Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 270923 verzekeraar dient boven de waarde van de vorkclausule overige kosten (opruimingkosten, huurderving, noodmaatregel) te vergoeden

RBMNE 270923 verzekeraar dient boven de waarde van de vorkclausule overige kosten (opruimingkosten, huurderving, noodmaatregel) te vergoeden

2De beoordeling

Wat is de kern?

2.1.

[eisers c.s.] zijn eigenaar van verschillende bedrijfspanden, die op 14 april 2021 zijn afgebrand. Verzekeraar ASR heeft de schade vergoed tot de waarde van de afgesproken ‘vorkclausule’: maximaal 40% van de verzekerde som. [eisers c.s.] vordert nog € 50.950,76 voor opruimingskosten, huurderving en een noodmaatregel (afsluiten elektriciteit/gastoevoer), vermeerderd met rente en kosten. ASR meent dat deze overige kosten niet vergoed moeten worden, omdat de vorkclausule de schadevergoeding maximeert. De rechtbank geeft [eisers c.s.] gelijk en wijst de vorderingen toe.

ASR moet de overige kosten vergoeden, naast het al uitgekeerde vorkbedrag

Wat is een vorkclausule en hoe heeft ASR die toegepast?

2.2.

In de verzekeringsovereenkomst tussen partijen is een zogeheten ‘vorkclausule’ opgenomen. Deze clausule is opgenomen omdat de bedrijfspanden van [eisers c.s.] bij een eventuele brand niet meer op dezelfde manier herbouwd hoefden te worden. De oude panden waren helemaal gebouwd van bakstenen. Zou dit afbranden, dan konden de panden worden opgebouwd van (goedkopere) Isopanelen in plaats van bakstenen. Het is in zo’n geval niet nodig om dan het volledige verzekerd bedrag (herbouwwaarde) te vergoeden. In plaats daarvan wordt een lager bedrag (de ‘vork’) vergoed. Daar staat tegenover dat [eisers c.s.] door het opnemen van dit vorkbedrag een lagere premie betalen.

2.3.

Nadat de bedrijfspanden van [eisers c.s.] zijn afgebrand, heeft ASR het vorkbedrag uitgekeerd. Zij voert aan dat dit de maximale schadevergoeding is. [eisers c.s.] stelt echter dat ASR daarnaast ook opruimingskosten, huurderving en noodmaatregelen (hierna: overige kosten) moet vergoeden. Om te bepalen of deze overige kosten moeten worden vergoed, is van belang hoe de verzekeringspolis en bijbehorende bijzondere en algemene voorwaarden moeten worden uitgelegd. In dit geval laat de verzekeringsovereenkomst ruimte voor twijfel. Deze twijfel komt voor rekening van ASR, als de partij die de verzekeringspolis en voorwaarden heeft opgesteld. ASR moet de overige kosten daarom in principe betalen.

Wat is afgesproken en hoe moeten die afspraken worden uitgelegd?

2.4.

Niet in geschil is dat [eisers c.s.] de bedrijfspanden al jarenlang hebben verzekerd bij ASR. Op het meest recente polisblad, dat geldt per 1 mei 2020, is bepaald dat het verzekerd bedrag € 1.353.280,00 is. Daarbij is vermeld:

‘Verzekeringsvorm en Bijzondere Voorwaarden

Uitgebreide verzekering volgens model BE 20-01

Bijzondere bepalingen

Volgens het hierbij gevoegde clausuleblad’

De vorkclausule op het bijbehorende clausuleblad bepaalt vervolgens:

‘Maximum schadevergoeding

Wij vergoeden maximaal 40 % van het verzekerde bedrag, of de herbouwwaarde, als deze lager is.’

2.5.

De formulering van deze vorkclausule (‘maximum schadevergoeding’) houdt in dat maximaal € 541.312,00 (40% van het verzekerde bedrag, € 1.353.280,00) vergoed wordt. Als strikt wordt gekeken naar deze bewoordingen, zou nooit meer dan dit bedrag vergoed worden, ook niet als de schade plus de overige kosten hoger is dan het vorkbedrag. In dat geval worden de overige kosten dus alleen vergoed als en voor zover het totaal te vergoeden bedrag niet hoger is dan het vorkbedrag.

2.6.

Bij de uitleg van een verzekeringsovereenkomst gaat het echter niet alleen om de letterlijke tekst van deze bepaling, maar (ook) om de zin die partijen redelijkerwijs aan die bepalingen mogen toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Het gaat daarbij met name om de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en de eventuele toelichting daarbij.

2.7.

