Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 080223 Gemeente aansprakelijk voor scooterongeval bij ernstige oneffenheid inspectieput; geen ES; mate van alcoholgebruik niet komen vast te staan

RBROT 080223 Gemeente aansprakelijk voor scooterongeval bij ernstige oneffenheid inspectieput; geen ES; mate van alcoholgebruik niet komen vast te staan

locatie ongeval: https://goo.gl/maps

2
De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of de Gemeente jegens [naam01] aansprakelijk is voor de schade die [naam01] heeft geleden als gevolg van het ongeval dat hem op 8 april 2017 is overkomen, en indien dit zo is, of en zo ja in hoeverre [naam01] eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval.

2.2.
Aan de door partijen ingenomen standpunten ten aanzien van de toedracht van het ongeval ligt een discussie tussen hen ten grondslag over wat het hoogteverschil is tussen het wegdek en een inspectieput op de plaats waar [naam01] met zijn scooter ten val is gekomen en bij welk hoogteverschil sprake is van een oneffenheid in de zin van de CROW-richtlijnen. De door partijen in het geding gebrachte deskundigenberichten leiden allebei tot een andere uitkomst. Om die reden heeft de rechtbank in het tussenvonnis een onderzoek bevolen door [naam02] , [naam functie01] bij Wegenadviesbureau te Apeldoorn (hierna: de deskundige), om voorgelicht te worden over het antwoord op de vragen op welke manier dit hoogteverschil tussen het wegdek en de inspectieput moet worden gemeten, tot welk hoogteverschil dit dan leidt, en bij welk hoogteverschil sprake is van een grove oneffenheid in de zin van de CROW-richtlijnen.

Het deskundigenbericht

2.3.
In het rapport van 19/20 april 2022 is de deskundige ingegaan op de aan hem voorgelegde vragen. De inhoud van het rapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ 1.
Beantwoording vraag 1 van het vonnis

Algemeen :
 ( ... )
 In veel producties en rapportages wordt gesproken over de “putdeksel”. Dat is echter onjuist. De putdeksel is een onderdeel van de inspectieput. De inspectieput ligt hoger dan het wegdek en niet de putdeksel. In navolgende teksten wordt “inspectieput” of “put” aangehouden.

Vraag 1a :
Welke van de in de verschillende rapportages (producties) beschreven meetwijze is de juiste?

Antwoord 1a :
Geen van de gehanteerde meetwijze is juist.

Vraag 1b :
Waarom is dat het geval?

Antwoord 1b :
De gehanteerde meetwijzen in de verschillende rapportages zijn onjuist omdat deze niet conform de richtlijnen vermeld in het Handboek zijn uitgevoerd.

2
Beantwoording vraag 2 van het vonnis

Vraag 2:
Indien beide deskundigen een verkeerde meetwijze hanteren wilt u dan een beschrijving geven hoe conform CROW richtlijnen gemeten dient te worden.

Antwoord op vraag 2:

2.1
Verwijzing tekst Handboek zie bijlage 1 en 2

Verwezen wordt naar bijlage 1 en 2 waarin is aangegeven hoe de meetwijze van verschillende oneffenheden in het CROW Handboek Visuele Inspectie 2011 wordt beschreven en wat de motivatie is van deze ernstbepaling.

( ... )

2.2.
Procedurele meetwijze plaatselijke ophogingen

Op basis van het Handboek is de meetwijze als volgt:
1. Leg het midden van de rei op het hoogste punt van de oneffenheid, de rei moet tijdens de meting horizontaal (waterpas) worden gelegd c.q. gehouden;
2. Bepaal aan de uiteinden van de rei van 1.20m1 de grootste afstand tussen rei en wegdek;
3. Meet deze afstand tussen rei en wegdek en vergelijk de gemeten waarde met de ernstklassen die gelden voor oneffenheden vermeld in het Handboek: (Licht: 5-15 mm.; Matig: 16-30 mm.; Ernstig: >30 mm.). In de navolgende fotoserie worden voorgaande stappen weergegeven:
( ... )
3. Daar waar zich de grootste afstand tussen wegdek en rei bevindt wordt gevonden, wordt met een meting, in dit geval een wig, aan het uiteinde van de rei de afstand in mm. bepaald. In onderhavige situatie spreekt men van een ernstige oneffenheid (Al) omdat de grootste afstand tussen uiteinde rei en wegdek circa 45 mm bedraagt hetgeen > 30 mm. is en de oneffenheid als Ernstig wordt betiteld. Let op: voor het bepalen van de ernst blijft altijd het midden van de rei (de bel) op het centrum van de put gesitueerd.

