Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 170124 uit pre-existente burn-out, relatieproblemen, lage rugklachten, overgewicht, schouderklachten blijkt geen alternatieve verklaring voor klachten

RBGEL 170124 persoonlijke onderzoeken; onrechtmatig bewijs mag niet mag worden meegewogen
- smartengeld, whiplash; mede vanwege onrechtmatige onderzoeken, € 25.000,00
- VAV zelfstandig ondernemer €  1.586.150,00
- uit pre-existente burn-out, relatieproblemen, lage rugklachten, overgewicht, schouderklachten blijkt geen alternatieve verklaring voor klachten
- kosten hh; 2 u p/w x € 10,00 p/u over 2015-2022, € 15,00 p/u vanaf 2023; totaal 45.970,00 
- kosten zelfwerkzaamheid cf richtlijn DLR; ook al omdat energie nodig is voor exploiteren onderneming, totaal € 53.670,00
- ass. dient deugdelijke fiscale garantie te verstrekken

2De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is na afronding van de LTS als monteur in loondienst werkzaam geweest. Vanaf 1999 was hij bij Knauf B.V., producent van pleister- en stucwerk en leverancier van machines voor stukadoors, in loondienst als technisch adviseur c.q. rayonleider, waar hij eind 2004, na een burn-out, is gestopt. Vanaf 1 maart 2005 is hij werkzaam als zelfstandig ondernemer, eerst in de eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] en vanaf december 2014 in [bedrijfsnaam 2] , met in de loop der tijd drie werkmaatschappijen [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] (vanaf 28 december 2016 genaamd [bedrijfsnaam 6] ) In de ondernemingen worden spuitmachines voor stukadoors verhandeld, gerepareerd en onderhouden. [eiser] beschikte vanaf de aanvang van zijn bedrijf over een dealerschap van Knauf en hij verzorgde cursussen over het werken met machines van Knauf. Omstreeks 2006 is [eiser] gaan samenwerken met de heer [naam 1] , die handelde onder de naam [handelsnaam] , later [handelsnaam 2] , met onder meer vestigingen in ’s-Hertogenbosch, Kampen, Nijmegen en Volendam.

2.2.

In 2010 is [eiser] door een psycholoog behandeld in verband met relatieproblematiek. Hij is in 2012 van zijn toenmalige echtgenote gescheiden.

2.3.

In 2012 is [eiser] vanwege lage rugklachten behandeld door een chiropractor en een fysiotherapeut. Rond 2013 is [eiser] vanwege overgewicht behandeld door een psycholoog. In december 2013 is [eiser] behandeld door een fysiotherapeut vanwege klachten aan zijn linkerschouder na krachttraining.

2.4.

In de zomer van 2014 heeft [eiser] meegedaan aan het fietsevenement ‘Alpe d’Huzes’ te Frankrijk.

2.5.

Op 4 september 2015 is [eiser] getrouwd met zijn huidige echtgenote.

2.6.

Op 29 september 2015 is [eiser] een verkeersongeval overkomen. De auto die hij bestuurde is van achteren aangereden door een bij Aegon, ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerde auto. Op het aanrijdingsformulier heeft [eiser] bij ‘aard letsel’ schouder- en nekklachten vermeld. Na het ongeval is [eiser] voor nekklachten, schouderklachten, klachten aan de rechterarm, hoofdpijnklachten, duizelingen, vermoeidheid, vergeetachtigheid, concentratiestoornissen en psychische klachten onderzocht en/of behandeld.

2.7.

Ten tijde van het ongeval waren vier personen bij de ondernemingen van [eiser] in dienst. Naast de hoofdvestging in Wijchen waren er toen vestigingen in ’s-Hertogenbosch en Kampen in bedrijf. Er bestonden plannen voor het openen van vestigingen in Volendam en Haarlem. Bij die plannen was ook [naam 1] betrokken.

2.8.

Aegon heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. De schadebehandeling heeft zij uitbesteed aan de [naam 2] , verbonden aan [naam 3] . Eind december 2015 heeft [naam 2] medisch adviseur [medisch adviseur] ingeschakeld.

2.9.

Bij brief van 7 januari 2016 heeft fysiotherapeut [naam 4] bericht dat [eiser] in zijn praktijk kwam met hoofdpijnklachten, een concentratiestoornis en een sterke hypertonie (verhoogde spanning, rb) in nek/schouder spiercorset, waardoor hij moeilijk kan bewegen. De eerste behandeling vond plaats op 2 oktober 2015.

2.10.

Het journaal van huisarts [naam huisarts] vermeldt dat zij [eiser] op

2 oktober 2015 heeft gezien vanwege last van nek, duizeligheid en verminderde coördinatie. Bij het consult op 15 oktober 2015 worden aanvullend concentratieproblemen en moeheid gemeld en op 24 november 2015 dat [eiser] moeilijker uit zijn woorden komt, niet lang kan werken en niet meer weet wat te doen. Na het consult van 30 november 2015 noteert de huisarts ‘Whiplash sinds 2 maanden’.

2.11.

Op 5 januari 2016 schrijft neuroloog [naam neuroloog 1] aan de huisarts dat [eiser] direct na het ongeval veel last had van nek- en schouderpijn en ook duizelig was, dat hij vervolgens aanhoudende klachten heeft gehouden van pijn vanuit de rechterschouder en nekregio uitstralend over het hoofd naar de rechter gelaatshelft en de kaak, met misselijkheid en braakneigingen en voorts dat hij last heeft van concentratieproblemen, erge vermoeidheid en moeite met multitasken en het vinden van woorden. [naam neuroloog 1] concludeert dat sprake is van postcommotionele klachten en tendomyogene drukpijn van de nekmusculatuur (pijn bij overgang van spier naar pees, rb) en merkt op dat [eiser] soms wat lijkt te hyperventileren. Deze klachten ziet hij vaker na een dergelijk trauma, d.i. na een kopstaartbotsing, aldus [naam neuroloog 1] .

2.12.

Op 10 januari 2016 is [eiser] gezien door revalidatiearts [revalidatiearts] , die [eiser] vanwege concentratie- en geheugenstoornissen heeft verwezen naar het SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarbare Lichamelijke Klachten) programma.

2.13.

Op 11 april 2016 heeft psycholoog [naam psycholoog] [eiser] gezien voor een intake op de poli SOLK van het CWZ-ziekenhuis in Nijmegen. Bij brief van 14 november 2016 heeft zij op verzoek van [eiser] verslag gedaan van haar bevindingen. Daarin staat:

1. De klachten:

(…) Hij rapporteert (…) pijn rechts in zijn nek en schouder. De pijn zou de gehele dag aanwezig zijn. Daarnaast rapporteert hij klachten van moeheid, en concentratieproblemen: kan soms niet op woorden komen, hij vergeet dingen en kan geen twee dingen tegelijk doen.

2. De beperkingen:

Beperkingen die patiënt door zijn klachten ervaart zijn onder andere dat hij nog maar twee uur per dag kan functioneren en dus ook maar twee uur per dag kan werken. Hij voelt dat hij daarna plat moet gaan liggen. Verder heeft hij zijn hobby schietsporten moeten opgeven.

3. Onderzoeksbevindingen:

We zien een whiplash die meer lichamelijke klachten geeft dan somatisch verklaarbaar is. Dit zou op biologisch niveau te begrijpen zijn vanuit een chronische ontregeling van zijn stressregulatiesysteem. Deze ontregeling ontstond geleidelijk vanaf zijn vroege jeugd door een stapeling van het effect van biologische, psychologische en sociale stressoren (een proces dat ‘allostase’ wordt genoemd). Door centrale sensitisatie en leereffecten zijn een aantal lichamelijke klachten geleidelijk chronisch geworden en is er inmiddels steeds minder stress nodig om nieuwe stressgerelateerde lichamelijke en psychische klachten te laten ontstaan.

Biologische stressoren:

Verkeersongeval met een soort whiplashtrauma.

Psychologische stressoren:

Zeer onveilig gezin van herkomst, alcoholistische vader die moeder en zus mishandelde, zwakke moeder, weinig gespiegeld, affectief verwaarloosd, waardoor vermijdend gehecht geraakt en moeite met mentaliseren, actieve en vermijdende copingstijl van hard knokken, altijd maar doorgaan en 50 uur per week werken.

Sociale stressoren:

o.a. echtscheiding, klachten en beperkingen na verkeersongeval.

2.14.

In april 2016 heeft [eiser] een maagverkleiningsoperatie ondergaan.

2.15.

Op 2 mei 2016 heeft [naam 2] arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] , verbonden aan Arbeidsdeskundige Bureau Radar B.V. opgedragen om de re-integratie mogelijkheden van [eiser] te onderzoeken en te begeleiden. In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 7 juni 2016 staat:

7.4.

De huidige arbeidssituatie

7.4.1

Inventarisatie knelpunten

Volgens betrokkene ervaart hij de volgende knelpunten tijdens de uitoefening van zijn beroep.

- Beperkte duurbelastbaarheid: sinds eind januari 2016 probeert betrokkene weer circa 3-4

uur per dag actief te zijn. De omvang wisselt per dag en is afhankelijk van hoe betrokkene

zich voelt en wat hij de dag ervoor gedaan heeft. Een structurele uitbreiding van uren is volgens betrokkene energetisch nog niet haalbaar.

- Cognitieve beperkingen: als gevolg van onder meer concentratieproblemen acht betrokkene zich nog minder dan voorheen in staat zijn ondernemingstaken uit te voeren. Hij richt zich nu vooral op het continueren van de onderneming terwijl hij voor het ongeval veel meer ook bezig was met de toekomst. Ook vermijdt hij nog langere autoritten.

- Fysieke beperkingen: ten gevolge van de nog aanwezige nekklachten acht betrokkene zich

nog zeer beperkt in staat het voorkomende sleutelwerk op te pakken.

7.4.2

Arbeidsuren en taken

Naar schatting werkt betrokkene op dit moment ongeveer 15-20 uur per week in aangepast eigen werk. (…)

2.16.

Op 2 oktober 2016 heeft psycholoog [psycholoog 2] aan de huisarts bericht dat [eiser] aangeeft dat hij sinds het ongeval whiplashklachten heeft en veel problemen in zijn functioneren ervaart door onder meer verstrooidheid, vergeetachtigheid, emotionaliteit, slapheid, mentale vermoeidheid, concentratieproblemen en woordvindingsproblemen en dat dit ertoe leidt dat hij zijn bedrijf niet meer op een goede manier kan runnen en dat de aanhoudende klachten leiden tot depressieve klachten.

2.17.

In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 18 november 2016 staat:

Vorderingen en resultaten

(…)

- Inzetbaarheid betrokkene: Naar eigen inschatting werkt betrokkene intussen ongeveer 4 uur per dag. De nog aanwezige klachten en beperkingen verhinderen naar zijn zeggen op dit moment nog een verdere opbouw.

2.18.

Op 21 november 2016 heeft Aegon een bedrag van € 12.500,00 aan [eiser] betaald, als aanvullend voorschot op schadevergoeding. Toen was reeds € 27.500,00 aan voorschotten betaald.

2.19.

Eind december 2016 hebben partijen gezamenlijk bedrijfseconomisch deskundige [bedrijfseconomisch deskundige] verzocht om de bedrijfsactiviteiten van [eiser] te onderzoeken. Bij brief van 3 mei 2017 heeft [bedrijfseconomisch deskundige] een concept-liquiditeitsbegroting opgesteld. Daarin staat:

Toelichting

• In 2016 is een omzet van € 790.900 gerealiseerd. In de eerste maanden van 2017 was sprake van een forse omzetstijging. Volgens de heer [eiser] kan deze groei ondanks zijn beperkte inzetbaarheid worden gerealiseerd, door de sterk toegenomen vraag vanuit de markt.

2.20.

Op 18 mei 2017 heeft Aegon € 30.000,00 aan [eiser] betaald als renteloze lening.

2.21.

Op advies van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] heeft [eiser] op 22 februari 2017 een intakegesprek gehad bij Winnock in verband met een multidisciplinair onderzoek, gericht op re-integratie. In het verslag daarvan staat:

Actuele stressoren

In het gesprek komt vooral de werksituatie als bron van spanning naar voren. Het aansturen van zijn eigen bedrijf in combinatie met zijn ervaren klachten gaat al lange tijd niet zoals hij graag zou willen. De resultaten van het bedrijf lijden onder zijn verminderde belastbaarheid. Hij voelt zich tekort schieten richting personeelsleden alsook richting zijn gezinsleden. Deze schuldgevoelens lijken eveneens een centrale spanningsbron.

2.22.

In verband met dit re-integratietraject is op 1 juli 2017 een bedrijfsleider, [naam bedrijfsleider] , gestart met zijn werkzaamheden in de onderneming van [eiser] . [naam bedrijfsleider] was een oud medewerker van [naam 1] .

2.23.

In 2017 heeft Aegon een anonieme brief ontvangen. Daarin staat dat [eiser] betaald wordt voor zijn zogenaamde whiplash, dat hij zogenaamd niets kan, niet eens autorijden, maar dat een zware machine de wagen in duwen geen probleem is en ook dat een rit naar een klant van twee uur heen en twee uur terug geen probleem is. Verder is vermeld dat [eiser] overal loopt rond te bazuinen dat hij een flinke loods in zijn tuin gaat bouwen van het uitgekeerde geld, waar hij eigenlijk geen recht op heeft, dat hij zijn haren verwilderd doet en een beetje zwarte schmink onder zijn ogen doet en sjofele kleding aandoet als hij naar controle moet en zich dan laat rijden door een ander. Dat hij dit op deze manier doet vertelt hij vol bravoure tegen mensen. Op feestjes loopt hij te hossen en te springen en lacht hij Aegon heel hard uit. De schrijver concludeert tot ‘oneerlijkheid, liegen en bedriegen’. Aegon heeft naar aanleiding van deze schriftelijke anonieme tip geen nader onderzoek gedaan.

2.24.

Op verzoek van partijen gezamenlijk heeft neuroloog [naam neuroloog 2] op 28 augustus 2017 definitief gerapporteerd over de ongevalsgevolgen op zijn vakgebied. In dit rapport staat:

Anamnese.

(…)

Als hij ver weg moet rijdt een ander. Vandaag heeft hij zelf vanuit Wijchen naar Eindhoven gereden, maar zijn vrouw rijdt terug. Hij heeft een vestiging in Den Bosch. Dat durft hij met de auto aan. Maar Haarlem bijvoorbeeld niet.

(…)

Ongevalsanamnese

(…)

De eerste negen maanden kon hij helemaal niks hebben. Geen prikkels. Hij lag alsmaar op de bank. 1 uur per dag delegeerde hij werkzaamheden voor zijn bedrijf.

(…)

Belemmeringen.

(…)

Wat betreft zijn beroep: hij is nu wel meer in het bedrijf dan aanvankelijk dat ene uur. Hij gaat echter iedere dag ver over zijn grenzen. Hij werkt nu circa 4 uur per dag. (…) In die 4 uur werken per dag is hij maar voor circa 50% effectief. Hij werkte voorheen normaal 8 tot 10 uur per dag.

(…)

Samenvatting.

(…)

De ongevalsanamnese thans is grosso modo gelijk aan die uit de behandelende sector.

(…)

Overwegingen.

(…)

Zoals de huisarts heeft aangegeven (de huidige anamnese is daar geheel mee compatibel) was er sprake van whiplash. Met andere woorden: aannemelijk is, dat er sprake is geweest van een acceleratie-deceleratie trauma met als gevolg een whiplashsyndroom.

(…)

Bij onderzochte is er echter sprake van een geprotraheerd klachtenpatroon waarin chronische pijn (ook) een belangrijke rol speelt.

Op grond van anamnese in combinatie met algemeen neurologisch onderzoek is er geen neurologische verklaring voor pijn en komt het ondergetekende voorts voor, dat voor de chronische (spannings)hoofdpijn en (vermoedelijk) myogene pijn onvoldoende somatische verklaring is te geven.

(…)

Naar de mening van ondergetekende zou het bij een adequate aanpak via een zogenaamde SOLK-behandeling tot herstel moeten kunnen komen, aangezien een organisch-cerebrale oorzaak ten enenmale ontbreekt respectievelijk überhaupt een somatische basis niet aan te nemen is.

Conclusie.

Het bewuste ongeval, te benoemen als een whiplashtrauma, heeft per saldo geen neurologisch letsel veroorzaakt en derhalve kan een classificerende neurologische diagnose niet worden gesteld. Het persisterend klachtenpatroon wekt niet de indruk van überhaupt somatische origine te zijn. Daarom kan ondergetekende zich verenigen met de in de behandelende sector gestelde indicatie voor een zogenaamde SOLK-behandeling, waarbij behandelprincipes, voortvloeiend uit het concept “neurale reorganisatie” in de behandeling wordt geïntegreerd.

Beantwoording van de gestelde vragen.

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

(…)

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Naar het oordeel van ondergetekende kan niet worden gesproken van inconsistentie, zoals dat in de vraagstelling zal zijn bedoeld.

(…)

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Op het vakgebied van de neurologie kan een classificerende diagnose niet worden gesteld. Het bewuste ongeval, te benoemen als een whiplashtrauma, heeft geen neurologische reststoornissen tot gevolg gehad. Differentiaaldiagnostisch kan worden aangegeven, dat het persisterende klachtencomplex niet voldoende somatisch kan worden geobjectiveerd respectievelijk verklaard.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in

zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? (…)

Thans bestaan er geen beperkingen op neurologisch terrein.

(…)

2DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor en/of zonder ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen en zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en/of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval onderzochte niet was overkomen?

Neen, respectievelijk niet van toepassing.

2.25.

Op 16 oktober 2017 is de bedrijfsruimte van [eiser] verplaatst van zijn woonadres te Wijchen naar een bedrijventerrein in Nijmegen.

2.26.

Bij brief van 9 november 2017 heeft [bedrijfseconomisch deskundige] over de financiële stand van zaken in de onderneming van [eiser] gerapporteerd. Daarin staat:

3.3

Winst- en verliesrekening

(…)

In de winst- en verliesrekeningen is nog geen rekening gehouden met de voorraadmutaties en de vennootschapsbelasting. Zoals bij de analyse van de balansen is weergegeven is er geen goede aansluiting tussen de balansen en de winst- en verliesrekeningen. Tijdens de afspraak bleek dat de inkopen en voorraden niet altijd op de juiste B.V. zijn geboekt. Ook hebben wij de indruk dat niet alle investeringen en afschrijvingen zijn geboekt. De winst- en verliesrekeningen zijn niet betrouwbaar en vormen daarmee geen goede basis van de verdere financiële analyse.

Onder voorbehoud gaan wij ervan uit dat de vermelde omzetgegevens in de winst- en verliesrekening juist zijn. De totale omzet van de gezamenlijke B.V.'s bedroeg over de periode 1 januari tot en met 30 september 2017 € 1.206.000 (excl. interne omzet). De omzet in het basis scenario was voor deze periode op € 1.050.000 geraamd.

De omzet ontwikkelde zich aanzienlijk gunstiger dan in het basis scenario.

2.27.

In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 29 november 2017 staat:

Vorderingen en resultaten

(…)

- Het bij Winnock doorlopen traject mondde uit in een werkhervattingsplan waarmee betrokkene startte op 14 november 2017. Door verschillende oorzaken werden de afgesproken werktijden echter al direct fors overschreden. (…)

Beschouwing en conclusie

(…)

Afgesproken is dat betrokkene de komende 2 weken 2 uur per dag werkt, waarbij hij zich richt op voorkomende sleutelwerkzaamheden en daarnaast alleen de hoogst noodzakelijke telefonische contacten onderhoudt (maximaal een half uur per dag). (…) Over 2 weken wordt bezien of de urenomvang kan worden uitgebreid naar 3 uur per dag.

2.28.

In december 2017 heeft Aegon een bedrag van € 25.000,00 aan [eiser] betaald, als renteloze lening.

2.29.

In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 10 januari 2018 staat:

Vorderingen en resultaten

Ondanks de in overleg met Winnock en betrokkene gemaakte afspraken over zijn werkhervatting (zie mijn rapport van 29 november 2017) slaagt betrokkene er nog altijd niet in zijn re-integratie op een goede manier vorm te geven. Hij heeft nog altijd de neiging zichzelf fors te overvragen, met toenemende klachten tot gevolg, (…)

Planning

(…)

Verrichten van werkzaamheden vanuit huis, vooralsnog 5 × 2 uur per dag (lees: week, rb).

2.30.

Eind april 2018 heeft [eiser] bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] op non-actief gesteld, omdat [naam bedrijfsleider] volgens [eiser] personeel tegen hem aan het opzetten was en leek aan te sturen op overname van de onderneming. Per 1 september 2018 is [naam bedrijfsleider] definitief niet langer in dienst van de onderneming van [eiser] .

2.31.

In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 22 mei 2018 staat:

- Betrokkene werkt vooralsnog 4 uur per dag.

2.32.

Op 5 juli 2018 heeft Aegon een bedrag van € 25.000,00 aan [eiser] betaald, als renteloze lening.

2.33.

In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 10 juli 2018 staat:

- Conform afspraak heeft betrokkene zijn uren uitgebreid van 5 × 4 uur per week naar 5 × 5 uur per week.

2.34.

Vanaf september 2018 is [eiser] voor zijn whiplashklachten in behandeling bij psycholoog Ulrich.

2.35.

In het rapport van [arbeidsdeskundige] van 3 oktober 2018 staat:

Vorderingen en resultaten

- In de afgelopen periode is gestreefd naar het bestendigen van de gerealiseerde werkhervatting van 5 keer 5 uur per week. Dat is redelijk goed gelukt, hoewel betrokkene in de afgelopen weken, gedwongen door ontwikkelingen binnen zijn bedrijf, wel meer uren heeft gewerkt. Het is positief dat hij constateerde daar wel mee om te kunnen gaan.

(…)

- Voor de komende periode is een verdere opbouw van uren afgesproken; een opbouw naar vooralsnog 5 keer 5,5 uur per week.

2.36.

Eind 2018 zijn de begeleiding door arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] en het re-integratietraject bij Winnock geëindigd.

2.37.

In februari 2019 is de heer [naam 1] op freelance basis als bedrijfsleider in de onderneming van [eiser] gaan werken. [eiser] heeft deze samenwerking per september 2019 weer beëindigd, omdat [naam 1] volgens [eiser] bezig was het bedrijf over te nemen, met medeneming van twee werknemers.

2.38.

[medisch adviseur] , de medisch adviseur van Aegon, heeft zich tussen 12 februari 2016 en 10 april 2019 vier keer bij brief uitgelaten over de ongevalsgevolgen. Blijkens zijn laatste brief is [medisch adviseur] , mede op basis van de bevinding van [naam neuroloog 2] dat er geen neurologische afwijkingen zijn gevonden ten gevolge van het ongeval, van mening dat het aanhouden van de klachten van [eiser] niet wordt veroorzaakt door de aanrijding, maar door externe stressoren vanwege de werkzaamheden van [eiser] in zijn eigen bedrijf, waarbij ernstig overgewicht een belemmerende rol speelt.

2.39.

Op 12 september 2019 hebben partijen gezamenlijk [bedrijfseconomisch deskundige] opgedragen om een bedrijfseconomisch onderzoek te verrichten naar de ondernemingen van [eiser] . [bedrijfseconomisch deskundige] heeft in dat kader op 24 oktober 2019 met [eiser] gesproken. Van dit gesprek heeft [bedrijfseconomisch deskundige] bij brief van 29 oktober 2019 verslag gedaan.

Het definitieve rapport van [bedrijfseconomisch deskundige] dateert van 30 april 2020. Daarin staat op pagina 10:

De omzetontwikkeling van de bedrijven van de heer [eiser] ontwikkelde zich (in de periode 2012 tot met 2018, rb) beter dan het branchegemiddelde voor de invoer van gespecialiseerde machines. Het verschil kan mogelijk worden verklaard doordat betrokkene zich op de bouwbranche richt, waarin de afgelopen jaren een sterke groei is gerealiseerd.

en op pagina 18:

Ondanks de forse omzetstijging in 2017, gecombineerd met een lichte verbetering van de brutowinstmarge, daalde het resultaat in 2017 naar nihil. Dit is het gevolg van de sterk toegenomen personeelskosten, onder andere door de aanname van de bedrijfsleider.

2.40.

Na het beëindigen van de samenwerking met [naam 1] heeft [eiser] besloten om zich nog uitsluitend op de vestiging te Nijmegen (Wijchen) te richten. Op 16 maart 2020 heeft hij de vestiging van zijn bedrijf in Kampen verkocht en rond die tijd is de vestiging in Noord-Holland gesloten. In april 2020 heeft hij besloten zijn onderneming weer vanuit zijn woonadres te Wijchen te gaan uitoefenen.

2.41.

Begin april 2020 heeft een anoniem persoon (persoon 1) [naam 2] gebeld en hem verteld dat [eiser] de boel aan het oplichten was. Volgens persoon 1 had [eiser] geen whiplash en was hij gewoon op zijn eigen terrein aan het werk. [naam 2] heeft de afdeling veiligheidszaken van Aegon hierover geïnformeerd.

2.42.

Bij brief van 29 april 2020 heeft [naam 2] [arbeidsdeskundige] verzocht te rapporteren over eventuele discrepanties tussen mededelingen die [eiser] aan hem heeft gedaan en mededelingen die [eiser] aan [bedrijfseconomisch deskundige] heeft gedaan, blijkens een brief van [bedrijfseconomisch deskundige] van 29 oktober 2019 en de conceptrapportage van [bedrijfseconomisch deskundige] van 9 maart 2020 over:

- de werkzaamheden voor en na het ongeval,

- de beperkingen na het ongeval met betrekking tot de aard van de werkzaamheden en de werkzame uren in het bedrijf,

- de plannen zonder en met ongeval,

- de werkzaamheden die als gevolg van het ongeval zijn uitbesteed en

- het aantrekken van personeel zonder en met ongeval.

2.43.

In zijn rapport van 25 mei 2020 vermeldt [arbeidsdeskundige] daarover:

De werkzaamheden na ongeval

In zijn brief van 29 oktober 2019 schrijft de heer [bedrijfseconomisch deskundige] dat betrokkene in het jaar na het

ongeval gemiddeld slechts een halfuur per dag heeft kunnen werken. Hij geeft aan dat de

werkzaamheden van betrokkene momenteel bestaan uit inkoop, verkoop, aansturing van

personeel, volgens betrokkene echter niet meer op het niveau van voor het ongeval. Verder

wordt vermeld dat betrokkene na het ongeval geen trainingen en montagewerkzaamheden

meer heeft verzorgd.

(…)

Volgens mijn gegevens werkte betrokkene in het jaar na het ongeval meer dan gemiddeld een halfuur per dag, namelijk 3 tot 4 uur per dag, in ieder geval vanaf het moment dat ik hem op 23 mei 2016 voor het eerst sprak. Verder concludeer ik dat betrokkene zich in het kader van zijn re-integratie wel heeft beziggehouden met montage(sleutel)werkzaamheden. Dit was vooral in het kader van het opbouwen van zijn belastbaarheid in de periode dat [naam bedrijfsleider] nog werkzaam was als bedrijfsleider.

(…)

Beschouwing en conclusie

Op grond van de door mij verrichte analyse concludeer ik dat de mededelingen die betrokkene aan de heer [bedrijfseconomisch deskundige] heeft gedaan voor het overgrote deel overeenstemmen met hetgeen betrokkene mij heeft verteld. Het belangrijkste verschil betreft de urenomvang van betrokkene in het jaar na het hem overkomen ongeval. Waar de heer [bedrijfseconomisch deskundige] noteert dat betrokkene naar eigen zeggen gemiddeld slechts een halfuur per dag kon werken, noteerde ik een omvang van 3 tot 4 uur per dag. Verder noteerde ik in mijn rapporten dat betrokkene na ongeval, zij het in beperkte mate en vooral ten behoeve van zijn re-integratie, wel ook montagewerkzaamheden heeft verricht.

2.44.

Pogingen van een fraudeanalist van Aegon om telefonisch in contact te treden met persoon 1 hebben erin geresulteerd dat de fraudeanalist op 14 augustus 2020 een telefoongesprek heeft gevoerd met persoon 1. De tipgever heeft in dat telefoongesprek zijn verklaring herhaald en aanvullend de contactgegevens verstrekt van twee andere personen (persoon 2 en persoon 3) die zijn verklaring zouden kunnen bevestigen. De fraudeanalist heeft besloten ook persoon 2 en persoon 3 te benaderen en heeft op 17 augustus 2020 met persoon 2 gesproken en op 27 augustus 2020 met persoon 3. Na verstrekking van diens contactgegevens heeft de fraudeanalist ook een vierde persoon (persoon 4) gesproken.

2.45.

In notities die de fraudeanalist van deze vier telefoongesprekken heeft gemaakt staat, zakelijk weergegeven, het volgende (voor zover deze notities niet door Aegon onleesbaar zijn gemaakt, zie ook hierna onder 2.55.):

  • -

    Aegon wordt door [eiser] flink bij de neus genomen. [eiser] licht de boel chronisch op. Hij heeft geen whiplash, maar is manisch depressief en in al zijn vezels onbetrouwbaar. [eiser] heeft na het ongeval zijn woning compleet verbouwd tot appartement. In het bijzijn van anderen speelt hij theater, maar wanneer hij zich onbespied voelt doet hij van alles in zijn bedrijf waar hij ook werk in het zwart uitvoert. [eiser] heeft veel kennis op zijn vakgebied, maar is depressief omdat hij de druk van zijn bedrijf niet aankan. (Gesprek met persoon 1)

  • -

    [eiser] is een goede toneelspeler. Zijn claim rammelt aan alle kanten. (Gesprek met persoon 2)

  • -

    [eiser] wil een bedrijfsleider inschakelen om zijn bedrijf uit te breiden. Hij zegt over zichzelf dat hij maar een monteur is en dat bedrijfsvoering hem boven de pet gaat. [eiser] werd betaald om iemand in dienst te nemen die de zaak kon waarnemen gedurende zijn revalidatie en wil deze gelden gebruiken om zijn bedrijf uit te breiden. [eiser] licht de boel op. Hij heeft geen whiplashklachten maar is overspannen omdat hij de druk van zijn eigen bedrijf niet aan kan. Hij doet alsof hij niet kan autorijden, terwijl hij een aantal weken daarna zelfstandig naar Italië reed om op vakantie te gaan. [eiser] was elke dag actief aan het werk en daarnaast continu met advocaten bezig. (Gesprek met persoon 3)

  • -

    Er is grond voor twijfel aan de whiplashklachten van [eiser] . Op feestjes stond hij te dansen en springen, terwijl hij tegen de buitenwereld zei en deed alsof hij dat allemaal niet kon. Hij zegt tegen mensen dat hij niet kan autorijden, terwijl hij wel eens met de auto naar afspraken reed. [eiser] is een heel gewiekst persoon die niet schroomt om heel ver te gaan voor zijn eigen gewin. (Gesprek met persoon 4)

2.46.

Na deze gesprekken heeft Aegon besloten het facebookaccount van [eiser] te onderzoeken (zie randnummer 2.9 van de conclusie van antwoord).

2.47.

Op 27 juli 2020 heeft [arbeidsdeskundige] aan [naam 2] en de advocaat van [eiser] bericht dat hij het dossier heeft gesloten. Op 31 juli 2020 heeft de advocaat van [eiser] aan [naam 2] bericht:

“Ten aanzien van het bericht van de heer [arbeidsdeskundige] van 29 juli (bedoeld zal zijn: 27 juli, rb) merk ik namens cliënt op dat hij nog steeds maar circa 3 uur per dag (effectief/declarabel) werkzaam kan zijn.”

2.48.

In oktober en november 2020 hebben [naam 2] en de advocaat van [eiser] met elkaar gecorrespondeerd over onder meer het verstrekken van nadere (financiële) stukken.

2.49.

Op 15 januari 2021 heeft [naam 2] aan de advocaat van [eiser] onder meer gevraagd of [eiser] nog altijd drie uur per dag werkzaam was of dat dat intussen meer of minder was. Op 5 februari 2021 heeft de advocaat van [eiser] daarop gereageerd en meegedeeld dat de effectieve belastbaarheid van [eiser] nog steeds beperkt blijft tot drie uur per dag.

2.50.

Op 8 februari 2021 heeft de fraudeanalist van Aegon intern toestemming gekregen om [eiser] te laten observeren. In de mail van de fraudeanalist staat:

Graag wil ik jou via deze weg goedkeuring vragen voor een tweede persoonlijk onderzoek naar dhr. [eiser] (hierna: de betrokkene) met in het bijzonder de goedkeuring voor het (laten) observeren van de betrokkene. Hieronder wordt uitgelegd waarom.

Tweede persoonlijk onderzoek

Eerder, op 31-8-2020, vroeg ik aan jou goedkeuring voor een persoonlijk onderzoek naar de betrokkene met in het bijzonder de onderzoeksmethode: inwinnen van informatie bij derde(n). Ik heb in totaal vier (nu nog) anonieme personen gesproken. Daarnaast ontving Aegon in 2017 een anonieme tip per post over de betrokkene. Uit dit persoonlijk onderzoek en feitenonderzoek is onvoldoende duidelijkheid gebleken om een standpunt in te kunnen nemen. Daarentegen zijn er nog steeds een hoop aanwijzingen om te willen observeren.

Uitkomst eerste persoonlijk onderzoek - informatie inwinnen bij derde(n)

Gedurende het eerste persoonlijk onderzoek heb ik vier personen gesproken. Gezamenlijk verklaren deze personen hetzelfde, namelijk: de betrokkene zou de boel oplichten en hij zou een zeer gewiekst persoon zijn die niet schroomt heel ver te gaan voor zijn eigen gewin. Hij claimt whiplashklachten te hebben maar in feite overspannen te zijn omdat hij de druk van zijn eigen bedrijf niet aan kan. De betrokkene zegt zwaar belemmerd te zijn vanwege de whiplashklachten terwijl hij op feestjes wel kan dansen en springen (terwijl hij tegen de buitenwereld zegt en doet alsof hij dat niet kan). De betrokkene zegt dat hij niet kan autorijden terwijl hij wel naar afspraken rijdt of zelfs met de auto naar Italië op vakantie ging. Volgens de anonieme personen zou de betrokkene theater spelen in bijzijn van anderen maar wanneer hij zich onbespied voelt juist van alles in zijn bedrijf ondernemen. (…)

Reden van persoonlijk onderzoek

1. Het feitenonderzoek geeft geen of onvoldoende uitsluitsel voor het nemen van een beslissing of;

2. Er is gerede twijfel ontstaan over de juistheid of volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek en persoonlijk onderzoek. Daardoor is er een redelijk vermoeden ontstaan van fraude of andere vormen van oneigenlijk gebruik van producten of diensten. Er is geen andere (minder ingrijpende) manier.

Proportionaliteit – toelichting waarom een persoonlijk onderzoek wordt overwogen

De betrokkene zou naar aanleiding van een ongeval op 29 september 2015, met een verzekerde van Aegon, whiplashklachten hebben opgelopen. Aegon keerde inmiddels ruim € 100.000 uit aan kosten inzake de claim van dhr. [eiser] . Dit zijn kosten van belangenbehartigers, expertisebureaus, medische expertises/adviseurs en arbeidsdeskundigen. Tevens betaalde Aegon € 122.000 rechtstreeks aan dhr. [eiser] , hiervan was € 50.000 een lening zodat het bedrijf van dhr. [eiser] niet failliet zou gaan.

Er werd boekhoudkundig onderzoek gedaan en medische expertises uitgevoerd. Hier bleek onvoldoende duidelijkheid uit. Volgens de belangenbehartiger van de betrokkene is de betrokkene op dit moment, februari 2021, nog maar 3 uren per dag belastbaar. Dit komt door de reeds bekende klachten: kan niet lang autorijden, vergeetachtig, maar 1 ding tegelijk kunnen, beperkt concentreren in een gesprek, na 1 uur opgebrand, niet meer kunnen lesgeven, geen energie in privéleven, niet goed uit woorden kunnen komen, gecompliceerde reparaties lukken niet, administratieve handelingen lukken niet meer, bij over de grenzen gaan aantal dagen/nachten last.

Na het eerste persoonlijk onderzoek is in de periode van 24-11-2020 tot 1-2-2021 een aanvullend feitenonderzoek gedaan. Daarbij is uitgebreid(er) gekeken naar de social media van de betrokkene en zijn alle documenten opgevraagd bij [naam 3] . Hieruit zijn een aantal zaken gebleken:

- De medisch adviseur heeft meermaals omschreven dat er geen causaal verband is met de geclaimde klachten van de betrokkene en de aanrijding in 2015. De klachten zouden komen vanwege stresserende factoren zoals de enorme werkdruk en belasting om het bedrijf in stand te houden.

- De betrokkene zou sinds de aanrijding geen trainingen en opleidingen meer bij Knauf kunnen geven. Dit terwijl uit zijn eigen Facebook blijkt dat hij op 14-9-2018, 4-6-2018, 28-5-2018 en 13-1-2017 wel demonstraties geeft. Dit wordt onderbouwd met foto's waarop hij stucmachines hanteert.

- De betrokkene verklaarde op 1-2-2017 dat hij niet naar Noord Holland kan rijden. Op 18-5-2018 zegt hij alleen naar Arnhem (vanaf Wijchen, nabij Nijmegen) te kunnen, verder weg lukt niet. Op 9-2-2020 verklaarde hij dat hij nog steeds niet lang kan autorijden. Dit terwijl uit Facebook blijkt dat hij op 9-12-2016 in Volendam is om een pomp af te leveren bij een klant. Op 5-6-2019 zou hij een machine afleveren in Delft.

Subsidiariteit – is het mogelijk hetzelfde resultaat te behalen met minder ingrijpende onderzoeksmethode?

Op basis van bovenstaande kan in onvoldoende mate gesteld worden dat de betrokkene majoreert of fingeert. De verklaringen van de anonieme personen zijn niet onderbouwd met bewijzen zoals e-mails of beeldmateriaal van de betrokkene. Daarnaast is uit boekhoudkundig onderzoek onvoldoende duidelijkheid gebleken. De medisch adviseur verklaart dat er geen causaal verband is tussen de geclaimde klachten en de aanrijding in 2015 maar dat wordt juridisch vaak bemoeilijkt. Enkel op basis daarvan kan Aegon geen standpunt innemen. Daarentegen zijn er nog te veel aanwijzingen en discrepanties die erop wijzen dat Aegon opzettelijk financieel benadeelt wordt. Reeds is uitgebreid feitenonderzoek gedaan en is persoonlijk onderzoek gedaan door informatie in te winnen bij derden. Een interview met de betrokkene zou m.i. te vroeg zijn omdat er nog te veel onduidelijkheden zijn. Daarnaast kan dit de observatie belemmeren. Daarmee is op dit moment de enige onderzoeksmethode observeren. Dit is de meest ingrijpende methode maar er is geen minder ingrijpende manier om tot duidelijkheid te komen.

2.51.

Op 5 maart 2021 heeft de advocaat van [eiser] een berekening van het verlies van diens verdienvermogen aan [naam 2] gezonden. Daarna zijn nog nadere gegevens aan [naam 2] gezonden en is door de advocaat van [eiser] aangedrongen op een bespreking/mediation.

2.52.

In een facebookbericht van 24 maart 2021 heeft [eiser] vermeld dat zijn onderneming met ingang van 29 maart 2021 gaat verhuizen naar het oude adres te Wijchen.

2.53.

In opdracht van Aegon hebben medewerkers van onderzoeksbureau I-TEK B.V., na een voorverkenning op 24 februari 2021, [eiser] geobserveerd op 9 werkdagen in de periode van 5 maart 2021 tot en met 21 mei 2021. Hun observaties zijn vastgelegd in een rapport van 15 juli 2021. Daarin staat:

5 maart 2021 (…)

1. Betrokkene [eiser] was gedurende vrijdag 5 maart 2021 tussen 08:55 uur en 17:50 uur (zakelijk) actief c.q. onderweg (ongeveer 8 uur en 55 minuten).

2. Betrokkene [eiser] reed als bestuurder van de Volkswagen Transporter terug vanuit Volendam naar Nijmegen/Wijchen met twee stopmomenten bij tankstations. De totale reistijd bedroeg (inclusief deze twee stopmomenten) ongeveer 2 uur en 23 minuten. De totale gereden afstand bedroeg ongeveer 170 kilometer. (…)

3. Verder is waargenomen dat betrokkene [eiser] twee keer een doos (met inhoud) tilde.

(…)

5. Betrokkene [eiser] was deze dag gekleed in kleding met het bedrijfsopschrift [bedrijfsnaam 1] .

(…)

18 maart 2021 (…)

3. In de middag reed betrokkene [eiser] als bestuurder van de Volkswagen Transporter vanaf zijn woning, zijnde het perceel [woonadres] , met een korte tussenstop in de [straatnaam] te Wijchen en nog twee andere personen naar Autobedrijf [naam autobedrijf] , gevestigd op het adres [adres] . De enkele afstand betrof ongeveer 67 kilometer met een reistijd van ongeveer 60 minuten. De terugreis duurde bijna twee keer zo lang vanwege een langere tussenstop bij een SHELL tankstation en een file op de autosnelweg A59/A50.

(…)

30 maart 2021 (…)

1. Betrokkene [eiser] verplaatste in de ochtend als bestuurder meerdere keren een bestelbus. De bestelbus die op zijn terrein stond, zette hij in eerste instantie op de groenstrook voor zijn woning en langs de openbare weg. Hierna liet betrokkene zich vermoedelijk door zijn vrouw (terug)brengen naar/vanaf een adres in Wijchen. Bij terugkomst sprak betrokkene [eiser] op straat een ouder echtpaar. In aansluiting hierop parkeerde betrokkene [eiser] de eerdergenoemde bestelbus op het terrein van een aan de overzijde van zijn woning gelegen woning.

(…)

3. Op het moment dat betrokkene [eiser] zich in/bij zijn woning te [woonplaats] bevond, is deze bezocht door een bestelbus van stukadoorsbedrijf STUCCO, (…)

(…)

31 maart 2021 (…)

2. Vervolgens is door betrokkene [eiser] een heftruck bestuurd en zijn vier banden met velgen in de achter de Volkswagen Transporter gekoppelde aanhangwagen gelegd.

3. Op het moment dat betrokkene [eiser] zich in/ bij zijn woning te [woonplaats] bevond, heeft de bestuurder van een bestelbus met daarachter gekoppeld een aanhangwagen met het opschrift van ' [naam 5] ', zijnde een stukadoorsbedrijf (…), twee stukadoorsapparaten afgeleverd en vervolgens weer meegenomen.

(…)

17 mei 2021 (…)

1. Betrokkene [eiser] reed als bestuurder van de Volkswagen Transporter vanaf zijn woning, zijnde het perceel [woonadres] , met tussenstops op de adressen [adres] (milieustraat) en [adres] , terug naar zijn woning. Dit betrof een afstand van in totaal ongeveer 22 kilometer met een reistijd van ongeveer 31 minuten.

2. Op het moment dat betrokkene [eiser] zich in/bij zijn woning te [woonplaats] bevond, is deze bezocht door een grijze Ford Transit met twee vermoedelijke stukadoors als inzittenden. De grijze Ford Transit was niet voorzien van een bedrijfsopschrift.

(…)

18 mei 2021 (…)

2. In de loop van de middag zijn in totaal vijf (bedrijfs)voertuigen het terrein van de woning van betrokkene [eiser] opgereden, waarvan een aantal direct te relateren zijn aan stukadoors c.q. stukadoorsbedrijven.

(…)

19 mei 2021 (…)

1. Het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1] gevestigd op het adres [adres] blijkt door betrokkene [eiser] te zijn afgestoten en is klaarblijkelijk als distributiecentrum door Post.NL in gebruik genomen.

2. Gedurende dit dagdeel is betrokkene [eiser] één keer waargenomen. Dit was in de overdracht van een gereedschapskoffer. Hij droeg op dat moment kleding met het bedrijfsopschrift [bedrijfsnaam 1] .

3 Terwijl betrokkene [eiser] zich bij zijn woning bevond, zijn daar meerdere voertuigen gestopt die direct of indirect in verband konden worden gebracht met stukadoorsbedrijven. Daarnaast is er een bestelbus gestopt die in verband met bouw- of verbouwingswerkzaamheden kon worden gebracht.

(…)

20 mei 2021 (…)

1. Gedurende dit dagdeel is betrokkene [eiser] één keer waargenomen. Dit was als bestuurder van de Volkswagen Transporter bestelbus met het kenteken [kenteken] gedurende de ritten naar en vanaf Dierenartsenpraktijk Wijchen, gevestigd op het adres [adres] . De totale reistijd bedroeg ongeveer 7 minuten. De totale gereden afstand bedroeg ongeveer 4 kilometer.

2. Terwijl betrokkene [eiser] zich bij zijn woning bevond, zijn daar meerdere voertuigen gestopt die direct of Indirect in verband konden worden gebracht met stukadoorsbedrijven. Daarnaast zijn er voertuigen gestopt die in verband met bouw- of verbouwingswerkzaamheden en de aflevering van pakketten konden worden gebracht.

2.54.

Op 1 juli 2021 hebben partijen een bespreking op 26 augustus 2021 op het kantoor van Aegon afgesproken. Van deze bespreking, waarbij [eiser] , diens financieel adviseur de heer [naam 7] en [naam 8] aanwezig waren en namens Aegon de heren [naam 2] en [naam 9] , heeft Aegon een verslag opgesteld. Daarin staat onder meer:

Auto rijden kan hij maximaal 30 minuten volhouden en soms lukt het om 50 km te rijden, maar dan moet hij eerst een half uur rusten voor dat hij de terugreis begint. Hij rijdt 1 x per week.

(…)

Hij kan zelf niet de zware lichamelijke werkzaamheden meer doen. Als voorbeeld noemde hij het tillen van de motor van een stukadoors apparaat. De motor weegt ongeveer 35 kg.

(…)

Incidenteel, 1 x per maand, bezoekt hij een klant om een apparaat te verkopen.

(…)

De apparatuur wordt door klanten naar de werkplaats gebracht en heeft dagelijks klanten over de vloer. De apparatuur weegt 100 tot 300 kg en staan op wielen. Die van 300 kg kan hij niet op een aanhangwagen plaatsen. Die van 100 kg eigenlijk ook niet, maar doet hij soms wel.

In de middag houdt betrokkene bed of bankrust, Hij pakt dan echt rust en vanaf 15:30 uur is hij weer enigszins actief

Hij doet dan alleen privé dingen (…)

(…)

Hij geeft geen instructies meer voor Knauf.

(…)

Na het stellen van de vragen en het beantwoorden hiervan geeft de heer [naam 9] aan dat er vorig jaar een anonieme tip is binnengekomen bij Aegon en dat daarom een medewerker van Speciale Zaken ook wat vragen wil stellen.

Hierop geeft de heer [naam 8] te kennen dat hij daar geen behoefte aan heeft en dat hij meent dat er sprake van een onfatsoenlijke manier van doen en dat er sprake is van mislelding nu men naar Aegon is gekomen voor een regelingsgesprek en nu blijken er andere bedoelingen te zijn. Hij vindt dit kwalijk en hij vindt dat Aegon hem vooraf in kennis had moeten stellen van alle informatie. Ik heb daarop aangegeven dat de huidige gang van zaken niet ongebruikelijk is. Daarover denkt de heer [naam 8] anders. Hij wil dezelfde dag nog beschikken over alle informatie waarover onze afdeling Speciale Zaken beschikt en wijst op de AVG. Ik geef aan dat betrokkene inderdaad op grond van de AVG er recht op heeft te weten welke gegevens er zijn geregistreerd en dat ik onze afdeling Speciale Zaken dit zal meedelen. Ik heb ook voorgesteld dat de heer [naam 8] die middag nog gebeld wordt door Speciale Zaken. Hierop werd het gesprek beëindigd.

2.55.

Bij beschikking van 23 mei 2022 (C/05/395312 / HA RK 21-193) heeft deze rechtbank, op verzoek van [eiser] , Aegon bevolen om kopieën van alle verslagen en/of telefoonnotities van gesprekken met de anonieme tipgevers en alle schriftelijke tips waarover zij beschikt aan [eiser] te verstrekken, voor zover deze stukken informatie met betrekking tot [eiser] bevatten en met dien verstande dat zij eventuele daarin vervatte persoonsgegevens van anderen dan [eiser] onleesbaar kan maken.

2.56.

Bij uitspraak van 23 januari 2023 (TFD 22-003) heeft de Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën), op klagen van [eiser] , aan Aegon een waarschuwing opgelegd. Aegon had voorafgaand aan de bespreking op 26 augustus 2021 aan [eiser] kenbaar moeten maken dat er nog vragen moesten worden opgehelderd voordat aan het bespreken van een eindregeling kon worden toegekomen. Aegon heeft aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachten over een voornemen [eiser] bij deze bespreking met belastende informatie te confronteren zonder deze informatie op voorhand met hem te delen alsmede het uitgebreid horen over klachten en beperkingen alvorens de verdenking van verzekeringsfraude te uiten, heeft de Tuchtraad ongegrond bevonden.

2.57.

In de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van Verzekeraars van 21 december 2011 (verder: de Gedragscode) staat:

“Artikel 1 Persoonlijk onderzoek

1.1.

Een persoonlijk onderzoek kan worden ingesteld nadat:

Het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel geeft voor het nemen van een beslissing bij een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst, schademelding of andere aanspraak op uitkering of prestatie;

Of:

Gerede twijfel is ontstaan over de juistheid of volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek, zodanig dat bij de verzekeraar een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude of andere vormen van oneigenlijk gebruik van verzekeringsproducten of diensten is ontstaan.

(…)

Artikel 2 Belangenafweging betrokkene en verzekeraar (Proportionaliteit)

2.1.

De verzekeraar maakt bij het instellen van een persoonlijk onderzoek steeds een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de verzekeraar bij het uitvoeren van het onderzoek en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

2.2.

Bij deze belangenafweging moeten alle relevante aspecten betrokken worden, zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene, het financiële belang, het belang bij waarheidsvinding, het belang bij snelle en zorgvuldige besluitvorming of de mate van inbreuk op integriteit of veiligheid.

Artikel 3 Belangenafweging onderzoeksmiddel (Subsidiariteit)

3.1.

De verzekeraar beoordeelt of persoonlijk onderzoek het enige hem ten dienste staande middel is dan wel of er andere mogelijkheden van onderzoek zijn die tot minder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene leiden maar wel hetzelfde resultaat kunnen opleveren.

3.2.

De verzekeraar maakt daarbij de afweging of het doel van het persoonlijk onderzoek (en de daarbij te hanteren bijzondere onderzoeksmethoden en -middelen) in redelijkheid niet op een andere, voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden bereikt.

Artikel 4 Besluit persoonlijk onderzoek

4.1.

De verantwoordelijkheid voor het besluit tot het instellen van een persoonlijk onderzoek en de wijze waarop dit onderzoek wordt uitgevoerd ligt bij de verzekeraar.

4.2.

Omdat een persoonlijk onderzoek invloed kan hebben op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene moet de beslissing over het onderzoek, waaronder de te hanteren methode, gemotiveerd worden genomen. In ieder geval moet worden vastgelegd, door wie en op welke gronden het besluit genomen is.

4.3.

Het is niet toegestaan dat deze beslissing uitsluitend wordt genomen door de dossierbehandelaar of onderzoeker zelf. De beslissing tot het instellen van een persoonlijk onderzoek moet worden genomen door leidinggevende van de betrokken dossierbehandelaar of door de afdeling Veiligheidszaken. Als de dossierbehandelaar/onderzoeker werkzaam is op de afdeling Veiligheidszaken moet zijn leidinggevende beslissen.

(…)

Artikel 7 Onderzoeksmethoden

7.1.

Bij het persoonlijk onderzoek kan worden gebruikgemaakt van de verschillende

onderzoeksmethoden zoals:

a. interview van betrokkene;

b. inwinnen van informatie bij derden;

c. observeren van betrokkene.

(…)

Artikel 9 Informatieplicht

(…)

9.5.

De verzekeraar zal de betrokkene informeren over de resultaten van het persoonlijk

onderzoek.”

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I voor recht zal verklaren dat het in opdracht van, althans door Aegon uitgevoerde fraudeonderzoek/persoonlijk onderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd, dat Aegon daardoor onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat dientengevolge met het fraudeonderzoek/persoonlijk onderzoek verkregen onrechtmatig bewijs niet mag worden meegewogen bij de beoordeling van de onderhavige schadezaak,

II Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 40.000,00 aan smartengeld aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening,

III Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 262.991,00 aan [eiser] te betalen ter zake van de tot en met 2021 geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen, vermeerderd met de wettelijke rente over de afzonderlijke jaarschades zoals toegelicht in paragraaf 158 van de dagvaarding,

IV Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 1.323.159,00 aan [eiser] te betalen ter zake van de vanaf 1 januari 2022 te lijden schade wegens verlies aan verdienvermogen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,

V Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 45.970,00 aan [eiser] te betalen ter zake van geleden en te lijden schade wegens benodigde huishoudelijke hulp, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,

VI Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 53.267,00 aan [eiser] te betalen ter zake van geleden en te lijden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,

VII Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 1.500,00 aan [eiser] te betalen ter zake van overige materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,

VIII Aegon zal veroordelen om een bedrag van € 25.479,81 aan [eiser] te betalen ter zake van schade wegens verschuldigde kosten voor buitengerechtelijke rechtsbijstand, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,

IX Aegon zal veroordelen om aan [eiser] een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken over het totaal van toegewezen schadevorderingen,

X op de onder II tot en met VIII gevorderde en toe te wijzen schade in mindering zal brengen het reeds door Aegon bij wijze van voorschotten betaalde bedrag van € 120.000,00,

met veroordeling van Aegon in de proceskosten waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] kort gezegd het volgende ten grondslag.

De feiten en omstandigheden die Aegon heeft aangedragen voor het (laten) verrichten van persoonlijk onderzoek in de vorm van observatie, maar ook, zoals ter zitting is toegelicht, daaraan voorafgaand in de vorm van het inwinnen van informatie bij derden, vormen daarvoor geen toereikende rechtvaardiging in de zin van de Gedragscode; volgens [eiser] valt een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude uit deze feiten en omstandigheden niet af te leiden. Aegon heeft bovendien ten onrechte niet de mogelijkheden voor minder belastend onderzoek benut, zoals deskundigenonderzoek door een psychiater (of een andere arts) of een arbeidsdeskundige, en heeft [eiser] bovendien ten onrechte niet geconfronteerd met de resultaten van haar onderzoek voordat zij tot observatie besloot. Aegon heeft aldus in strijd gehandeld met de artikelen 1.1., 2 en 3 van de Gedragscode. Er bestaat dan geen rechtvaardigingsgrond voor de inbreuken op de persoonlijke levensfeer van [eiser] die deze onderzoeken meebrengen. Door de onderzoeken uit te (laten) voeren heeft Aegon onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . De resultaten van de persoonlijke onderzoeken mogen daarom niet bij de beoordeling van zijn aanspraak op schadevergoeding worden betrokken, aldus [eiser] , die deze resultaten overigens niet in strijd acht met zijn eigen verklaringen over zijn klachten en beperkingen.

3.3.

Aegon heeft erkend dat zij de schade die [eiser] lijdt als gevolg van het ongeval op 29 september 2015 moet vergoeden. De hoogte van het sub II gevorderde smartengeld heeft [eiser] gebaseerd op de ernst en de lange duur van de klachten en beperkingen die hij als gevolg van het ongeval ervaart en ook op de volgens hem onrechtmatige inbreuk op zijn persoonlijke levensfeer en onterechte beschuldiging van verzekeringsfraude.

3.4.

Als gevolg van het ongeval heeft [eiser] klachten en beperkingen die zijn arbeidsvermogen hebben aangetast en zijn mogelijkheden om huishoudelijke taken en onderhoudsklussen in en om het huis te verrichten hebben verminderd. Voor het becijferen van zijn tot 31 december 2021 geleden verlies aan verdienvermogen heeft [eiser] tot uitgangspunt genomen dat hij in zijn onderneming vanaf 2012 tot en met 2015 gemiddeld € 60.025,00 netto heeft verdiend en dat dit gemiddelde netto inkomen zonder ongeval jaarlijks met 4,5% zou zijn gestegen. Steeds verminderd met wat hij in deze jaren jaarlijks feitelijk netto heeft verdiend, gecorrigeerd/genormaliseerd zoals deskundige [bedrijfseconomisch deskundige] heeft gedaan, levert dat het sub III gevorderde bedrag op.

De contante waarde van de op 1 januari 2022 in de toekomst tot 17 juni 2039 (de dag waarop [eiser] 68 zal worden) te lijden schade wegens verlies aan verdienvermogen is becijferd aan de hand van een netto jaarlijks inkomen van € 74.800,00 (€ 60.025,00 vanaf 2015 tot aan 2020 jaarlijks vermeerderd met 4,5%) zonder ongeval, een netto jaarlijks inkomen van € 22.876,00 met ongeval (d.i. het feitelijk in 2020 gerealiseerde inkomen) en een rekenrente van 1,5% (1,5% inflatie en 0,0% rendement) per jaar gedurende de eerste vijf jaar en 0,7% (2,0 % inflatie en 1,3% rendement) gedurende de latere jaren. Vermeerderd met de contante waarde van de fiscale component (de verschuldigde vermogensrendementsheffing over de uit te keren jaarschades) van € 149.313,00 per 1 januari 2022, is dat het sub IV gevorderde bedrag.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval twee uur per week minder huishoudelijke taken kan verrichten, welke uren vanaf de dag van het ongeval tot en met 2022 kunnen worden begroot tegen een tarief van € 10,00 per uur en vanaf 1 januari 2023 tot de dag waarop [eiser] 76 zal worden, tegen een uurtarief van € 15,00. Na kapitalisatie van de toekomstige schade komt [eiser] op het sub V gevorderde bedrag.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval minder zelf werkzaam kan zijn in en rond zijn vrijstaande koopwoning. Op basis van de richtlijn zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad lijdt hij hierdoor jaarlijks een schade van € 1.556,10, vanaf de dag van het ongeval tot de dag waarop [eiser] 76 zal worden. Na kapitalisatie van de vanaf

1 januari 2023 toekomstige schade komt [eiser] op het sub VI gevorderde bedrag.

3.5.

Het ongeval heeft verder geleid tot reiskosten voor het ondergaan van medische behandeling van zijn klachten en het aanspreken van eigen risico voor zorgkosten, waaronder medicatie. Deze materiële schade moet worden geschat op in totaal € 1.500,00, aldus [eiser] (vordering sub VII).

Aegon dient verder op grond van art. 6:96 BW de kosten te vergoeden die [eiser] voor rechtsbijstand moet maken. Van de tussen 13 oktober 2016 en 4 maart 2021 in rekening gebrachte werkzaamheden, in totaal eeen bedrag van € 54.853,92, laat Aegon het sub VIII gevorderde bedrag onbetaald.

Aegon is verder gehouden te garanderen dat zij inkomstenbelasting die mogelijk over de schadevergoeding zal worden geheven voor haar rekening zal nemen (vordering sub IX).

Op de te vergoeden schade strekken in mindering de bedragen van in totaal € 120.000,00 die Aegon reeds aan [eiser] heeft betaald. Voor zover die bedragen destijds als lening zijn verstrekt moeten zij inmiddels als betalingen van voortschotten op schadevergoeding worden gekwalificeerd, aldus [eiser] .

3.6.

Aegon voert verweer. Zij stelt dat voor persoonlijk onderzoek wel een afdoende rechtvaardiging bestond en voorts, op basis van onder meer de daarbij verkregen informatie, dat [eiser] zijn klachten heeft overdreven om een hogere schadevergoeding te ontvangen en daarom helemaal geen aanspraak op deze schadevergoeding heeft. Aegon betwist verder dat causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten en beperkingen die [eiser] stelt te ervaren. Zij bestrijdt ook de gestelde omvang van de gevorderde schadevergoeding.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat een verzekerde van Aegon tegenover [eiser] een verkeersfout heeft gemaakt en aldus jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Evenmin staat ter discussie dat Aegon op de voet van art. 6 lid 1 WAM gehouden is om de schade die het gevolg is van deze verkeersfout rechtstreeks aan [eiser] te vergoeden. Het gaat in deze zaak om het bestaan en de omvang van deze schade. Daarover wordt het volgende overwogen.

Persoonlijk onderzoek

4.2.

In dit verband wordt het volgende voorop gesteld. Het instellen door een verzekeraar van een persoonlijk onderzoek vormt een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de onderzochte. Een dergelijke inbreuk is in beginsel onrechtmatig. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een dergelijke rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend.

4.3.

Met de Gedragscode heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd invulling te geven aan de hiervoor genoemde belangenafweging. Gelet op de inhoud en opzet van de Gedragscode, kan tot uitgangspunt worden genomen dat indien een verzekeraar in strijd met de code handelt, sprake is van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. Het met die inbreuk verkregen bewijsmateriaal moet als onrechtmatig verkregen worden aangemerkt.1

Inwinnen van informatie bij derden

4.4.

Naar aanleiding van de anonieme tip aan [naam 2] in april 2020 is Aegon, zoals zij in de conclusie van antwoord aangeeft, zelf telefonisch informatie over [eiser] gaan inwinnen bij derden, de personen 1, 2, 3 en 4. Dit kwalificeert als een persoonlijk onderzoek in de zin van de Gedragscode, zoals volgt uit art. 7.1 van de Gedragscode en ook uit de e-mail van 8 februari 2021. De vraag is of destijds voor dit onderzoek een afdoende rechtvaardiging bestond in de zin van de laatste volzin van art. 6:162 lid 2 BW, zoals hiervoor bedoeld. Aegon zal daartoe de nodige feiten moet stellen en zo nodig bewijzen. In dit verband is het volgende van belang.

4.5.

Aegon heeft niet, ook niet nadat [eiser] ter zitting nadrukkelijk de rechtmatigheid van dit onderzoek aan de orde had gesteld, specifiek gesteld welke feiten en omstandigheden haar aanleiding hebben gegeven voor het persoonlijk onderzoek in de vorm van het inwinnen van informatie bij derden. De rechtbank zal de feiten en omstandigheden die Aegon voor het persoonlijk onderzoek in de vorm van observatie heeft gesteld in aanmerking nemen, voor zover deze hadden plaatsgevonden op 14 augustus 2020, toen Aegon informatie bij derden is gaan inwinnen.

4.6.

Voorop staat dat niet in geschil is dat [eiser] tot het afbreken van het gesprek op 26 augustus 2021 steeds heeft voldaan aan verzoeken van Aegon in het kader van het onderzoek naar de schade.

4.7.

Dat medisch adviseur [medisch adviseur] en deskundige [naam neuroloog 2] geen somatische verklaring kunnen geven voor de klachten van [eiser] , wil niet zeggen dat zij het bestaan van deze klachten in twijfel trekken, maar hooguit dat zij onzeker achten dat causaal verband tussen het ongeval en deze klachten bestaat.2 [medisch adviseur] neemt immers uiteindelijk wel aan dat de klachten bestaan, maar is van mening dat deze een andere oorzaak hebben dan het ongeval (zie 2.38.). Ook [naam neuroloog 2] betwijfelt niet dat de klachten bestaan. Hij merkt bovendien, expliciet daarnaar gevraagd, op dat hij geen inconsistenties ziet tussen de anamnese, de medische informatie en zijn eigen onderzoeksbevindingen (zie 2.24.). Aan deze informatie kon Aegon dan ook geen grond voor twijfel aan het bestaan van de gepresenteerde klachten ontlenen. In tegendeel, zij vormt veeleer een bevestiging daarvan.

4.8.

De aanzienlijke omvang van de vordering kon op zichzelf evenmin reden zijn om het overdrijven van klachten en beperkingen te veronderstellen. Deze omvang vormt reden te meer ook het belang van [eiser] zorgvuldig voor ogen te houden.

4.9.

Volgens Aegon (randnummer 2.9 van de conclusie van antwoord) had zij op 14 augustus 2020 nog geen onderzoek gedaan naar de facebookaccounts van [eiser] . Eventuele daaruit blijkende tegenstrijdigheden met verklaringen van [eiser] zijn hier dus niet relevant.

4.10.

De concrete aanleiding voor het inwinnen van informatie vanaf 14 augustus 2020 was in de eerste plaats de anonieme tip aan [naam 2] , begin april 2020 (zie 2.41.). Aegon heeft toen de eerdere schriftelijke tip uit 2017 (zie 2.23.) erbij gepakt, die zij destijds terzijde had gelegd.

4.11.

[eiser] heeft onbetwist opgeworpen dat Aegon in april 2020 ermee bekend was dat hij de arbeidsovereenkomst met bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] had beëindigd en dat tegen [naam bedrijfsleider] over schending van een concurrentiebeding werd geprocedeerd, en voorts dat ook de verstandhouding met [naam 1] en twee ex-werknemers was verslechterd, nadat hij de samenwerking met [naam 1] had opgezegd en hun overnamebod van de hand had gewezen. Dit volgt overigens ook uit de e-mail van 17 april 2018 van [naam 8] aan [naam 2] (productie 25 van [eiser] ), uit pagina 7 van het rapport van [bedrijfseconomisch deskundige] van 30 april 2020 en uit het gespreksverslag van [bedrijfseconomisch deskundige] van 29 oktober 2019. Van deze wetenschap bij Aegon wordt dan uitgegaan. Aegon moest zich dus concreet realiseren dat de verklaringen van deze, mogelijk rancuneuze, personen afkomstig konden zijn. Aegon moest bovendien, op basis van de in 4.7. bedoelde medische informatie en de daaruit blijkende aard van de klachten, in aanmerking nemen dat de gezondheidsklachten van [eiser] niet duidelijk waarneembaar zijn. Van Aegon mocht dan ook worden verwacht dat zij de schriftelijke anonieme verklaring en de telefonische anonieme verklaring aan [naam 2] zou bezien met meer dan de bij anonieme verklaringen gebruikelijke behoedzaamheid. Te meer omdat [naam 2] , de schaderegelaar van Aegon, is getipt en niet Aegon zelf, hetgeen bekendheid met de schaderegeling en de contactgegevens van de schaderegelaar veronderstelt die maar weinigen hadden, onder wie [naam 1] , zoals [eiser] onweersproken heeft opgeworpen. De telefonische tip aan [naam 2] was bovendien, blijkens de door Aegon gestelde inhoud daarvan (randnummer 2.2 van de conclusie van antwoord) erg vaag en weinig overtuigend. De beschuldiging dat [eiser] geen whiplash had en dat sprake was van oplichting is daarin immers enkel erop gebaseerd dat [eiser] op zijn eigen terrein aan het werk was. Dat [eiser] werkte op zijn eigen terrein was op zichzelf niet in strijd met zijn verklaringen over zijn beperkingen tegenover Aegon. De brief uit 2017 is concreter, hoewel [eiser] daarin verklaringen in de mond worden gelegd waarvan Aegon wist dat ze niet juist waren, zoals de verklaring dat hij niets zou kunnen, zelfs niet autorijden. Ook is opmerkelijk dat [eiser] daarin ervan wordt beschuldigd dat hij ‘zijn haren verwilderd doet’, terwijl [eiser] , zoals Aegon weet, bijna kaal is. De rechtbank acht in dit verband veelzeggend dat Aegon destijds naar aanleiding van de brief heeft besloten geen verdere actie te ondernemen. Niettemin acht de rechtbank voorstelbaar dat Aegon, na de tweede tip, begin april 2020, nader onderzoek nodig achtte naar de verklaringen van [eiser] .

4.12.

Dat nadere onderzoek is zij toen gaan doen in de vorm van de opdracht aan [arbeidsdeskundige] , met medeweten van [eiser] , om te rapporteren over eventuele inconsistenties in verklaringen van [eiser] tegenover hem en [bedrijfseconomisch deskundige] . Van alle verklaringen die van [eiser] in de loop van jaren tegenover deze deskundigen over de uitgevraagde onderwerpen zijn vastgelegd, is de enige discrepantie die [arbeidsdeskundige] noemt en Aegon stelt, het verschil in verklaringen over de werkzame uren in het eerste jaar na het ongeval. Concreet gaat het om de door [bedrijfseconomisch deskundige] op 24 oktober 2019, dus meer dan 4 jaar na het ongeval, gehoorde verklaring dat [eiser] in het jaar na het ongeval gemiddeld een half uur per dag heeft kunnen werken, en de op 7 juni 2016 door [arbeidsdeskundige] gerapporteerde verklaring van 23 mei 2016 dat [eiser] sinds januari 2016 probeert om weer 3-4 uur per dag actief te zijn, waarbij is opgemerkt dat de omvang per dag wisselt en ervan afhankelijk is hoe hij zich voelt en wat hij de dag ervoor gedaan heeft (zie hiervoor onder 2.15.). Welbeschouwd kan hier geen duidelijke tegenstrijdigheid worden geconstateerd. Dat [eiser] ruim drie maanden na het ongeval probeert om 3 tot 4 uur per dag te werken sluit bepaald niet uit dat hij in het jaar na het ongeval gemiddeld maar ½ uur per dag daadwerkelijk heeft kunnen werken. In het rapport van [arbeidsdeskundige] kon Aegon dan ook geen bevestiging vinden van de door de tips gewekte argwaan. Zij moest in tegendeel daaruit afleiden dat de verklaringen van [eiser] tegenover de twee deskundigen juist consistent waren. Dat geldt ook als hierbij wordt betrokken dat psycholoog [naam psycholoog] over een gesprek op 11 april 2016 noteert dat [eiser] naar eigen zeggen nog maar 2 uur per dag kan werken (zie 2.13.). Dit past in zijn verklaring tegenover [arbeidsdeskundige] van ruim een maand later dat hij ernaar streeft om 3 tot 4 uur per dag te werken en zou ook best in het aan [bedrijfseconomisch deskundige] gemelde gemiddelde kunnen passen.

4.13.

Dan is er nog de omzetstijging in 2017 ten opzichte van de voorgaande jaren, waarover [bedrijfseconomisch deskundige] rapporteert (zie 2.19. en 2.26.). [eiser] heeft dit verklaard uit de, na de crisisjaren sterk toegenomen marktvraag. Aegon acht die verklaring niet plausibel omdat volgens haar [eiser] meer uren zal moeten werken dan hij stelt te kunnen werken om ook aan deze vraag te kunnen voldoen. Deze tegenwerping kan de rechtbank niet volgen, nog daargelaten dat zij niet is toegelicht. Werkzame uren kunnen immers qua omzet aanmerkelijk effectiever zijn in een markt met veel vraag in vergelijking tot een markt met weinig vraag. Dat de marktvraag in de betreffende periode sterk aantrok is niet in geschil. Bovendien had [eiser] werknemers in dienst om hem werk uit handen te nemen, onder wie in de loop van 2017 ook bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] . Hier komt bij dat de tegenwerping van Aegon impliceert dat [eiser] pas in 2017 meer is gaan werken dan hij heeft opgegeven te kunnen werken. Op dat standpunt stelt Aegon zich echter niet en er is niets dat specifiek daarop wijst. Ook in de omzetstijging in 2017 kan dan geen aanwijzing voor onjuiste verklaringen van [eiser] over klachten en beperkingen worden gevonden.

4.14.

In plaats van vervolgens het minder ingrijpende en later wel uitgevoerde onderzoek op Facebook te doen, of [eiser] te interviewen zoals in artikel 7.1 sub a van de Gedragscode is voorzien, heeft Aegon besloten tot een persoonlijk onderzoek in de vorm van het inwinnen van informatie bij derden. De inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer die dit onderzoek vormt is beperkter dan bij observatie. Toch moet deze inbreuk substantieel worden geacht. Het betreft immers rondvraag in de directe omgeving van [eiser] over zijn moraliteit. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat [eiser] er zelf niet voor heeft gekozen zich tot Aegon te verhouden. Hem is die rechtsverhouding opgedrongen door de keuze van de verzekeringnemer van de achteroprijdende auto om zich bij Aegon te verzekeren.

4.15.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat Aegon, door te besluiten tot een persoonlijk onderzoek in de vorm van het inwinnen van informatie bij derden, niet heeft voldaan aan de artikelen 1.1, 2 en 3 van de Gedragscode. De aanwijzingen voor daadwerkelijke fraude waren erg mager en ook bijzonder discutabel, het uitgevoerde onderzoek vormde meer een contra-indicatie dan een bevestiging van fraude en er waren minder ingrijpende, later wel benutte mogelijkheden voor onderzoek beschikbaar. Ook als de aanzienlijke omvang van de gestelde schade in aanmerking wordt genomen, kan dan niet worden gezegd dat het ingestelde feitenonderzoek Aegon geen of onvoldoende uitsluitsel gaf voor het nemen van een beslissing bij een aanspraak op uitkering, of dat bij Aegon een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude kon zijn ontstaan. Aegon is ingrijpend door gaan rechercheren, omdat zij kennelijk niet vond wat zij zocht, niet omdat daar een afdoende feitelijke grondslag voor was.

4.16.

Hier komt bij dat Aegon ook artikel 4 van de Gedragscode heeft geschonden. De fraudeanalist van Aegon heeft op 14 augustus 2020 achter de tweede tip (persoon 1) aangebeld en op 17 augustus 2020 ook informatie ingewonnen bij persoon 2, op 27 augustus 2020 bij persoon 3 en nadien bij persoon 4. Hiervoor heeft de fraudeanalist echter pas later, op 31 augustus 2020, intern om toestemming verzocht, zo volgt uit de e-mail van 8 februari 2021 (zie 2.50.). Aegon heeft dit niet weersproken. Aangenomen moet dan worden dat de fraudeanalist zonder toestemming van zijn leidinggevende tot het instellen van persoonlijk onderzoek heeft besloten en dat onderzoek toen ook daadwerkelijk is gaan uitvoeren. Dat is volgens artikel 4.3 van de Gedragscode niet toegestaan. Dat achteraf toestemming zou zijn gegeven maakt dat niet anders. Bovendien moet worden aangenomen dat in strijd met artikel 4.1. van de Gedragscode niet is vastgelegd door wie en op welke gronden het besluit is genomen. Desgevraagd heeft Aegon ter zitting verklaard dat zij geen stukken heeft over dit, aan het besluit tot observatie voorafgaande, persoonlijke onderzoek. Verder heeft Aegon in strijd met artikel 9.5 van de Gedragscode [eiser] niet geïnformeerd over de resultaten van de middels het persoonlijk onderzoek verkregen informatie van derden. [eiser] heeft het delen van deze resultaten met een exhibitie-verzoek aan de rechter moeten afdwingen en heeft eerst uit een productie bij de conclusie van antwoord begrepen dat Aegon tot dit onderzoek had besloten.

4.17.

Nu Aegon in strijd met de Gedragscode heeft gehandeld, is sprake van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . Het met het persoonlijk onderzoek in de vorm van het inwinnen van informatie bij derden verkregen bewijsmateriaal moet als onrechtmatig verkregen worden aangemerkt. Concreet betreft het de in 2.45. weergegeven verklaringen van personen 1, 2, 3 en 4.

Observeren van betrokkene

4.18.

In artikel 152 Rv is bepaald dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd.

4.19.

Dat de fraudeanalist, in strijd met de Gedragscode, op eigen houtje tot het op onrechtmatige wijze verkrijgen van bewijs heeft besloten is als een dergelijke bijkomende omstandigheid aan te merken. Bovendien strookt het ook meer in het algemeen niet met het doel van zelfregulering dat een verzekeraar die de Gedragscode schendt daarvoor wordt beloond door het onrechtmatig door haar verkregen bewijs tot haar voordeel te laten strekken.3 De in 2.45. weergegeven verklaringen van personen 1, 2, 3 en 4 worden dan ook in deze procedure ter zijde gelegd, ook bij de beoordeling van de grondslag voor het besluit van Aegon tot het tweede persoonlijk onderzoek in de vorm van observatie. Een ander oordeel zou de noodzaak en de prikkel tot naleving van de Gedragscode wegnemen voor een geval als dit, waarin een opeenvolging van verschillende persoonlijke onderzoeken plaatsvindt.

4.20.

Aan het besluit tot observatie heeft Aegon verder, in aanvulling op de hiervoor reeds besproken feiten en omstandigheden, uitingen op de openbare zakelijke en privé Facebookaccounts van [eiser] ten grondslag gelegd. Het gaat dan, blijkens randnummer 2.32 laatste liggende streepje van de conclusie van antwoord, in de eerste plaats om vier posts, van 13 januari 2017, 28 mei 2018, 4 juni 2018 en 14 september 2018, waarop te zien zou zijn dat [eiser] , anders dan hij heeft verklaard, nog wel trainingen bij Knauf geeft. [eiser] heeft de betreffende posts in het geding gebracht (pagina’s 21, 25, 26 en 36 van productie 16 bij dagvaarding). Daaruit is op te maken, respectievelijk dat een stucdemonstratie wordt gegeven bij een afbouwhandel in Enschede, dat een nieuw type stucmachine te koop staat bij een afbouwhandel in Amsterdam, dat mensen om die nieuwe machine heen staan en dat een stucdemonstratie wordt gegeven bij een afbouwhandel in Volendam. In dit verband is van belang dat [eiser] , zoals hij in randnummers 90 en 127 van de dagvaarding heeft opgeworpen, aan [bedrijfseconomisch deskundige] enerzijds heeft verklaard dat hij de 3-daagse trainingen van 10 uur per dag in opdracht van Knauf niet meer kan verrichten, maar anderzijds ook dat hij drie nieuwe demonstratiemachines heeft besteld. Voor de hand ligt dan dat [eiser] met de trainingen iets anders bedoelde dan het geven van demonstraties. Aegon was van deze verklaringen op de hoogte of had dat moeten zijn. Gegeven deze wetenschap konden de posts hooguit reden zijn om daarover bij [eiser] navraag te doen. Daaruit kon Aegon niet, zoals zij wel heeft gedaan, zonder meer afleiden dat [eiser] niet de waarheid heeft verteld en daarop een observatie-indicatie baseren.

4.21.

Dat geldt ook voor de posts van 9 december 2016 en 5 juni 2019 waaruit Aegon afleidt dat [eiser] , anders dan hij zegt, wel in staat is langere autoritten te maken. Deze posts vermelden dat machines wordt afgeleverd in respectievelijk Volendam en Delft. Daaruit volgt niet dat [eiser] de machines zelf heeft afgeleverd (en niet een van zijn werknemers), dat [eiser] steeds de bestuurder is geweest gedurende deze langere ritten - en niet [naam 1] , zoals [eiser] onweersproken opwerpt op 23 mei 2018 te hebben verklaard - en ook niet dat [eiser] geen rustpauzes heeft genomen tijdens deze ritten.

4.22.

Aegon heeft verder gewezen op 25 pagina’s aan posts met foto’s waarop volgens haar te zien is dat [eiser] (lichamelijk) werk verricht. Dat kan echter hooguit van één of twee foto’s worden gezegd. Het betreft voornamelijk afbeeldingen van afgeleverde stucmachines. Belangrijker is echter dat [eiser] niet heeft verklaard dat hij geen (lichamelijk) werk meer kan verrichten, maar slechts dat hij daarin is beperkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kon Aegon daarom aan deze posts geen aanleiding voor observatie ontlenen.

4.23.

De posts waren dus zo weinig zeggend dat de 4.15. bedoelde afweging nu niet anders kon uitvallen, te meer niet omdat het hier de meest vergaande manier van persoonlijk onderzoek betrof, namelijk observatie. Ook met het besluit tot observatie heeft Aegon dus niet voldaan aan de artikelen 1.1, 2 en 3 van de Gedragscode. Het door observatie verkregen bewijs wordt daarom eveneens buiten beschouwing gelaten. Dat betekent dat de sub I gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is, met dien verstande dat het gaat om twee onrechtmatige persoonlijke onderzoeken waarvan de resultaten bij de boordeling van de zaak niet mogen worden meegewogen.

Geen aanspraak op schadevergoeding?

4.24.

Aegon stelt zich, zoals gezegd, op het standpunt dat [eiser] zijn klachten heeft overdreven om een hogere schadevergoeding te ontvangen en daarom geen aanspraak heeft op deze schadevergoeding. Een juridische grondslag voor een bevrijdend verweer van deze strekking heeft zij niet aangedragen en ziet de rechtbank ook niet. De rechtbank begrijpt het standpunt van Aegon aldus, dat zij het bestaan van de klachten en beperkingen die [eiser] als gevolg van het ongeval stelt te ervaren betwist, onder meer met de resultaten van het persoonlijk onderzoek in de zin van de Gedragscode.

4.25.

De mee te wegen feiten en omstandigheden die Aegon ter betwisting heeft opgeworpen zijn onvoldoende zwaarwegend om het bestaan van de gepresenteerde klachten en beperkingen te betwijfelen. Daarvoor wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen.

4.26.

Aegon heeft ter zitting laten weten dat zij sowieso hoger beroep zal instellen in het geval dat het oordeel van de rechtbank over het persoonlijk onderzoek voor haar negatief zal zijn en dat zij daarom geen prijs stelt op een voorlopig oordeel van de rechtbank daarover ter zitting. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om in dit vonnis ook haar inhoudelijke oordeel over het bewijs te geven, veronderstellenderwijs aangenomen dat het onrechtmatig verkregen bewijs wel bij de beoordeling moet worden betrokken. Dan is het volgende van belang.

4.27.

Aegon heeft ter toelichting op haar betwisting gewezen op de hiervoor onder 2.53. geciteerde passages uit het rapport van I-TEK, die zij in strijd acht met de door [eiser] gepresenteerde klachten en beperkingen. En wel in die zin dat [eiser] stelt dat hij effectief 3 uur per dag kan werken terwijl uit de observatie blijkt dat hij meer uren per dag zakelijk actief is, dat [eiser] stelt dat hij niet lang kan autorijden, maar uit de observatie blijkt dat hij als bestuurder vanuit Volendam naar Nijmegen rijdt en van Nijmegen naar Delft, en dat de gestelde lichamelijk klachten moeilijk zijn te rijmen met het verplaatsen van vier autobanden met velgen, het uitladen van een zware doos of rijplaten, het verplaatsen van een stucmachine en het rijden van een volle aanhangwagen naar de stort zonder hulp van derden, zoals is geobserveerd. In dit verband is het volgende van belang.

4.28.

De enige concrete, door Aegon aangewezen observatie dat [eiser] meer dan 3 uur per dag zakelijk actief is betreft de observatie op 5 maart 2021. Waargenomen is toen (zo blijkt uit de observatiedetails op pagina 10 t/m 13 van het rapport van I-TEK), kort gezegd, dat [eiser] om 08.55 uur met zijn bestelbus, bestuurd door een vrouw, in Wijchen van huis gaat, om 10:36 uur bij de vestiging van [handelsnaam 2] in Volendam arriveert, daar een doos uit de auto pakt, 20 minuten later weer een doos in de bestelbus zet en om 12:08 uur wegrijdt (dit keer is [eiser] de bestuurder). [eiser] is om 13:46 uur weer terug bij de vestiging van [handelsnaam 2] en rijdt dan om 15:06 uur terug naar zijn woning in Wijchen, waar hij, na tussenstops bij tankstations en een korte tussenstop bij het bedrijfspand in Nijmegen, even na 17:50 uur zal arriveren.

4.29.

[eiser] heeft verklaard (zie 2.47.) dat hij per dag hooguit circa 3 uur effectief c.q. declarabel werkzaam kan zijn. Dat is niet hetzelfde als zakelijk actief zijn. [eiser] heeft bovendien aangegeven (zie 2.15, 2.27. en 2.29.) dat zijn belastbaarheid per dag wisselt, dat afgesproken werktijden soms fors werden overschreden, dat hij de neiging heeft zichzelf te overvragen met toenemende klachten tot gevolg en dat ontwikkelingen in zijn bedrijf hem soms dwingen meer uren te werken. Met deze verklaringen is de observatie op 5 maart 2021, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet tegenstrijdig of moeilijk te rijmen.

4.30.

Wat de terugrit vanuit Volendam betreft moet in de eerste plaats worden vermeld dat is geobserveerd dat [eiser] op de heenweg niet de bestuurder maar de bijrijder was. Tijdens de terugrit wordt gezien dat [eiser] twee keer bij tankstations stopt, een keer om te tanken en een keer, zonder geobserveerde reden, op de A1 ter hoogte van Amersfoort, ruwweg halverwege Volendam en Nijmegen c.q. Wijchen. Zoals Aegon heeft opgeworpen heeft [eiser] verklaard dat het soms lukt om 50 kilometer te rijden en dat hij moet rusten om verder te kunnen rijden. Die verklaring is niet wezenlijk in strijd met de observatie.

Niet is geobserveerd dat [eiser] naar Delft rijdt. Op pagina 4 van het rapport van I-TEK staat wel dat uit het Facebookprofiel van [eiser] is gebleken dat hij zaken afleverde in Delft. In dat verband geldt echter wat de rechtbank in 4.21. heeft overwogen.

4.31.

[eiser] heeft verklaard (zie 2.54.) dat hij zelf de zware lichamelijke werkzaamheden niet meer kan doen. Als voorbeeld geeft hij dat het tillen van een motor van ongeveer 35 kg niet meer lukt. [eiser] verklaart echter ook dat hij apparatuur van 300 kg op wielen niet meer op een aanhangwagen kan plaatsen en dat hij apparatuur van 100 kg op wielen eigenlijk ook niet meer op een aanhangwagen kan plaatsen, maar dat hij dit laatste soms toch doet. Dit is in lijn met zijn verklaring dat hij zichzelf soms overvraagt, qua belasting en werkuren.

4.32.

Op 31 maart 2021 is geobserveerd dat [eiser] met de hulp van een vorkheftruck vier autobanden met velgen verplaatst. Op 5 maart 2012 is geobserveerd dat [eiser] twee keer een doos tilt. Niet is opgetekend wat in die doos zat. Aegon heeft niet specifiek verwezen naar passages in het rapport van I-TEK over rijplaten, het verplaatsen van een stucmachine en het rijden van een volle aanhangwagen naar de stort, terwijl dat wel van haar mocht worden verwacht. Aan te nemen valt dat Aegon het oog heeft op observaties van 18 maart 2021 (pagina 15 van het rapport) dat [eiser] één van twee rijplaten uit het bagagegedeelte van een bestelbus trekt en, als de twee rijplaten zijn bevestigd, een (stukadoors)apparaat uit de bestelbus trekt en dit apparaat verplaatst naar de roldeur van het bedrijfspand en voorts op observaties van 17 mei 2021 (pagina 24 van het rapport) dat [eiser] in zijn eentje met een volle aanhangwagen van zijn huis naar de (DAR) milieustraat in Nijmegen rijdt, dat hij daar de slagboom passeert en dat bij terugkeer de aanhangwagen leeg is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn deze observaties echter niet strijdig met de hiervoor in 4.31. bedoelde verklaring. Andere concrete verklaringen van [eiser] waarmee deze observaties in strijd zijn heeft Aegon niet opgeworpen.

4.33.

Niet valt dan ook in te zien dat de resultaten van de observatie niet congruent zijn aan de verklaringen van [eiser] . In tegendeel, nu de paar door Aegon aangehaalde observaties geen wezenlijke tegenstrijdigheden blootleggen en de vele andere observaties haar terecht geen aanleiding geven tot opmerkingen, bevestigt de observatie veeleer de gepresenteerde beperkingen.

4.34.

Dan zijn er de door Aegon opgetekende verklaringen van personen 1, 2, 3 en 4. Zoals de rechtbank hiervoor in 4.11. uiteen heeft gezet is in het algemeen behoedzaamheid geboden bij de beoordeling van anonieme verklaringen en te meer in dit geval, waarin concrete aanwijzingen bestaan dat de verklaringen van mogelijk rancuneuze personen afkomstig zijn. Daarbij neemt de rechtbank aanvullend in aanmerking dat persoon 3 gedetailleerd verklaart over het inschakelen van een bedrijfsleider ten behoeve van revalidatie. Ook dat zal informatie betreffen uit de naaste omgeving van [eiser] .

4.35.

Verder moet, zoals gezegd, worden bedacht dat de gezondheidsklachten van [eiser] niet duidelijk waarneembaar zijn. Aan de verklaringen dat [eiser] geen whiplash heeft, maar (manisch) depressief en overspannen is, omdat hij de druk van zijn bedrijf niet aan kan, kan daarom geen waarde worden gehecht, nog daargelaten dat daarmee niet de klachten als zodanig ter discussie worden gesteld.

4.36.

Dat [eiser] werd betaald om een bedrijfsleider in dienst te nemen om zijn bedrijf uit te breiden terwijl [eiser] zelf een revalidatieprogramma volgde, is Aegon bekend. Daaraan heeft zij haar medewerking verleend. De beschuldiging van die strekking is dus niet valide. Dat geldt ook voor de verklaring dat [eiser] zegt dat of doet alsof hij niet kan autorijden. Aegon weet dat [eiser] consequent niet stelt dat hij geen auto kan rijden, maar alleen dat hij niet lang achter elkaar kan rijden en daarom soms een ander laat rijden of tussenstops maakt.

4.37.

[eiser] heeft genuanceerd verklaard over zijn belastbaarheid, zoals hiervoor in 4.29. en 4.31. is weergegeven. Die verklaringen impliceren niet dat hij bijvoorbeeld helemaal niet kan dansen en springen, dat hij niet iedere dag actief aan het werk kan zijn, dat hij niet meer van alles kan doen in zijn bedrijf of dat hij zijn woning niet meer kan verbouwen.

4.38.

Voor het overige wordt door personen 1, 2, 3, en 4 in algemene zin kwaad gesproken, zonder daarvoor een feitelijke basis uit eigen waarneming te geven. Herhaald zij hier verder dat zowel medisch adviseur [medisch adviseur] als deskundige neuroloog [naam neuroloog 2] het bestaan van de door [eiser] gepresenteerde gezondheidsklachten niet betwijfelen (zie 4.7.). Ook is nog van belang dat [eiser] heeft verduidelijkt dat hij niet meer in staat is meerdaagse trainingen voor Knauf te verzorgen, maar dat hij nog wel stucdemonstraties kan geven in de uitoefening van zijn eigen bedrijf. Aegon heeft dat verder niet weersproken. Gebleken is voorts dat [eiser] na het afstoten van zijn bedrijfspand in Nijmegen zijn onderneming weer vanuit zijn woning is gaan drijven, zodat het geen bevreemding kan wekken dat hij een professionele werkplaats heeft achter zijn woning en dat de bedrijfsactiviteiten daar zijn toegenomen. Ook in dit verband kunnen dus geen tegenstrijdigheden worden geconstateerd.

4.39.

De verklaringen van personen 1, 2, 3 en 4, en de resultaten van observatie, bieden, in samenhang bezien met de overige, hiervoor besproken feiten en omstandigheden, onvoldoende grond voor twijfel aan het bestaan van de door [eiser] gepresenteerde gezondheidsklachten. Aegon heeft haar betwisting onvoldoende toegelicht om tot bewijslevering te worden toegelaten.

Causaal verband?

4.40.

Hiervoor is uiteengezet dat de betwisting van het bestaan van de gezondheidsklachten die [eiser] na het ongeval stelt te ervaren, geen hout snijdt. [naam neuroloog 2] schrijft bovendien over een persisterend patroon van klachten en ziet geen inconsistentie tussen de verklaringen van [eiser] , feiten uit zijn medische dossier en zijn eigen bevindingen. Hij merkt concreet op dat zijn anamnese geheel compatibel is met die van de huisarts en dat, zoals de huisarts heeft aangegeven, sprake is van whiplash. [naam neuroloog 2] acht aannemelijk dat sprake is geweest van een acceleratie-deceleratie trauma met als gevolg een whiplashsyndroom. Ook [arbeidsdeskundige] is, zoals gezegd (zie 4.12.), niet op wezenlijke discrepanties gestuit. [medisch adviseur] wijt het aanhouden van de klachten niet aan het ongeval, maar betwijfelt niet het bestaan ervan. Hier komt bij dat de echtgenote van [eiser] schriftelijk heeft verklaard (productie 4 bij dagvaarding) dat [eiser] sinds het ongeval is veranderd van een levensgenietende duizendpoot die veel dingen tegelijk kon en altijd gelijk schakelde, in een man die heel erg gedesoriënteerd en heel erg moe is, vaak hoofdpijn, nek- en schouderpijn heeft, onsamenhangend is, niet uit zijn woorden komt en chagrijnig is. Er zijn ook overigens geen aanwijzingen dat [eiser] klachten heeft verzonnen of overdreven. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat [eiser] , zoals hij stelt, na het ongeval daadwerkelijk nekklachten, schouderklachten, klachten aan de rechterarm, hoofdpijnklachten, duizelingen, vermoeidheid, vergeetachtigheid, concentratiestoornissen en psychische klachten ervaart.

4.41.

Vervolgens is aan de orde of deze gezondheidsklachten door het ongeval zijn veroorzaakt, zoals [eiser] stelt en Aegon betwist. Sluitend medisch bewijs daarvoor is niet voorhanden. Nu [eiser] echter heeft aangetoond dat zijn klachtenpatroon plausibel is, mogen aan het bewijs van dit oorzakelijk verband geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Causaal verband tussen ongeval en klachten is in beginsel voldoende aannemelijk indien voorafgaand aan het ongeval geen sprake was van dezelfde of vergelijkbare klachten, het ongeval de klachten kan veroorzaken en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.4 Over deze drie vereisten wordt het volgende overwogen.

4.42.

Zoals Aegon opwerpt, heeft [eiser] in de jaren voor het ongeval gezondheidsklachten gehad. Het gaat dan om een burn-out eind 2004, relatieproblemen in 2010, lage rugklachten in 2012 en overgewicht c.q. ‘binge eating’ en schouderklachten na krachttraining in 2013. Deze klachten hebben [eiser] niet ervan weerhouden een goed lopend eigen bedrijf op te bouwen en de Alp d’Huez op te fietsen. Buiten de vijf maanden arbeidsongeschiktheid vanwege de burn-out, hebben deze klachten ook niet geleid tot uitval van [eiser] . Niet is gedocumenteerd dat [eiser] direct voorafgaand aan het ongeval de klachten ervoer die aan het slot van 4.40. zijn vermeld. In tegendeel, de vraag of bij [eiser] voor het ongeval reeds klachten en afwijkingen bestonden heeft deskundige [naam neuroloog 2] expliciet ontkennend beantwoord. Het merendeel van de huidige klachten is ook van bepaald andere aard dan zijn eerdere klachten. Gedocumenteerd is bovendien dat [eiser] zijn klachten aansluitend aan het ongeval heeft gerapporteerd, te beginnen op het aanrijdingsformulier en later bij de fysiotherapeut, de huisarts, de neurologen [naam neuroloog 1] en [naam neuroloog 2] , de psychologen [naam psycholoog] , [psycholoog 2] en Ulrich en ook tijdens de multidisciplinaire intake bij Winnock. Kortom, voor zover [eiser] voor het ongeval gezondheidsklachten had die hij ook na het ongeval ervaart, bestonden die klachten ten tijde van het ongeval al geruime tijd niet. Aangenomen moet dan worden dat voorafgaand aan het ongeval geen sprake was van dezelfde of vergelijkbare klachten.

4.43.

Dat de achteropaanrijding die [eiser] heeft meegemaakt op zichzelf zijn huidige klachten kan hebben veroorzaakt heeft Aegon terecht niet specifiek betwist. [naam neuroloog 2] neemt dat aan, waar hij schrijft dat aannemelijk is dat sprake is geweest van een acceleratie-deceleratie trauma met als gevolg een whiplashsyndroom en het ongeval als whiplashtrauma benoemt. Het is bovendien niet in geschil dat sommige mensen na een achteropaanrijding de klachten ontwikkelen zoals [eiser] die ervaart.

4.44.

Aegon betwist wel gemotiveerd dat een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. Daartoe heeft zij in de eerste plaats gewezen op de in 4.42. genoemde episodes met rug- en schouderklachten voor het ongeval. Het betreft lage rugklachten en een schouderblessure vanwege krachttraining. De rug- en schouderklachten die [eiser] na het ongeval ervaart zijn van heel andere aard. De pre-existente klachten zijn bovendien drie, respectievelijk twee jaar voor het ongeval gerapporteerd en ook weer verdwenen, terwijl [eiser] niet is uitgevallen vanwege deze klachten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan niet in te zien waarom de pre-existente rug- en schouderklachten de huidige, in aansluiting op het ongeval gerapporteerde rug- en schouderklachten zouden kunnen verklaren.

4.45.

Aegon heeft verder gewezen op psychische klachten van voor het ongeval, te weten burn-out, relatieproblemen en ‘binge eating’. Ter zitting heeft zij nog gewezen op de in 2.13. geciteerde onderzoeksbevindingen van [naam psycholoog] . Aegon leidt hieruit af dat [eiser] gevoelig is voor druk en verandering in zijn werk en privésituatie. Onder verwijzing naar de medische adviezen van [medisch adviseur] werpt Aegon vervolgens op dat de hoge druk waaronder [eiser] staat om zijn bedrijf in stand te houden en ook de stress vanwege zijn overgewicht en de maagverkleiningsoperatie, het aanhouden van zijn gezondheidsklachten na het ongeval kunnen verklaren. Ook voor zijn huidige psychische klachten geldt echter dat [eiser] deze geruime tijd voor het ongeval niet heeft ervaren, ondanks zijn jeugdervaringen en het overgewicht en het veeleisende werk dat hij ook toen al had. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij sterker is geworden van het overwinnen van deze pre-existente psychische klachten. Maar ook als met Aegon wordt aangenomen dat [eiser] bij tegenslag kwetsbaarder is voor psychische klachten dan anderen, is dat een omstandigheid die Aegon heeft te nemen zoals zij is.5 Verder geldt dat juist vanwege het ongeval de druk op [eiser] aanmerkelijk is verhoogd. Uit bijvoorbeeld de journaalregels van 24 november 2015, het verslag van [psycholoog 2] van 2 oktober 2016 en het verslag van de intake bij Winnock van 22 februari 2017 volgt namelijk dat juist de lichamelijke en cognitieve klachten en beperkingen die hij na het ongeval is gaan ervaren, tot zorgen om het voortbestaan en de geplande uitbreiding van zijn onderneming hebben geleid. Over de maagverkleiningsoperatie heeft [eiser] onweersproken gesteld dat deze noodzakelijk werd, juist omdat hij, vanwege de hiervoor bedoelde lichamelijke klachten na het ongeval, niet langer in staat was om het nodige aan conditietraining te doen. Stress vanwege zorgen om zijn onderneming en vanwege deze operatie lijkt dan op het ongeval te zijn terug te voeren, zoals [eiser] stelt. Aegon heeft haar betwisting verder niet toegelicht. Een plausibele alternatieve verklaring voor de psychische klachten heeft Aegon dan niet geopperd. In ieder geval is zonder concrete toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk dat de psychische klachten op hetzelfde moment en in dezelfde mate zouden zijn opgetreden, het ongeval weggedacht. Of dat voor de toekomst wel aannemelijk is, betreft een vraag van schadebegroting, waarop de rechtbank hierna in 4.54. zal ingaan.

4.46.

Een deugdelijke alternatieve verklaring voor de huidige klachten ontbreekt dus. De conclusie is dan dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van condicio sine qua non verband tussen het ongeval en (het voortduren van) de door [eiser] gepresenteerde lichamelijke, cognitieve en psychische klachten. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om zich hierover door een psychiater of andere deskundige nog nader te laten voorlichten.

Schadebegroting, smartengeld

4.47.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] bij het ongeval lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft dan op de voet van art. 6:106 aanhef en onder b BW aanspraak op smartengeld. [eiser] voert aan dat hij als gevolg van de hiervoor bedoelde klachten beperkt is in zijn arbeid als zelfstandig ondernemer. Hij kan zijn ambities in dat verband niet meer waarmaken. Zijn arbeidsuitval heeft bovendien tot (financiële) stress en spanning geleid. Ook kan hij niet al het werk in en rond zijn woning meer zelf verrichten en geen bijdrage meer leveren aan het huishouden. Zijn hobby’s, schieten, spinning en fietsen, kan hij niet meer uitoefenen. Aegon wijst er terecht op dat [eiser] geen concrete vergelijkbare gevallen heeft genoemd die een smartengeld van € 40.000,00 rechtvaardigen, maar dat is op zichzelf ook niet nodig. Aegon heeft ter toelichting van haar betwisting ook geen vergelijkbare gevallen genoemd. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de klachten en beperkingen blijvend zijn, dat [eiser] 44 jaar oud was ten tijde van het ongeval en dat de aanrijding niet opzettelijk heeft plaatsgevonden. Zij vindt dan aansluiting bij de nummers 473, 480, 481 en 487 van het Smartengeldboek.

4.48.

Verder is van belang dat Aegon op onrechtmatige wijze ingrijpende persoonlijke onderzoeken heeft uitgevoerd c.q. heeft laten uitvoeren. Begrijpelijk is dat dit het door het ongeval veroorzaakte leed heeft verergerd, zoals [eiser] aanvoert. In de rede ligt ook dat dit (de duur en toon van) de schaderegeling nadelig heeft beïnvloed. De rechtbank ziet vanwege deze aspecten, en met name de onrechtmatige ernstige inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , aanleiding het smartengeld enigszins te verhogen. Het voorgaande overziende, zal het smartengeld worden vastgesteld op een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 september 2015 tot de dag van algehele voldoening.

Verlies aan verdienvermogen

4.49.

De vraag of [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij deze vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen.

4.50.

Op [eiser] rusten stelplicht en bewijslast ter zake van de omvang van de schade waarvan hij vergoeding vordert. Aan hem mogen echter geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die hij in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad: het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan [eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

4.51.

Ter zake van de hypothetische situatie, dus de situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, geldt het volgende.

4.52.

Aegon betwist dat, zonder ongeval, de bedrijfsactiviteiten in Volendam wel succesvol zouden zijn geweest en verdere groei van de onderneming zou zijn gerealiseerd zonder bedrijfsleider en zonder overstap naar een nieuw administratiekantoor. Voor deze betwistingen bieden de dossierstukken op zichzelf aanknopingspunten. [eiser] stelt echter niet dat zonder ongeval de vestiging in Volendam succesvol zou zijn geweest of dat hij zijn onderneming zou hebben uitgebreid. Hij gaat ervan uit dat de winst zonder ongeval gelijk zou zijn aan de gemiddelde winst in de vier jaar voorafgaand aan het ongeval. Toen was er nog geen vestiging in Volendam. Deze is eerst vanaf december 2016 vormgegeven (zie pagina 20 van het rapport van [bedrijfseconomisch deskundige] van 30 april 2020 en paragraaf 5.2 van zijn brief van 29 oktober 2019). [eiser] rekent vervolgens wel met een winstgroei van 4,5% per jaar gedurende de eerste jaren, maar dat is niet gebaseerd op verdere groei c.q. uitbreiding van zijn onderneming, maar op algemene ontwikkelingen in de markt. Vergelijk pagina 12 van het rapport van [bedrijfseconomisch deskundige] van 30 april 2020, waar hij opmerkt dat de stukadoorsmarkt naar verwachting tussen 3,5 en 5,5% per jaar zal stijgen. De betwistingen doen dus niet ter zake.

4.53.

[eiser] had voor het ongeval een bedrijf aan huis, dat na het ongeval naar een bedrijfspand in Nijmegen is verhuisd, zodat [eiser] werk en privé beter kon scheiden, en in maart 2021 weer is terugverhuisd, toen [eiser] had besloten zijn onderneming in afgeslankte vorm voort te zetten. Dit laatste komt terug in de observaties. [eiser] vordert echter geen vergoeding van kosten van het bouwen van een bedrijfspand achter zijn woning. Hetgeen Aegon in dit verband opwerpt, is dan niet relevant.

4.54.

Aegon heeft de gestelde situatie zonder ongeval verder betwist door op te werpen dat [eiser] , vanwege een persoonlijke predispositie voor psychische klachten, in de toekomst hoe dan ook psychische klachten zou hebben ontwikkeld, hetgeen de looptijd van de schade verkort. Haar gedachte is dan dus dat [eiser] , vanwege een kwetsbare persoonlijkheid, ook zonder ongeval op enig moment vanwege psychische klachten zou zijn uitgevallen, zodat de schade wegens verlies aan verdienvermogen vanaf dat moment niet meer gevolg is van het ongeval en dus niet behoeft te worden vergoed. Deze psychische kwetsbaarheid leidt Aegon af uit de in 4.42. e.v. bedoelde (psychologische behandeling vanwege) burn-out eind 2004, relatieproblemen in 2010 en overgewicht c.q. ‘binge eating’ in 2013. Ook wijst Aegon in dit verband op de onderzoeksbevindingen van [naam psycholoog] dat bij [eiser] sprake is van een chronische ontregeling van zijn stressregulatiesysteem, waardoor steeds minder stress nodig is om lichamelijke en psychische klachten te laten ontstaan.

