RBMNE-200726
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-200726
beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/607379 / HA RK 26-28
Beschikking van 20 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster],
advocaat: mr. M.G.F. de Graaff-Bosch,
tegen
[verweerster] h.o.d.n. [bedrijfsnaam],
wonende te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster]
advocaat: mr. L. Barou.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met productie 1 t/m 10,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek met productie 1 t/m 11,
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2026, waarbij door mr. De Graaff-Bosch spreekaantekeningen zijn overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
2.1. [verzoekster] heeft brandwonden/brandblaren en vervolgens pigmentvlekken overgehouden aan een laserbehandeling bij [bedrijfsnaam]. Zij verzoekt in dit deelgeschil de vaststelling van aansprakelijkheid van [verweerster] hiervoor. De rechtbank wijst dit verzoek toe omdat [verweerster] bij de behandeling niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld.
3. De achtergrond van het deelgeschil
3.1. [bedrijfsnaam] is een schoonheidskliniek in [vestigingsplaats] waarvan [verweerster] de eigenaresse is. [verzoekster] kwam in 2023 voor het eerst als klant bij [verweerster].
3.2. In januari 2024 sprak [verzoekster] via Whatsapp ontharingsbehandelingen af met [verweerster]. De behandelingen zijn vervolgens gestart. Met behulp van een laserapparaat werden diverse plekken op het lichaam onthaard. Na al meerdere laserbehandelingen te hebben gehad, kreeg [verzoekster] na de laserbehandeling op 19 juni 2024 brandwonden/brandblaren op haar knieën en in de schaamstreek. De huid op de knieën en in de schaamstreek is hersteld maar in de schaamstreek resteren pigmentvlekken.
3.3. Op 2 september 2025 heeft [verzoekster] [verweerster] aansprakelijk gesteld. [verweerster] betwist de aansprakelijkheid. Daarop is [verzoekster] onderhavige procedure gestart.
4. De beoordeling
4.1. [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. In dit verband moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt in een letselschadekwestie. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.2. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de aansprakelijkheid van [verweerster]. Met een oordeel over dit deel van het geschil kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
De klachtplicht is niet geschonden
4.3. Als eerste verweer stelt [verweerster] dat [verzoekster] niet heeft voldaan aan de op haar rustende klachtplicht, doordat zij pas op 2 september 2025 aansprakelijk is gesteld. Deze aansprakelijkstelling kwam voor haar uit de lucht vallen omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de klachten slechts van korte duur waren geweest en er sprake was van volledig herstel van de huid.
4.4. Voor een geslaagd beroep op de klachtplicht van artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt als uitgangspunt dat de schuldeiser binnen bekwame tijd moet klagen nadat hij het gebrek in de prestatie heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken. Bij de beoordeling of aan deze klachtplicht is voldaan zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder het moment waarop de schade of tekortkoming voor de cliënt (voldoende) kenbaar werd en of de wederpartij door het tijdsverloop in haar belangen is geschaad.
4.5. De rechtbank overweegt dat uit de door [verzoekster] overgelegde Whatsappberichten van 20 juni 2024 blijkt dat al op de eerste avond na de behandeling door [verzoekster] is aangegeven dat zij pijn heeft en er roodheid en een branderig gevoel is ontstaan na de laatste laserbehandeling. [verweerster] heeft ook op dit bericht gereageerd en advies gegeven. Daarmee heeft [verzoekster] tijdig melding gemaakt van de klachten en kan niet worden aangenomen dat [verweerster] daardoor in haar belangen is geschaad of dat zij de klacht niet meer behoorlijk heeft kunnen onderzoeken. Dat [verzoekster] [verweerster] niet op de hoogte heeft gehouden van het verloop van het herstel maakt dit niet anders. Het verweer dat niet tijdig is geklaagd, wordt daarom verworpen.
Niet gehandeld als goed opdrachtnemer
4.6. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of [verweerster] is tekortgeschoten in haar verplichtingen en aansprakelijk is voor de door [verzoekster] gestelde gevolgen van de laserbehandeling op 19 juni 2024.