3
Beantwoording vraag 3 van het vonnis

3.1
Vraag 3a:
Kunt u op basis van voorliggende informatie een uitlating
 doen over de hoogte van de oneffenheid?

3.2
Vraag 3b:
Zo ja hoeveel bedraagt dan het hoogteverschil?

Antwoord vraag 3a:
Ja, ik kan een schatting maken van het hoogteverschil op basis van het fotomateriaal en de tekeningen.

( ... )

Antwoord vraag 3b:
De ernstigste maat bedraagt 40 tot 45 mm. De ernst van de oneffenheid valt in ernstklasse > 30 mm. en is derhalve een Ernstige oneffenheid (E).

4
Beantwoording vraag 4 van het vonnis

Vraag 4
Wanneer is er conform de CROW-richtlijnen sprake van een grove oneffenheid, op een doorgaande verharde weg, waarvoor direct optreden vereist is?

Opmerking: In vraag 4 wordt gesproken van een “grove” oneffenheid. Dat is niet de benaming zoals die in de teksten van het Handboek wordt gehanteerd. Ik neem aan dat met een grove oneffenheid wordt bedoeld een “ernstige” oneffenheid conform het Handboek.

Antwoord vraag 4:

Nee, in de CROW richtlijnen wordt niet in detail aangegeven bij welke situaties een verkeersonveilige situatie ontstaat waar direct optreden vereist. Er wordt gesproken van direct optreden bij een verkeersonveilige situatie. Er wordt niet ingegaan wat verkeersonveilig is. Wel zijn in het Handboek Visuele Inspectie 2011 en het Handboek Wegbeheer 2011 beleidsuitgangspunten met betrekking tot duurzaamheid, verkeersveiligheid en discomfort verdisconteerd in de ernstklassen van de schades. De ernst- en omvangsklassen van schades in relatie tot de soort weg (wegtypes) bepalen het planjaar en welke onderhoudsmaatregel in dat jaar getroffen dienen te worden. (…)

4.1
Toelichting antwoord vraag 4

( ... ) De CROW geeft dus aan dat ernstige oneffenheden makkelijk gevaarlijk kunnen zijn maar dat deze niet per definitie gevaarlijk zijn. De CROW gaat er vanuit dat ernstige oneffenheden direct (bij melding) of in het lopend jaar worden gerepareerd. In ieder geval binnen afzienbare tijd.

( ... )

4.4
Conclusie antwoord vraag 4

Geconcludeerd wordt dat:
 In de CROW richtlijnen is de verkeersveiligheid verdisconteerd. Indien er sprake is van ernstige oneffenheden kan dat volgens Wegbeheer 2011 gemakkelijk tot gevaarlijke situaties leiden;
( ... )
 Gelet op de eerder genoemde toelichting van CROW beleidsthema Veiligheid en in relatie met het duidelijk grotere hoogteverschil dat is geconstateerd (minimaal 40 mm) kan men spreken van een gevaarlijke situatie en was direct onderhoud noodzakelijk.
( ... )

6.
Beantwoording vraag 6 van het vonnis

Vraag 6:
Welke omstandigheden zijn naar uw oordeel verder van belang voor de door de rechtbank te nemen beslissing?

