RBROT-170426
- Meer over dit onderwerp:
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBROT-170426
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12039234 CV EXPL 26-74
datum uitspraak: 17 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident]
woonplaats: Maassluis,
eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, gemachtigde: mr. O. Arslan,
tegen
[Loonbedrijf B.V.],
vestigingsplaats: Bergschenhoek (gemeente Lansingerland), gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. M.R. Lauxtermann.
De partijen worden hierna ' [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident]' en '[Loonbedrijf B.V.]' genoemd.
1. De procedure
1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] van 15 december 2025, met bijlagen;
- de eis in het incident van [Loonbedrijf B.V.] van 4 februari 2026;
- het antwoord in het incident van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] van 18 maart 2026.
2. De beoordeling
In de hoofzaak
2.1. [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] vordert voor recht te verklaren dat [Loonbedrijf B.V.] als werkgever op grond van artikel 6:170 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van een ongeval op 24 februari 2025 en [Loonbedrijf B.V.] te veroordelen tot betaling van de geleden schade, op te maken bij staat.
In het incident
2.2. [Loonbedrijf B.V.] heeft gevorderd (1) [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident], onder verwijzing naar artikel 21, 22, 111 en 120 Rv, te bevelen de toedracht van het ongeval toe te lichten en de in de dagvaarding ontbrekende verweren aan te vullen en (2) [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] op grond van artikel 195 Rv te veroordelen aan haar te verstrekken (a) het procesdossier dat ten grondslag ligt aan de strafbeschikking en (b) het huisartsenjournaal van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] vanaf 4 februari 2024.
2.3. In zijn reactie heeft [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] terecht erop gewezen dat de artikelen 21, 22, 111 en 120 Rv geen grondslag bieden voor een incidentele vordering, maar dat de toepassing ervan een (discretionaire) bevoegdheid van de rechter is. Deze incidentele vordering wordt daarom afgewezen.
2.4. Over de vordering tot verstrekking van het strafdossier heeft [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] aangevoerd dat hij als aangever en benadeelde partij in de strafzaak is betrokken geweest, maar dat hij niet beschikt over het gehele procesdossier. Omdat gelet op de positie van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] in het strafproces geen aanleiding wordt gezien om hieraan te twijfelen, kan hij niet worden veroordeeld tot verstrekking van dat dossier. Dit deel wordt dus ook afgewezen. Dan de vordering tot verstrekking van het huisartsenjournaal. Daartegen is onder andere aangevoerd dat de discussie over de medische causaliteit thuis hoort in de schadestaatprocedure en dat het medisch dossier van de SEH van het ziekenhuis waar [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] is behandeld al als onderbouwing is overgelegd. Met [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] wordt geoordeeld dat verstrekking van het huisartsenjournaal in deze fase van de procedure als prematuur moet worden aangemerkt, omdat het nu eerst gaat over de aansprakelijkheid van [Loonbedrijf B.V.] en de aannemelijkheid van schade. Of daarvoor de wel beschikbare medische informatie voldoende is, moet natuurlijk nog worden beoordeeld in de hoofdzaak. De conclusie is echter dat ook dit deel van de vordering wordt afgewezen.
2.5. [Loonbedrijf B.V.] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] moet betalen op € 144,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 216,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Verder in de hoofdzaak
2.6. [Loonbedrijf B.V.] heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1. veroordeelt [Loonbedrijf B.V.] om aan [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] te betalen € 216,- voor de kosten van dit incident;
3.2. bepaalt dat [Loonbedrijf B.V.] op de rolzitting van woensdag 6 mei 2026 om 11:30 uur mag reageren op de dagvaarding;
3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
Met dank aan mr. Onur Arslan, Arslan & Arslan Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.
Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBROT-170426
