Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 161222 geen aansprakelijkheid gemeente voor ongeval snorfietser bij afrijden trap in voetgangersgebied

RBAMS 161222 geen aansprakelijkheid gemeente voor ongeval snorfietser bij afrijden trap in voetgangersgebied
verzocht 14,1 uur, begroot, niet toegewezen, 13,86 x € 195,00 + 21% = € 3.270,27

ingang Kospad, rechtsaf vanaf Valutaboulevard: goo.gl/maps (nb: soms staat het paaltje er niet: goo.gl/maps 2015 )

Feiten

1.
Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.
Op 9 juni 2022 is [verzoeker] ten val gekomen toen hij omstreeks 22:45 uur (het was reeds donker) met zijn snorfiets van een stenen trap op het [locatie] reed. Als gevolg van deze val heeft [verzoeker] een gebroken sleutelbeen en meerdere kneuzingen opgelopen.

1.2.
Bij e-mailbericht van 22 juni 2022 heeft [verzoeker] de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk gesteld voor alle materiële en immateriële schade als gevolg van het letsel.

1.3.
In een e-mailbericht van 30 juni 2022 heeft VGA in haar hoedanigheid van verzekeraar van de gemeente meegedeeld dat de gemeente als wegbeheerder niet aansprakelijk kan worden gehouden.

Verzoek en verweer

2.
[verzoeker] verzoekt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

a. voor recht te verklaren dat verweerders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval op het [locatie] en dat zij gehouden zijn de door [verzoeker] geleden schade en/of nog te lijden (im)materiële schade te vergoeden, zodanig dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd;
b. vast te stellen dat de kosten van deze procedure voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van artikel 1019aa Rv juncto artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek (BW), begroot op een bedrag van € 3.326,90 inclusief btw, zodanig dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd;
c. VGA te veroordelen om alle uitkeringen die zij onder de bij haar gesloten aansprakelijkheidsverzekering verricht rechtstreeks aan [verzoeker] over te maken;
d. verweerders te veroordelen in de kosten van deze deelgeschilprocedure, zodanig dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.
[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om het verzoek onder 2.a. gewijzigd te lezen, in die zin dat geen verklaring voor recht wordt verzocht over de aansprakelijkheid van VGA, omdat het verzoek ten aanzien van VGA alleen betrekking kan hebben op de verschuldigdheid van een uitkering. Tevens is verzocht om de verzoeken onder 2.b. en 2.d. gewijzigd te lezen, omdat in die verzoeken hetzelfde wordt verzocht.

4.
[verzoeker] heeft ter onderbouwing van het verzoek onder 2.a. gesteld dat de gemeente op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is omdat sprake is van een gebrekkige weginrichting. De gemeente heeft geen duidelijk waarschuwingsbord geplaatst, waarop staat aangegeven dat het voor snorfietsen verboden is verder te rijden en dat men na het bruggetje op het [locatie] een steile trap nadert. De gemeente had een duidelijk waarschuwingsbord bij de trap moeten zetten of een hekje moeten plaatsen, waardoor een fietser of snorfietser moet afstappen om zijn weg te kunnen vervolgen. Nu dit niet is gebeurd is de kans groot dat snorfietsers op deze plek niet de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid in acht nemen en zodoende de trap niet op tijd gadeslaan.

5.
Verweerders voeren als verweer dat de gemeente niet aansprakelijk is, primair omdat het [locatie] een voetpad is en duidelijk is dat daar niet met een snorfiets mag worden gereden, subsidiair omdat (daarom) geen sprake is van een gebrekkige weginrichting. Meer subsidiair voeren verweerders aan dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker] (artikel 6:101 BW). Ten aanzien van de verzochte kostenvergoeding betwisten verweerders dat de uren die in juni 2022 zijn gemaakt betrekking hebben op de deelgeschilprocedure

Beoordeling

De gemeente is niet aansprakelijk

6.
Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

7.
Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het [verzoeker] overkomen ongeval en of VGA op grond hiervan schadevergoeding aan [verzoeker] moet betalen. Beantwoording van deze vragen kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarmee komt het verzoek van [verzoeker] voor behandeling in een deelgeschilprocedure in aanmerking.

8.
Artikel 6:174 lid 1 BW stelt de bezitter van een opstal aansprakelijk voor schade veroorzaakt doordat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 6:174 lid 1 BW is in beginsel vereist dat de eiser stelt en, bij voldoende gemotiveerde tegenspraak, bewijst (i) dat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen (anders gezegd: dat zij gebrekkig is), (ii) dat zij daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, en (iii) dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. De gedaagde - de bezitter van de opstal - kan in beginsel ermee volstaan de toepasselijkheid van deze drie cumulatieve voorwaarden voor aansprakelijkheid te betwisten (arrest van de Hoge Raad van 30 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7487).

