Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 120423 geen letsel; Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor autoschade door verhoging in uitrit

RBMNE 120423 geen letsel; Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor autoschade door verhoging in uitrit

2Waar gaat de zaak over?

2.1.

[geopposeerde] heeft op 26 september 2021 per auto het gebouw aan de [adres] in [plaats] bezocht voor een coronatest. Dit gebouw is vanaf de openbare weg alleen te bereiken via een in- en uitrit over een sloot (hierna: de uitrit). [geopposeerde] stelt dat hij bij het verlaten van het terrein via de uitrit schade heeft opgelopen aan de onderkant van zijn auto. Aan de rechteronderkant van de auto zijn krassen gekomen. Uit een door [geopposeerde] overgelegde offerte blijkt dat de herstelkosten € 2.269,52 zijn en dat de waarde van de auto door de krassen met € 200,- is verminderd. [geopposeerde] heeft de gemeente, als eigenaresse van het perceel waarop de uitrit zich bevindt, op 22 december 2021 aansprakelijk gesteld voor de schade, en de gemeente gesommeerd zijn schade te vergoeden.

2.2.

[geopposeerde] stelt dat het stenen wegdek op de uitrit slecht is, met een verhoging die aan de linkerkant - vanaf de [locatie] gezien - hoger is dan aan de rechterkant. Er ontbreken aan beide zijdes van de uitrit waarschuwingsborden- of tekens om hierop te wijzen.

2.3.

De gemeente heeft de gestelde aansprakelijkheid bij brief van 9 augustus 2022 afgewezen. Volgens de gemeente is sprake van een kleine verhoging in de uitrit en zou er bij langzaam naderen van de uitrit met een voertuig dat niet is verlaagd, geen schade aan het voertuig kunnen ontstaan. Als de schade al door de ophoging is veroorzaakt, dan gaat de gemeente ervan uit dat [geopposeerde] (aanzienlijk) harder heeft gereden dan 5 km per uur en/of dat zijn voertuig dermate verlaagd is dat deze de ophoging heeft kunnen raken.

2.4.

[geopposeerde] heeft vervolgens deze procedure aanhangig gemaakt en de veroordeling van de gemeente gevorderd tot betaling van een schadevergoeding van € 2.469,52, vermeerderd met de wettelijke rente en een veroordeling in de proceskosten. De gemeente is aanvankelijk niet verschenen in de procedure. De kantonrechter heeft verstek tegen haar verleend en heeft in het verstekvonnis van 2 november 2022 de vorderingen van [geopposeerde] toegewezen.

2.5.

De gemeente is het niet eens met het vonnis en komt hiertegen in verzet. Volgens de gemeente gaat het over een lichte verhoging in een uitrit, nabij een bocht. De situatie ter plaatse maakt het een ongevaarlijke situatie. Gezien de situatie ter plaatse en de beperkte verhoging van de uitrit heeft [geopposeerde] volgens de gemeente niet of onvoldoende aangetoond dat sprake is van een gebrek. [geopposeerde] heeft ook niet aangetoond dat de schade door de uitrit is veroorzaakt. Er is sprake van eigen schuld omdat [geopposeerde] zijn snelheid niet heeft verminderd. De gemeente vindt het ongeloofwaardig dat [geopposeerde] door de verhoging schade heeft geleden aan zijn auto terwijl hij met slechts 5 km per uur over de uitrit zou hebben gereden. De gemeente verzoekt daarom bij vonnis het verstekvonnis te vernietigen en de vorderingen van [geopposeerde] af te wijzen met veroordeling van [geopposeerde] in de proceskosten.

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3De beoordeling

3.1.

Het verzet van de gemeente is ongegrond; de kantonrechter zal het verstekvonnis bekrachtigen. De gemeente kan namelijk wel worden aangesproken op de schade van [geopposeerde] aan de auto. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.2.

De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt in beginsel aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade. Bij openbare wegen rust de aansprakelijkheid op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert. Dit volgt uit artikel 6:174 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.3.

Niet in geschil is dat de gemeente eigenaar is van de uitrit, zodat zij aansprakelijk is voor de goede staat van de uitrit.

3.4.

De rechter moet aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen welke eisen aan de opstal gesteld mogen worden. De bewijslast dat de opstal gebrekkig is, rust in beginsel op de benadeelde, maar de benadeelde hoeft daarbij alleen aannemelijk te maken dat het gevaar dat uit de gebrekkige toestand voortvloeit, zich heeft verwezenlijkt. Het is aan de bezitter van de opstal om het vermoeden van gebrekkigheid te ontzenuwen.

3.5.

Gelet op de foto’s van de verhoging in de uitrit, die op de uitrit niet herkenbaar is als een verkeersdrempel en waarvoor geen waarschuwingsborden zijn geplaatst, de overige stukken en het verhandelde ter zitting, heeft [geopposeerde] voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitrit gebrekkig is, waardoor aan een auto die over deze verhoging rijdt, schade kan ontstaan. De kantonrechter is van oordeel dat de gemeente onvoldoende heeft aangevoerd om het vermoeden van gebrekkigheid van de uitrit, waarvoor de gemeente als bezitter aansprakelijk

is, te ontzenuwen. De gemeente stelt dat de verhoging niet gebrekkig is omdat het niet tot schade leidt als de bestuurder van een auto met een passende snelheid over de uitrit rijdt. De gemeente heeft dit echter niet onderbouwd met een expertiserapport, wat wel van haar verwacht mocht worden.

