Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof Amsterdam 260814 ingangsdatum wettelijke rente in strijd met Richtlijn 93/13 EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten)

Hof Amsterdam 260814 ingangsdatum wettelijke rente in strijd met Richtlijn 93/13 EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten)

Het hof heeft in deze zaak op 25 maart 2014 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

(zie: ECLI:NL:GHAMS:2014:910
3:10 Grief 4 gaat over de toewijsbaarheid van wettelijke rente.
Noordhollandsche heeft onder verwijzing naar artikel 18 van de toepasselijke algemene voorwaarden betoogd dat de wettelijke rente pas vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, te weten 12 april 2011, kan worden toegewezen.
Volgens Noordhollandsche is de door de rechtbank gekozen ingangsdatum, 22 december 2010, de dag van de eerste sommatiebrief, dan ook onjuist.

3.11 Het beding waarop Noordhollandsche zich beroept, houdt in beginsel een beperking in van de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, die in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek is voorzien. Dit beding komt voor op de zogenoemde grijze lijst van artikel 6:237 Burgerlijk Wetboek onder f en in de zogenoemde indicatieve lijst van Richtlijn 93/13 EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten).
Het hof heeft na te gaan of artikel 18 van de toepasselijke algemene voorwaarden waarop Noordhollandsche zich beroept, oneerlijk is.
Het hof wil partijen daarmee niet overvallen. Het komt het hof daarom raadzaam voor partijen eerst aan het woord te laten over de vraag of het beding waarop Noordhollandsche zich beroept de toets die besloten ligt in Richtlijn 93/13 EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) kan doorstaan. [geïntimeerde] krijgt de gelegenheid zich daarover bij akte uit te laten, Noordhollandsche mag daarop reageren. EJD)

 

[geïntimeerde] kreeg de gelegenheid om een akte te nemen, Noordhollandsche mocht daarop reageren.
Geen van partijen heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt.

In de zaak is wederom arrest gevraagd.


Beoordeling

2.1
Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 25 maart 2014 heeft overwogen en beslist. In dat arrest zijn de grieven I tot en met III, V en VI verworpen.

De beslissing over de vierde grief heeft het hof uitgesteld in afwachting van een aanvullend partijdebat over de kwestie die de grief aan de orde stelt. Dat is de vraag of de wettelijke vertragingsrente pas vanaf 12 april 2011 toewijsbaar is, omdat Noordhollandsche de door haar te vergoeden vertragingsschade in artikel 18 van haar algemene polisvoorwaarden heeft beperkt tot de periode vanaf de dag dat zij in rechte wordt betrokken.

2.2 
Het beding waarop Noordhollandsche zich beroept tegenover [geïntimeerde], een consument, houdt een beperking in van de schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, welke schadevergoeding aan [geïntimeerde] toekomt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit beding komt voor in de zogenoemde indicatieve lijst van Richtlijn 93/13 EEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) onder b.
Artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 93/13 EEG houdt in dat de indicatieve lijst bedingen bevat die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.
De stellingen van Noordhollandsche houden niets in op grond waarvan de schadebeperking die is voorzien in artikel 18 van de algemene polisvoorwaarden van Noordhollandsche, niettemin niet oneerlijk zou zijn. Het hof heeft daarom het omstreden beding buiten toepassing te laten.

Grief IV faalt.

2.3
De slotsom is dat geen van de grieven van Noordhollandsche doel treft. 
Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Noordhollandsche is in hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij, zij heeft de proceskosten van het hoger beroep te dragen.ECLI:NL:GHAMS:2014:3579