oefenen waarvoor zij waren opgeleid. De studenten waren daartoe echter niet bevoegd. De HAN is daarmee tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om een student in staat te stellen zonder noemenswaardige vertraging de studie af te ronden én in beginsel in aanmerking te laten komen voor de functies waarvoor de studie opleidt32. Daarnaast kan [appellante] zich jegens de HAN ook op dwaling beroepen. Grief IV slaagt op deze gronden.

3.28
Dat het ook zonder inbedding in de wet BIG mogelijk was om in een van de HBO-functies te werken waarvoor de BMH-opleiding opleidt, heeft de HAN tegenover de gemotiveerde betwisting door appellanten onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. In de stukken is dit op geen enkele manier geconcretiseerd en toegelicht. Ter zitting in hoger beroep heeft de HAN desgevraagd verklaard dat zij van twee studenten weet dat zij - voordat sprake was van de inbedding in de wet BIG - in een HBO-functie zijn gaan werken. Nog afgezien van het feit dat het hier om slechts twee studenten gaat, hebben appellanten onbetwist gesteld het hierbij om twee MBO-gediplomeerde verpleegkundigen ging, die al een BIG-registratie hadden.

3.29
[appellante] heeft verder onbetwist aangevoerd33 dat zij met een 8,5 is afgestudeerd bij het RAV in Den Bosch en dat zij daar aansluitend mocht blijven werken. Dit is alleen niet doorgegaan, omdat zij niet BIG-geregistreerd was. Ook elders kon zij geen werk vinden. Bij sommige ambulance-organisaties is het volgens de HAN nog wel mogelijk om aansluitend aan de opleiding nog gedurende negen maanden in een soort stage-achtige positie te werken. [appellante] heeft echter gesteld en de HAN erkend dat die mogelijkheid nog niet bestond toen [appellante] maart 2015 afstudeerde. Dat men zonder BIG-registratie niet op de ambulance kon werken blijkt ten slotte ook uit de al eerder vermelde “Samenvatting bijeenkomst 16 december 2014”34 waarin staat vermeld: “( ... ) Voor de ambulance is het een lastig verhaal omdat je daar zelfstandig aan de slag moet, daar wordt je niet aangenomen voordat de BIG geregeld is.”

3.30
Op deze gronden kan niet worden aangenomen dat het voor [appellante] mogelijk was om na haar afstuderen in de HBO-functie te werken waarvoor zij was opgeleid. Grief III slaagt daarmee ook.

3.31
Voor [appellante] is dit alles nog eens extra wrang, omdat zij, zoals zij ter zitting in hoger beroep onbetwist heeft gesteld, de HBO-V-opleiding na een half jaar heeft verlaten voor de nieuwe BMH-opleiding, omdat zij graag op de ambulance wilde werken.

3.32
De HAN is aansprakelijk voor de schade die [appellante] heeft geleden door het toerekenbaar tekortschieten door de HAN.

3.33
Dat [appellante] aansluitend aan de BMH-opleiding alsnog de verkorte HBO-V-opleiding van 2,5 jaar is gaan volgen, is onder de hiervoor geschetste omstandigheden te beschouwen als een zogenaamde “gedwongen zet” als een gevolg van het ontbreken van een inbedding in de wet BIG, en dus als een gevolg van het tekortschieten van de HAN. Dat geldt te meer nu het “Position Paper” spreekt over een “maatschappelijk waardeloos diploma” en de HAN [appellante] , naar [appellante] onbetwist heeft gesteld35, zelf heeft geadviseerd de verkorte HBO-V-opleiding te gaan. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat [appellante] die switch eerder had kunnen maken, toen haar - in 2012 - duidelijk moet zijn geweest/geworden dat het ontbreken van inbedding in de wet BIG een probleem zou (kunnen) zijn na het afstuderen.

3.34
[appellante] stelt dat zij zich van dat probleem niet bewust is geweest en dat zij zich niet kan herinneren of zij destijds de brief van juni 201236 heeft gelezen. Nu [appellante] kennelijk geen probleem had om een stage te vinden, is voorstelbaar dat zij de brief niet, of met weinig aandacht, heeft gelezen. Omdat [appellante] eerder al een keer was gewisseld van opleiding is het ook voorstelbaar dat zij niet direct opnieuw wilde wisselen en heeft willen afwachten hoe het zou lopen. In de gegeven omstandigheden is dat niet onredelijk, zeker nu de brief van juni 2012 vooral ingaat op het gebrek aan stageplaatsen en niet zozeer op de consequentie van het ontbreken van het BIG-registratie voor afgestudeerden. Als [appellante] in 2012 zou zijn overgestapt naar de verkorte HBO-V-opleiding zou zij twee jaar studievertraging hebben gehad. Nu is dat 2,5 jaar. Het hof is van oordeel dat dat halve jaar extra niet voor rekening van [appellante] dient te komen. De grieven V en VI treffen daarmee doel.

3.35
[appellante] vordert een voorschot op de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden. Het komt het hof voor dat er inmiddels een eindtoestand is bereikt, zodat de totale schade kan worden begroot. Vooralsnog lijkt de totale schade te bestaan uit 2,5 extra studiejaren. Het hof verwijst naar zijn overweging 3.21 met betrekking tot de begroting van de schade van [appellant] . Ook in het geval van [appellante] lijkt het het hof voorshands aangewezen de schade wegens studievertraging te begroten op basis van de desbetreffende richtlijn van de Letselschaderaad. Het lijkt het hof voorshands verder juist de schade te berekenen over de kalenderjaren waarin [appellante] de HBO-V zou hebben gevolgd als zij nominaal zou zijn afgestudeerd in de opleiding BMH.

3.36
Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de omvang van haar schade. De HAN zal bij antwoordakte kunnen reageren. ECLI:NL:GHARL:2021:9631