Uit de in 2.4 geciteerde bepaling volgt dat de Bijzondere voorwaarden van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst. De Voorwaarden verzekering Gebouwen (BE 20-01) geven een definitie van het begrip verzekerd bedrag:

‘ Verzekerd bedrag: het bedrag dat op het polisblad staat vermeld als maximaal uit te keren bedrag voor een verzekering of voor een specifieke dekking die onder een verzekering valt.’

2.8.

In deze definitie is het begrip ‘verzekerd bedrag’ gedefinieerd als een maximaal uit te keren bedrag voor een verzekering. Dat is gelijk aan de formulering van de vorkclausule: daar staat ook dat het gaat om een maximum schadevergoeding, vastgesteld op 40% van het verzekerd bedrag. Voor het verzekerd bedrag is echter duidelijk dat er naast dit bedrag nog overige kosten worden vergoed. In de Bijzondere voorwaarden is namelijk bepaald wat er vergoed wordt, bovenop de kosten van het verzekerd bedrag. Daar staat onder meer:

‘ 1.3 Voor hoeveel is uw gebouw verzekerd?

  • -

    Als u deze verzekering afsluit, geeft u zelf op voor welk bedrag u uw gebouw verzekert. Dat is het verzekerde bedrag. Dit bedrag vermelden wij op de polis.

  • -

    U moet het verzekerde bedrag baseren op de kosten die nodig zijn om het gebouw te herbouwen. Dat is de herbouwwaarde.

(..)

Let op:

Zorg dat uw gebouw niet te laag is verzekerd. Is het verzekerde bedrag lager dan de waarde van het gebouw voordat het werd beschadigd? Dan vergoeden we de schade naar verhouding.

(..)

4 Wat krijgt u vergoed? Hoe stellen wij uw schade vast en wanneer betalen wij de schade uit?

(..)

4.3

Overige kosten

(..)

Huurderving

(..) Wij vergoeden maximaal 10% van het verzekerde bedrag.

Kosten voor noodvoorzieningen

(..) Er geldt geen maximum.

Kosten om schade op te ruimen (opruimingskosten)

(..) Wij vergoeden maximaal 10% van het verzekerde bedrag.

(..)

Let op:

(..)

Deze kosten vergoeden wij boven het verzekerde bedrag: u hoeft deze kosten niet mee te nemen bij de bepaling van het verzekerde bedrag.’

2.9.

Op basis van artikel 1.3 van de Bijzondere voorwaarden moet het verzekerde bedrag dus worden gebaseerd op de herbouwwaarde. Daarbij is niet vermeld of voor die waarde alleen gekeken moet worden naar het daadwerkelijk herbouwen van het gebouw, of ook naar kosten voor bijvoorbeeld opruimen en noodvoorzieningen. In artikel 4 van de Bijzondere voorwaarden is dat verduidelijkt: de kosten voor huurderving, noodvoorzieningen en opruimen worden vergoed bóven het verzekerde bedrag. Expliciet is vermeld dat die kosten niet worden meegenomen bij het bepalen van het verzekerde bedrag. De stelling van ASR dat (alleen al) uit het begrip ‘maximum schadevergoeding’ (zie 2.4) zonder meer volgt dat daarnaast geen overige kosten worden vergoed, gaat dus niet op.

Het polis- en clausuleblad gaan in dit geval niet vóór de Bijzondere voorwaarden

2.10.

Daarnaast is in de polisvoorwaarden opgenomen welke bepaling van toepassing is als de voorwaarden op het polisblad en de voorwaarden van elkaar afwijken (p. 3 van de Voorwaarden verzekering Gebouwen):

‘Uw polis en de voorwaarden

Alle afspraken die we met u maken over de verzekering staan op het polisblad. Bijvoorbeeld welk object u hebt verzekerd, hoe lang de verzekering loopt, en welke dekkingen u hebt meeverzekerd. Deze Bijzondere voorwaarden gelden voor deze Gebouwenverzekering. Voor deze verzekering gelden ook de Algemene voorwaarden en de clausules die op het polisblad staan vermeld.

Wijken de voorwaarden van elkaar af? Of wijken de voorwaarden en de clausules van elkaar af? Dan gelden eerst de bepalingen en clausules die op het polisblad staan. Daarna gelden de Bijzondere voorwaarden. En ten slotte gelden de Algemene voorwaarden.’

2.11.

In principe gelden voor de verzekeringsovereenkomst dus zowel het polis- en clausuleblad als de Bijzondere en Algemene voorwaarden. Pas als de voorwaarden van elkaar afwijken, gaan het polis- en clausuleblad voor. De vraag is dus of de vorkclausule op het clausuleblad afwijkt van de artikelen 1.3 en 4 van de Bijzondere voorwaarden. Dat is niet het geval.

2.12.

