Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-NL 060214

Rb Noord-NL 060214

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2014/rb-noord-nl-060214

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND 

Afdeling Privaatrecht 
Locatie Leeuwarden 

zaaknummer / rekestnummer: 130988/ HA RK 13-104

Beschikking van 6 februari 2014 

in de zaak van 

X, 
wonende te X, 
verzoekster, 
advocaat mr. A.P. Hovinga, kantoorhoudende te Rotterdam, 

tegen 

de naamloze vennootschap 
UNIGARANT N.V. 
gevestigd te Hoogeveen, 
verweerster, 
advocaat mr. D.D. Markvoort, kantoorhoudende te Hoogeveen. 

Partijen worden hierna X en Unigarant genoemd. 

1. De procedure 
l.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift, 
- het verweerschrift, 
- de brief van 8 januari 2014 met productie van de zijde van X, 
- de mondelinge behandeling van het verzoekschrift gehouden op 9 januari 2014, alwaar X, bijgestaan door mr. A.P. Hloving, is verschenen en een pleitnotitie heeft overgelegd. Voorts is namens Unigarant de heer S. Boertjes, bijgestaan door mr. D.D. Markvoort, verschenen, 
- het faxbericht van 23 januari 2014 met productie van de zijde van Unigarant. 

1.2. Beschikking is vervolgens bepaald op heden. 

2. De feiten 
2.1. X is op 26 juni 2011 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De auto waarin X zich als passagier bevond werd van achteren aangereden. De aansprakelijkheid voor het ongeval ligt bij een automobilist die hiervoor is verzekerd bij Unigarant en Unigarant heeft toegezegd de door X geleden schade ten gevolge van het ongeval te vergoeden. 

2.2. X heeft momenteel last van hardnekkige klachten in de nek, hoofdpijn, concentratieproblemen, buitengewone grote vermoeidheid, alsmede moeite met het opnemen van informatie. 

2.3. Vóór het ongeval was X net met een nieuwe functie begonnen als hoofdverpleegkundige nacht/weekend. 

2.4. X is door het UWV op 14 oktober 2013 ongeschikt verklaard voor haar eigen functie en dient te worden omgeschoold. Zij heeft sinds april 2013 een werkervaringsplaats bij een onderneming in beschermingsbewind. 

3. De beoordeling 

- het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht 

3.1. X heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 Rv te bevelen. X heeft aan haar verzoek - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft schade geleden ten gevolge van het verkeersongeval op 26 juni 2011. X heeft last van meerdere klachten en beperkingen die tezamen kunnen worden omschreven als een whiplash. Ten tijde van het ongeval was X net met een nieuwe functie begonnen als hoofd verpleegkundige nacht/weekend. Door het ongeval is X ongeschikt verklaard voor haar eigen functie. Vanaf juni 2012 ontvangt X nog slechts een uitkering ter hoogte van 70% van het basissalaris. X heeft daardoor een tekort van € 400,- per maand aan basissalaris en € 200,- aan overwerk. Zij heeft daarnaast behoefte aan 3 á 4 uren per week huishoudelijk werk en heeft materiële schadecomponenten als reiskosten en medische kosten. Bovendien maakt X aanspraak op smartengeld, buitengerechtelijke kosten en rente. X wenst door middel van een voorlopig deskundigenbericht door een verzekeringsarts vastgesteld te krijgen dat de door haar ervaren klachten gevolg zijn van het ongeval, nu een verzekeringsarts, anders dan een orgaanspecialist, kijkt naar het totaalbeeld. Volgens X is het zinloos om een neuroloog als deskundige te benoemen, omdat een whiplash volgens de richtlijnen niet (meer) wordt beschouwd als een neurologische aandoening - men laat het bij een 'pijnsyndroom zonder neurologisch substraat' - en er wordt geen percentage invaliditeit toegekend. 

