Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 070222 auto rijdt uit uitrit komende snorfietser aan; gemeente niet aansprakelijk voor hoge haag langs weg en uitrit; niet als wegbeheerder en ook niet als eigenaar terrein

RBOBR 070222 auto rijdt uit uitrit komende snorfietser aan; niet aansprakelijk obv art 19 RVV; hoefde geen rekening te houden met verkeersgedrag snorfietser
gemeente niet aansprakelijk voor hoge haag langs weg en uitrit; niet als wegbeheerder en ook niet als eigenaar terrein
kosten gevorderd en begroot, niet toegewezen, obv 18 uren x € 245,00 + BTW = € 5.336,10 

3 De feiten waarover partijen het eens zijn

3.1.
Op 27 juli 2017 verliet [verzoekster] , rijdend op haar snorfiets, een uitrit aan het Loopsteegje in Sint-Michielsgestel. [verzoekster] is toen aangereden door een auto die in het Loopsteegje reed. [verzoekster] heeft daarbij letsel opgelopen.

3.2.
De auto werd bestuurd door mevrouw [A] (hierna: [A] ). De auto was voor aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

3.3.
Uit de rijrichting van de auto van [A] gezien, kwam [verzoekster] uit de uitrit van een perceel aan de rechterzijde van het Loopsteegje. [verzoekster] heeft geen voorrang verleend aan de auto.

3.4.
Op het perceel dat [verzoekster] verliet, bevindt zich een rijbak voor paarden, evenwijdig aan het Loopsteegje. Tussen de rijbak en het Loopsteegje staat een haag. Uit het standpunt van [verzoekster] bij het verlaten van de uitrit gezien bevond die haag zich aan haar linkerzijde.

4 Het verzoek van [verzoekster]

4.1.
verzoekt zakelijk weergegeven dat de rechtbank:
1. primair voor recht verklaart dat Achmea en de Gemeente jegens [verzoekster] aansprakelijk zijn voor de door haar geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval op 27 juli 2017 en daarmee (of op grond van artikel 7:954 BW) gehouden zijn tot vergoeding van de schade,
2. subsidiair voor recht verklaart dat Achmea en de Gemeente jegens [verzoekster] aansprakelijk zijn voor de door haar geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval op 27 juli 2017 en daarmee (of op grond van artikel 7:954 BW) gehouden zijn tot vergoeding van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage van de schade,
3. de kosten van [verzoekster] , zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv begroot op € 5.336,10, althans een in goede justitie te bepalen bedrag,
4. Achmea en de Gemeente hoofdelijk veroordeelt om het hiervoor onder 3 bedoelde bedrag te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en het bedrag te vermeerderen met wettelijke rente als niet binnen die termijn is betaald.

4.2.
[verzoekster] grondt de aansprakelijkheid van Achmea op artikel 6:162 BW, onrechtmatige daad. Primair op basis van overtreding van artikel 19 RVV 1990, subsidiair op basis van handelen in strijd met wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Volgens [verzoekster] heeft [A] haar snelheid onvoldoende aangepast aan de situatie ter plaatse, waardoor zij haar auto niet tijdig tot stilstand kon brengen en de aanrijding niet kon voorkomen. Zij had stapvoets moeten rijden. [A] heeft niet stapvoets gereden, getuige de forse schade aan de auto en de snorfiets en het feit dat [A] nog 10-12 meter is doorgereden voordat zij tot stilstand kwam.

4.3.
De aansprakelijkheid van de Gemeente baseert [verzoekster] op het volgende. Allereerst is de Gemeente aansprakelijk als wegbeheerder (6:174 BW en 6:162 BW). Volgens [verzoekster] is de weg (het Loopsteegje) gebrekkig. De haag is samen met de berm een onderdeel van het weglichaam. De haag was zo hoog dat die het zicht ontnam aan zowel [verzoekster] als [A] . De Gemeente had de haag moeten snoeien. Bovendien is de weginrichting gebrekkig, omdat er geen waarschuwingsborden of spiegels waren geplaatst. De Gemeente heeft ook onrechtmatig gehandeld, want in strijd met het bepaalde in artikel 15 lid 3 van de Wegenwet heeft zij niet voldaan aan de plicht tot het onderhouden van de berm.