( ... )

6.1
Situatie inspectieput ten tijde van het ongeval

In verschillende rapportages wordt vermeld dat de ligging van de inspectieput in het midden ligt van de rijbaan. Volgens de rapportage van [naam03] ( ... ) en de metingen in situ ( ... ) bedraagt de afstand vanaf de kantopsluiting rechts tot rand put circa 2.9 m1 (Rechts wordt hier beschouwd vanuit de rijrichting gezien van de scooter). De breedte van de rijbaan bedraagt volgens de tekening op pagina 5 van productie 4 van kant tot kant 6,70 m1. Deze afstand is ook in situ gemeten. De afstand vanaf de kantopsluiting links tot aan dezelfde rand van de put bedraagt 6,7 m minus 2.95 m is 3,75 m. De afstand vanaf de linkerkantopsluiting tot aan de linkerrand van de put bedraagt 3.15 m1. De put ligt derhalve niet in het midden van de rijstrook maar rechts ervan. De lijn van de scooter volgens de videobeelden en foto 2 laat zien dat de scooter op een normale manier rechts van de as van de rijbaan en over de rechterkant van de put heeft gereden.

( ... )

6.2
Productie 2 Melior Verzekeringen [de brief van 10 juli 2017 van Melior; rechtbank ]

( ... )
 Eveneens in het derde tekstblok [op pagina 2; rechtbank ] wordt aangegeven “De gemeente heeft het niet noodzakelijk geacht om de weg direct te herstellen omdat het hoogteverschil niet als gevaarzettend gezien werd”.

Opm. Deze conclusie is echter onjuist om de volgende reden:
 leden van een fractie in de gemeenteraad hebben in 2016 en in 2017 melding gemaakt van een storend en scherp uitstekende inspectieput (laatst 27 maart 2017);
 Een derde partij (De Waalpartners) heeft objectief aangegeven dat het straatwerk rondom de inspectieputten opgehaald dient te worden;
 Medewerkers van verschillende vakgroepen hebben in 2016 en 2017 voor het ongeval plaatsvond opmerkingen gemaakt over de omhoog uitstekende inspectieput;
 Deze waarnemingen zijn en een tijdsverloop van 7 maanden meerdere keren geuit naar de gemeente.

Het is derhalve opvallend dat de gemeente geen directe actie heeft ondernomen op grond van alle voorgaande meldingen. ( ... )

6.6
Productie 14 Damste Conclusie van antwoord

( ... )
2.
Op bladzijde 2 staat tevens:

 aangegeven dat het “door wegdekcontact [naam01] uit balans raakt”.

Opm. Op basis van de video valt af te leiden dat eerst het voorwiel door a. het hoogteverschil aan voorzijde van de put en b. de scherp uitstekende rand van de put en c. het hoogteverschil aan de rechterzijde van de put uit balans is geraakt. Het is door met het voorwiel aanrijden van de rechterpunt van de put in combinatie met het overhellen naar links van de scooter en het hoogte verschil aan de rechterzijde van de put dat de scooter meer schuin komt te liggen waardoor een uitstekend object van de scooter het wegdek raakt wat de kras veroorzaakt heeft en vervolgens de scooter blijft haken aan de scherp omhoog staande rand van de put. Dat leidt tot het zichtbare opwippen van de scooter met uiteindelijk nog meer onbalans waardoor een stuurcorrectie niet meer mogelijk is.

Het is door het hoogteverschil aan de voor-en rechterzijde van de put alsmede de scherpe uitstekende randen aan voor- en rechterzijde van de put dat de scooter in onbalans is geraakt en niet het wegdek.

2.4.
[naam01] kan zich vinden in het deskundigenbericht en stelt dat het rapport zijn stellingen onderbouwt.