3.2. Unigarant voert geen verweer tegen het verzoek van X tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht als zodanig. Zij maakt bezwaar tegen het benoemen van een verzekeringsarts als deskundige en stelt zich op het standpunt dat een neuroloog dient te worden benoemd. Zij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Van belang is dat omtrent de klachten die worden omschreven als whiplash een neurologische expertise plaatsvindt, omdat er moet worden uitgesloten dat de klachten die worden benoemd kunnen worden toegeschreven aan een aandoening van het zenuwstelsel. In het geval van X is er meer reden voor een neurologische expertise, omdat er uit de medische informatie blijkt dat: 
a. sprake is van klachten die deels al van tevoren bestaand w aren (volgens neuroloog Van Leersum en de medisch adviseur van Unigarant); 
b. niet kan worden uitgesloten dat sprake is van klachten waarvoor wél een neurologisch substraat te vinden is, zoals de afwijkingen aan de wervelkolom en visusproblematiek; 
c. in de (eerdere) klachten een alternatieve verklaring gevonden kan worden voor de klachten die X ervaart. 
Het behoort tot het werkgebied van een neuroloog om een diagnose te stellen en zich uit te laten over de medische causaliteit. Daarna zou een verzekeringsarts zich kunnen uitspreken over de belastbaarheid van X. 

3.3. De rechtbank stelt voorop dat aan de rechter die heeft te oordelen over een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in artikel 202 Rv, geen discretionaire bevoegdheid toekomt. Hij dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is slechts anders indien de rechter op grond van in haar beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen misbruik wordt gemaakt - bijvoorbeeld omdat verzoekster wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten - of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. 

3.4. De rechtbank acht het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht ter zake dienend en voldoende concreet. Het voorlopig deskundigenbericht dient volgens X immers om te bepalen of de causaliteit kan worden 
vastgesteld tussen de door X ervaren klachten en het ongeval. Ook betreft het verzoek naar het oordeel van de rechtbank feiten die door middel van een voorlopig deskundigenbericht bewezen kunnen worden. Nu de rechtbank bovendien niet van een afwijzingsgrond tegen het verzoek is gebleken, zal de rechtbank het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht toewijzen. 

3.5. Partijen zijn het er over eens dat een arts/medicus moet worden benoemd als deskundige, maar verschillen van mening over de specialiteit van de te benoemen medicus. X stelt zich primair op het standpunt dat een verzekeringsarts als deskundige benoemd dient te worden. Subsidiair stelt X zich op het standpunt dat als een neuroloog wordt benoemd, tevens een verzekeringsarts moet worden benoemd die dezelfde opdracht zou moeten krijgen als de neuroloog. Unigarant stelt zich primair op het standpunt dat een neuroloog als deskundige benoemd dient te worden en dat de verzekeringsarts met de conclusies van de neuroloog de opdracht krijgt om een belastbaarheidsprofiel op te stellen. 

3.6. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank zal in het algemeen slechts na overleg met partijen met betrekking lot de vereiste deskundigheid van de te benoemen deskundige, tot benoeming overgaan. Ten aanzien van de te benoemen persoon is de beslissing evenwel uiteindelijk voorbehouden aan de rechtbank, alsmede de beslissing ten aanzien van het aantal deskundigen (vgl. HR 31 mei 1991, NJ 1991,254). Vast staat dat partijen het niet eens kunnen worden over de vereiste deskundigheid. De rechtbank is van oordeel dat X voldoende heeft onderbouwd dat een verzekeringsarts ten aanzien van de voor te leggen vragen deskundig genoeg is om daarover een gefundeerd oordeel te kunnen vormen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat - gelet op de huidige richtlijnen van neurologen waarbij het uitgangspunt is dat whiplash verschijnselen geen neurologisch substraat kennen - X belang heeft bij het benoemen van een deskundige niet zijnde een neuroloog. In dat verband geldt overigens dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, het enkele feit dat niet aangetoond is dat de gestelde klachten een medische substraat kennen, daarmee nog niet gegeven is dat geen sprake is van letsel in juridische zin. 

