Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Arnhem-Leeuwarden 270315 letsel hoofdagente; verzoek voorlopig deskundigenonderzoek; aanhouding mbt bevoegdheid civiele rechter en grondslagen vordering

Hof Arnhem-Leeuwarden 270315 letsel hoofdagente; verzoek voorlopig deskundigenonderzoek; aanhouding mbt bevoegdheid civiele rechter en grondslagen vordering

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1
In het kort komt de zaak op het volgende neer. [appellante] werkte sedert 2006 als hoofdagente bij het (voormalige) Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), zijnde de rechtsvoorgangster van de Politie.

3.2
Op 24 september 2009 heeft [appellante] tijdens een oefening van de ME-opleiding te [plaats] een blok hout tegen haar hoofd gekregen. Hierdoor heeft zij letsel opgelopen. [appellante] is voor dit letsel behandeld in de plaatselijke huisartsenpost. Na het ongeval heeft [appellante] klachten gehouden.

3.3
Bij brief van 4 oktober 2012 heeft de raadsvrouwe van [appellante] de KLPD aansprakelijk gesteld en gevorderd:
a. a) smartengeld ten bedrage van € 13.500,-;
b) vergoeding van geleden en nog te lijden schade als gevolg van een verlies aan arbeidsvermogen;
c) vergoeding van de kosten van de opslag van haar inboedel (€ 2.007,37 ten tijde van het schrijven) en/of verhuiskosten, waarbij is aangegeven dat [appellante] de eerste twintig weken na het ongeval veelal het bed moest houden en noodgedwongen de huur van haar woning heeft opgezegd en bij haar ouders is ingetrokken, die haar gedurende die periode volledig hebben verzorgd;
d) vergoeding van de kosten van de door haar ouders verleende mantelzorg;
e) vergoeding van de kosten die gepaard gaan met het verlies van zelfredzaamheid, waarbij is aangegeven dat [appellante] door haar beperkingen niet of nauwelijks in staat is (huishoudelijke) werkzaamheden uit te voeren;
f) vergoeding van de (werkelijke) kosten van rechtsbijstand.
Namens [appellante] heeft de raadsvrouwe aangedrongen op betaling van een voorschot van € 25.000,-.

3.4
Op het voorgaande is bij brief van 24 oktober 2012 door de Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. (hierna: OVO), zijnde de verzekeraar van de KLPD onder meer als volgt gereageerd:

"(...) In uw brief geeft u aan dat uw cliënte ten gevolge van het voorval d.d. 24 september 2009 schade heeft geleden. Ter onderbouwing hiervan somt u een aantal schadeposten op.
Het uw cliënte overkomen ongeval is door de politie als een dienstongeval in de zin van art. 1 lid 1 sub z van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) aangeduid. De schade waarop de rechtspositionele voorschriften (Barp en Besluit bezoldiging politie) zien, komt daarom voor vergoeding door de politie in aanmerking.
In casu hebben wij de aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW erkend. Gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 22 juni 2000, TAR 2000/112) is de norm van art. 7:658 BW slechts van toepassing voor zover een rechtspositioneel voorschrift niet voorziet in vergoeding van de gestelde schade. Er kan derhalve slechts aansprakelijkheid bestaan voor schade waarin de rechtspositionele voorschriften van de artt. 54, 54a Barp en artt. 38 v. Bpb niet voorzien, zijnde de restschade.
De door u opgesomde en inzichtelijk gemaakte schadeposten betreffen voornamelijk schadeposten, waarvoor de rechtspositionele regelingen in vergoeding voorzien. Enerzijds kan uw cliënte eventueel aanspraak maken op vergoeding van smartengeld door REAAL, de ongevallenverzekeraar van de politie. Anderzijds heeft uw cliënte op grond van art. 14 lid 4 van het Besluit bezoldiging politie gedurende ziekte recht op doorbetaling van de operationele toelage.
Vooralsnog is het voor ons niet inzichtelijk waaruit de restschade van uw cliënt zou bestaan. Dit is ook de reden dat wij tot op heden nog niet aan uw cliënte hebben bevoorschot.
Om een beter beeld te krijgen van de restschade van uw cliënte hebben wij besloten een schaderegelaar in te schakelen voor een gezamenlijk huisbezoek. Graag vernemen wij van u of u met het inschakelen van een schaderegelaar kunt instemmen.
In de tussentijd ziet u ons bereid een bedrag van € 2.500,-- als voorschot onder algemene titel aan uw cliënte betaalbaar te stellen. (...)"