9.
Uit de stellingen van partijen en de door partijen overgelegde plattegrond, foto’s en camerabeelden blijkt dat het [locatie] middenin in woonwijk gelegen is. Om het [locatie] heen liggen meerdere grotere straten, zoals de Valutaboulevard. Op de Valutaboulevard staat een verkeersbord dat aangeeft dat je daar mag fietsen. [verzoeker] heeft verklaard dat hij vanaf de Valutaboulevard is afgeslagen op het Kospad, dat vervolgens overgaat op het [locatie] . Op het Kospad of het [locatie] staat geen verkeersbord dat aangeeft dat sprake is van een voetgangersgebied. Het Kospad kruist drie straten waarbij aan weerszijden steeds sprake is van een stoepje om het Kospad op en af te gaan en van een afzetting met twee rood-wit gestreepte palen. Het [locatie] is geplaveid met grijze stoeptegels, het pad verspringt naar links ter hoogte van een heg en versmalt vervolgens bij een houten bruggetje. Na dit bruggetje liggen wederom grijze stoeptegels die vervolgens overgaan in een stenen trap. Ter hoogte van het bruggetje en net voor de trap is een lantaarnpaal geplaatst. Recht onder deze lantaarnpaal hangt een wit bord met zwarte letters waarop staat vermeld:

Verboden te voetballen na 22:00 uur.

Niet brommen of fietsen.

Afval in de afvalbak.

Na 22:00 uur is het stil in het speeltuintje.

Verboden voor honden.

10.
[verzoeker] betoogt in het kader van het beroep op artikel 6:174 BW dat de weginrichting gebrekkig was omdat er geen duidelijk waarschuwingsbord of hekje was geplaatst. Gelet op de hiervoor beschreven situatie ter plaatse is naar het oordeel van de kantonrechter echter sprake van een voor het verkeer van voetgangers bestemd weggedeelte (een voetpad). Voor de vaststelling of sprake is van een voetpad is de aanwezigheid van een verkeersbord niet vereist. De stelling van [verzoeker] dat het [locatie] niet kan worden aangemerkt als voetpad omdat nergens een bord staat dat vermeldt dat sprake is van een voetgangersgebied, kan dan ook niet worden gevolgd. Gelet op de inrichting van het Kospad en het [locatie] en het ontbreken van een verkeersbord aldaar, terwijl op de Valutaboulevard wel een verkeersbord is geplaatst, had het voor [verzoeker] duidelijk kunnen en moeten zijn dat hij zich in een voetgangersgebied bevond nadat hij vanaf de Valutaboulevard was afgeslagen. [verzoeker] heeft nog gesteld dat uit het witte bord met de zwarte letters moet worden afgeleid dat snorfietsers en fietsers tot aan dat bord mogen rijden, maar dat is door verweerders gemotiveerd betwist. Verweerders hebben daartoe aangevoerd dat dit bord er alleen hangt om overlast en gevaarlijke situaties in de omliggende speeltuin en het voetbalveldje te voorkomen. Dit is vervolgens door [verzoeker] onvoldoende concreet weersproken.

10.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat onder deze omstandigheden de zorgplicht van de gemeente als wegbeheerder niet zover dat zij op het bewuste voetpad ten behoeve van fietsers en snorfietsers een waarschuwingsbord of een hekje diende te plaatsen. Ook wanneer ervan uit wordt gegaan dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten, is er geen grond om te concluderen dat het ontbreken van een waarschuwingsbord of een hekje maakt dat er sprake is van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW.

10.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat de gemeente aansprakelijk is jegens [verzoeker] en dat VGA aan [verzoeker] een vergoeding is verschuldigd. Het beroep van de gemeente op eigen schuld behoeft daarom geen bespreking. Het verzoek jegens verweerders wordt daarom afgewezen.

10.
Op grond van artikel 1019aa Rv worden de kosten door de rechter begroot waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Alleen wanneer de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeft de rechter de kosten niet te begroten. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is.

10.
De kosten worden door [verzoeker] begroot op € 3.326,90 inclusief btw. Blijkens de specificatie van mr. Overes is sprake van een honorarium van € 1.793,22 inclusief btw op basis van 7,36 uren tegen een tarief van € 195,00. De toekomstige werkzaamheden hebben betrekking op het bestuderen en bespreken van het verweerschrift (1 uur), het bijwonen van de mondelinge behandeling (2,5 uur), het opstellen van de pleitnota (2 uur) en de nawerkzaamheden (1 uur). Het totaal aantal uren bedraagt daarmee 13,86 uren in plaats van 14,1 uren, hetgeen neerkomt op bedrag van € 3.270,27.

10.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van kosten die in redelijkheid zijn gemaakt en dat de hoogte van deze kosten eveneens redelijk is. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, immers teneinde een tussen partijen gerezen geschilpunt te laten beslechten opdat partijen buitengerechtelijk tot een vergelijk kunnen komen. Gelet op het e-mailbericht van mr. Overes van 22 juni 2022 kunnen de uren in juni 2022 worden geacht betrekking te hebben op buitengerechtelijke werkzaamheden. Het uurtarief van mr. Overes van € 195,00 is door verweerders niet weersproken en komt eveneens redelijk voor.

10.
Uitgaande van voormeld uurtarief, inclusief btw, komen de gemaakte kosten daarmee op € 3.270,27 (13,86 x € 195,00 x 1,21). ECLI:NL:RBAMS:2022:7350