Op de tweede plaats is de Gemeente ook als eigenaar van de haag aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen. De eigenaar van een haag moet ervoor zorgen dat deze geen hinder of gevaar voor anderen oplevert. Door de haag niet te snoeien heeft de Gemeente gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Ook handelt zij daardoor in strijd met een wettelijke plicht. De Bomenverordening van de Gemeente bepaalt namelijk dat een rechthebbende van onder meer een haag die aan het normale gebruik van de openbare ruimte hinder of gevaar kan opleveren, verplicht is deze te snoeien, op te binden of te verwijderen na aanschrijving door burgemeester en wethouders.

4.4.
Achmea en de Gemeente betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoekster] .

4.5.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna verder ingaan, voor zover nodig voor de beoordeling van het geschil.

5 De beoordeling

5.1.
[verzoekster] heeft het verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot 1019cc Rv). Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of Achmea en de Gemeente aansprakelijk zijn voor het [verzoekster] overkomen ongeval en de door [verzoekster] geleden schade moeten vergoeden. Beantwoording van deze vragen kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling. Daarmee komt het verzoek van [verzoekster] voor behandeling in een deelgeschilprocedure in aanmerking.

Achmea is niet aansprakelijk

5.2.
Zoals gezegd baseert [verzoekster] de aansprakelijkheid van Achmea wegens onrechtmatig handelen primair op overtreding van artikel 19 RVV door [A] . Ingevolge artikel 19 RVV moet de bestuurder in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Het gaat erom of [A] haar snelheid voldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse. Volgens [verzoekster] is dat niet het geval. De rechtbank volgt [verzoekster] hierin niet.

5.3.
Uit de stellingen van partijen en de overgelegde foto’s blijkt dat vlak voor de plaats van het ongeval het Loopsteegje aan weerszijden is begrensd door begroeiing op vrij korte afstand van het wegdek. Bezien vanuit de rijrichting van [A] is meteen na de begroeiing aan de rechterzijde van de weg (de haag) de uitrit waar [verzoekster] uit kwam.

Vast staat dat [verzoekster] zonder te stoppen de weg is opgereden. Met welke snelheid zij dat deed is niet bekend. [verzoekster] stelt dat zij stapvoets reed omdat ze geen zicht had op de weg, terwijl Achmea stelt dat zij volgens [A] veel harder reed. Wat die snelheid was is echter niet relevant. Het gaat erom dat [verzoekster] zonder te stoppen de weg is opgereden.

5.4.
De rechtbank overweegt dat van een automobilist in zijn algemeenheid mag worden verwacht dat deze anticipeert op weggebruikers die vanuit een oprit de weg opkomen en dat hij daar – zoals uit artikel 19 RVV voortvloeit – zijn snelheid op aanpast. Achmea stelt dat [A] dat ook heeft gedaan. [A] reed volgens Achmea veel langzamer dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u, omdat zij ter plaatse bekend is en weet dat ze op die plek rustig moet rijden. Zij was net door de bocht gekomen en reed nog in de tweede versnelling. Dat is door [verzoekster] niet gemotiveerd betwist, maar met welke snelheid [A] dan wel reed is niet bekend. De door [verzoekster] ingeschakelde deskundige doet daar geen uitspraak over. De stelling van [verzoekster] is echter dat [A] , gelet op haar bekendheid met de situatie ter plaatse – de mogelijke aanwezigheid van overstekende meisjes met paarden en de hoge haag die het zicht op de uitrit belemmerd – er rekening mee had behoren te houden dat er iemand uit de uitrit de weg op komt en zij om die reden haar weggedrag had behoren aan te passen door stapvoets te rijden. Die stelling gaat niet op. De door [verzoekster] genoemde omstandigheden brengen weliswaar mee dat [A] haar snelheid diende aan te passen in die zin dat van haar mocht worden verwacht dat zij langzamer zou rijden dan de geldende maximumsnelheid, maar dit brengt nog niet mee dat zij stapvoets diende te rijden. Zoals volgt uit de niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling van Achmea, heeft [A] ook langzamer gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u. Uit de enkele omstandigheid dat de aanrijding met [verzoekster] heeft plaatsgevonden kan niet worden afgeleid dat [A] haar snelheid onvoldoende heeft gematigd. [verzoekster] is immers met haar snorfiets vanaf – volgens haar – het midden van de uitrit – en daarmee in elk geval niet vanaf rechts van de uitrit – en vanachter een hoge haag zonder te stoppen in de richting van de haar tegemoetkomende [A] het Loopsteegje opgereden. Zij is daarmee zeer plotseling voor [A] verschenen. Met dit verkeersgedrag behoefde [A] geen rekening te houden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat [A] niet in strijd heeft gehandeld met het voorschrift van artikel 19 RVV. De subsidiaire grondslag voor onrechtmatig handelen van [A] is dat zij heeft gehandeld in strijd met wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [verzoekster] voert daarvoor echter hetzelfde aan als voor het beroep op overtreding van artikel 19 RVV, namelijk dat [A] had moeten anticiperen en haar snelheid had moeten aanpassen. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ook deze grondslag niet slaagt.