3.6.

De gemeente stelt alleen dat sprake is van een lichte verhoging van 7 centimeter, minder hoog dan de 8 à 12 centimeter verhoging bij een normale verkeersdrempel, zodat de verhoging gezien de situatie ter plekke - nabij een bocht -, niet gevaarlijk is, maar onderbouwt dit verder niet. Daartegenover staat de door [geopposeerde] onderbouwde betwisting. De verhoging in het wegdek is niet herkenbaar en niet aangelegd als een verkeersdrempel en aan beide zijdes van de in- en uitrit ontbreken waarschuwingsborden om op de verhoging te wijzen.

3.7.

De gemeente gaat er vanwege de door [geopposeerde] gestelde schade vanuit dat de auto van [geopposeerde] verlaagd is of dat hij op de uitrit (veel) te hard heeft gereden. Volgens de gemeente kan dit de enige verklaring zijn voor het ontstaan van de schade. [geopposeerde] heeft uitdrukkelijk betwist dat zijn auto verlaagd is en dat hij te hard heeft gereden. [geopposeerde] stelt dat hij 5 km per uur reed. De moeder van [geopposeerde] zat als bijrijder in de auto toen [geopposeerde] over de uitrit reed, en zij heeft dit op de zitting ook bevestigd. Volgens de gemeente kan door de verhoging pas schade ontstaan als daarover met een snelheid van 80 à 90 km per uur wordt gereden. Het is echter zeer ongeloofwaardig dat [geopposeerde] met een dergelijke snelheid over de verhoging heeft gereden: [geopposeerde] heeft na het verlaten van de testlocatie eerst een bocht naar rechts moeten maken voordat hij over de uitrit kon rijden. Bovendien komt de uitrit direct uit op een weg (de [locatie] ) waarover verkeer rijdt en waarvoor de bestuurder ook op tijd moet kunnen afremmen. Bovendien is de verklaring van de gemeente dat [geopposeerde] veel te hard heeft gereden in tegenspraak met de stelling van de gemeente dat de situatie ter plaatse - nabij een bocht - de verhoging niet gevaarlijk maakt. Ook de stelling van de gemeente dat [geopposeerde] op de heenweg, bij het betreden van de uitrit, geen schade heeft opgelopen, zodat hij op de terugweg, bij het verlaten van de uitrit, dus te hard moet hebben gereden is niet aannemelijk. [geopposeerde] heeft aan de hand van foto’s van de verhoging voldoende aannemelijk gemaakt dat de verhoging over de breedte van de uitrit schuin verloopt, waardoor de verhoging op de uitrit aan de rechterzijde (op de heenweg) lager is dan de verhoging aan de linkerzijde (op de terugweg). De stelling van de gemeente dat zij nooit eerder een melding heeft ontvangen over de verhoging, is ook onvoldoende om aan te nemen dat de verhoging geen gebrek vormt. [geopposeerde] heeft erop gewezen dat er bij de verhoging in het wegdek van de uitrit verschillende witte krassen op het wegdek te zien zijn. Dat heeft hij onderbouwd aan de hand van een duidelijke foto van het wegdek. De krassen wijzen er op dat er al eerder auto’s het wegdek moeten hebben geraakt. De conclusie is dan ook dat de gemeente aansprakelijk is voor haar gebrekkige weg.

3.8.

De gemeente betwist tevergeefs dat de door [geopposeerde] gestelde schade is veroorzaakt door de verhoging in haar weg. Volgens de gemeente kan de schade er al zijn geweest of elders zijn ontstaan. [geopposeerde] heeft echter voldoende onderbouwd dat hij op 26 september 2021 en op de dagen direct na het passeren van de uitrit contact heeft gezocht met de gebruiker van het bedrijventerrein, het coronatestbedrijf, met de gemeente, en met een advocaat om de schade te verhalen. Kort daarna is [geopposeerde] naar een garage gegaan om de schade te laten beoordelen en heeft hij zijn verzekeraar ingeschakeld om een rapport te laten maken. De kantonrechter vindt het daarom voldoende aannemelijk dat de door [geopposeerde] gestelde schade aan de onderkant van de auto op 26 september 2021 is veroorzaakt door de verhoging in de uitrit. De hoogte van de gestelde schade is op zichzelf niet betwist. De gemeente is daarom aansprakelijk voor de schade als gevolg van de gebrekkige opstal van € 2.469,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2021.

3.9.

De gemeente zal, als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden veroordeeld. De proceskostenveroordeling in het verstekvonnis blijft in stand. Daarnaast moet de gemeente de proceskosten van [geopposeerde] in de verzetprocedure betalen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [geopposeerde] vastgesteld op € 199,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 199,00).ECLI:NL:RBMNE:2023:1535