3.5
Partijen hebben in onderling overleg vooralsnog geen schaderegeling bereikt.

3.6
Bij inleidend verzoekschrift van 26 mei 2014, ingekomen ter griffie van de kantonrechter op 27 mei 2014, heeft [appellante] de kantonrechter verzocht een voorlopig deskundigenbericht te gelasten "ter zake de impact van een blok hout dat zich met kracht in het hoofd ter plaatse van de fontanel van verzoekster heeft geboord". Daarbij is verzocht om de Nederlandse Organisatie voor toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek te Delft (hierna: TNO) als deskundige te benoemen.

3.7
De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen, omdat - samengevat - het door [appellante] voorgestelde onderzoek vooralsnog onvoldoende ter zake dienend is.

4 De beoordeling van de bevoegdheid van de civiele rechter

4.1
Het hof stelt voorop dat een verzoek als het onderhavige toewijsbaar is indien het ertoe strekt een partij de mogelijkheid te verschaffen om aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden, en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen en - als daartoe wordt overgegaan - beter te kunnen aangeven op grond waarvan een vordering wordt ingesteld of een verweer wordt gevoerd. Een in beginsel toewijsbaar verzoek kan echter worden afgewezen indien moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met de goede procesorde of als het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Het kan ook worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

4.2
Het hof wijst op het bepaalde in art. 203 lid 1 Rv. Daarin is bepaald dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter waar het geding aanhangig is of, indien het niet aanhangig is, aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn daarvan kennis te nemen. Hieruit volgt dat er in beginsel geen plaats is voor een voorlopig deskundigenbericht in gevallen waarin de civiele rechter in de (nog aanhangig te maken) hoofdzaak niet bevoegd zou zijn. Hoewel partijen er vanuit lijken te gaan dat een eventuele vordering van [appellante] door de burgerlijke rechter kan worden beoordeeld, ziet het hof in de ambtenaarrechtelijke verhouding tussen [appellante] en de Politie voldoende aanleiding om ambtshalve de vraag aan de orde te stellen of de civiele rechter in de eventueel aanhangig te maken bodemzaak bevoegd zal zijn.

4.3
Het hof overweegt dat ingevolge het op 1 juli 2013 in werking getreden art. 8:89 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechter in sommige gevallen exclusief bevoegd is te oordelen over vorderingen tot vergoeding van schade door een bestuursorgaan. Art. 8:89 Awb is in dit geval echter niet van toepassing, aangezien in het overgangsrecht is bepaald dat op schade die is veroorzaakt door een handeling die is verricht vóór laatstgenoemde datum, het recht van toepassing blijft zoals dat voordien gold (art. IV lid 1 van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten).

4.4
Gelet op het voorgaande is actueel het arrest van 14 december 2010 van het voormalige gerechtshof te Leeuwarden (ECLI:NL:GHLEE:2010:5904). Kortheidshalve verwijst het hof met name naar de rechtsoverwegingen 4 en verder, alsmede de in het arrest genoemde onderdelen van de conclusie van de A-G [X] voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2009 (ECLI:NL:PHR:2009:BJ6020). Teneinde te kunnen vaststellen of de claims van [appellante] in een eventuele bodemzaak aan de civiele rechter voorgelegd kunnen worden, zal [appellante] op na te melden wijze worden opgedragen zich uit te laten over de grondslag van haar (mogelijke) vorderingen in een bodemzaak, waarbij in ieder geval de grondslag(en) van de in 3.3 onderscheiden vorderingen dient te worden onderbouwd.

4.5
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. ECLI:NL:GHARL:2015:2261

Deze website maakt gebruik van cookies