2.5.
Melior en de Gemeente stellen het volgende ten aanzien van het deskundigenrapport. Op basis van het rapport kan niet de mate van het hoogteverschil worden vastgesteld. Op pagina 9 van het deskundigenbericht vermeldt de deskundige dat het wegdek vanaf de gekantelde BSS (betonstraatsteen) onder een helling loopt. In dat geval moet de rei niet horizontaal worden gehouden maar evenredig aan de helling van de weg (zie p. 3 van het deskundigenbericht). Wanneer de rei vervolgens waterpas op de inspectieput wordt gelegd, welke meetwijze conform het CROW Handboek Visuele Inspectie 2011 (hierna: het CROW-handboek) niet juist is, dan is de lengte van de rei bepalend voor het te meten hoogteverschil. Daarmee wordt niet het directe hoogteverschil gemeten waarmee een weggebruiker geconfronteerd wordt. Hoe langer de rei is, hoe groter het hoogteverschil zal zijn. De deskundige heeft dat niet verwerkt in zijn rapportage.

2.6.
De rechtbank oordeelt als volgt.

De deskundigheid van de deskundige staat niet ter discussie. Het deskundigenbericht is tot stand gekomen conform de daarvoor geldende procedurele eisen. Dit wordt door partijen ook niet betwist. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat de deskundige kennelijk op 8 en 11 april 2022 van beide partijen opmerkingen/verzoeken heeft ontvangen nadat hij zijn conceptrapport aan partijen had toegestuurd. Ondanks dat de deskundige op pagina 8 van het door hem ingevulde ‘model deskundigenbericht’ vermeldt dat hij een kopie van de ontvangen opmerkingen en verzoeken als bijlage aan het deskundigenbericht hecht, ontbreken deze opmerkingen en verzoeken bij het rapport. Onder 9 ‘Reactie van deskundige op opmerkingen en verzoeken’ van het ‘model deskundigenbericht’, is geen reactie vermeld. Partijen hebben in hun conclusies na het deskundigenbericht geen aandacht besteed aan het ontbreken van de bijlage en/of aan het ontbreken van een reactie van de deskundige op hun vragen en opmerkingen. Evenmin hebben zij in hun conclusies verwezen naar door hen gemaakte opmerkingen en vragen naar aanleiding van het concept-rapport die van belang zouden zijn voor de beoordeling van het rapport en het geschil. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de vragen en opmerkingen niet van zodanig belang waren dat er een reactie van de deskundige op werd verwacht en dat ook niet relevant was dat de rechtbank van deze vragen en opmerkingen kennis nam voor de beoordeling van het geschil. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om de deskundige te verzoeken de ontbrekende bijlage alsnog toe te sturen aan de rechtbank en partijen.

2.7.
De conclusies van de deskundige volgen logisch uit de bevindingen van de deskundige. De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige dan ook over en maakt die tot de hare. Ten aanzien van de opmerkingen van Melior en de Gemeente naar aanleiding van het deskundigenbericht overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de beantwoording door de deskundige van de vragen 2 en 3 volgt dat de rei bij de meting van de inspectieput horizontaal (waterpas) moet worden gehouden. Uit bijlage 2 bij het deskundigenbericht waarin de toelichting van de gehanteerde meetwijze in het CROW-handboek is vermeld, volgt voorts dat onder hellingen wordt verstaan: ‘wegen die gesitueerd zijn in een heuvelachtig terrein en/of hellingen naar kunstwerken etc.’. Hiervan is in casu geen sprake. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de deskundige met zijn opmerking op pagina 9 van het deskundigenbericht niet refereert aan een helling zoals bedoeld in bijlage 2 bij het deskundigenbericht en dat hij het hoogteverschil op een juiste wijze heeft gemeten. Indien en voor zover Melior en de Gemeente daadwerkelijk meenden dat de deskundige een onjuiste meetwijze heeft gehanteerd, had het op hun weg gelegen om hierover nadere vragen te stellen aan de deskundige. Niet is gebleken dat Melior en de Gemeente dit hebben gedaan. Het betoog van Melior en de Gemeente dat het hoogteverschil afhankelijk is van de lengte van de rei kan de rechtbank evenmin volgen. Zoals uit het deskundigenbericht volgt, is in het CROW-handboek voorgeschreven dat een rei van 1,20 m1 met waterpas wordt gebruikt. Een afwijkende lengte van de rei is niet toegestaan omdat de lengte van de rei een vaste maat is voor het meten van dwarsonvlakheid en oneffenheden.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW

2.8.
Op grond van het deskundigenbericht staat vast dat het grootste hoogteverschil tussen het wegdek en de inspectieput vier tot viereneenhalve centimeter bedroeg en dat dit volgens de CROW-richtlijnen kan worden aangemerkt als een ernstige oneffenheid. [naam01] stelt zich op het standpunt dat het wegdek daarmee niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen.