In de vorkclausule is de schadevergoeding gemaximeerd op 40% van het verzekerde bedrag. In de Bijzondere voorwaarden is vervolgens het begrip ‘Verzekerd bedrag’ verder uitgelegd als een maximaal uit te keren bedrag, dat wordt gebaseerd op kosten die nodig zijn om het gebouw te herbouwen. Vervolgens is bepaald dat bij de bepaling van het verzekerd bedrag geen rekening hoeft te worden gehouden met de overige kosten. Er is dus geen sprake van een afwijking van het clausuleblad, maar van een uitleg daarvan en aanvulling daarop. Daarmee is niet duidelijk dat ASR bedoeld heeft dat de bepalingen over de overige kosten niet van toepassing zijn op de vorkclausule. Algemene en bijzondere voorwaarden zijn immers altijd een aanvulling op het (beperktere) clausuleblad. [eisers c.s.] hoefden in dit geval dus niet te begrijpen dat maximaal het vorkbedrag zou worden uitgekeerd, en dat de overige kosten niet zouden worden uitgekeerd als en voor zover deze boven het vorkbedrag uit zouden komen.

Uit de praktijk blijkt niet dat de afspraken anders moeten worden uitgelegd

2.13.

Bij de uitleg van een verzekeringsovereenkomst kan ook worden gekeken naar de betekenis van het gebruikte begrip in een specifieke setting. In dat kader verwijst ASR naar passages op de website van een (contra-)expertisebureau en de kennisbank van een verzekeraar. Daaruit volgt onder meer dat het bij een vorkclausule belangrijk is je te realiseren dat bij schade maximaal het vorkbedrag wordt uitgekeerd en dat het vorkbedrag bij een partiële schade wel voldoende moet zijn om de resten van het oude gebouw te slopen en af te voeren en daarna een compleet nieuw gebouw te herbouwen. Uit deze passages volgt echter niet dat een verzekeraar naast het vorkbedrag nooit andere schadeposten kan of zal uitkeren. In dit geval bood de verzekeringsovereenkomst de ruimte om aan te nemen dat de overige kosten zouden worden vergoed naast het vorkbedrag, ook als het maximale vorkbedrag was bereikt.

2.14.

Dat [eisers c.s.] de verzekering hebben afgesloten met behulp van een assurantietussenpersoon maakt ook niet dat duidelijk moest zijn dat overige kosten niet vergoed zouden worden. Mevrouw [eiseres sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat [eisers c.s.] de bedrijfspanden hadden verzekerd met een vorkclausule op maximaal 40% van het verzekerde bedrag, omdat zij dachten dat zij de bedrijfspanden voor 40% van het verzekerde bedrag zouden kunnen herbouwen. Ter sprake kwam dat de opruimingskosten en kosten voor huurderving daar bovenop zouden worden vergoed. Gezien het voorgaande biedt de verzekeringsovereenkomst de assurantietussenpersoon in dit geval de ruimte om uit te gaan van deze uitleg van de bepalingen.

Tussenconclusie

2.15.

Gelet op de formulering van de vorkclausule en de Bijzondere voorwaarden, is in dit geval onduidelijk of naast het vorkbedrag nog overige kosten vergoed moeten worden. De polisvoorwaarden als geheel wekken de indruk dat die overige kosten wel vergoed worden. Die onduidelijkheid komt voor rekening van ASR. Zij moet de overige kosten vergoeden.

ASR moet € 50.950,76 vergoeden

2.16.

[eisers c.s.] vorderen een bedrag van € 38.567,00 voor opruimingskosten, € 8.365,00 voor huurderving en € 4.018,76 voor het afsluiten van de elektriciteit en gastoevoer (een noodvoorziening). In totaal gaat het om € 50.950,76. ASR heeft alleen aangevoerd dat deze kosten niet worden vergoed, omdat de schadevergoeding daarmee boven het maximaal uit te keren (en daadwerkelijk uitgekeerde) vorkbedrag van € 541.312,00 komt. Voor het overige heeft zij deze kosten niet betwist.

2.17.

Uit het voorgaande volgt dat ASR de overige kosten moet vergoeden, ook als de totale schadevergoeding daarmee hoger is dan het vorkbedrag. Het door [eisers c.s.] gevorderde bedrag van € 50.950,76 zal daarom worden toegewezen.

Wettelijke rente

2.18.

[eisers c.s.] maken aanspraak op de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2022, de dag waarop ASR aangaf dat zij niet meer dan 40% van de verzekerde som zou vergoeden. Deze rente zal in de beslissing als niet weersproken worden toegewezen.

ASR moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden

2.19.

[eisers c.s.] maken ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eisers c.s.] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat is door ASR niet betwist. Op grond van het Besluit zal een bedrag van € 1.284,51 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis. ECLI:NL:RBMNE:2023:4940