4.55.

Vaststaat dat de burn-out daadwerkelijk heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid, gedurende vijf maanden. Het ongeval heeft 10 jaar later plaatsgevonden. In deze periode heeft [eiser] een goedlopend eigen bedrijf opgebouwd. Hij heeft in deze periode weliswaar ook psychologische hulp gekregen bij het overwinnen van relatieproblemen en overgewicht, maar tot uitval heeft dit niet geleid. Tegen deze achtergrond heeft Aegon onvoldoende concrete aanknopingspunten ervoor geboden dat de predispositie ook zonder ongeval op enig moment tot nadeel zou hebben geleid, in die zin dat [eiser] dan (gedeeltelijk) zou zijn uitgevallen in zijn werk. Het is gebleven bij het suggereren van een mogelijkheid, zonder een redelijkerwijs te verwachten concreet life-event op te werpen en in de tijd te plaatsen. Dat is niet voldoende voor doorbreking van causaal verband.6 Het verweer wordt verworpen. Voor aanvullende voorlichting door een deskundige bestaat dan geen aanleiding.

4.56.

Aegon heeft de overige stellingen van [eiser] over de situatie zonder ongeval niet concreet betwist. Deze stellingen komen de rechtbank niet onredelijk voor. Van deze stellingen wordt verder uitgegaan.

4.57.

Voor de situatie met ongeval is het volgende van belang. In de winst in de drie jaren voor het ongeval is omzet vanwege trainingen voor Knauf begrepen. Aegon betwist dat [eiser] deze trainingen na het ongeval niet meer verzorgt. De rechtbank neemt aan dat Aegon daarmee beoogt te betogen dat de winst uit deze trainingen bij het feitelijke inkomen met ongeval van [eiser] moet worden opgeteld, zodat de schade geringer is. In 4.20. heeft de rechtbank echter al overwogen waarom de betwisting door Aegon geen hout snijdt. Voor deze verhoging van zijn inkomen met ongeval bestaat dan geen grond.

4.58.

Aegon werpt terecht op dat [arbeidsdeskundige] op 3 oktober 2018 heeft opgetekend dat [eiser] 5×5 uur per week werkzaam is en dat een half uur extra per dag wordt voorgesteld. Zij geeft aan niet te begrijpen dat hij thans stelt nog maar 3 uur per dag effectief werkzaam te kunnen zijn.

In de rapporten van [arbeidsdeskundige] wordt gesproken over ‘het verrichten van werkzaamheden’, ‘werken’, ‘uitbreiding van uren’, ‘werkhervatting’ en ‘opbouw van uren’. [eiser] heeft echter slechts het oog op effectieve c.q. declarabele uren, waartoe hij bijvoorbeeld reistijd niet rekent. De uren zijn dus niet vergelijkbaar. Bovendien stelt [eiser] onbetwist dat met de weigering van Aegon, eind 2018, om aanvullend te bevoorschotten, de door [arbeidsdeskundige] voor bestendiging van de uren noodzakelijk geachte balans, werd verstoord. Er bestaat dan onvoldoende aanleiding om niet aan te nemen dat [eiser] , zoals hij stelt, na het ongeval circa 3 uur per dag effectief c.q. declarabel werkzaam is. In ieder geval heeft Aegon met de verwijzing naar dit triviale verschil in uren onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [eiser] na het ongeval met zijn onderneming niet meer inkomen kan genereren dan hij stelt.

4.59.

Over de toename van de omzet na het ongeval in 2017 heeft de rechtbank in 4.13. al het een en ander overwogen. Hier is verder van belang dat deze omzet werd gerealiseerd met inschakeling van een bedrijfsleider in dat jaar en dit vanwege mede daarmee gepaard gaande extra kosten niet leidde tot een beter resultaat. [bedrijfseconomisch deskundige] vermeldt onderaan pagina 15 van zijn rapport van 30 april 2020 dat de inkoopwaarde en bedrijfskosten in 2017 sneller stegen dan de omzet, waardoor er een negatief exploitatieresultaat werd gerealiseerd. Uit het in 4.3 van dat rapport weergegeven overzicht van winst- en verliesrekeningen blijkt dat de omzet in 2018 weer daalde, maar dat als gevolg van een sterk dalende inkoopwaarde ondanks een lichte stijging van de bedrijfskosten een wat hoger resultaat werd behaald. Het verloop van het netto verdienvermogen van [eiser] is weergegeven onder 4.4 op pagina 17 van het rapport van [bedrijfseconomisch deskundige] . Aegon heeft de cijfermatige onderbouwing van dit verloop niet gemotiveerd betwist. Aan de toename van de omzet in 2017 kan dan ook niet de conclusie worden verbonden dat [eiser] na het ongeval met zijn onderneming meer inkomen kan genereren dan hij stelt.

4.60.

De overige door [eiser] gehanteerde uitgangspunten voor het becijferen van zijn schade wegens verlies aan verdienvermogen (zie 3.4.), waaronder de door [bedrijfseconomisch deskundige] toegepaste normalisaties, heeft Aegon niet concreet weersproken. Deze schade kan dan worden begroot op de gevorderde bedragen. Deze zijn dus toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de gevorderde data tot de dag van algehele voldoening.

Huishoudelijke hulp

4.61.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval tot en met zijn 75e levensjaar huishoudelijke taken gedurende 2 uur per week niet meer zelf kan doen, dat zijn echtgenote en dochter deze taken nu vervullen, maar dat het normaal en gebruikelijk is dat daarvoor betaalde arbeidskrachten worden ingehuurd, tegen € 10,00 per uur vanaf 29 september 2015 tot en met 2022 en tegen € 15,00 per uur vanaf 2023. De tot en met 2022 verschenen schade bedraagt dan € 6.960,00 en de contante waarde van de schade vanaf 2023 € 39.010,00, zodat de schade in totaal € 45.970,00 bedraagt.

4.62.

Met de hiervoor vastgestelde aard en omvang van de gezondheidsklachten van [eiser] en met name het gegeven dat hij na het ongeval zijn energie nodig zal hebben voor het exploiteren van zijn resterende onderneming, acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] minder aan het huishouden kan bijdragen dan voor het ongeval. De 2 uur per week baseert [eiser] erop dat Nederlanders gemiddeld 14 uur per week aan huishoudelijke taken besteden en dat hij ⅐ deel daarvan vanwege het ongeval niet meer zelf kan doen. [eiser] stelt weliswaar ook dat de huishoudelijke taken voor het ongeval gelijkelijk tussen zijn echtgenote en hem waren verdeeld, hetgeen Aegon sterk betwijfelt, maar deze stelling is niet dragend voor zijn vordering in dit verband, zodat de rechtbank aan dit partijdebat voorbij gaat. In ieder geval vormt de onweersproken stelling van [eiser] dat hij na de scheiding vier jaar lang alleen met zijn kinderen heeft gewoond en toen alles in het huishouden zelf deed, inclusief koken, een voldoende concrete aanwijzing ervoor dat [eiser] voor het ongeval gedurende ten minste 2 uur per week huishoudelijke taken verrichtte. Dat [eiser] voor het ongeval al voor 3 uur in de week huishoudelijke hulp had, wil niet zeggen dat hij zelf voor werkzaamheden in het huishouden niet 2 uur per week kan zijn uitgevallen. De conclusie is dat het gevorderde bedrag op de voet van art. 6:107 lid 1 BW toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2022 tot de dag van algehele voldoening.

Verlies zelfwerkzaamheid

4.63.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval tot en met zijn 75e levensjaar de zwaardere werkzaamheden in het rond het huis, zoals schilderen en het tuinonderhoud, niet meer zelf kan doen en daarvoor externe hulp moet inschakelen. Voor het begroten van de schade in dit verband wil hij aansluiten bij de normbedragen van de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad, met dien verstande dat zijn woning en tuin groter zijn dan gebruikelijk, maar dat hij nog wel kan assisteren bij minder zware werkzaamheden, zodat die bedragen per saldo redelijk en adequaat zijn. De tot en met 2022 verschenen schade bedraagt dan € 11.115,00 en de contante waarde van de schade vanaf 2023 € 42.152,00, zodat de schade in totaal € 53.267,00 bedraagt.

4.64.

Met de hiervoor vastgestelde aard en omvang van de gezondheidsklachten van [eiser] en met name het gegeven dat hij na het ongeval zijn energie nodig zal hebben voor het exploiteren van zijn resterende onderneming, acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] de zwaardere werkzaamheden in en rond zijn woning niet meer zelf kan verrichten en een tuinman moet inschakelen. Het enkele feit dat [eiser] stelt een grotere woning en tuin te hebben dan gebruikelijk en voor het ongeval relatief lange werkweken maakte, is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] voor het ongeval al een tuinman had, zoals Aegon heeft geopperd. Niets wijst daar concreet op. Dit verweer is dan ook onvoldoende toegelicht. Dat [eiser] de kosten van de tuinman niet heeft onderbouwd is niet zo relevant, nu hij vergoeding van normbedragen vordert die zijn vastgesteld ter voorkoming van een kostbare discussie over de concrete schade. Aegon heeft de motivering van [eiser] dat bij de gehanteerde normbedragen kan worden aangesloten verder niet betwist. Die motivering komt de rechtbank overtuigend voor. Het gevorderde bedrag is dan op de voet van art. 6:107 lid 1 BW toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2022 tot de dag van algehele voldoening.

Overige materiële schade

4.65.

[eiser] vordert een veroordeling tot betaling van € 1.500,00 aan overige materiële schade, bestaande in reiskosten, eigen risico zorgverzekeraar en aanschaf medicatie. Hij verzoekt om de omvang van deze schadepost te schatten, omdat hij niet beschikt over bonnetjes en het nader specificeren van deze kosten hem te ver gaat. Het is echter niet zo dat de omvang van deze schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Aegon werpt bovendien onweersproken op dat maar de vraag is of [eiser] , het ongeval weggedacht, het eigen risico niet ook had aangesproken. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing bestaat voor het toewijzen van deze schadepost dan onvoldoende grond.

Buitengerechtelijke kosten

4.66.

[eiser] vordert een bedrag van € 25.479,81 ter zake van de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand (€ 32.374,86 waarop Aegon in mindering een bedrag van € 6.895,05 heeft voldaan). Een specificatie van deze kosten heeft hij uiteindelijk als productie 26 in het geding gebracht. Daaruit volgt dat het gaat om 175,30 uur aan werkzaamheden tussen 13 oktober 2016 en 8 maart 2021, waarvan 164,20 uur daadwerkelijk in rekening zijn gebracht. Aegon heeft deze specificatie niet meer betwist. De dagvaarding is op 8 november 2022 betekend. Niet aannemelijk is dan dat een wezenlijk deel van deze uren is besteed aan de voorbereiding van de gedingstukken of ter instructie van de zaak, zoals Aegon nog heeft opgeworpen. Uit de dossierstukken volgt dat de advocaat van [eiser] zich in de loop van de jaren intensief met de schaderegeling heeft bemoeid. De omvang van de schade is bovendien aanzienlijk. De gehanteerde uurtarieven zijn niet buitensporig te achten, mede gelet erop dat de advocaat van [eiser] gespecialiseerd is in zaken als de onderhavige. De rechtbank acht dan zowel het maken van de kosten als de omvang ervan redelijk. De vordering is toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2022 tot de dag van algehele voldoening.

Fiscale garantie

4.67.

Aegon heeft niet betwist dat zij gehouden is een deugdelijke fiscale garantie over het totaal van de toegewezen schadevergoedingen te verstrekken. Zij zal daartoe worden veroordeeld.

Reeds betaalde bedragen

4.68.

Vaststaat dat Aegon, naast het hiervoor besproken bedrag van € 6.895,05, reeds een bedrag van in totaal € 120.000,00 aan [eiser] heeft betaald. Een deel van laatstgenoemd bedrag is ten titel van geldlening betaald en niet als (voorschot op) schadevergoeding. Aegon heeft zich echter in deze procedure op het standpunt gesteld dat met het totale bedrag van € 120.000,00 de schade is vergoed en dat dit bedrag op de te betalen schadevergoeding in mindering moet worden gebracht indien de rechtbank een hoger bedrag aan schadevergoeding zal toewijzen. Dit laatste is aan de orde, zodat ervan wordt uitgegaan dat het gehele bedrag van € 120.000,00 bij wege van voorschot op schadevergoeding is betaald en, zoals [eiser] heeft gevorderd, op de hiervoor toewijsbaar geoordeelde schadevergoeding in mindering moet worden gebracht.

Proceskosten

4.69.

Aegon zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 125,03

- griffierecht 2.277,00

- salaris advocaat ‭8.494‬,00 (2,0 punten × tarief € 4.247,00)‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬

Totaal € ‭10.896,03‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬

4.70.

De veroordeling in de nakosten is toewijsbaar zoals gevorderd.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de in opdracht van, althans door Aegon uitgevoerde persoonlijke onderzoeken op onrechtmatige gronden zijn uitgevoerd en dat Aegon daardoor onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat dientengevolge het met de persoonlijke onderzoeken verkregen onrechtmatige bewijs niet mag worden meegewogen bij de beoordeling van de onderhavige schadezaak,

5.2.

veroordeelt Aegon om ter zake van smartengeld aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 29 september 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Aegon om ter zake van de tot en met 2021 geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 262.991,00 (tweehonderdtweeënzestigduizend negenhonderdeenennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over de afzonderlijke jaarschades zoals toegelicht onder randnummer 158 van de dagvaarding, steeds tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Aegon om ter zake van de vanaf 1 januari 2022 geleden en te lijden schade wegens verlies aan verdienvermogen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.323.159,00 (één miljoen driehonderddrieëntwintigduizend honderdnegenenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2022 tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt Aegon om ter zake van geleden en te lijden schade wegens benodigde huishoudelijke hulp aan [eiser] te betalen een bedrag van € 45.970,00 (vijfenveertigduizend negenhonderdzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 november 2022 tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Aegon om ter zake van geleden en te lijden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid aan [eiser] te betalen een bedrag van € 53.267,00 (drieënvijftigduizend tweehonderdzevenenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 november 2022 tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt Aegon om ter zake van verschuldigde kosten voor buitengerechtelijke rechtsbijstand aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.479,81 (vijfentwintigduizend vierhonderdnegenenzeventig euro en eenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 8 november 2022 tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt Aegon om aan [eiser] een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken over het totaal van de toegewezen schadevergoedingen,

5.9.

bepaalt dat op de hiervoor toegewezen bedragen het reeds door Aegon bij wijze van voorschotten betaalde bedrag van € 120.000,00 in mindering wordt gebracht,

5.10.

veroordeelt Aegon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € ‭10.896,03‬, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬

5.11.

veroordeelt Aegon in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Aegon niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de in 5.1. gegeven verklaring voor recht,

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af. ECLI:NL:RBGEL:2024:267

1Vergelijk HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942 en Hof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1004.

2Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2016:1004, r.o. 6.11.

3Vergelijk HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942.

4Zie onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 23 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1759 en 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10024.

5Vergelijk HR 4 november 1988, NJ 1989/751.

6Dit volgt uit HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590 en HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397.