3.7. Anderzijds heeft Unigarant voldoende onderbouwd dat een neuroloog bij uitstek deskundig is om te onderzoeken of mogelijk sprake is van neurologisch gerelateerde klachten bij X en dat zoveel mogelijk moet worden uitgesloten dat de door X ervaren klachten (mede) het gevolg zouden kunnen zijn van andere - niet aan het ongeval gerelateerde - (medische) oorzaken. De rechtbank is derhalve voornemens om een tweetal deskundigen te benoemen die dezelfde vragen zullen moeten beantwoorden. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de deskundigen in overleg treden omtrent hun bevindingen en dat zij - indien mogelijk - met gezamenlijke conclusies komen, dan wel- wanneer dit niet het 
geval is - dat zij aangeven waar en waarom de conclusies afwijken. 

- de persoon van de te benoemen deskundigen

3.8. X heeft de volgende verzekeringsartsen voorgesteld: mevrouw Leunisse verzekeringarts te Vucht, de heer Elemans, verzekeringsarts te Elemans, of Knepper, verzekeringsarts te Laren. Subsidiair verwijst X naar de lijst met erkende deskundigen. Unigarant heeft bezwaar gemaakt tegen het benoemen van Knepper als deskundige. Kneppers is volgens Unigarant niet acceptabel omdat zijn beoordelingen stof vormen voor discussie. Leunisse is Unigarant niet bekend. Unigarant verzoekt de rechtbank een verzekeringsarts te benoemen die op de lijst met erkende deskundigen staat vermeld. 

3.9. X heeft de volgende neurologen voorgesteld: Van der Ploeg of Rutgers, beiden verbonden aan het MEAC te Assen, of Stenvers te Amsterdam. Subsidiair verwijst X naar de lijst met erkende deskundigen. Unigarant heeft de volgende neurologen voorgesteld: C. Bouwsma te Groningen/Assen of E. van der Doel te Soest. X kan niet instemmen met de benoeming van Van den Doel en Bouwsma omdat hun conclusies niet logisch zouden zijn. 

3.10. Nu partijen ook tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 9 januari 2014 geen overeenstemming hebben weten te bereiken over de te benoemen deskundige(n) en partijen overigens onvoldoende gemotiveerd bezwaar hebben gemaakt legen de door de wederpartij aangedragen deskundigen, zal de rechtbank de onderhavige verzoekschriftprocedure aanhouden om partijen op te dragen om in onderling overleg te treden over de te benoemen deskundigen. 

3.11. Indien zij daarin niet slagen, wordt partijen opgedragen om zich uit te laten over de door de wederpartij voorgestelde deskundigen waarbij zij gemotiveerd dienen in te gaan op de deskundigheid van de voorgestelde deskundigen in het geval zij zich niet met deze deskundigen kunnen verenigen. In dat geval dienen zij ook gemotiveerd andere deskundigen voor te stellen. De rechtbank zal in afwachting daarvan de beslissing over de te benoemen deskundigen aanhouden. 

de aan de deskundigen voor te leggen vragen

3.12. X heeft voorgesteld om de navolgende vragen aan de te benoemen deskundige voor te leggen:

"1. DE SITUATIE MET HET ONGEVAL 

Anamnese 
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten. de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby 's, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid? 
Aanbeveling 2.2.4. RMSR: 
De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. 
Termen als "betrokkene zou (. . .)" worden vermeden . "Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.

Medische gegevens 
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: 
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied; 
- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan. 

Aanbeveling 2.2.6. RMSR: 
Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten. 

Medisch onderzoek 
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? 

Aanbeveling 2.2.5. RMSR. 
Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden. 
Aanbeveling 2.2.7. RMSR. 
Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden. 

Consistentie 
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf. De feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? 
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? 

Aanbeveling 2.2.8. RMSR: 
Als de anamnese niet overeenkomst met de f eiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit hel rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd. 

Diagnose 
f Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overwegingen geven? 

Aanbeveling 2.2.15. RMSR. 
Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven. 

Invaliditeit 
g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, 6e druk), aangevuld met de richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging? 

Beperkingen 
h. Welke beperkingen op uw vakgebied hes taan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven? 

Aanbeveling 2.2.17. RMSR: 
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. 
Aanbeveling 2.2.18. RSMR: 
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek) 

Medische eindsituatie 
i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? 
j. Za ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
k. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
l. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1h)? 

Aanbeveling 2.2.14. RMSR: 
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting lot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. 