4.7. Het toetsingskader dat van toepassing is bij de beoordeling, is het handelen als goed opdrachtnemer in de zin van artikel 7:401 BW. De overeenkomst van opdracht tussen [verzoekster] en [verweerster] kan niet worden gekwalificeerd als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW. Dit omdat [verweerster] geen geneeskundig beroep of bedrijf uitoefent. Met [verzoekster] zijn geen handelingen op het gebied van de geneeskunst overeengekomen. Voor de overeenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] – waarbij het ging om een laserbehandeling in de kliniek van [verweerster] – kan echter wel enige aansluiting worden gezocht bij de wettelijke bepalingen en jurisprudentie met betrekking tot de geneeskundige behandelingsovereenkomst en eventuele beroepsfouten[1]. De rechtbank komt tot de conclusie dat [verweerster] niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan en dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
4.8. [verweerster] stelt dat zij voorafgaand aan de behandeling een huidtypeanalyse heeft uitgevoerd bij [verzoekster], informatie heeft verstrekt over de behandeling en vervolgens toestemming heeft gekregen van [verzoekster]. [verweerster] heeft ter onderbouwing hiervan een intake-, toestemming- en informatieformulier overgelegd. Daarnaast voert [verweerster] aan dat de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam] van toepassing waren op de behandeling van [verzoekster]. In deze algemene voorwaarden staan bepalingen over informatievoorziening, risico's van behandelingen, informed consent, nazorg en de verplichting van cliënten om relevante medische informatie te verstrekken en instructies op te volgen.
4.9. De rechtbank overweegt dat – zo maakt zij op uit de stukken en hetgeen besproken is op zitting – het verrichten van een huidtypeanalyse en uitgebreide informatievoorziening voorafgaand aan de behandeling noodzakelijk is voor een veilige en verantwoorde werkwijze, omdat van een laserapparaat bekend is dat een onjuiste hantering of instelling van het apparaat tot brandblaren en/of pigmentvorming kan leiden. De door [verweerster] overgelegde formulieren zijn geen door [verzoekster] ondertekende exemplaren en [verzoekster] betwist stellig dat deze formulieren en de algemene voorwaarden aan haar zijn verstrekt, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat [verweerster] daadwerkelijk een huidtypeanalyse heeft verricht en [verzoekster] voldoende heeft geïnformeerd over de risico's van de laserbehandelingen. Het valt bovendien te betwijfelen of de overgelegde algemene voorwaarden destijds al waren opgesteld en/of daar naar gehandeld werd. Zo staat daarin dat [bedrijfsnaam] een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft, hetgeen niet het geval was ten tijde van de behandelingen van [verzoekster]. [verweerster] heeft in dit kader ook wel naar voren gebracht dat haar praktijk nu professioneler is ingericht dan het destijds was. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat [verzoekster] niet alle informatie heeft gekregen die [verweerster] zegt dat zij heeft kregen en die zij nu aan haar cliënten verstrekt.
4.10. Uit de Whatsappberichten van 20 juni 2024 blijkt dat er iets niet goed gegaan is tijdens de behandeling op 19 juni 2024. Dit wordt ook niet betwist door [verweerster]. [verweerster] voert echter aan dat zij dit niet kon weten omdat zij [verzoekster] tijdens de behandeling regelmatig heeft gevraagd of de warmte wegtrok en of het goed ging. [verzoekster] zou hierop bevestigend hebben geantwoord. [verzoekster] gaf hiervoor ter zitting als verklaring dat zij door gebruik van een verdovende zalf geen pijn kon voelen.
4.11. Voor zover [verweerster] bedoeld heeft dat er sprake is van eigen schuld van [verzoekster], omdat ze tijdens de behandeling niet heeft aangegeven dat zij pijn ervoer, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Nog los van de vraag of er een verdovende zalf gebruikt is – hetgeen door [verweerster] wordt betwist – kan een behandelaar niet van een cliënt verwachten dat zij zelf aangeeft dat een behandeling te ver gaat. De verantwoordelijkheid voor de behandeling ligt bij de behandelaar. [verweerster] gebruikte het apparaat en werd geacht daar bekwaam in te zijn. Dat daarbij op 19 juni 2024 iets niet goed is gegaan – er horen immers geen brandblaren te ontstaan na een behandeling – ligt in haar domein. [verweerster] heeft bovendien ook geen behandelverslag (of iets dergelijks) kunnen overleggen over wat er precies gebeurd is. Daar komt nog bij dat niet is komen vast te staan dat [verzoekster] adequaat geïnformeerd is over de behandeling, de risico's en signalen van pijn tijdens de behandeling die direct gemeld zouden moeten worden. Goed voorstelbaar is bovendien dat [verzoekster] dacht dat enige pijn erbij hoorde.
4.12. De rechtbank constateert dat [verweerster] ook niet de nazorg heeft verleend die van haar als goed opdrachtnemer verwacht mocht worden. [verweerster] heeft kosteloos een crème en een zalf verstrekt, maar de rechtbank acht dit onvoldoende. [verzoekster] voerde ter zitting aan dat de crème en de zalf niet hielpen en niet bedoeld waren voor de behandeling van een huidverbranding. De rechtbank overweegt dat [verweerster] destijds bij de afwezigheid van eigen expertise [verzoekster] had moeten adviseren om naar de huisarts of een huidtherapeut te gaan. Mogelijk hadden zij een andere behandeling of middel geadviseerd/voorgeschreven waardoor een beter eindresultaat bereikt had kunnen worden.
4.13. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verweerster] niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld.
Schade door de behandeling
4.14. [verzoekster] heeft voldoende onderbouwd dat de pigmentvlekken het gevolg zijn van de behandeling op 19 juni 2024. Zij heeft een bericht van de huisarts overgelegd die onder andere noteert: “Objectief: ter plaatse van grote schaamlippen, mn rechts, grillige depigmentatie vlekken ter plaatse van verbranding; huid zelf lijkt qua structuur wel goed hersteld; knieën gda
Evaluatie: status na verbranding huid schaamlip
er is sprake van waarschijnlijk blijvende depigmentatie op de plek van de verbranding”.
De rechtbank maakt hieruit op dat de pigmentvlekken volgens de huisarts een logisch gevolg zijn van een verbranding en waarschijnlijk blijvend zijn. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat [verzoekster] meteen na de behandeling melding maakt van brandblaren en dat eerder geen pigmentenvlekken bij [verzoekster] zijn geconstateerd (bijvoorbeeld door [verweerster] bij de behandeling). Bovendien heeft [verweerster] hier te weinig tegenin gebracht. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank tot de vaststelling komt dat de pigmentvlekken door de behandeling zijn ontstaan.
4.15. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gevolgen van de laserbehandeling op 19 juni 2024.
Partijen kunnen de schaderegeling voortzetten
4.16. Tijdens de zitting heeft [verzoekster] aangegeven dat haar schade bestaat uit de kosten van de behandeling van de pigmentvlekken en smartengeld en hebben partijen een schikkingspoging gewaagd. Over de omvang van de gevolgen verschilden partijen echter nog teveel van mening waardoor een schikking niet mogelijk was.
4.17. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen met het oordeel in deze beschikking de onderhandelingen verder kunnen brengen. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen verder met elkaar in gesprek zullen treden over het bedrag dat gepaard zal gaan met het behandelen van de pigmentvlekken en een compensatie in lijn met de Rotterdamse schaal voor de doorgemaakte pijn en het ongemak.
[verweerster] moet de kosten van het deelgeschil vergoeden
4.18. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.19. [verzoekster] maakt aanspraak op (5:24 uur x € 275,-) € 1.796,85 incl. BTW voor het opstellen van het verzoekschrift en (ruim 6 uur x € 275,-) € 2.262,70 incl. BTW voor de overige werkzaamheden tot en met de zitting, dus totaal op € 4.059,55 incl. BTW te vermeerderen met het griffierecht. Volgens [verweerster] moeten de kosten worden gematigd, omdat het een relatief overzichtelijk geschil betreft met een beperkt feitencomplex. Daarnaast blijkt onvoldoende van omvangrijke juridische werkzaamheden die een substantiële kostenveroordeling rechtvaardigen.
4.20. De rechtbank volgt dit verweer tot op zekere hoogte en begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook op 9 uren × € 275,- excl. BTW, dus op € 2.994,75 incl. BTW te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,-. [verweerster] zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.
4.21. Tot slot merkt de rechtbank op dat voor een tegenverzoek zoals ingesteld door [verweerster] in haar verweerschrift – te weten een veroordeling van [verzoekster] tot vergoeding van de door [verweerster] gemaakte juridische kosten – geen plaats is in deelgeschil (nog los van de uitkomst van deze zaak) en laat dit daarom onbesproken.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. verklaart voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de laserbehandeling op 19 juni 2024,
5.2. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.994,75 incl. BTW te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,- en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze beschikking, en veroordeelt [verweerster] tot betaling daarvan aan [verzoekster].
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
[1] Zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2019:9004, Rechtbank Amsterdam, 7738817 CV EXPL 19-10057
Met dank aan mw. mr. M.G.F. (Babette) de Graaff-Bosch, BAEN Advocatuur voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-200726