2.9.
Melior en de Gemeente stellen zich op het standpunt dat de enkele aanwezigheid van een oneffenheid onvoldoende is om te concluderen dat een weg gebrekkig is. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. De Rondom is een klinkerweg en de van deze weg gebruik makende gemotoriseerde voertuigen en fietsers konden niet een volledig egaal wegdek verwachten. Bovendien lag de inspectieput niet in het rijvlak van de weggebruiker maar (vrijwel) in het midden van de weg. Daarnaast is algemeen bekend dat een inspectieput glad kan zijn en kan uitsteken boven het wegdek. [naam01] had dan ook rekening moeten houden met oneffenheden en zijn verkeersgedrag daarop moeten aanpassen. Verder is van belang dat de CROW-richtlijnen geen wettelijke status kennen. Een eventuele afwijking van de richtlijnen betekent niet automatisch dat de wegbeheerder aansprakelijk is.

2.10.
Bij de beoordeling of het wegdek als gevolg van het hoogteverschil een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW vertoonde en daarmee niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, stelt de rechtbank het volgende voorop.

2.11.
Ingevolge vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2010:BN6236) hangt het antwoord op de vraag of een opstal gebrekkig is af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard van de opstal, de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden. Voorts moeten in aanmerking worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar, alsmede de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen, waarbij ingeval van een overheidslichaam mede betekenis kan toekomen aan de hem toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen. Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

2.12.
Voorts geldt dat geen aansprakelijkheid bestaat als de weg in een staat van onderhoud verkeert, die niet ligt beneden het niveau dat voor een weg als waarover het gaat van het desbetreffende overheidslichaam kan worden geëist. Dit houdt niet in dat het onderhoudsniveau bij gebreke aan financiële mogelijkheden beneden een aanvaardbaar peil zal mogen dalen, of dat men bekende gevaarlijke situaties zal mogen laten voortbestaan, maar wel dat de weggebruikers bij de door hen in acht te nemen omzichtigheid er rekening mee zullen moeten houden dat wegen niet steeds in perfecte staat verkeren, waarbij uiteraard de aard van de weg (snelweg, dorpsweggetje) een rol zal kunnen spelen (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5, 6 Boek 6, p. 1394).

2.13.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand van het wegdek, acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

2.13.1.
De Rondom betreft een weg binnen de bebouwde kom waarvan de rijbaan wordt gebruikt door onder meer auto’s en (snor- en brom)fietsers. Op een dergelijke weg leiden oneffenheden eerder tot gevaarlijke situaties dan op wegen waarvan enkel door auto’s gebruik wordt gemaakt.

2.13.2.
Blijkens het CROW-handboek valt het hoogteverschil van vier tot viereneenhalve centimeter in de ernstklasse > 30 mm. Om die reden wordt het hoogteverschil aangemerkt als een ernstige oneffenheid. Op zichzelf is juist dat, zoals Melior en de Gemeente aanvoeren, niet elke ernstige oneffenheid direct verkeersonveilig is en dat dit pas onder bepaalde omstandigheden het geval is. Dit volgt ook uit de toelichting van de deskundige op zijn antwoord op vraag 4 als hij schrijft: de CROW geeft ( ... ) aan dat ernstige oneffenheden makkelijk gevaarlijk kunnen zijn maar dat deze niet per definitie gevaarlijk zijn. Desondanks concludeert de deskundige bij zijn antwoord op vraag 4 dat sprake was van een gevaarlijke situatie en dat direct onderhoud noodzakelijk was.

2.13.3.
Tevens is van belang dat de Gemeente in de periode voorafgaand aan het ongeval reeds op de hoogte was van het hoogteverschil tussen het wegdek en de inspectieput. [naam01] heeft als productie 8 bij dagvaarding diverse stukken in het geding gebracht waaruit dat blijkt. In een notitie van 11 augustus 2016 van de Vakgroep Riolering (van de Gemeente) staat vermeld: “Straatwerk in het Rondom verzakt met als gevolg dat putranden uitsteken boven straatwerk” . Daarnaast heeft Waalpartners Civil Engineering in een proces-verbaal van opneming van 15 november 2016 vermeld: “Straatwerk rondom inspectieputten ophalen (2 locaties op het rondom)”. Verder staat in een notitie van 15 februari 2017 van de Vakgroep Riolering vermeld: “Straatwerk in het Rondom verzakt met als gevolg dat putranden uitsteken boven straatwerk. Bij een locatiebezoek op 15-2-2016 [lees: 2017; rechtbank ] door de vakgroep riolering is geconstateerd dat de putranden nog steeds boven het straatwerk uitsteken. Dit moet nog worden opgelost.” En in de notie van 16 februari 2017 van de Vakgroep Wegen met betrekking tot de Rondom staat vermeld: “De inspectieputten komen nog ver boven het straatwerk uit”.

Bovendien was het college van B&W en daarmee de Gemeente als gevolg van de schriftelijke vragen van de fractie [naam04] van 27 maart 2017 (productie 7 bij dagvaarding) aan het college op de hoogte van de uitstekende inspectieputten op de Rondom. [naam04] schrijft immers bij vraag 4: “Bij de vraag om extra € 65.000,- budget bij de najaarsnota vroeg ik al iets over de aanleg van het straatwerk in DE RONDOM. De 2 putdeksels midden in de straat steken storend en scherp boven het straatwerk uit.” Ondanks dat de Gemeente al in 2016 en dus ruim voordat het ongeval plaatsvond op de hoogte was of in ieder geval kon zijn van het hoogteverschil, heeft de Gemeente niet de ernstige oneffenheid verholpen. Evenmin heeft de Gemeente maatregelen genomen om weggebruikers te waarschuwen tegen de bestaande oneffenheden.

Ondanks de beleidsvrijheid van de Gemeente en de haar ter beschikking staande financiële middelen, had verwacht mogen worden dat de Gemeente de oneffenheid eerder had verholpen. Te meer omdat Melior en de Gemeente niet weerspreken dat er zich slechts twee ernstige oneffenheden bevonden op de Rondom. Bovendien is kort na het ongeval de bestrating rond de put opnieuw aangelegd waardoor het hoogteverschil is opgeheven. Daaruit blijkt dat het mogelijk en niet bezwaarlijk was voor de Gemeente om het hoogteverschil op te heffen.

2.14.
In het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het wegdek als gevolg van het hoogteverschil tussen het wegdek en de put niet voldeed aan de eisen die daaraan mochten worden gesteld en dus gebrekkig was. Dit gebrek leverde gevaar op, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt. [naam01] is ten gevolge van het hoogteverschil immers gevallen.

Melior en de Gemeente hebben weliswaar nog aangevoerd dat de Rondom een klinkerweg is en dat [naam01] daarom geen volledig egaal wegdek kon verwachten. Dat is op zichzelf juist maar met een hoogteverschil van vier tot viereneenhalve centimeter hoefde [naam01] naar het oordeel van de rechtbank geen rekening te houden. Het verweer van Melior en de Gemeente dat de inspectieput niet in het rijvlak van de weggebruiker ligt maar (vrijwel) in het midden van de weg, is feitelijk onjuist. Op basis van het deskundigenbericht (onder meer onder 6.2) staat vast dat de rechterrand van de put op 2,95 m vanuit de trottoirband en 3,15 m ten opzichte van de linker trottoirband ligt en dat [naam01] over de rechterrand van de put is gereden.

2.15.
De vordering van [naam01] om voor recht te verklaren dat de Gemeente aansprakelijk is te houden voor de schade van [naam01] die voortvloeit uit zijn val op 8 april 2017 wordt dan ook toegewezen.

Eigen schuld

2.16.
Melior en de Gemeente stellen zich op het standpunt dat [naam01] zelf aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval, althans, dat een eventuele schadevergoedingsverplichting op grond van artikel 6:101 BW moet worden verminderd. Melior en de Gemeente voeren daartoe het volgende aan.

[naam01] was ter plaatse bekend. Desondanks reed hij onder invloed van alcohol met een snelheid van 30 km/h vol gas, zonder te remmen de bocht van de Rondom in waardoor hij op het midden van de weg terechtkwam. Daarmee heeft hij niet de voorzichtigheid in acht genomen die van een normaal oplettende verkeersdeelnemer verwacht mag worden. Bovendien is niet uitgesloten dat zowel de middenbok, de zijstandaard als de valbeugel van de snorfiets een gebrek kunnen vertonen waardoor de snorfiets uit balans is geraakt met de val van [naam01] als gevolg.

2.17.
De rechtbank oordeelt als volgt.

Op de videobeelden - die [naam01] als productie 1 heeft overgelegd en tijdens de mondelinge behandeling zijn getoond - is te zien dat het achterlicht van de snorfiets even oplicht voordat [naam01] de bocht instuurt. Daaruit leidt de rechtbank af dat [naam01] afremde voordat hij de bocht in stuurde en dus niet vol gas en zonder te remmen de bocht inreed. Verder heeft de deskundige bij de beantwoording van vraag 6 onder 6.1 uiteengezet dat de inspectieput zich niet in het midden maar rechts van het midden in het wegdek bevindt. Op de foto van het wegdek en de inspectieput (vgl. foto 1 op pagina 8 van het deskundigenbericht) is te zien dat zich net voor de inspectieput, aan de rechterkant, een witte streep op het wegdek bevindt. De opmerking van de deskundige in zijn rapport dat deze witte streep afkomstig is van de snorfiets van [naam01] is door Melior en de Gemeente niet weersproken. Daarmee staat vast dat [naam01] met zijn snorfiets de inspectieput aan de rechterzijde heeft geraakt en dat hij voldoende rechts heeft gehouden. Ten aanzien van het rijden onder invloed van alcohol erkent [naam01] weliswaar alcoholische drank te hebben genuttigd voorafgaand aan het ongeval, maar hij stelt de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed niet te hebben overschreden. Uit de door [naam01] in het geding gebrachte brief van het Erasmus MC van 16 oktober 2020 (productie 1 bij de conclusie van antwoord in reconventie) blijkt dat er geen alcoholpromillage is vastgesteld op het moment dat [naam01] in het ziekenhuis werd opgenomen. Mede gelet hierop is er geen enkele aanwijzing dat het nuttigen van alcohol heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Een gebrek aan de snorfiets is evenmin vast komen te staan. Uit het rapport van Dekra van 3 november 2017 en het daarbij gevoegde bericht van een reparateur (productie 5 bij dagvaarding) volgt dat in elk geval geen sprake was van een loszittende middenstandaard. Voor eventuele andere gebreken aan de snorfiets ontbreekt ieder aanknopingspunt. Melior en de Gemeente hebben hun verweer op dat punt onvoldoende onderbouwd.

Dat betekent dat een beroep op eigen schuld (artikel 6:101 BW) niet slaagt en dat de reconventionele vordering van Melior en de Gemeente wordt afgewezen.

Schadevergoeding

2.18.
[naam01] vordert geen concreet bedrag aan schadevergoeding, maar verwijzing naar de schadestaatprocedure. Voor zo’n verwijzing is voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade als gevolg van (in dit geval) aansprakelijkheid voor een gebrekkig opstal aannemelijk is.

2.19.
[naam01] stelt ernstig schedelhersenletsel inclusief hersenbloedingen, diverse schaafwonden en een litteken in zijn nek als gevolg van het ongeval te hebben opgelopen. Daarnaast stelt [naam01] dat hij financiële schade heeft geleden omdat hij door het ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt is geraakt. In de vier maanden na het ongeval heeft [naam01] niet kunnen werken, waardoor hij € 16.000,00 netto is misgelopen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [naam01] aangiftes IB, de definitieve aanslagen IB en de definitieve aanslagen ZVW over de jaren 2015 en 2016 overgelegd. Daarnaast heeft [naam01] een drietal facturen van de eerste maanden van 2017 overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij vier dagen per week door hetzelfde bedrijf werd ingehuurd waarvoor hij maandelijks € 4.500,00 kon factureren, wat na het ongeval niet meer mogelijk was. Verder stelt [naam01] onder meer immateriële schade en schade als gevolg van verlies van zelfwerkzaamheid te lijden. Daarmee heeft [naam01] het bestaan of de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk gemaakt. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt dan ook toegewezen.

2.20.
[naam01] vordert Melior te veroordelen de nader bij staat op te maken schade te vergoeden. [naam01] stelt dat Melior als aansprakelijkheidsverzekeraar van de Gemeente op grond van artikel 7:954 BW daartoe gehouden is. Nu Melior en de Gemeente dit niet hebben weersproken, wordt ook deze vordering van [naam01] toegewezen.

Voorschot

2.21.
In deze procedure is vast komen te staan dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade van [naam01] als gevolg van het ongeval. Voorts heeft [naam01] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden. Op zichzelf is juist dat, zoals Melior en de Gemeente aanvoeren, op basis van de stukken die zich op dit moment in het geding bevinden, de schade die [naam01] als gevolg van het ongeval heeft geleden niet kan worden vastgesteld. Het als productie 10 bij dagvaarding overgelegde medisch advies van 11 september 2018 geeft echter wel een indicatie van het letsel. Daarnaast geven de door [naam01] in het geding gebrachte financiële stukken een indicatie van zijn inkomsten voorafgaand aan het ongeval. Stukken waaruit de hoogte blijkt van zijn inkomsten na het ongeval ontbreken, zodat niet valt vast te stellen welk inkomensverlies [naam01] heeft geleden. Gelet op het lichamelijk letsel dat volgt uit voornoemd medisch advies, is in elk geval duidelijk dat [naam01] na het ongeval enige tijd niet heeft kunnen werken en dat hij hulp in de huishouding nodig had. Dat in de schadestaatprocedure vanwege het lichamelijk letsel een bedrag aan immateriële schadevergoeding zal worden toegewezen, is eveneens voldoende aannemelijk. Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een voorschot van € 20.000,00. Ook in dit verband hebben Melior en de Gemeente niet weersproken dat Melior als aansprakelijkheidsverzekeraar van de Gemeente op grond van artikel 7:954 BW gehouden is dit voorschot aan [naam01] te voldoen. Melior wordt daarom veroordeeld tot betaling van het voorschot.

Proceskosten

2.22.
Melior en de Gemeente is de partij die in conventie ongelijk krijgt en zij worden daarom in de proceskosten veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [naam01] als volgt vastgesteld:

       
- kosten van de dagvaarding 108,54  
- griffierecht 937  
- salaris advocaat 1.495,00 (2,50 punten × € 598,00)
Totaal 2.540,54  

Hier kan nog een bedrag bijkomen in verband met nakosten. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).

Partijen hebben ieder de helft van het voorschot op de kosten voor de deskundige (€ 11.535,66 (inclusief 21% btw)) betaald. Omdat Melior en de Gemeente ongelijk krijgen, komen ook deze kosten voor hun rekening en worden zij veroordeeld de helft van dit bedrag (€ 5.767,33 (inclusief 21% btw)) aan [naam01] te betalen. ECLI:NL:RBROT:2023:948