2. DE SITUATIE ZONDER HET ONGEVAL 
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te heem/woorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden. 

Aanbeveling 2.2.14 RMSR: 
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dal duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. 
Aanbeveling 2.2.16. RMSR: 
Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontslaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval "toerekenen" of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden. 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval 
a. Bestanden voor hey ongeval hij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? 
b. Za ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor hey ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien? 

Aanbeveling 2.2.17 RMSR: 
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dal hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. 
Aanbeveling 2.2.18. RMSR: 
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek) 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder het ongeval 
c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzoekster niet was overkomen? 
d. Zo ja (dus zonder het ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? 
e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? 
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet aan het ongeval gerelateerde klachten en afwijkingen? 
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)? 

Aanbeveling 2.2.17. RMSR: 
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseer! op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen. 

Aanbeveling 2.2.18. RMSR: 
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS – of FML-methodiek). 

3. OVERIG 
Aanbeveling 2.2.11. RMSR: 
Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport .

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?" 

3.13. De rechtbank zal de door X voorgestelde vraagstelling overnemen en aan de deskundigen stellen, nu deze ook aansluit bij de vraagstelling causaal verband bij ongelukken, versie januari 2010, die is ontwikkeld door de Projectgroep Medische deskundigen in de rechtspleging van de Vrije Universiteit in samenwerking met de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen (IWMD) waar Unigarant ook naar heeft verwezen. Ten aanzien van de door X voorgestelde aanvullende vraag "Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, 6e druk), aangevuld met de richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?" heeft Unigarant geen onderbouwd bezwaar gemaakt en is de rechtbank van oordeel dat X voldoende belang heeft bij de beantwoording van deze vraag. 

3.14. Unigarant stelt zich op het standpunt dat de deskundige dient te beschikken over het complete medische dossier van X tot en met het moment van de medische expertise, de schadeformulieren en de ongevallenanalyse. X heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van de ongevallenanalyse in de voorfase omdat dit geen medische stukken betreffen. 

3.15. Aangezien partijen het erover eens zijn dat de deskundigen over het complete medische dossier tot het moment van medische expertise en het schadeformulier dienen te beschikken, zal de rechtbank bevelen die stukken aan de deskundigen ter beschikking te stellen. Ten aanzien van de ongevallenanalyse oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet - gelet op de inhoud van de analyse en de deskundigheid van de analisten- onvoldoende reden om deze rapportage niet ter beschikking te stellen aan de deskundigen. X heeft ter zake ook niet - behoudens een aantal algemene verweren - specifiek aangegeven op welke punten de rapportage ondeugdelijk zou zijn. Indien en voor zover de 
te benoemen deskundigen gebruik maken van deze analyse dienen zij dat gemotiveerd aan te geven. 

- de kosten van de deskundigen 

3.16. X heeft verzocht te bepalen dat de kosten van het voorlopig deskundigenrapport zullen worden gedragen door Unigarant. Unigarant heeft zich daar tegen verweerd, aanvoerende dat het redelijk is dat X de kosten voor de deskundige betaalt, nu op basis van de medische adviezen van de verzekeringsgeneeskundige van Unigarant niet kan worden uitgesloten dat er een alternatieve verklaring is voor de klachten die X ervaart. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de verzoeker het voorschot van de deskundigen dient te voldoen nu Unigarant de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend. Het enkele feit dat de verzekeringsgeneeskundige niet uitsluit dat de klachten die X ervaart een alternatieve verklaring zouden kunnen hebben, is onvoldoende reden om X de kosten van de deskundigen te laten dragen. De rechtbank zal daarom bepalen dat Unigarant het voorschot van de deskundigen dient te voldoen. 

- de voortgang van de procedure 

3.17. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. 

4. De beslissing 
De rechtbank, 
4.1. bepaalt dat de zaak op de rol komt te staan van woensdag 20 februari 2014 voor akte uitlaten als bedoeld in rechtsoverwegingen 3.11 en 3.12., 

4.2. houdt voor het overige iedere beslissing aan. 

Deze beschikking is gegeven door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2014.

Met dank aan mr. A.P. Hovinga, Advocatenkantoor Hovinga, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies