Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA-240626

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-240626
 

vonnis

 


RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zaak-/rolnummer: C/09/697354 / HA ZA 26/50

Vonnis van 24 juni 2026

in de zaak van

ASR SCHADEVERZEKERING N.V. te Utrecht,
eiseres,
advocaat: mr. F. van Toorn,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. P.H.J. Körver.

Partijen worden hierna ASR en [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 11 december 2025, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met productie;
  • het tussenvonnis van 22 april 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
  • de akte van 11 mei 2026 met aanvullende producties van ASR.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 15 mei 2026 plaatsgevonden. [Gedaagde] is niet verschenen en werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. Namens ASR was aanwezig H. Temminck (schadebehandelaar), bijgestaan door de advocaat van ASR. De standpunten van partijen zijn toegelicht en vragen van de rechtbank zijn beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

2. De feiten

2.1. ASR is de WAM¹-verzekeraar van een voertuig van [gedaagde] (een bestelbus van het merk Ford Transit met [kentekennummer]). Deze verzekering moet de aansprakelijkheid dekken van iedere bezitter, houder, bestuurder en passagier van het verzekerde motorrijtuig voor schade die met dat motorrijtuig is veroorzaakt.

2.2. ASR heeft in totaal € 51.822,34 aan (letsel-, loon- en voertuig)schade betaald aan de benadeelden na aanrijdingen op 12 april 2020 op de De la Reyweg in Den Haag (de eigenaren van een (witte) Ford Fiesta met [kentekennummer] en een Audi A4 Limousine met [kentekennummer]).

2.3. Bij vonnis van 30 mei 2023 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank (hierna: het vonnis) is bewezen verklaard dat [gedaagde] op 12 april 2020 in Den Haag een auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol (515 ug/l²) was. Hij is schuldig verklaard zonder oplegging van straf³ wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW).

2.4. [Gedaagde] is vrijgesproken van hetgeen hem verder ten laste is gelegd: 1. doorrijden na een ongeval terwijl hij weet of moet vermoeden dat sprake is van (in dit geval) letsel of schade (art. 7 WvW) op 12 april 2020 in Den Haag en 2. het zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt met letsel tot gevolg (art. 6 WvW) op 12 april 2020 in Den Haag.

2.5. ASR wenst de vergoede schade op zijn verzekerde [gedaagde] te verhalen.

3. Het geschil

3.1. ASR vordert, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de aanrijdingen op 12 april 2020 op de De la Reyweg in Den Haag en dat hij gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden;
  • [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 51.822,34 en de kosten van het geding.

3.2. ASR legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) aansprakelijk is voor de aanrijdingen op 12 april 2020 in Den Haag en schadeplichtig is jegens ASR. Uit artikel 3.3. van de polisvoorwaarden volgt namelijk dat ASR de schade mag verhalen op [gedaagde] als er geen verzekeringsdekking is maar ASR op basis van de WAM de schade heeft vergoed aan de benadeelde, in de situatie dat sprake is van overmatig alcoholgebruik bij de bestuurder (een hogere alcoholwaarde dan 220 ug/l). Naast de polisvoorwaarden biedt artikel 15 lid 1 WAM een grondslag voor vergoeding van schade aan ASR aan benadeelden. De door ASR vergoede schade bedraagt € 51.822,34.

3.3. [Gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ASR, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ASR in de kosten van deze procedure.

3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of ASR de aan benadeelden uitgekeerde schade kan verhalen op [gedaagde] als verzekeringnemer. Het gaat om aanrijdingen op de De la Reyweg in Den Haag op 12 april 2020 omstreeks 23:00 uur. [Gedaagde] is strafrechtelijk veroordeeld wegens rijden onder invloed op 12 april 2020 in Den Haag maar vrijgesproken van doorrijden na een ongeval met letsel en/of schade en eveneens van het veroorzaken van een ongeval met letsel en/of schade op die datum en plaats.

4.2. Artikel 15 lid 1 van de WAM - waarop ASR haar vordering baseert - bepaalt voor zover hier van belang:

"De verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon."

4.3. Artikel 3.3 van de polisvoorwaarden vermeldt onder meer:

"3.3 Wanneer bent u niet verzekerd?

Er zijn situaties waarin u niet bent verzekerd. Deze situaties vindt u in de tabel hieronder. Het maakt niet uit of de schade wel of niet door die situatie veroorzaakt of ontstaan is.

In deze situaties moeten wij op basis van de W.A.M. de schade vaak wel vergoeden aan de benadeelde. Wij hebben het recht om de door ons uitgekeerde schade op u of op de dader te verhalen. ( ... ) U bent niet verzekerd: ( ... ) bij overmatig alcoholgebruik van de bestuurder ( ... ) een adem­alcoholgehalte van 220 microgram of hoger ( ... )"

Civielrechtelijke aansprakelijkheid

4.4. De rechtbank stelt voorop dat een strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van civielrechtelijke aansprakelijkheid. De civiele rechter maakt een eigen afweging op basis van het in de civiele procedure vastgestelde feitencomplex. In een civiele procedure kan op grond van artikel 152 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bewijs worden geleverd door alle middelen. Op grond van lid 2 van deze bepaling is de waardering van het bewijs aan de civiele rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Dat laatste is het geval in artikel 161 Rv: een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit. Deze bepaling ziet (alleen) op een strafrechtelijke veroordeling. Aan een strafrechtelijke vrijspraak komt in een civiele procedure dan ook geen dwingende bewijskracht toe. Bovendien geldt in het civiele recht een ander bewijscriterium dan in het strafrecht. In de onderhavige procedure moet worden beoordeeld of sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat het desbetreffende feit zich heeft voorgedaan. Deze lat ligt lager dan de (bewijs)lat in het strafrecht, waar moet worden beoordeeld of het ten laste gelegde feit buiten redelijke twijfel is komen vast te staan⁴.

4.5. ASR heeft drie getuigenverklaringen overgelegd en een door de politie opgemaakt proces-verbaal van bevindingen. De [getuigen] hebben verklaard ter plaatse (aan de De la Reyweg in Den Haag) te wonen (één [getuige] woont op nummer 369 en één [getuige] op nummer 327; haar als vriend gehoorde [getuige] was op bezoek). De twee [getuigen] die de situatie waarnamen vanaf nummer 327 verklaren gelijk naar het raam te zijn gerend toen zij omstreeks 23:10 uur een harde klap hoorden. Zij zagen dat een grijs busje tegen een graafmachine/shovel stond en dat het grijze busje vervolgens een geparkeerde witte auto raakte. Daarna is waargenomen dat de bestuurder wankelend uitstapte, een stuk bumper in zijn auto gooide en wegliep.

4.6. De bewoner van nummer 369 is ook naar het raam gegaan na het horen van een harde klap en verklaarde een 'zilveren transit' te hebben gezien die twee keer naar voren en naar achteren reed en daarbij een witte auto raakte. Ook hij heeft verklaard dat de bestuurder parkeerde, even bleef zitten, vervolgens uitstapte, een stuk bumper in zijn bus gooide en wegliep.

4.7. In een proces-verbaal van politie (proces-verbaal aanrijding misdrijf, overgelegd als productie 3 bij dagvaarding) is onder het kopje vermoedelijke toedracht vermeld dat op de plaats van het verkeersongeval hulp werd verleend en bevindingen werden genoteerd. Vermeld is dat een Ford Transit ([kentekennummer]) tegen een Ford Fiesta ([kentekennummer]) reed terwijl deze aan het inparkeren was, waarna die vervolgens tegen een andere auto ([kentekennummer]) werd geduwd. Tot slot is vermeld dat een Audi ([kentekennummer]) werd aangereden. Anders dan de drie [getuigen] hebben waargenomen, is in het proces-verbaal van bevindingen dus vermeld dat er naast de Ford Fiesta nog twee andere auto's door de Ford Transit zijn aangereden.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat hier met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [gedaagde] onder invloed van alcohol is aangereden tegen een Ford Fiësta op 12 april 2020 op de De la Reyweg in Den Haag. Zij komt tot dit oordeel gelet op de volgende (uit de bewijsmiddelen af te leiden) feiten en omstandigheden, in onderling verband en samen bezien:

  • [Gedaagde] is veroordeeld wegens rijden onder invloed op 12 april 2020 te Den Haag, waarbij onder meer zijn bekennende verklaring ter zitting voor het bewijs is gebruikt. Deze veroordeling levert dwingend bewijs van dat feit op (art. 161 Rv).
  • ASR heeft een aanrijdingsformulier overgelegd dat door [gedaagde] is ingevuld en ondertekend op 5 juni 2020, waarop hij heeft vermeld dat hij met zijn voertuig (Ford Transit [kentekennummer]) op 12 mei 2020 omstreeks 23:18u betrokken was bij een ongeval op de De la Reyweg in Den Haag. De rechtbank gaat ervan uit dat mei een verschrijving is en dat april is bedoeld.
  • Drie [getuigen] hebben verklaard te hebben gezien dat op 12 april 2020 op de De la Reyweg in Den Haag een grijze Transit tegen een witte Ford Fiesta aanreed.
  • Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie volgt dat de grijze transit die is achtergelaten op de plaats van het ongeval, het voertuig met [kentekennummer] is. De Ford Fiesta is een witte auto met [kentekennummer].

4.9. Dat meer voertuigen dan de Ford Fiesta door [gedaagde] zijn geraakt - zoals in het proces-verbaal van bevindingen is beschreven - kan de rechtbank niet vaststellen. Geen van de gehoorde [getuigen] heeft hierover verklaard. Drie [getuigen] hebben verklaard dat zij de aanrijding zagen, dat de bestuurder uitstapte, een stuk bumper in zijn auto gooide en wegliep. Voor de stelling dat [gedaagde] daarna nog tegen twee auto's zou hebben aangereden - zoals ASR stelt onder 4 van de dagvaarding - ontbreekt voldoende bewijs. Dat in een proces-verbaal over de vermoedelijke toedracht afwijkende bevindingen zijn vermeld, terwijl niet is vermeld waarop dat is gebaseerd, is onvoldoende. In een als productie 1 overgelegd proces-verbaal van de politie is bovendien - in afwijking van dat proces-verbaal van bevindingen - vermeld dat mogelijk tegen voertuig [kentekennummer] is aangereden. Dat andere voertuigen dan de Ford Fiesta zijn aangereden door [gedaagde] kan dus niet met een redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld. [Gedaagde] is voor die gestelde schade niet aansprakelijk en dergelijke schade kan op hem niet worden verhaald. De polisvoorwaarden brengen voor deze schade, waarvoor aansprakelijkheid ontbreekt, geen verhaalsmogelijkheid richting [gedaagde] als verzekeringnemer mee. Zonder nadere toelichting kan ook - voor zover ASR dat stelt - niet worden aangenomen dat [gedaagde] uit de polisvoorwaarden heeft kunnen en moeten begrijpen dat ASR ook verhaal op hem zou kunnen nemen in het geval van schade waarvoor hij niet aansprakelijk is.

Schade

4.10. ASR heeft gesteld dat met de benadeelde van de Ford Fiesta ([kentekennummer]) een vaststellingsovereenkomst is gesloten op grond waarvan ASR aan totale (materiële en immateriële) schade € 18.000,- heeft betaald. Daarnaast is € 14.712,75 aan buitengerechtelijke kosten betaald, aan voertuigschade € 5.082,65 en aan expertisekosten € 91,25. De totale schade - waartegen geen verweer door [gedaagde] is gevoerd - komt op € 37.886,65. De vordering zal worden toegewezen tot dit bedrag. Voor toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht ziet de rechtbank geen aanleiding gelet op wat hiervoor is overwogen. Die vordering zal wegens gebrek aan belang (zoals bedoeld in art. 3:303 BW) worden afgewezen.

Proceskosten

4.11. [Gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op € 5.064,21 (wegens kosten dagvaarding: € 120,21, griffierecht: € 3.083,-, salaris advocaat: € 1.672,- (2 punten x tarief III van € 836,-) en nakosten: € 189,-, plus de eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing).

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan ASR te betalen een bedrag van € 37.886,65;

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.064,21, te betalen aan ASR binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
 

Met dank aan mr. Frank van Toorn, asr voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-240626


¹ Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen
² Microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
³ Onder meer omdat de redelijke termijn is overschreden.
⁴ ECLI:NL:RBDHA:2024:9296