5.5.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [A] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld. Het beroep van Achmea op eigen schuld behoeft daarom geen bespreking. Het verzoek jegens Achmea wordt afgewezen.

De Gemeente is niet aansprakelijk

5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de haag langs het Loopsteegje de weg niet gebrekkig maakt zoals bedoeld in artikel 6:174 BW. Voor de toepassing van artikel 6:174 BW moet onder een openbare weg mede de daarbij behorende berm worden begrepen indien wegdek en berm feitelijk zodanig op elkaar zijn afgestemd dat zij als één geheel behoren te worden beschouwd voor zover het gaat om de vraag of de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831). De rechtbank is het met de Gemeente eens dat dat in dit geval niet aan de orde is. Gesteld noch gebleken is dat de berm in dit geval bijvoorbeeld als veilige uitwijkmogelijkheid voor verkeersdeelnemers diende. Het verweer van de Gemeente op dit punt slaagt.

5.7.
[verzoekster] betoogt in het kader van het beroep op artikel 6:174 BW ook dat de weginrichting gebrekkig was omdat er geen waarschuwingsborden of spiegels waren geplaatst. Ook dat volgt de rechtbank niet. De uitrit waar [verzoekster] uit kwam komt uit op de openbare weg. Degene die zich vanuit een uitrit op de openbare weg wil begeven is gehouden voorrang te verlenen aan het verkeer op de weg. [verzoekster] heeft als productie 2 meerdere foto’s overgelegd van de situatie ter plekke. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende zicht is op het Loopsteegje om te zien of er zich verkeer op de weg bevindt. De rechtbank verwijst ter illustratie naar de volgende foto’s.

Afbeelding 1

De in afbeelding 1 ingetekende rode lijn ligt in het verlengde van het pad waar [verzoekster] uit kwam. Duidelijk is te zien dat er nog enige afstand zit tussen het einde van de haag (rechts in beeld) en de rode lijn die in het verlengde ligt van het pad waar [verzoekster] uit kwam.

Afbeelding 2

Ook op afbeelding 2 is te zien dat er voldoende ruimte is op de oprit om zich zodanig op te stellen teneinde zich ervan te kunnen vergewissen of er verkeer aankomt in het Loopsteegje.

Afbeelding 3

Afbeelding 3 tot slot laat het gezichtspunt zien van de andere kant ten opzichte van de afbeeldingen 1 en 2. Ook afbeelding 3 laat naar het oordeel van de rechtbank duidelijk zien dat er vanaf de uitrit voldoende zicht was op het Loopsteegje. De rechtbank deelt dan ook niet het oordeel van de door [verzoekster] geraadpleegde verkeersdeskundige [deskundige] , die stelt dat de haag het zicht op zowel de weg (voor [verzoekster] ) als op de uitrit (voor [A] ) volledig ontnam.

5.8.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de situatie ter plaatse, er geen noodzaak was voor het plaatsen van waarschuwingsborden of een spiegel. Ook wanneer ervan uit wordt gegaan dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten, is er geen grond om te concluderen dat het ontbreken van waarschuwingsborden en een spiegel maakt dat er sprake is van een gebrekkige opstal. De Gemeente voert terecht aan dat een waarschuwingsbord ziet op het beïnvloeden van het weggedrag van [A] (dus het verkeer op het Loopsteegje), niet dat van het verkeer dat van de uitrit komt. Niet valt in te zien dat een waarschuwingsbord het ongeluk zou hebben voorkomen. Het is immers [verzoekster] geweest die zonder te stoppen het Loopsteegje is ingereden. Dat [A] onvoldoende oplettend is geweest blijkt nergens uit. Met betrekking tot de spiegel voert de Gemeente terecht aan dat er voldoende zicht was vanaf de uitrit op het Loopsteegje, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] er nog op gewezen dat er op 12 november 2019 ook nog een ongeval is gebeurd in het Loopsteegje. Gesteld noch gebleken is echter dat dat is gebeurd op dezelfde plaats als het ongeval van [verzoekster] , terwijl ook niet duidelijk is wat de toedracht van dat ongeval was. De rechtbank gaat daar daarom aan voorbij.

5.9.
De volgende vraag is of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een op haar rustende zorgplicht tot het snoeien van de haag te hebben geschonden. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Kelderluikcriteria. Die luiden als volgt. Het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie is onrechtmatig, als een ander daarmee aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Daarbij dient te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136, Kelderluik).

5.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat de haag niet is geplant door de Gemeente, maar door de eigenaar van het perceel Loopsteegje 1(a). Vast staat ook dat de haag (deels) op grond van de Gemeente is geplaatst, in elk geval het gedeelte dat eindigt bij de uitrit. De Gemeente stelt dat zij er niet mee bekend was dat de haag (deels) op haar grond stond. Volgens [verzoekster] had de Gemeente daarmee wel bekend moeten zijn, maar dat volgt de rechtbank niet. Het enkele feit dat er in de jaren na het plaatsen van de haag werkzaamheden zijn uitgevoerd in het Loopsteegje door de Gemeente en dat er in 2014 een omgevingsvergunning is afgegeven voor het perceel Loopsteegje 1(a), zoals [verzoekster] heeft gesteld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Gemeente ermee bekend had moeten zijn dat de haag (deels) op haar grond stond. Volgens de Gemeente was er bij die gelegenheden geen aanleiding om de kadastrale grenzen te controleren of de perceelsgrenzen uit te meten. Dat is door [verzoekster] niet weersproken. De Gemeente wijst er ook op dat het kadastraal natrekken van illegaal in gebruik genomen grond verder geen prioriteit heeft binnen het handhavingsbeleid van de Gemeente. Ook wordt niet bij elke (weg)inspectie gecontroleerd en nagemeten of de kadastrale grenzen in overeenstemming zijn met het feitelijk gebruik, te meer omdat dat zeer tijdrovend en kostbaar is. De rechtbank is van oordeel dat inderdaad niet van een gemeente kan worden verlangd dat zij, zonder directe aanleiding, nagaat of er hagen op haar grond worden geplaatst. Een dergelijke controle zou periodiek moeten plaatsvinden, wat, zoals de Gemeente terecht aanvoert, tijdrovend en kostbaar is, afgezet tegen wat die inspanningen zouden opleveren. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de Gemeente van het bestaan van de haag op haar grond op de hoogte had moeten zijn.

5.11.
Dat de Gemeente niet van het bestaan van de haag op de hoogte was en daarvan ook niet op de hoogte had moeten zijn, betekent ook dat het niet de Gemeente is geweest die een (gestelde) gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen of heeft laten voortbestaan. Voor zover het gaat om een situatie die door een ander in het leven is geroepen, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank er geen algemene plicht is voor de Gemeente om een haag die door een ander op haar grond is geplant te snoeien of ervoor te zorgen dat er vanaf een erf vrij en onbelemmerd zicht is op de openbare weg. Toepassing van de Kelderluikcriteria leidt daarom niet tot de conclusie dat de Gemeente een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

5.12.
Het volgende verwijt is dat de Gemeente niet heeft voldaan aan artikel 15 lid 3 de Wegenwet. Die bepaling luidt als volgt:

Tot het onderhoud van een weg als in het eerste en het tweede lid bedoeld, behoort mede het onderhoud van een tot dien weg behoorenden berm of een tot dien weg behoorende bermsloot, echter slechts voor zoover het onderhoud van den berm of de bermsloot dient ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van den weg en voor zoover het onderhoud niet, uit welken hoofde ook, tot de verplichting van anderen behoort.

De Gemeente voert hiertegen onder meer aan dat de Wegenwet slechts algemene kaders en richtlijnen verstrekt om de openbare ruimte adequaat in te delen en te onderhouden. Zij beoogt niet tegen het specifieke gevaar van letsel door belemmering zicht door beplanting in het zomerseizoen te beschermen. Dit verweer slaagt. Artikel 15 lid 3 van de Wegenwet gaat over de bruikbaarheid van de weg, niet over het waarborgen van onbelemmerd uitzicht vanaf een erf ter voorkoming van ongelukken. Uit de overgelegde foto’s duidelijk blijkt dat de haag geen belemmering vormt voor de bruikbaarheid van de weg. Er is duidelijk zichtbaar ruimte tussen de rand van het wegdek en de haag. Volgens de door [verzoekster] ingeschakelde deskundige gaat het om circa 0,5 meter. Dat is meer dan voldoende om de weg bruikbaar te laten zijn voor het verkeer dat daarover rijdt.

5.13.
Tot slot stelt [verzoekster] nog dat de Gemeente in strijd met de plaatselijke Bomenverordening heeft gehandeld. Artikel 10 van die verordening luidt als volgt:

Artikel 10 gevaarlijke of hinderlijke beplanting

De rechthebbende op een boom, haag of struik of andere beplanting welke aan het normale gebruik van de openbare ruimte hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door burgemeester en wethouders, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.

De Gemeente heeft de haag niet gesnoeid en daarmee niet voldaan aan dit artikel, aldus [verzoekster] .

5.14.
De Gemeente betwist dat artikel 10 van de Bomenverordening van toepassing is. Volgens de Gemeente is zij niet de rechthebbende van de haag, maar is dat degene die de haag heeft geplaatst, de eigenaar van het perceel Loopsteegje 1(a). Hij heeft de haag (deels) op gemeentegrond geplaatst en heeft de haag onderhouden. Er is sprake van bezitsdaden, zodat de eigenaar van Loopsteegje 1(a) de bezitter is van de haag.

5.15.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op schending van artikel 10 van de Bomenverordening hoe dan ook niet slaagt, omdat [verzoekster] niet heeft gesteld dat er sprake is geweest van een aanwijzing door burgemeester en wethouders zoals in dat artikel bedoeld. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de haag geen gevaar of hinder oplevert aan het normale gebruik van de openbare ruimte, omdat verkeer komend vanaf de uitrit met de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid zonder gevaar of hinder de weg op kan rijden. De rechtbank verwijst naar wat zij daarover onder 5.7 en 5.8 heeft overwogen.

5.16.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat de Gemeente onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld. Het beroep van de Gemeente op eigen schuld behoeft daarom geen bespreking. Het verzoek jegens de Gemeente wordt afgewezen.

Kosten deelgeschil

5.17.
Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Dat is alleen anders als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank zal dus in overeenstemming met artikel 1019aa Rv de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] begroten. Volgens [verzoekster] bedragen de kosten € 5.336,10 (18 uren à € 245,00 + BTW).

5.18.
De Gemeente acht het uurtarief redelijk, echter niet voor zover het reistijd betreft (1 uur). Verder ontbreekt een specificatie van de post ‘correspondentie, telefoon, beschikking et cetera’ (2 uur). De Gemeente acht daarom een begroting van de kosten op € 4.743,20 (16 uren à € 245,00 + BTW) gerechtvaardigd. Volgens de Gemeente moet dit nog worden verminderd met het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] .

5.19.
Achmea acht begroting van de kosten op € 3.557,40 gerechtvaardigd (12 uren à € 245,00 + BTW). De casus is niet ingewikkeld en er wordt een specialistentarief gerekend, wat impliceert dat de zaak efficiënter kan worden behandeld. Ook dit bedrag moet nog worden verminderd met het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster]

5.20.
De rechtbank verwerpt de verweren van de Gemeente en Achmea. De specificatie van de werkzaamheden is weliswaar beknopt, maar de rechtbank acht een tijdsbesteding van 18 uren (inclusief een uur voor reistijd tegen specialistentarief) voor een zaak als deze niet onredelijk. Het beroep op vermindering met het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] is niet aan de orde, omdat de verzoeken tot vaststelling van aansprakelijkheid van de Gemeente en Achmea worden afgewezen. De rechtbank zal de kosten daarom conform de opgave van [verzoekster] begroten op € 5.336,10. ECLI:NL:RBOBR:2022:349